Chapter 18
Ik hoorde hem woorden uit de geologische wetenschap mompelen: ik begreep ze en stelde ondanks mij zelven belang in die verhevene studie.
"Uitgebraakt graniet," zeide hij; "wij zijn nog altijd in het eerste tijdperk; maar wij stijgen! wij stijgen! Wie weet?"
Wie weet? Hij hoopte dus nog altijd. Met zijne hand betastte hij den loodrechten wand, en eenige oogenblikken later hernam hij aldus:
"Dat is gneiss! dat mica-leisteen! Goed! nu komen weldra de gronden uit het overgangstijdperk en dan...."
Wat wilde de professor zeggen? Kon hij de dikte der aardschors boven ons meten? Bezat hij het eene of andere middel om die berekening te verrichten? Neen! Hij miste den luchtdichtheidsmeter, en geene schatting kon dien vergoeden.
Inmiddels nam de warmte geducht toe en ik was doornat midden in een gloeienden dampkring. Ik kon haar niet anders vergelijken dan met de hitte, die door de fornuizen eener ijzersmelterij wordt uitgestraald, wanneer het metaal vloeibaar wordt. Langzamerhand hadden Hans, mijn oom en ik onze buizen en vesten moeten uittrekken; het geringste kleedingstuk werd een oorzaak van onbehaaglijkheid, om niet te zeggen van pijn.
"Stijgen wij dan naar een witgloeienden haard?" riep ik uit op een oogenblik dat de warmte verdubbelde.
"Neen!" antwoordde mijn oom, "het is onmogelijk! het is onmogelijk!"
"Maar die muur is gloeiend!" zeide ik den wand betastende.
Terwijl ik dit zeide, had mijne hand het water even aangeraakt en moest ik haar zoo spoedig mogelijk terug trekken.
"Het water is kokend heet!" riep ik.
Ditmaal antwoordde de professor slechts met een toornig gebaar.
Nu maakte zich een onoverwinnelijke schrik van mijne hersenen meester en verliet ze niet meer. Ik had een voorgevoel van een naderend onheil, en wel van een dat de stoutste verbeeldingskracht niet zou hebben kunnen bevatten. Een eerst onbepaald en weifelend denkbeeld werd in mijn verstand tot zekerheid. Ik durfde het niet onder woorden brengen. Intusschen bevestigden eenige onwillekeurige waarnemingen mijne overtuiging; bij het twijfelachtige toortslicht bespeurde ik onregelmatige bewegingen in de granietlagen; er was klaarblijkelijk een verschijnsel op handen, waarin de electriciteit eene rol speelde; dan die buitensporige hitte, dat kokende water!... Ik besloot het kompas waar te nemen.
Het was miswijzend geworden!
HOOFDSTUK XLIII
Miswijzend kompas.--Ontploffingen.--Eene uitbarsting.--Zwavelvlammen.--Het vlot blijft liggen.--Op nieuw opgestuwd.
Ja miswijzend! De naald sprong met plotselinge schokken van de eene pool op de andere, doorliep al de streken van de windroos, en draaide, als had een duizeling haar bevangen.
Ik wist wel, dat volgens de meest algemeen aangenomene theoriën de delfstoffelijke schors van den aardbol nooit in een staat van volslagene rust is; de wijzigingen teweeggebracht door de ontbinding der inwendige stoffen, de beweging voortkomende uit de groote stroomingen der vloeistoffen, de werking van het magnetismus, dat alles strekt om haar onophoudelijk te schudden, zelfs dan als de op hare oppervlakte verspreide wezens hare ontroering niet vermoeden. Dit verschijnsel zou mij dus anders niet beangst of, althans in mijn geest, geen verschrikkelijk denkbeeld opgewekt hebben.
Maar andere feiten, sommige omstandigheden van gezegden aard; konden mij niet langer bedriegen, de ontploffingen vermenigvuldigden met eene verschrikkelijke kracht: ik kon ze alleen vergelijken met het geraas, dat een groot aantal karren, die snel over het plaveisel voortgetrokken worden, zouden maken. Het was een aanhoudende donder.
Het miswijzend kompas, geschokt door de electrieke natuurverschijnselen, bevestigde mij verder in mijne meening; de delfstoffelijke korst dreigde te breken, het massieve graniet zich te vereenigen, de scheur zich te sluiten, het ledige zich te vullen, en wij, nietige stofjes, zouden in die geduchte omhelzing verpletterd worden.
"Oom! oom! wij zijn verloren!" riep ik uit.
"Wat is dat voor een nieuwen schrik?" antwoordde hij mij met eene verbazende kalmte. "Wat scheelt u toch?"
"Wat mij scheelt? zie die muren die schudden; dat vaste gesteente dat scheurt; die verzengende hitte, dat kokende water, die dampen, die al dikker en dikker worden, die gekke naald, alle kenteekenen van eene aardbeving."
Mijn oom schudde zachtjes het hoofd.
"Eene aardbeving?" vraagde hij.
"Ja!"
"Mijn jongen! ik geloof, dat gij u vergist!"
"Hoe! herkent gij dan die kenteekenen niet?"
"Van een aardbeving? neen? Ik verwacht wat beters!"
"Wat bedoelt gij?"
"Eene uitbarsting, Axel!"
"Eene uitbarsting!" zeide ik; "zijn wij dan in den schoorsteen van een werkenden vulkaan?"
"Ik denk het ten minste," zeide de professor glimlachende, "en dat is het gelukkigste wat ons overkomen kan!"
Het gelukkigste! Was mijn oom dan gek? Wat beduidden die woorden? Van waar die kalmte en die glimlach?
"Hoe!" riep ik, "zijn wij midden in eene uitbarsting! Heeft het noodlot ons geworpen op den weg der witgloeiende lava, der brandende rotsen, van het kokende water, van alle uitgebraakte stoffen! zullen wij nu opgestuwd, uitgedreven, uitgeworpen, uitgebraakt, in de lucht geslingerd worden met de rotsblokken, de asch- en slakkenregens, in een dwarlwind van vlammen! en is dat het gelukkigste wat ons overkomen kan?"
"Ja!" antwoordde de professor mij over zijn bril aanziende, "want het is de eenige kans, die wij hebben, om weder op de oppervlakte der aarde te komen!"
Ik ga stilzwijgend de duizend gedachten voorbij, die elkaar in mijne hersenen kruisten. Mijn oom had gelijk, volkomen gelijk, en nooit kwam hij mij stoutmoediger noch inniger overtuigd voor dan op dit oogenblik, waarop hij de kansen eener uitbarsting afwachtte en optelde.
Intusschen stegen wij maar altijd door; de nacht ging voorbij onder die stijgende beweging; het geraas om ons heen verdubbelde; ik was bijna gestikt; ik meende, dat mijn laatste uur kwam; en toch is de verbeeldingskracht zoo grillig, dat ik mij overgaf aan een waarlijk kinderachtig onderzoek. Maar ik stond onder de heerschappij mijner denkbeelden, zij niet onder de mijne!
Het was duidelijk, dat wij opgestuwd werden door eene uitbarsting; onder het vlot was kokend water, en onder dat water smeltende lava, een mengsel van rotssteenen, die zich aan den rand van den krater in alle richtingen zouden verstrooien. Wij waren dus in den schoorsteen van een vulkaan. Daar was geen twijfel aan.
Maar in plaats van den Sneffels, een uitgebranden vulkaan, was het er nu een in volle werkzaamheid. Ik vraagde mij af, welke berg het kon zijn en in welk werelddeel wij uitgebraakt zouden worden.
Zonder twijfel in de noordelijke streken. Vóór zijne miswijzing had het kompas ten dien aanzien geen afwijking getoond. Van kaap Saknussemm af waren wij honderden uur ver rechtstreeks naar het noorden gedreven. Waren wij dan nu weder onder IJsland? Zouden wij uitgeworpen worden door den krater van den Hekla of door dien van een der zeven andere vuurspuwende bergen des eilands? In een straal van vijf honderd uur gaans naar het westen zag ik onder dien breedtegraad slechts de bijna onbekende vulkanen der noordwestkust van Amerika. Ten oosten bestond er onder den tachtigsten breedtegraad maar één vulkaan, de Esk, op het Jan Mayen-eiland, niet verre van Spitsbergen. Zeker, er was geen gebrek aan kraters en zij waren ruim genoeg om een geheel leger uit te braken! Maar welke ons een uitgang zou verleenen, dat trachtte ik te gissen.
Tegen den morgen werd de stijgende beweging sneller. Dat de warmte toenam in plaats van te verminderen hoe dichter wij bij de oppervlakte des aardbols kwamen, had eene plaatselijke oorzaak en was een gevolg van den invloed des vulkaans. Ik kon niet langer twijfelen aan de soort van ons middel van vervoer; eene ontzettende kracht, eene kracht van verscheidene honderden dampkringen, veroorzaakt door de dampen opeengehoopt in den schoot der aarde, dreef ons onwederstaanbaar voort. Maar aan welke ontelbare gevaren stelde zij ons bloot?
Weldra drong een vale weerschijn in de wijder wordende loodrechte galerij; ik bespeurde links en rechts diepe gangen, gelijk aan onmetelijke tunnels, waaruit dichte dampen ontsnapten; vurige tongen lekten flikkerend hunne wanden.
"Zie eens! zie eens, oom!" riep ik.
"Welnu! het zijn zwavelvlammen. Niets is natuurlijker bij uitbarsting."
"Maar als zij ons eens omhullen?"
"Zij zullen ons niet omhullen."
"Maar als wij stikken?"
"Wij zullen niet stikken; de galerij wordt wijder en als het noodig is, zullen wij het vlot verlaten om in een kloof te schuilen."
"En het water, het stijgende water dan?"
"Er is geen water meer, Axel! maar eene soort van lavadeeg, dat ons oplicht tot aan de opening des kraters."
De waterkolom was inderdaad verdwenen om plaats te maken voor vrij dichte, hoewel kokend heete uitstroomende stoffen. De hitte werd onuitstaanbaar en een thermometer, welke aan dien dampkring werd blootgesteld, zou meer dan zeventig graden gewezen hebben! Ik baadde in het zweet. Zonder de snelheid der opstijging zouden wij zeker gesmoord zijn.
Echter gaf de professor geen gevolg aan zijn voorstel om het vlot te verlaten, en hij deed wel. Die weinige slecht samengevoegde planken boden eene vaste oppervlakte aan, een steunpunt, dat ons overal elders ontbroken zou hebben.
's Morgens omstreeks acht uur had er voor het eerst een nieuw voorval plaats. De stijgende beweging hield eensklaps op. Het vlot bleef onbeweeglijk liggen.
"Wat is dat?" vroeg ik, verontrust door dit oponthoud, dat even plotseling was als een schok.
"Eene halt," antwoordde mijn oom.
"Houdt de uitbarsting op?"
"Ik hoop van neen."
Ik stond op. Ik poogde rond te zien. Misschien bood het vlot, door eene uitspringende rotspunt tegengehouden, eene kortstondigen tegenstand aan de uitstroomende massa. In dit geval moesten wij ons haasten het zoo spoedig mogelijk los te maken.
Het was zoo niet. De kolom van asch, slakken en steenbrokken had zelve opgehouden te stijgen.
"Zou de uitbarsting geen voortgang hebben?" riep ik.
"Wel, mijn jongen! vreest gij dat?" zeide mijn oom met op elkander geklemde tanden; "maar stel u gerust, dit oogenblik van kalmte kan niet lang aanhouden; het duurt nu reeds vijf minuten en weldra zal onze opklimming naar den mond des kraters weder beginnen."
Zoo sprekende hield de professor niet op zijn tijdmeter te raadplegen, en alweder zouden zijne voorspellingen vervuld worden. Weldra werd het vlot op nieuw aangegrepen door eene snelle en onregelmatige beweging, die omtrent twee minuten aanhield; toen bleef het nogmaals stil liggen.
"Goed!" zeide mijn oom op het uurwerk ziende, "binnen tien minuten gaan wij weder op weg."
"Binnen tien minuten?"
"Ja! Wij hebben te doen met een vulkaan, wiens uitbarsting tusschenpoozend is. Hij laat ons met zich ademhalen."
Niets was meer overeenkomstig de waarheid. Op de minuut af werden wij op nieuw met groote snelheid opgestuwd; wij moesten ons aan de balken vasthouden om niet van het vlot geslagen te worden. Daarna hield de stoot weder op.
Naderhand heb ik nagedacht over dit zonderlinge verschijnsel, zonder er eene voldoende verklaring van te vinden. Intusschen houd ik het voor zeker, dat wij ons niet in den hoofdschoorsteen van den vulkaan bevonden, maar wel in een zijgang, waar alleen de terugwerking merkbaar was.
Ik kan niet zeggen hoe dikwijls die beweging herhaald werd; ik kan alleen verzekeren, dat wij, telkens als zij zich herhaalde, met toenemende kracht werden opgestuwd en als het ware door een kogel medegevoerd. In de oogenblikken van rust stikten wij; in de oogenblikken van opstuwing belette de brandend heete lucht mijne ademhaling. Ik dacht een oogenblik aan het genot van mij plotseling in die hoog noordelijke gewesten te zullen bevinden, waar eene koude heerscht van dertig graden onder nul. Mijne overspannen verbeelding dwaalde rond op de sneeuwvlakten der poolgewesten en ik smachtte naar het oogenblik, waarop ik mij rond zou rollen op het ijstapijt aan de pool. Maar langzamerhand verloor ik, door die herhaalde schokken uitgeput, mijn bewustzijn. Zonder de armen van Hans zou ik meer dan eens mijne hersenpan verbrijzeld hebben tegen den granietwand.
Ik kan mij dus niets met zekerheid herinneren van hetgeen in de volgende uren voorviel. Ik heb een duister gevoel van aanhoudende ontploffingen, van de beroering van het vaste gesteente, van eene ronddraaiende beweging, waarin het vlot werd medegesleept. Het dreef op golven van lava midden in een aschregen. De loeiende vlammen omwikkelden het. Een orkaan, die men meenen zou, dat uit een ontzaglijken luchttrekker voortkwam, blies het onderaardsche vuur aan. Nog eenmaal zag ik het gelaat van Hans in den weerschijn van den brand, en ik gevoelde niets meer dan die ontzettende angst van veroordeelden, die aan den mond van een stuk geschut zijn gebonden, op het oogenblik dat het schot afgaat en hunne ledematen in de lucht verstrooit.
HOOFDSTUK XLIV
Op aarde terug.--In Azië?--De tegenvoeters.--In de Middellandsche zee.--Stromboli.--Een glimlach van Hans.
Toen ik de oogen weder opende, voelde ik, dat de stevige hand van den gids mij bij den gordel vasthield. Met de andere hand ondersteunde hij mijn oom. Ik was niet zwaar gekwetst, maar veeleer uitgeput door eene algemeene stijfheid in de leden. Ik lag tegen de glooiing van een berg, twee schreden van een afgrond, waarin de geringste beweging mij nedergestort zou hebben. Hans had mij van den dood gered, terwijl ik van de zijden des kraters afrolde.
"Waar zijn wij?" vroeg mijn oom, die zeer verstoord scheen over zijn terugkeer op de aarde.
De jager haalde de schouders op ten teeken van onwetendheid.
"Op IJsland?" zeide ik.
"Nej," antwoordde Hans.
"Wat, neen?" riep de professor.
"Hans vergist zich," zeide ik overeind rijzende.
Na de tallooze verrassingen dezer reis, was er ons nog ééne weggelegd. Ik verwachtte een kegel te zien, bedekt met eeuwige sneeuw, in het midden der barre woestenijen van de noordelijke landen, onder de bleeke stralen van een poolhemel, verre boven de hoogste breedten; en in strijd met al die vermoedens lagen mijn oom, de IJslander en ik op de zijde van een berg, die geblakerd was door de hitte der zon, die ons met hare stralen verschroeide.
Ik wilde mijn oogen niet gelooven; maar de stekende pijn, die ik over het geheele lichaam voelde, veroorloofde geen verderen twijfel. Wij waren half naakt uit den krater gekomen, en het schitterend gesternte, dat wij in geen twee maanden gezien hadden, vertoonde zich aan ons met een kwistigen overvloed van licht en warmte, en goot heerlijke stralen over ons uit.
Toen mijne oogen aan dien glans gewend waren, dien zij zoo lang hadden ontbeerd, maakte ik er gebruik van om de dwalingen mijner verbeelding te herstellen. Op zijn allerminst wilde ik op Spitsbergen zijn, en ik was niet gezind om het spoedig op te geven.
De professor vatte het eerst het woord op en zeide:
"Dat gelijkt volstrekt niet op IJsland."
"Maar het Jan Mayen-eiland?" antwoordde ik.
"Evenmin, mijn jongen! dit is geen noordsche vulkaan met zijne heuvelen van graniet en zijn sneeuwhoed."
"Echter...."
"Zie eens, Axel! zie eens!"
Hoogstens vijf honderd voet boven ons opende zich de krater van een vulkaan, waaruit om het kwartier met een zeer sterk geraas een hooge vlammenzuil, vermengd met puimsteen, asch en lava, opsteeg. Ik voelde de stuiptrekkingen van den berg, die gelijk de walvisschen ademhaalde, en nu en dan vuur en rook door zijn geduchte neusgaten uitspoot. Onder ons breidden zich met eene vrij steile helling de vlakten van uitgebraakte stoffen van zeven tot acht honderd voet diep uit, hetgeen den vulkaan eene hoogte gaf van nog geen drie honderd vademen. Zijn voet verdween in een waren korf van groene boomen, waaronder ik olijfboomen, vijgeboomen en wijnstokken met purperen trossen onderscheidde.
Zoo zagen de noordelijke gewesten, ik moest het wel bekennen, er niet uit.
Over dien groenenden omtrek heen verloor de blik zich spoedig in het water eener heerlijke zee of van een meer, dat van dien liefelijken bodem een eiland maakte, dat nauwelijks eenige uren gaans breed kon zijn. In het oosten vertoonde zich eene kleine haven, met eenige huizen er voor, waarin vaartuigen van een bijzonderen vorm op de blauwe golfjes wiegelden. Verder doken groepen eilandjes uit de watervlakte op, in zulk een menigte, dat zij op een groot mierennest geleken. In het westen strekten zich verafgelegene kusten langs den gezichteinder uit; op sommigen vertoonden zich blauwe, zeer regelmatig gevormde bergen; op de andere, meer in de verte, verrees een verbazend hooge kegel, op wiens top zich een vederbos van rook bewoog. In het noorden fonkelde eene onmetelijke watervlakte in de zonnestralen, en zag men hier en daar den top van een mast of de bolronde zijde van een door den wind gezwollen zeil.
Het onverwachte van zulk een schouwspel verhonderdvoudigde nog zijne wonderlijke schoonheden.
"Waar zijn wij? waar zijn wij?" herhaalde ik half luid.
Hans sloot onverschillig zijne oogen en mijn oom zag in het rond zonder er iets van te begrijpen.
"Welke berg het ook moge zijn," zeide hij eindelijk, "het is hier een beetje warm; de uitbarstingen houden niet op, en het zou waarlijk de moeite niet waard zijn uitgebraakt te wezen om ten slotte nog een rotsbrok op het hoofd te krijgen. Laten wij naar beneden gaan, dan zullen wij wel ontdekken, waar wij ons aan te houden hebben. Bovendien sterf ik van honger en dorst."
Zekerlijk was de professor geen man van bespiegelingen. Ik voor mij, behoefte en vermoeienis vergetende, zou nog uren lang op deze plek hebben willen blijven, maar ik moest mijne makkers volgen.
De zijde van den berg helde sterk; wij gleden in ware aschkuilen om de lavastroomen te ontwijken, die als vurige slangen zich kronkelden. Onder het dalen sprak ik met een grooten woordenrijkdom, want mijne verbeelding was te vol om zich niet in woorden te uiten.
"Wij zijn in Azië," riep ik, "op de kusten van Indië, op de Sunda eilanden, midden in Australië! Wij hebben den halven aardbol doorgereisd om bij de tegenvoeters van Europa uit te komen!"
"Maar het kompas? antwoordde mijn oom.
"Ja! het kompas!" zeide ik met een verlegen gelaat ... "Als wij het gelooven mogen, dan zijn wij altijd noordwaarts gegaan."
"Heeft het dan gelogen?"
"O! gelogen!"
"Of dit moest de noordpool zijn!"
"De pool! neen; maar...."
Het was een onverklaarbaar feit. Ik wist niet, wat ik er van moest denken.
Intusschen naderden wij dat groen, dat zoo streelend was voor het oog. Honger en dorst kwelden mij. Gelukkig vertoonde zich na twee uur loopens eene schoone vlakte aan ons oog, geheel bedekt met olijfboomen, granaatappelboomen en wijnstokken, die niemands bijzonder eigendom schenen te zijn. Als lieden, die van alles beroofd waren, konden wij dan ook zoo nauw niet zien. Welk een genot, die sappige vruchten op onze lippen te drukken en geheele trossen uit die purpere wijngaarden te happen! Niet verre van daar in het gras ontdekte ik in de heerlijke schaduw der boomen eene frissche waterbron, waarin wij ons gelaat en onze handen met een gevoel van wellust dompelden.
Terwijl wij ons zoo aan al de genoegens der rust overgaven, verscheen een kind tusschen twee olijfboschjes.
"Ha!" riep ik uit, "een bewoner van dit gelukkige land!"
Het was een kleine, arme, zeer ellendig gekleede, ziekelijke knaap, dien ons gezicht scheen te beangstigen; wij zagen er dan ook half naakt en met ongeschoren baard zeer ongunstig uit, en als het geen land van dieven was, moest ons voorkomen zijne bewoners wel schrik aanjagen.
Zoodra de jongen op den loop wilde gaan, liep Hans hem na en bracht hem terug, ondanks zijn schreeuwen en schoppen.
Mijn oom begon met hem zoo goed mogelijk gerust te stellen en zeide hem in goed duitsch:
"Hoe heet die berg, vriendje?"
Het kind antwoordde niet.
"Goed!" zeide mijn oom, "wij zijn niet in Duitschland." En hij herhaalde de vraag in het engelsch.
Het kind antwoordde evenmin. Ik was in groote spanning.
"Zou hij stom zijn?" riep de professor, die trotsch op zijne taalkennis dezelfde vraag in het fransch deed.
Het kind bewaarde het stilzwijgen.
"Dan zullen wij het italiaansch beproeven," hernam mijn oom, en hij zeide in die taal:
"Dove noi siamo?"
"Ja! waar zijn wij?" herhaalde ik vol ongeduld.
Het kind gaf geen antwoord.
"Hoe is het! zult gij haast spreken?" riep mijn oom die toornig begon te worden en het kind bij de ooren trok. "Come si noma questa isola?"
"Stromboli," antwoordde de kleine herder, die zich uit de handen van Hans losrukte en door de olijfboomen heen de vlakte bereikte.
Wij dachten niet eens meer aan hem. Stromboli! Welk een uitwerksel had die onverwachte naam op mijne verbeelding! Wij waren in de Middellandsche zee, in het midden van den eolischen archipel, mythologischer gedachtenis! op het oude Strongylus, waar Eolus de winden en stormen aan een keten hield. En die blauwe bergen in het westen waren die van Calabrië! En die vulkaan, die aan den zuidelijken gezichteinder verrees, was de Etna, de vreeselijke Etna zelf!
"Stromboli! Stromboli!" herhaalde ik.
Mijn oom begeleidde mij met zijne gebaren en woorden. Het was alsof wij een koor zongen!
"O! welk eene reis! Welk eene vreemde reis! Den eenen vulkaan waren wij in, een anderen uitgekomen, en die andere lag meer dan twaalf honderd uur gaans van den Sneffels, van dat barre IJsland, dat op de grenzen der aarde ligt! De toevalligheden op dezen tocht hadden ons in de liefelijkste streken der aarde overgevoerd! Wij hadden het gewest der eeuwige sneeuw verlaten voor dat van het eindelooze groen, en de grauwe mist der koude luchtstreek boven ons gelaten om terug te komen onder den azuren hemel van Sicilië!
Na een heerlijken maaltijd, uit ooft en frisch water bestaande, gingen wij weder op weg om de haven van Stromboli te bereiken. Het scheen ons niet voorzichtig toe om te zeggen, hoe wij op het eiland gekomen waren: de bijgeloovige geest der Italianen zou ons stellig aangezien hebben voor duivels, die de hel had uitgebraakt; wij moesten er dus vrede mede hebben om voor eenvoudige schipbreukelingen door te gaan. Dat was minder roemvol, maar veiliger.
Onderweg hoorde ik mijn oom mompelen:
"Maar het kompas! het kompas, dat het noorden aanwees! hoe moet ik dat verklaren?"
"Op mijne eer!" zeide ik op een minachtenden toon, "wij moeten het maar niet verklaren; dat is het gemakkelijkst!"
"Dat zou wat moois wezen! Een professor aan het Johannaeum, die de oorzaak van een natuurverschijnsel niet kon vinden, mocht zich wel schamen!"
Zoo sprekende, werd mijn oom, half naakt, met de lederen beurs om de lendenen en den bril op den neus, weder de verschrikkelijke professor in de delfstofkunde.
Een uur nadat wij het olijvenboschje verlaten hadden, kwamen wij aan de haven San-Vicenzo, waar Hans het loon voor zijne dertiende week dienst vorderde, dat hem met warme handdrukken werd uitbetaald.
Al deelde hij in dit oogenblik ook niet in onze zeer natuurlijke aandoening; zoo liet hij zich toch medeslepen door een gevoel van buitengewone openhartigheid.
Met de toppen zijner vingers drukte hij zacht onze beide handen en begon te glimlachen.
HOOFDSTUK XLV
In Hamburg terug.--Hans vertrekt naar IJsland.--De polen van het kompas verwisseld.
Ziehier het slot van een verhaal, waaraan zelfs zij, die gewoon zijn zich over niets te verwonderen, geen geloof zullen slaan. Maar ik ben van te voren gewapend tegen de ongeloovigheid der menschen.
Wij werden door de visschers van Stromboli ontvangen met al de vriendelijkheid, waarop schipbreukelingen aanspraak hebben. Zij gaven ons kleederen en levensmiddelen. Na twee dagen wachtens bracht een klein open vaartuig ons den 31sten Augustus naar Messina, waar eenige dagen rust ons van al onze vermoeienissen herstelden.