Naar het middelpunt der Aarde

Chapter 3

Chapter 33,967 wordsPublic domain

"Gelooft gij," zeide ik, "dat het aantal van die vermetelen zoo groot zou zijn?"

"Zeker! Wie zou aarzelen om zulk een roem te verwerven? Als dit document bekend was, zou een heirleger van geologen het voetspoor van Arne Saknussemm volgen!"

"Daarvan ben ik nog niet overtuigd, oom! want niets bewijst de echtheid van dit document."

"Wat! En het boek, waarin wij het ontdekt hebben?"

"Goed! Ik stem toe, dat die Saknussemm deze regels geschreven heeft; maar volgt daaruit, dat hij inderdaad die reis heeft volbracht, en kan dat oude perkament geene bedriegerij behelzen?"

Het speet mij bijna, dat ik dit wel wat gewaagde woord had gesproken; de professor fronste zijn dikke wenkbrauwen en ik vreesde den uitslag van dit gesprek in de waagschaal te hebben gesteld. Gelukkig liep het goed af. Een vluchtig glimlachje krulde de lippen van den strengen spreker en hij antwoordde:

"Dat zullen wij eens zien."

"Zoo!" zeide ik een weinig verstoord, "maar veroorloof mij om de reeks van tegenwerpingen met betrekking tot dit document te voltooien."

"Spreek, mijn jongen! spreek ongedwongen. Ik geef u volle vrijheid om uwe meening te uiten. Gij zijt niet meer mijn neef, maar mijn ambtgenoot. Ga dus voort."

"Welnu! dan zal ik u vooreerst vragen, wat die Yocul, die Sneffels en die Scartaris zijn, waarvan ik nooit heb hooren spreken."

"Niets is gemakkelijker. Ik heb onlangs van mijn vriend August Petermann uit Leipzig eene kaart gekregen; zij kon niet beter van pas komen. Krijg den derden atlas uit het tweede vak van de groote bibliotheek, reeks Z. de vierde plank."

Ik stond op en, dank zij deze juiste aanwijzingen, vond ik spoedig den gevraagden atlas. Mijn oom opende hem en zeide:

"Dit is eene der beste kaarten van IJsland, die van Handerson, en ik geloof, dat zij ons de oplossing van al uwe bezwaren zal geven."

Ik boog mij over de kaart.

"Ziet gij dit eiland uit vulkanen bestaande?" zeide de professor. "Let op, zij dragen allen den naam van Yocul. Dat woord beteekent in het ijslandsch "gletscher," en onder de hooge breedte van IJsland banen de meeste uitbarstingen zich een weg door de ijsbeddingen. Van daar die benaming van Yocul voor al de vuurspuwende bergen des eilands."

"Goed," antwoordde ik, "maar wat is de Sneffels?"

Ik hoopte, dat hij mij op deze vraag het antwoord schuldig zou blijven. Ik bedroog mij. Mijn oom hernam:

"Volg mij naar de westkust van IJsland. Ziet gij Reikiavik, de hoofdplaats? Ja? Goed. Ga langs de ontelbare fjörds van die door de zee afgeknaagde kusten opwaarts, en houd even op onder den vijf en zestigsten breedtegraad. Wat ziet gij daar?"

"Eene soort van schiereiland, gelijk aan een ontvleescht been, uitloopende in eene verbazend groote knieschijf."

"De vergelijking is juist, mijn jongen! en bemerkt gij niets op die knieschijf?"

"Ja! een berg, die in de zee schijnt uit te steken."

"Goed! dat is de Sneffels."

"De Sneffels?"

"Dezelfde, een vijfduizend voet hooge berg, een van de merkwaardigste des eilands en voorzeker de beroemdste der geheele wereld indien zijn krater in het middelpunt van den aardbol uitloopt."

"Maar dat is onmogelijk!" riep ik uit, de schouders ophalende en geërgerd door zulk eene vooronderstelling.

"Onmogelijk!" antwoordde professor Lidenbrock op een gestrengen toon. "En waarom?"

"Omdat die krater natuurlijk versperd is door de lava, de gloeiende steenen, en dus...."

"En als het een uitgedoofde krater is?"

"Een uitgedoofde?"

"Ja. Het aantal nog werkende vulkanen op de oppervlakte van den aardbol bedraagt tegenwoordig slechts omtrent drie honderd; maar er bestaan veel meer uitgedoofde vulkanen. De Sneffels nu behoort onder deze laatste, en in historische tijden heeft er maar ééne uitbarsting plaats gehad, in 1219; sedert dat tijdstip is zijn geweld langzamerhand bedaard en thans behoort hij niet meer tot de werkende vulkanen."

Op die stellige verzekeringen kon ik niets meer antwoorden, en dus ging ik over tot de andere duisterheden, die het document bevatte.

"Wat beteekent dat woord Scartaris," vroeg ik, "en wat heeft de eerste Juli daarmee te maken?"

Mijn oom dacht een poosje na. Ik hoopte een oogenblik, maar ook slechts één, want weldra antwoordde hij mij aldus:

"Wat gij duisterheid noemt is voor mij licht. Het bewijst de vernuftige zorg, waarmede Saknussemm zijne ontdekking heeft willen aanwijzen. De Sneffels bestaat uit verscheidene kraters; het was dus noodig den krater aan te duiden, die naar het middelpunt van den aardbol voert. Wat heeft nu de geleerde IJslander gedaan? Hij heeft opgemerkt, dat tegen den eersten Juli, dus in de laatste dagen der maand Juni, één van de pieken des bergs, de Scartaris, zijne schaduw verlengt tot aan de opening van den bedoelden krater, en hij heeft het feit in zijn document aangeteekend. Kon hij eene nauwkeuriger aanwijzing bedenken, en kunnen wij, als wij eens den top van den Sneffels bereikt hebben, met mogelijkheid den rechten weg missen?"

Het was duidelijk, mijn oom had op alles een antwoord. Ik zag wel, dat hij niet te vatten was op de woorden van het oude perkament. Ik drong er dus niet langer op aan, en daar ik hem boven alles moest overtuigen, ging ik over tot de wetenschappelijke tegenwerpingen, die mijns inziens vrij wat gewichtiger waren.

"Welaan," zeide ik, "ik moet bekennen, dat de zin van Saknussemm duidelijk is en geen twijfel overlaat. Ik sta zelfs toe, dat het document er volkomen echt uitziet. Die geleerde is naar den Sneffels gegaan; hij heeft de schaduw van den Scartaris vóór den eersten Juli de randen van den krater zien treffen; hij heeft zelfs in de volks-overleveringen van zijn tijd hooren vertellen, dat die krater op het middelpunt der aarde uitliep; maar wat aangaat, dat hij zelf er bij gekomen zou zijn, dat hij de reis zou gedaan hebben en teruggekeerd zou zijn, in geval hij haar ondernomen heeft, neen! duizendmaal neen!"

"En om welke reden?" zeide mijn oom op een bijzonder spottenden toon.

"Omdat alle theoriën der wetenschap betoogen, dat zulk eene onderneming onuitvoerbaar is!"

"Zeggen alle theoriën dat?" antwoordde de professor, een heel onnoozel gezicht zettende. "O, die akelige theoriën! wat zullen die arme theoriën ons hinderen!"

Ik zag dat hij met mij spotte, maar ging toch voort.

"Ja! het is bewezen, dat de warmte omstreeks één graad toeneemt bij iedere zeventig voet diepte onder de oppervlakte van den aardbol; neemt men nu aan, dat die verhouding dezelfde blijft, dan heerscht er, daar de straal der aarde vijftien honderd uur gaans bedraagt, in het middelpunt een warmtegraad van twee millioen graad. De stoffen in het binnenste der aarde bevinden zich derhalve in den toestand van witgloeiend gas, want de metalen, het goud, het platina, de hardste rotsblokken zijn niet bestand tegen zulk eene hitte. Ik mag dus met grond vragen, of het mogelijk is om in zulk een middelpunt door te dringen!"

"Dus is het de warmte, die u verlegen maakt, Axel?"

"Zonder twijfel. Al kwamen wij slechts tot eene diepte van tien uur gaans, dan zouden wij reeds de grens der aardschors bereikt hebben, want de warmtegraad is daar hooger dan dertien honderd graad."

"En gij zijt bang om te smelten?"

"Gij kunt die vraag zelf wel beantwoorden," zeide ik verstoord.

"Zie hier mijn antwoord," hernam professor Lidenbrock met een deftig gezicht; "noch gij, noch iemand anders weet met zekerheid wat er in het binnenste van den aardbol omgaat, dewijl men nauwelijks het twaalf duizendste deel van zijn straal kent; de wetenschap is bij uitstek vatbaar voor volmaking en iedere theorie wordt gestadig omvergeworpen door eene nieuwe theorie. Heeft men tot Fourier toe niet geloofd, dat de warmtegraad van het hemelruim steeds verminderde, en weet men tegenwoordig niet, dat de grootste koude der luchtgewesten de veertig of vijftig graad onder nul niet te boven gaat? Waarom zou dat ook niet het geval kunnen zijn met de inwendige warmte? Waarom zou zij niet op eene zekere diepte eene onoverkomelijke grens bereiken, in plaats van toe te nemen tot den graad van smelting der hardste delfstoffen?"

Toen mijn oom de vraag op het gebied der vooronderstellingen overbracht, kon ik niet meer antwoorden.

"Welnu! ik zal u zeggen, dat echte geleerden, Poisson o.a., bewezen hebben dat, indien er eene warmte van twee millioen graad in het binnenste van den aardbol heerschte, de witgloeiende gassen, ontstaande uit de gesmolten stoffen, zulk een spankracht zouden krijgen, dat de aardschors haar geen tegenstand zou kunnen bieden en springen moest, gelijk de wanden van een stoomketel door de kracht van den stoom."

"Dat is het gevoelen van Poisson, oom! ziedaar alles."

"Toegestemd! maar het is ook het gevoelen van andere voorname geologen, dat het binnenste van den aardbol niet bestaat uit gas of water, noch uit de zwaarste steenen, die wij kennen; want in dat geval zou de aarde tweemaal lichter zijn."

"O! met cijfers kan men alles bewijzen wat men wil."

"En is het met feiten ook zoo, mijn jongen? Is het niet zeker dat het aantal vulkanen aanzienlijk verminderd is sedert de eerste dagen der wereld, en kan men, als er eene inwendige warmte bestaat, daaruit niet besluiten, dat zij gaandeweg afneemt?"

"Oom! als gij het velt der gissingen betreedt, kan ik niet langer redetwisten."

"En ik moet zeggen, dat mijn gevoelen ondersteund wordt door dat van zeer bevoegde personen. Herinnert gij u het bezoek, dat de beroemde engelsche scheikundige Humphry Davy in 1825 bij mij aflegde?"

"Zeker niet, want ik werd eerst negentien jaar later geboren."

"Welnu! Humphry kwam mij op zijne doorreis te Hamburg bezoeken. Wij bespraken onder andere punten ook lang de veronderstelling van de vloeibaarheid van de kern der aarde. Wij waren het beiden eens, dat die vloeibaarheid niet kon bestaan; om eene reden, waarop de wetenschap nooit het antwoord gevonden heeft."

"En welke is die reden?" vroeg ik een weinig verwonderd.

"Omdat die vloeibare massa, even als de Oceaan, aan de aantrekkingskracht der maan onderhevig zou zijn, en bij gevolg zouden er tweemaal daags inwendige vloeden plaats hebben, die de aardkorst opheffende, regelmatig terugkeerende aardbevingen zouden veroorzaken!"

"Maar het is toch stellig zeker, dat de oppervlakte van den aardbol aan verbranding heeft bloot gestaan, en men mag dus veronderstellen, dat de buitenste korst het eerst is afgekoeld, terwijl de warmte naar het middelpunt week."

"Dat is een dwaling," antwoordde mijn oom; "de aarde is verwarmd door de verbranding harer oppervlakte en op geen andere wijze. Hare oppervlakte bestond uit eene groote menigte metalen, zooals het potassium, het sodium, die de eigenschap hebben van te ontvlammen door eene bloote aanraking met het water en de lucht; die metalen ontbrandden, toen de dampen uit de lucht als regen op den grond vielen, en langzamerhand, toen het water in de scheuren van de aardkorst doordrong, gaven zij aanleiding tot nieuwe branden met ontploffingen en uitbarstingen. Van daar die talrijke vulkanen in de eerste dagen der wereld."

"Maar dat is eene zeer vernuftige gissing!" riep ik een weinig tegen wil en dank uit.

"En die Humphry Davy mij op deze zelfde plaats duidelijk maakte door eene zeer eenvoudige proef. Hij vervaardigde een metalen bol, hoofdzakelijk bestaande uit de pas genoemde metalen en die nauwkeurig onzen aardbol voorstelde; als men een fijne dauw op zijne oppervlakte liet vallen, zwol deze op, roestte en vormde een bergje; een krater ontstond op den top; de uitbarsting had plaats en deelde aan den bol zulk een warmte mede, dat het onmogelijk werd hem in de hand te houden."

Ik werd waarlijk aan het wankelen gebracht door de bewijsgronden van den professor; hij droeg ze bovendien voor met zijn gewone vuur en geestdrift.

"Gij ziet, Axel!" voegde hij er bij, "dat de toestand van de kern der aarde tot velerlei gissingen onder de geologen aanleiding heeft gegeven, niets is minder bewezen dan dit feit van eene inwendige hitte; volgens mijn gevoelen bestaat zij niet en kan zij niet bestaan; wij zullen het echter onderzoeken en even als Arne Saknussemm zullen wij weten, waaraan wij ons met betrekking tot dit gewichtige vraagstuk te houden hebben."

"Welnu! ja!" antwoordde ik, bijna door dezelfde geestdrift bezield, "ja, wij zullen het zien, als men er ten minste zien kan."

"En waarom niet? kunnen wij niet op electrische verschijnselen rekenen om ons te verlichten, en zelfs op den dampkring, dien de drukking misschien nabij het middelpunt lichtgevend maakt?"

"Ja!" zeide ik; "ja! dat is ten minste mogelijk."

"Het is zeker," antwoordde mijn oom zegevierend; "maar zwijg, hoort gij? zwijg over dit alles, opdat niemand op de gedachte kome om voor ons het middelpunt der aarde te ontdekken."

HOOFDSTUK VII

Naar het middelpunt der aarde.--Een onmogelijke reis.-- Toebereidselen tot het vertrek.--Reikiavik.--De koffer moet gepakt worden.--Naar den kelder?

Zoo liep deze gedenkwaardige zitting af. Dit gesprek maakte mij koortsig. Ik verliet als bedwelmd het vertrek van mijn oom, en er was geen lucht genoeg in de straten van Hamburg om mij te doen bijkomen. Ik ging daarom naar den oever der Elbe, ter plaatse waar de stoomboot ligt, die de stad in gemeenschap brengt met den spoorweg van Harburg.

Was ik overtuigd door hetgeen ik gehoord had? Was ik niet onder den invloed van professor Lidenbrock geweest? Moest ik zijn besluit om naar het middelpunt van de inwendige ruimte der aarde te gaan voor ernstig gemeend houden? Had ik de zinnelooze bespiegelingen van een gek of de wetenschappelijke gevolgtrekkingen van een groot vernuft gehoord? Hoe het ook zijn mocht, waar eindigde de waarheid, waar begon de dwaling?

Ik dobberde tusschen duizend tegenstrijdige veronderstellingen, zonder mij aan eene enkele te kunnen vastklemmen.

Echter herinnerde ik mij, dat ik overtuigd was geworden, hoewel mijn geestdrift begon te bekoelen; maar ik zou gaarne onmiddellijk vertrokken zijn om geen tijd te hebben tot nadenken. Ja, het zou mij niet aan moed ontbroken hebben om oogenblikkelijk mijn valies vast te gespen.

Ik moet evenwel bekennen, dat een uur later die overspanning afnam; mijne zenuwen verslapten en uit de diepe afgronden der aarde steeg ik weder opwaarts naar hare oppervlakte.

"Het is ongerijmd!" riep ik uit; "het gelijkt nergens naar! Het is geen ernstig voorstel, dat men een verstandigen jongen kan doen. Niets van dat alles bestaat. Ik heb slecht geslapen! ik heb een benauwden droom gehad."

Intusschen had ik de oevers van de Elbe gevolgd en de stad omgewandeld. Na de haven langs gegaan te zijn, kwam ik op den weg naar Altona. Een voorgevoel bestuurde mij, een verwezenlijkt voorgevoel, want ik bemerkte spoedig mijne lieve Gräuben, die vlug ter been en opgeruimd naar Hamburg terugkeerde.

"Gräuben!" riep ik haar van verre toe.

Het jonge meisje bleef een weinig verschrikt staan, ik denk omdat zij zich op een grooten weg hoorde toeroepen. In tien stappen was ik naast haar.

"Axel!" riep zij verwonderd uit. "Wat! komt gij mij te gemoet! Dat is lief van u, mijnheer!"

Maar, toen zij mij aanzag, bemerkte Gräuben mijn ongerust en ontsteld gelaat.

"Wat scheelt er aan?" zeide zij, mij de hand toereikende.

"Wat er aan scheelt, Gräuben!" riep ik.

In twee seconden en met drie volzinnen was het lieve meisje op de hoogte van de zaak. Zij zweeg gedurende eenige oogenblikken. Klopte haar hart gelijk het mijne? ik weet het niet; maar hare hand beefde niet in de mijne. Wij gingen wel honderd schreden ver zonder een woord te wisselen.

"Axel!" zeide zij eindelijk.

"Lieve Gräuben!"

"Dat zal eene schoone reis zijn."

Ik sprong op bij die woorden.

"Ja, Axel! en den neef van een geleerde waardig. Het is goed, als een man zich onderscheidt door de eene of andere groote onderneming!"

"Hoe! Gräuben! gij raadt mij niet af om zulk een tocht te wagen?"

"Neen! lieve Axel! en ik zou u en uw oom gaarne vergezellen, als een arm meisje u niet tot last moest zijn."

"Spreekt gij de waarheid?"

"De waarheid."

Ach! meisjes, vrouwen, vrouwenharten! wat zijt gij toch onbegrijpelijk! Als gij niet de beschroomdste aller levende wezens zijt, zijt gij de dapperste! De rede heeft geen invloed op u. Hoe! dit kind moedigde mij aan om deel te nemen aan dien tocht. Zij zou niet gevreesd hebben om het waagstuk te ondernemen. Zij spoorde mij er toe aan, en toch beminde zij mij!

Ik was van mijn stuk gebracht en, waarom zou ik het verzwijgen? beschaamd.

"Gräuben!" hernam ik, "wij zullen zien, of gij morgen nog zoo zult spreken."

"Morgen, lieve Axel! zal ik spreken als van daag."

Gräuben en ik, elkander bij de hand houdende, maar een diep stilzwijgen bewarende, vervolgden onzen weg. Ik was diep geschokt door de aandoeningen van dezen dag.

"In elk geval," dacht ik, "zijn wij nog ver van den 1sten Juli, en in dien tusschentijd zal er wel iets plaats hebben, dat mijn oom geneest van zijne gril om onder den grond te reizen."

Het was avond, toen wij bij het huis in de Koningstraat kwamen. Ik dacht de woning in rust, oom naar gewoonte te bed en de goede Martha bezig te vinden met de eetzaal voor het laatst aan te stoffen.

Maar ik had niet op het ongeduld van den professor gerekend. Hij schreeuwde en was druk in de weer te midden van een hoop sjouwers, die eenige goederen in de gang nederlegden; de oude meid wist geen raad.

"Kom dan toch, Axel! haast u toch, ongelukkige!" riep mijn oom, zoodra hij mij in de verte zag, "uw valies is nog niet gepakt, mijne papieren zijn nog niet in orde, ik vind den sleutel van mijn reiszak niet en mijne reiskousen komen maar niet!"

Ik stond versuft. Ik kon niet spreken. Met moeite kon ik deze woorden uitbrengen:

"Gaan wij dan vertrekken?"

"Ja! ongeluksvogel, die liever gaat wandelen, in plaats van hier te blijven!"

"Gaan wij vertrekken?" herhaalde ik met eene zwakke stem.

"Ja! overmorgen ochtend met zonsopgang."

Ik kon het niet langer aanhooren en vluchtte naar mijn kamertje.

Er viel niet meer aan te twijfelen; mijn oom had den namiddag gebruikt om zich een gedeelte der voor zijne reis noodzakelijke voorwerpen en gereedschappen aan te schaffen; de gang was versperd door touwladders, touwen met knoopen, toortsen, waterflesschen, ijzeren haken, breekijzers, met ijzer beslagen stokken, houweelen, genoeg om ten minste tien man te beladen.

Ik bracht een verschrikkelijken nacht door. Den volgenden morgen vroeg hoorde ik mij roepen. Mijn besluit stond vast om mijne deur niet te openen. Maar hoe kon ik weerstand bieden aan de zoete stem, die deze woorden sprak: "lieve Axel!"

Ik kwam uit mijne kamer, Ik dacht, dat mijn ontdaan gelaat, mijne bleekheid, mijne oogen, rood van slapeloosheid, hunne uit werking op Gräuben niet zouden missen en haar van gedachte doen veranderen.

"Ha, lieve Axel!" zeide zij mij, "ik zie, dat gij wat beter zijt en de nacht u kalmer heeft doen worden."

"Kalmer doen worden!" riep ik uit.

Ik liep naar mijn spiegel. En ja wel! ik zag er niet zoo akelig uit als ik vermoedde. Het was haast niet om te gelooven.

"Axel!" zeide mij Gräuben, "ik heb lang met mijn voogd gesproken. Hij is een stout geleerde, een man van moed, en gij moet niet vergeten, dat zijn bloed in uwe aderen stroomt. Hij heeft mij zijne plannen, zijne verwachtingen, waarom en hoe hij zijn doel hoopt te bereiken, alles verteld. Hij zal slagen, ik twijfel er niet aan. O, lieve Axel! het is schoon zich zoo voor de wetenschap op te offeren! Welk een roem verbeidt den heer Lidenbrock en zal afstralen op zijn reisgenoot! Bij uwe terugkomst, Axel! zult gij een man zijn, zijns gelijke, vrij om te spreken, vrij om te handelen vrij ook om...."

Het meisje bloosde en zweeg. Hare woorden gaven mij weder moed. Ik trok Gräuben mede naar de kamer van den professor.

"Oom!" zeide ik, "is het vast bepaald, dat wij vertrekken?"

"Wat! twijfelt gij er nog aan?"

"Neen!" zeide ik om hem niet boos te maken. "Ik wilde slechts vragen, waarom wij zooveel haast hebben?"

"De tijd, de tijd vliegt immers met snelle vaart voort en kan niet teruggeroepen worden!"

"Maar wij hebben eerst den 26sten Mei, en tot aan het einde van Juni...."

"Denkt gij dan, domoor! dat men zoo gemakkelijk op IJsland komt? Waart gij niet als een gek weggeloopen, dan zou ik u medegenomen hebben naar het goederenkantoor voor Kopenhagen, bij Liffender & Co. Daar zoudt gij gezien hebben, dat er maar één dienst is van Kopenhagen naar Reikiavik, den 22sten van iedere maand."

"Welnu?"

"Welnu! zoo wij tot den 22sten Juni wachtten, zouden wij te laat komen om de schaduw van den Scartaris den krater van den Sneffels te zien raken; wij moeten dus zoo spoedig mogelijk naar Kopenhagen om er een middel van vervoer te zoeken. Ga uw koffer pakken!"

Hier viel niet langer te praten. Ik ging weder naar mijne kamer, Gräuben volgde mij. Zij nam op zich om in een valiesje alle voorwerpen, die ik op mijne reis noodig zou hebben, bijeen te brengen. Zij was zoo weinig aangedaan, alsof het slechts een tochtje naar Lubeck of Helgoland gold; hare handjes waren zonder overhaasting bezig; zij praatte heel bedaard; zij gaf mij de verstandigste redenen op voor onze onderneming. Zij betooverde mij en toch was ik innerlijk zeer op haar verstoord. Somtijds stond ik op het punt om los te barsten, maar zij lette er niet op en ging stelselmatig met haar rustig werk voort.

Eindelijk was de laatste riem van het valies vastgegespt. Ik ging weer naar beneden.

In den loop van dezen dag was het aantal leveranciers van natuurkundige werktuigen, van wapenen, van electrische toestellen nog vermeerderd. De goede Martha was er suf van.

"Is mijnheer gek?" zeide zij mij.

Ik gaf een toestemmend teeken.

"En neemt hij u mede?"

Ik herhaalde het teeken.

"Waarheen?" zeide zij.

Ik wees met den vinger het middelpunt der aarde aan.

"Naar den kelder?" riep de oude meid.

"Neen!" zeide ik eindelijk. "Nog veel lager!"

Het werd avond. Ik had geene bewustheid meer van den vervlogen tijd.

"Morgen ochtend," zeide mijn oom, "vertekken wij precies te zes uur."

Te tien uur viel ik als een levenlooze klomp op mijn bed.

Des nachts keerden de schrikbeelden terug.

Ik bracht dien nacht door met van afgronden te droomen! Ik was ten prooi aan waanzin. Ik voelde, dat de stevige hand van den professor mij omklemde, medesleepte, in den afgrond wierp, deed wegzinken! Ik viel in onpeilbare diepten met de toenemende snelheid van lichamen, die aan zichzelven overgelaten zijn. Mijn leven was slechts een eindelooze val.

Ik ontwaakte te vijf uur, afgemat door vermoeienis en aandoening. Ik ging naar beneden in de eetzaal. Mijn oom zat aan tafel. Hij verslond de spijzen. Ik zag hem aan met een gevoel van afschuw. Maar Gräuben was er bij. Ik sprak niets. Ik kon niet eten.

Te half zes hoorde ik het ratelen van een rijtuig op de straat. Er kwam een groote wagen voor om ons naar den spoorweg te Altona te brengen. Hij was weldra volgeladen met al de kisten van mijn oom.

"En uw valies?" vroeg hij mij.

"Het is gereed," antwoordde ik bijna bezwijmende.

"Breng het dan spoedig beneden, of wij zouden door uw schuld den trein missen!"

Tegen mijn noodlot te kampen scheen mij onmogelijk toe. Ik ging weder naar mijne kamer, en mijn valies van de trappen latende glijden, vloog ik het achterna.

Op dit oogenblik droeg mijn oom plechtig de "teugels" van zijn huis in handen van Gräuben over. Het lieve meisje behield hare gewone kalmte. Zij omhelsde haren voogd, maar kon een traan niet weerhouden, toen zij mijne wang met hare zachte lippen aanraakte.

"Gräuben!" riep ik.

"Ga, lieve Axel! ga!" zeide zij mij, "gij verlaat uwe bruid, maar vindt bij uwe terugkomst uw vrouwtje terug!"

Ik klemde Gräuben in mijne armen en nam plaats in het rijtuig. Martha en het meisje op den drempel van het huis staande, riepen ons een laatst vaarwel toe; daarna sloegen de beide paarden, door het fluiten van den voerman aangevuurd, in galop den weg naar Altona in.

HOOFDSTUK VIII

Altona.--Kiel.--Korsör.--Professor Thomson.--Kopenhagen--De Vor-Frelsels kerk.--Duizeligheid.