Naar het middelpunt der Aarde

Chapter 10

Chapter 103,910 wordsPublic domain

Naarmate wij daalden, vertoonde zich de opeenvolging der oorspronkelijke lagen met meer duidelijkheid. De geologische wetenschap beschouwt dezen oorspronkelijken grond als den grondslag der delfstoffelijke schors en heeft bevonden, dat hij uit drie verschillende lagen bestaat, den schiefer, het gneiss en den mica-leisteen, rustende op die onwankelbare rotssoort, die men graniet noemt.

Nooit nog hadden delfstofkundigen in zulke vreemde omstandigheden verkeerd om de natuur op de plaats zelve te bestudeeren. Wat de boor, dat redelooze en onhandige werktuig, van het inwendige samenstel des aardbols niet op zijne oppervlakte kan brengen, zouden wij met onze oogen zien, met onze handen tasten.

Door de heerlijk groen geschakeerde schieferlaag kronkelden metaaladeren van koper, van manganesium, met eenige sporen van platina en goud. Ik dacht aan die rijkdommen, in den schoot der aarde bedolven, waarvan het hebzuchtig menschdom nooit eenig genot zal hebben! De alleroudste omkeeringen hebben die schatten op zulk eene diepte begraven, dat houweel noch breekijzer ze ooit aan hun graf zullen kunnen ontrukken.

Op den schiefer volgde het laagvormige gneiss, merkwaardig door de regelmatigheid en evenwijdigheid der schilfers, dan de mica-leisteen, die zich voordeed als groote platen, welke nog meer in het oog liepen door het vonkelen van den witten mica.

Het licht der toestellen, teruggekaatst door de kleine vlakken der rotsachtige massa, schoot zijne stralen onder alle hoeken, en ik verbeelde mij door een hollen diamant te reizen, waarin de stralen op duizend verblindende wijzen braken.

Tegen zes uur des avonds begon dit lichtfeest merkelijk te verminderen, ja bijna op te houden: de wanden kregen een gekristalliseerd maar somber voorkomen; de mica vermengde zich inniger met het veldspaath en het kwarts om den rotssteen bij uitnemendheid, den hardsten steen van allen te vormen, die, zonder er door verpletterd te worden, de vier grondlagen van den aardbol draagt. Wij waren in de onmetelijke gevangenis van graniet ingemetseld.

Het was acht uur des avonds. Nog altijd ontbrak het aan water. Ik leed verschrikkelijk. Mijn oom liep vooruit. Hij wilde niet stilstaan. Hij spitste de ooren om het gemurmel eener beek te vernemen. Maar te vergeefs!

Mijne beenen wilden mij intusschen niet langer dragen. Ik verzette mij tegen mijne pijnen om mijn oom niet te noodzaken stil te staan. Dat zou voor hem een donderslag geweest zijn, want de dag, de laatste die hem toebehoorde, spoedde ten einde.

Eindelijk begaven mij mijne krachten; ik slaakte een kreet en viel. "Help, help, ik sterf!"

Mijn oom keerde terug. Hij zag mij aan met over elkander geslagen armen; daarna kwamen deze doffe woorden over zijne lippen: "Alles is uit!"

Een verschrikkelijk toornig gebaar trof nog eens voor het laatst mijne blikken en ik sloot mijne oogen.

Toen ik ze weder opende, zag ik mijne beide reisgenooten onbeweeglijk in hunne dekens gerold liggen. Sliepen zij? Ik kon geen oogenblik slapen. Ik leed te veel, vooral door de gedachte, dat er geen herstel voor mijne kwaal mogelijk was. De laatste woorden van mijn oom klonken nog in mijn oor.

"Alles was uit!" want in zulk een staat van zwakheid viel er niet eens meer aan te denken om de oppervlakte der aarde weder te bereiken.

De dikte der aardschors boven ons bedroeg anderhalf uur gaans! Mij dacht, dat die massa met hare volle zwaarte op mijne schouders rustte. Ik voelde mij verpletterd en putte mij uit in geweldige pogingen om mij op mijne legerstede van graniet om te keeren.

Eenige uren verliepen. Eene diepe stilte heerschte rondom ons, de stilte des grafs. Geen geluid drong door die muren, waarvan de dunste nog vijf mijl dik was.

Toch meende ik in mijne verdooving eenig gerucht te hooren; net werd donker in den tunnel. Ik zag oplettender toe en verbeeldde mij den IJslander te zien verdwijnen met de lamp in de hand.

Wat beduidde dat vertrek? Verliet Hans ons? Mijn oom sliep. Ik wilde schreeuwen. Mijne stem kon geen uitweg vinden over mijne verdroogde lippen. Het was stikdonker geworden en het laatste geluid stierf weg.

"Hans verlaat ons! Hans! Hans!"

Zoo riep ik in mijzelven. Mijne woorden gingen niet verder. Na het eerste oogenblik van schrik schaamde ik mij echter over mijn argwaan jegens een man, wiens gedrag tot nu toe volstrekt niet verdacht was geweest. Zijn vertrek kon geenszins eene vlucht zijn. In plaats van opwaarts ging hij de galerij af. Had hij slechte voornemens gekoesterd, dan zou hij naar boven, niet naar beneden gegaan zijn. Deze overweging bracht mij eenigszins tot bedaren en ik kwam tot nadere gedachten. Alleen eene gewichtige reden kon Hans, dien bedaarden man, aan zijne rust ontrukken. Ging hij op eene ontdekking uit? Had hij in de stilte van den nacht eenig gemurmel gehoord, dat niet tot mijn oor was doorgedrongen?

HOOFDSTUK XXIII

Water in uitzicht.--Weder voorwaarts.--Zoekende.--Dorst gelescht.--De beek een wegwijzer.--Rustige slaap.

Een uur lang overwoog ik in mijne ijlende hersenen al de redenen, die den rustigen jager tot handelen hadden kunnen aansporen. De ongerijmdste denkbeelden kruisten elkander in mijn hoofd. Ik dacht, dat ik krankzinnig werd!

Eindelijk klonk het geluid van voetstappen in de diepten van den afgrond. Hans kwam terug. Het onzekere licht begon langs de wanden te zweven en kwam vervolgens te voorschijn door de opening van den gang. Hans verscheen.

Hij naderde mijn oom, legde de hand op diens schouder en maakte hem zachtjes wakker. Mijn oom stond op.

"Wat is het?" zeide hij.

"Vatten," antwoordde de jager.

Ik geloof dat iedereen alle talen leert verstaan, als hij onder den invloed van hevige pijnen is. Ik kende geen woord deensch en toch begreep ik, uit instinct, het woord van onzen gids.

"Water! water!" riep ik uit in de handen slaande en gebaren makende als een krankzinnige.

"Water!" herhaalde mijn oom. "Hvar?" vraagde hij den IJslander.

"Nedat," antwoordde Hans.

Waar? Daar omlaag! Ik begreep alles. Ik had de handen des jagers gevat en drukte ze, terwijl hij mij bedaard aanzag.

De toebereidselen tot het vertrek duurden niet lang en weldra gingen wij eene gang af, die een helling had van twee voet per vaam.

Een uur later hadden wij omtrent duizend vadem afgelegd en waren wij twee duizend voet gedaald.

Op dit oogenblik hoorden wij duidelijk een ongewoon geluid tegen de zijden van den granietmuur, een soort van dof geloei, gelijk een verwijderd onweder. Toen ik in het eerste half uur van onzen tocht de aangekondigde bron niet aantrof, werd ik op nieuw door angst bevangen; maar toen deelde mijn oom mij den oorsprong mede van het gedruisch, dat wij hoorden.

"Hans heeft zich niet bedrogen", zeide hij; "wat gij daar hoort is het geloei van een stroom."

"Van een stroom?" riep ik uit.

"Er is geen twijfelen aan. Een onderaardsche stroom loopt om ons heen."

Wij verhaastten onzen stap, door de hoop aangevuurd. Ik gevoelde geene vermoeidheid meer. Het geraas van het murmelende water verkwikte mij reeds; het werd hoe langer hoe duidelijker; na zich lang boven ons hoofd bevonden te hebben liep de stroom nu, bruisend en huppelend, langs den linkerzijwand. Ik streek gedurig mijne hand langs de rots, hopende er sporen van doorzijpeling of vochtigheid op te vinden. Maar te vergeefs.

Er verliep nog een half uur. Wij gingen nog een half uur verder.

Het werd nu duidelijk dat de jager in zijne afwezigheid zijne nasporingen niet eens zoo ver had kunnen uitstrekken. Geleid door een instinct, dat den bergbewoners en waterontdekkers eigen is, "rook" hij dien stroom door den rotssteen heen, maar zeker had hij het kostbare vocht niet gezien, zijn dorst er niet mede gelescht. Weldra werd het zelfs ontwijfelbaar, dat wij zoo voortgaande ons van den stroom zouden verwijderen, welks gemurmel begon te verminderen.

Wij gingen dus denzelfden weg terug. Hans hield stil op de juiste plek, waar de stroom het dichtsbij scheen te wezen.

Ik ging bij den muur zitten, terwijl het water met groot geweld slechts twee voet van mij af stroomde. Maar een muur van graniet scheidde ons er nog van.

Zonder na te denken, zonder mij af te vragen of er misschien niet eenig middel bestond om zich dit water te verschaffen, verviel ik in eene vlaag van wanhoop.

Hans zag mij aan en ik meende een glimlach om zijn mond te zien spelen.

Hij stond op en nam de lamp. Ik volgde hem. Hij wendde zich naar den muur. Ik zag het aan. Hij legde zijn oor tegen den drogen steen en ging er langzaam overheen, steeds nauwkeurig luisterende. Ik begreep, das hij het juiste punt zocht, waar de stroom zich met meer geraas deed hooren. Dit punt vond hij in den linkerzijwand, drie voet boven den grond.

Wat was ik aangedaan! Ik durfde niet gissen wat de jager wilde doen. Maar ik moest hem wel begrijpen en toejuichen en liefkozen, toen ik hem zijn breekijzer zag grijpen om de rots zelve aan te tasten.

"Gered!" riep ik uit, "gered!"

"Ja!" herhaalde mijn oom hartstochtelijk, "Hans heeft gelijk! O, die brave jager! Dat zouden wij niet gevonden hebben!"

Ik geloof het wel. Een zoodanig middel, hoe eenvoudig het ook ware, zou ons niet in de gedachte gekomen zijn. Niets was gevaarlijker dan een krachtige stoot tegen dit gebeente des aardbols. Hoe licht kon er eene instorting plaats hebben, die ons verpletterde! Hoe licht kon de stroom, zich een weg door de rots banende, ons medeslepen! Die gevaren waren geenszins denkbeeldig; maar de vrees voor instorting of overstrooming kon ons nu niet tegenhouden, en onze dorst was zoo hevig, dat wij om hem te stillen zelfs in het bed van den oceaan zouden gegraven hebben.

Hans begon dat werk, dat mijn oom noch ik zouden volvoerd hebben. Daar het ongeduld onze hand bestuurde. Zou de rots onder onze onbezonnen slagen verbrijzeld zijn. De gids integendeel, bedaard en gematigd, verdunde langzamerhand de rots door eene reeks van lichte, gedurig herhaalde slagen, en maakte zoo eene opening van een halven voet wijd. Ik hoorde het toenemende geraas van den stroom en meende reeds te gevoelen, hoe het weldadige water mijne lippen bevochtigde.

Weldra drong het breekijzer twee voet diep in den granietmuur; het werk duurde reeds meer dan een uur; ik kromp ineen van ongeduld! Mijn oom wilde tot groote middelen zijne toevlucht nemen. Ik had moeite om hem tegen te houden. Reeds greep hij zijn breekijzer, toen zich plotseling een gefluit deed hooren. Een waterstraal spoot uit den muur tegen den anderen wand aan.

Hans door den schok half omgeworpen, kon een kreet van pijn niet bedwingen. Ik begreep waarom, toen ik, mijne handen in de vloeistof stekende, op mijne beurt een geweldig geschreeuw aanhief: de bron was kokend heet.

"Water van honderd graad!" riep ik.

"Welnu! het zal bekoelen", antwoordde mijn oom.

De gang werd gevuld met damp, terwijl eene beek zich vormde en zich in de onderaardsche kronkelingen verloor; kort daarna schepten wij er onzen eersten mondvol uit.

O! welk een genot! welk eene onuitsprekelijke zaligheid! Wat was dit voor water? Van waar kwam het? Dat maakte niets uit. Het was water en hoewel nog warm, riep het toch het bijna ontvlodene leven weder terug. Ik dronk zonder ophouden, zelfs zonder te proeven.

Eerst na een oogenblik van geneugte riep ik uit:

"Het is ijzerhoudend water!"

"Dat is uitmuntend voor de maag," antwoordde mijn oom, "en bevorderlijk voor de mineraalvorming! Deze reis is zoo goed als eene naar Spa of Töplitz!"

"O! wat smaakt het lekker!"

"Ik geloof het wel, het is ook water, dat twee uur gaans onder de aarde geput is; het heeft een inktsmaak, die volstrekt niet onaangenaam is. Hans heeft ons daar een opperbest hulpmiddel verschaft! Ook stel ik voor om zijn naam te geven aan deze heilzame beek."

"Goed!" riep ik.

En de naam "Hans-beek" werd terstond aangenomen.

Hans werd er niet trotscher om. Na zich heel matig verkwikt te hebben, ging hij met zijne gewone kalmte in een hoek leunen.

"Nu moeten wij," zeide ik, "dit water niet laten wegloopen."

"Waarom niet?" antwoordde mijn oom, "ik houd het er voor, dat deze bron nooit zal opdrogen."

"Dat blijft hetzelfde! wij zullen den zak en de flesschen vullen en dan de opening trachten te stoppen."

Mijn raad werd gevolgd. Hans beproefde met brokjes graniet en werk het in den wand gemaakte gat te dichten. Dat was niet gemakkelijk. Wij brandden onze handen zonder er in te slagen; de persing was te aanzienlijk en onze pogingen bleven vruchteloos.

"Het is duidelijk," zeide ik, "dat de bekkens van dezen waterstroom op eene aanzienlijke hoogte gelegen zijn, te oordeelen naar de kracht van den straal."

"Daar is geen twijfel aan," antwoordde mijn oom; "als deze waterkolom twee en dertig duizend voet hoog is, ondergaat zij duizend dampkringsdrukkingen. Maar daar schiet mij iets te binnen."

"Wat dan?"

"Waarom zouden wij er zoo stijf op blijven staan om deze opening te stoppen?"

"Wel, omdat...."

Het zou mij moeielijk geweest zijn eene goede reden te vinden.

"Zijn wij verzekerd, dat wij onze flesschen, als zij ledig zijn, weder zullen kunnen vullen?"

"Neen, zeker niet!"

"Welnu! dan moesten wij dit water laten loopen: het zal natuurlijk dalen en ons den weg wijzen en verkwikken te gelijk."

"Dat is goed bedacht!" riep ik, "en met deze beek tot reisgenoot zie ik niet in, waarom wij in onze plannen niet zouden slagen."

"Komt gij eindelijk op de hoogte, mijn jongen?" zeide de professor lachende.

"Ik kom er niet, maar ben er reeds."

"Wacht even! Wij zullen beginnen met eenige uren rust te nemen."

Ik vergat waarlijk, dat het nacht was. De tijdmeter vertelde het mij wel. Weldra sliepen wij allen rustig, nu wij behoorlijk verkwikt en verfrischt waren.

HOOFDSTUK XXIV

Te horizontaal.--Bijna loodrechte put.--Onder den Oceaan.

Den volgenden morgen hadden wij reeds al het uitgestane leed vergeten. Ik verwonderde mij eerst, dat ik geen dorst meer had, en vroeg naar de reden daarvan. De beek, die murmelend aan mijne voeten stroomde, gaf mij het antwoord op die vraag.

Wij ontbeten en dronken dat uitmuntende ijzerhoudende water. Ik gevoelde mij geheel opgevroolijkt en vol ijver om verder te gaan. Waarom zou een zoo innig overtuigd man als mijn oom, met een schranderen gids, zooals Hans, en een "vastberaden" neef, zooals ik, bij zich, niet slagen? Zulke mooie gedachten speelden mij in het hoofd! Als men mij voorgesteld had om naar den top van den Sneffels terug te keeren, zou ik het met verontwaardiging afgeslagen hebben.

Maar er was gelukkig alleen sprake van dalen.

"Laten wij vertrekken!" riep ik en deed door mijne tonen vol geestdrift de oude echo's van den aardbol ontwaken.

De tocht werd Donderdag morgen te acht uur hervat. De granieten gang, zich in allerlei bochten kronkelende, vertoonde onverwachte krommingen en bootste de verwikkeling van een doolhof na; maar zijne hoofdrichting bleef toch altijd zuidoostelijk. Mijn oom raadpleegde gedurig zeer oplettend zijn kompas om zich rekenschap te kunnen geven van den doorloopen weg.

De galerij liep bijna zuiver waterpas verder met hoogstens twee duim helling per vadem. De murmelende beek stroomde langzaam, onder onze voeten. Ik vergeleek haar met een vriendelijken geest, die ons door de aarde geleidde, en met mijne hand streelde ik de vochtige stroomnimf, die onze schreden met hare gezangen begeleidde. Mijne opgeruimdheid nam gaarne eene mythologische wending.

Wat mijn oom aangaat, hij, "de man der loodlijn," raasde geducht over de waterpasse richting van den weg. Deze, verlengde zich tot in het oneindige en in plaats van langs den straal der aarde voort te gaan, zoo als hij het noemde, ging hij langs de schuine zijde. Maar wij hadden geene keus, en zoo lang wij, al was het ook nog zoo weinig, het middelpunt naderden, hadden wij geen recht om te klagen.

Ook nam van tijd tot tijd de helling toe; de stroomnimf tuimelde bruisende voort en wij daalden dieper met haar.

Over het geheel legden wij dezen en den volgenden dag een groot eind af in eene waterpasse richting, maar betrekkelijk weinig in eene loodrechte.

Vrijdag avond, den 10den Juli, waren wij naar onze berekening dertig uur gaans ten zuidoosten van Reikiavik en op eene diepte van derdehalf uur gaans.

Nu opende zich een verschrikkelijke put voor onze voeten. Mijn oom kon zich niet weerhouden om in de handen te klappen, toen hij de steilte zijner helling berekende.

"Die zal ons ver brengen," riep hij, "en gemakkelijk ook, want de uitstekende punten der rots vormen eene ware trap."

"Hans maakte de touwen behoorlijk vast om ongelukken te voorkomen. De afdaling begon. Ik durf niet zeggen, dat zij gevaarlijk was, want ik was reeds gewoon aan die halsbrekende oefeningen.

Deze put was eene nauwe spleet in de vaste rots, van de soort die men "faille" [11] noemt; het was duidelijk, dat zij ontstaan was door de samentrekking van het gebeente der aarde, tijdens hare afkoeling. Als zij vroeger tot een doorgang gediend had voor de gesmoltene stoffen door den Sneffels uitgebraakt, kan ik mij niet verklaren, waarom er geen spoor van was achtergebleven. Wij gingen langs eene soort van wentelende schroef, die door menschenhanden vervaardigd scheen. Om het kwartier moesten wij stilhouden om de noodige rust te nemen en aan onze beenen hunne veerkracht terug te geven. Dan gingen wij met afhangende beenen op eene uitstekende punt zitten, aten en praatten en leschten onzen dorst aan de beek.

Het spreekt van zelf, dat de Hans-beek, tot nadeel voor haren omvang, een waterval in deze spleet vormde; maar zij was nog meer dan toereikend om onzen dorst te stillen; ook kon het niet missen of zij moest haren rustigen loop hernemen, zoodra de helling afnam. Op dit oogenblik deed zij mij denken aan mijn waardigen oom, zijn ongeduld en zijn toorn, terwijl zij door hare zachte hellingen het beeld was van de kalmte des ijslandschen jagers.

Den 6den en 7den Juli drongen wij, steeds de schroeflijnen dezer spleet volgende, nog twee uur gaans dieper in de aardschors door, hetgeen bijna vijf uur gaans onder het vlak der zee uitmaakte. Maar den 8sten, tegen den middag, kreeg de spleet in de richting van het zuidoosten eene veel zachtere helling van omstreeks vijf en veertig graad.

De weg werd nu gemakkelijk en zeer eentonig. Het kon ook bezwaarlijk anders. De veranderingen van het landschap konden de reis niet afwisselen.

Eindelijk waren wij op woensdag, den 15den, zeven uur gaans onder den grond en omtrent vijftig uur gaans van den Sneffels af. Wij waren wel een beetje vermoeid, maar onze gezondheid bleef bevredigend en de reisapotheek was nog onaangeroerd.

Mijn oom teekende van uur tot uur de aanwijzingen van het kompas, van den tijdmeter, den luchtdichtheidsmeter en den thermometer op, die hij later in het wetenschappelijk verhaal zijner reis heeft opgenomen. Hij kon zich dus gemakkelijk rekenschap geven van zijn toestand. Toen hij mij mededeelde, dat wij waterpas vijftig uur gaans ver waren, kon ik een uitroep niet weerhouden.

"Wat scheelt u toch?" vroeg hij.

"Niets, ik maak slechts eene opmerking."

"En die is, mijn jongen?"

"Deze, dat als uwe berekeningen juist zijn, wij ons niet meer onder IJsland bevinden."

"Gelooft gij dat?"

"Het is gemakkelijk om daarvan zekerheid te krijgen."

Ik mat het met den passer op de kaart af.

"Ik bedroog mij niet," zeide ik; "wij zijn kaap Portland voorbij en die vijftig uur gaans naar het zuidoosten brengen ons in volle zee."

"Onder de volle zee!" antwoordde mijn oom zich in de handen wrijvende.

"Dan strekt," riep ik, "de oceaan zich boven ons hoofd uit!"

"Maar, Axel! niets is eenvoudiger! Zijn er te Newcastle geene steenkolenmijnen, die ver onder de golven voortloopen?"

De professor mocht dit al eenvoudig vinden, maar de gedachte, dat ik onder de watermassa voortliep, boezemde mij toch eenige ongerustheid in. En evenwel, of de vlakten en bergen van IJsland, dan wel de golven van den Atlantischen Oceaan zich boven ons bevonden, dat maakt eigenlijk geen verschil, zoodra het gewelf van graniet slechts stevig genoeg was. Overigens gewende ik mij spoedig aan die gedachte, want de nu eens rechte dan weder kromme gang, in zijne hellingen even grillig als in zijne kronkelingen, liep toch voortdurend naar het zuidoosten en drong gedurig lager, zoodat hij ons spoedig op eene aanzienlijke diepte bracht.

Vier dagen later, Saterdag, den 18den Juli, kwamen wij des avonds bij eene soort van vrij groote grot; mijn oom gaf Hans zijne drie rijksdaalders weekhuur en er werd bepaald dat de volgende dag een rustdag zijn zou.

HOOFDSTUK XXV

Kalm vertrek.--Plaatsbepaling.--Heeft Humphry Davy gelijk? --Dichtheid der lucht.--Lucht in vasten toestand.

Ik werd dus 's Zondags morgens wakker zonder die gejaagdheid, die gewoonlijk gepaard gaat met een ophanden zijnd vertrek. En al was het ook in den diepsten afgrond, zoo was het toch wel aangenaam. Ook waren wij gewoon aan dat leven van holbewoners. Ik dacht niet meer aan de zon, de sterren, de maan, de boomen, de huizen, de steden, aan al die aardsche overtolligheden, die voor het ondermaansche wezen eene behoefte geworden zijn. Als in de aarde begravenen lachten wij wat met die nuttelooze wonderen.

De grot vormde eene groote zaal; de getrouwe beek vloeide zachtjes over haren bodem van graniet. Op zulk een afstand van zijne bron had het water nog slechts den warmtegraad der omringende voorwerpen en liet het zich zonder bezwaar drinken.

Na het ontbijt wilde de professor eenige uren wijden aan het in orde brengen zijner dagelijksche aanteekeningen.

"Eerst," zeide hij, "zal ik eenige berekeningen maken, om mij te vergewissen van de plaats, waar wij zijn; ik wil in staat zijn om na onze terugkomst eene kaart van onze reis te teekenen, eene soort van loodrechte doorsnede van den aardbol, die eene voorstelling van onzen tocht zal geven."

"Dat zal merkwaardig zijn, oom! maar zullen uwe waarnemingen een voldoenden graad van nauwkeurigheid hebben?"

"Ja! ik heb de hoeken en hellingen zorgvuldig opgeteekend; ik ben zeker, dat ik mij niet zal bedriegen. Eerst wil ik zien, waar wij zijn. Neem het kompas en zie, welke streek het wijst.

Ik zag op het werktuig, en na een nauwlettend onderzoek antwoordde ik:

"Oost-ten-zuiden."

"Goed!" sprak de professor, terwijl hij de waarneming opschreef en vlug eenige berekeningen maakte. "Ik besluit daaruit, dat wij van ons uitgangspunt af vijf en tachtig uur gaans hebben afgelegd."

"Dus reizen wij onder den Atlantischen Oceaan?"

"Juist."

"En misschien barst er op dit oogenblik een storm los en worden de schepen boven ons hoofd door de golven en den orkaan geslingerd?"

"Wel mogelijk!"

"En beuken de walvisschen met hun staart de muren onzer gevangenis?"

"Wees gerust, Axel! zij zullen haar niet doen schudden. Maar laten wij onze berekeningen voortzetten. Wij zijn vijf en tachtig uur gaans ten zuidoosten van den voet van den Sneffels, en volgens mijne vorige aanteekeningen schat ik de bereikte diepte op zestien uur gaans."

"Zestien uur gaans!" riep ik.

"Zonder twijfel."

"Maar dat is de uiterste grens, die de wetenschap heeft gesteld aan de dikte der aardschors."

"Ik ontken het niet."

"En hier moest volgens de wet van de toeneming der warmte eene hitte van vijftien honderd graad heerschen."

"Moest, mijn jongen!"

"En al dit graniet zou niet in een vasten toestand kunnen blijven, maar zou moeten smelten."

"Gij ziet, dat het zoo niet is, en dat de feiten, ouder gewoonte, de theoriën logenstraffen."

"Ik ben genoodzaakt het te erkennen, maar het verbaast mij toch."

"Hoe staat de thermometer?"

"Op zeven en twintig en zes tienden graad."

"De geleerden hebben dus gelijk op veertien honderd twee en zeventig en vier tienden graad na. Derhalve is de evenredige toeneming der warmte eene dwaling. Derhalve heeft Humphry Davy zich niet vergist. Derhalve heb ik geen ongelijk gehad hem te gelooven. Wat hebt gij hierop te antwoorden?"

"Niets."