Chapter 17
"Zonder twijfel! Of heeft zelfs de storm ons niet op den rechten weg teruggebracht? Gezegend zij het onweder! Het heeft ons teruggevoerd op die kust, waarvan het schoone weder ons had verwijderd! Veronderstel eens, dat wij met onzen steven (den steven van een vlot!) de zuidelijke kusten der Lidenbrock-zee hadden bereikt, wat zou er dan van ons geworden zijn? De naam van Saknussemm zou ons niet onder de oogen gekomen zijn, en wij zouden nu verlaten zijn op een strand zonder uitweg."
"Ja, Axel! het is het bestuur der voorzienigheid, dat wij, naar het zuiden varende, juist in het noorden en bij kaap Saknussemm terecht gekomen zijn. Ik moet zeggen, dat dit meer dan vreemd is, en dat het een feit is, waarvoor ik volstrekt geene verklaring kan vinden."
"Wat komt er dat op aan! het is niet de vraag om feiten te verklaren, maar er ons voordeel mee te doen!"
"Zonder twijfel, mijn jongen? maar...."
"Maar wij zullen weder den weg naar het noorden inslaan, onder de noordelijke landen van Europa, Zweden, Rusland, Siberië weet ik het! doorgaan, in plaats van af te dalen onder de woestijnen van Afrika of de golven van den Oceaan, en verder wil ik van niets weten!"
"Ja, Axel! gij hebt gelijk, en alles is heel goed, daar wij nu die waterpasse zee verlaten, die tot niets kon leiden. Wij gaan dalen, nog eens dalen, altijd dalen! Weet gij wel, dat wij om het middelpunt van den aardbol te bereiken nog maar vijftien honderd uur gaans behoeven af te leggen!"
"Ba!" riep ik uit, "dat is waarlijk de moeite niet waard om er van te spreken! Op weg! op weg!"
Deze zinnelooze gesprekken duurden nog voort, toen wij bij den jager kwamen. Alles was gereed om onmiddellijk af te reizen; geene kist of zij was aan boord, wij namen plaats op het vlot, en zoodra het zeil was geheschen, richtte Hans den steven naar de kaap Saknussemm, steeds de kust houdende.
De wind was niet gunstig voor een vaartuig gelijk het onze, dat niet scherp bij den wind kon houden. Ook moesten wij het op menige plaats met onze met ijzer beslagen stokken voorduwen. Dikwijls dwongen ons de rotsen, die zich in de waterlijn verlengden, om vrij lange omwegen te maken. Eindelijk, na eene vaart van drie uur, dat is te zeggen tegen zes uur des avonds, bereikten wij eene geschikte landingsplaats.
Ik sprong aan land, gevolgd door mijn oom en den IJslander.
Die overtocht had mij niet tot bedaren gebracht. Integendeel. Ik stelde zelfs voor om "onze schepen" te verbranden, ten einde ons zelven den terugtocht af te snijden. Maar mijn oom verzette zich er tegen. Ik vond, dat hij bijzonder koel was.
"Laten wij dan ten minste zonder tijdverlies vertrekken," zeide ik.
"Ja, mijn jongen! maar vooraf zullen wij deze nieuwe galerij onderzoeken om te weten, of wij onze ladders gereed moeten maken."
Mijn oom bracht den toestel van Ruhmkorff in werking; het vlot werd, aan den oever vastgemaakt, alleen gelaten; de opening der galerij was er dan ook geene twintig pas af, en onze kleine troep ging er terstond heen, met mij aan het hoofd.
De bijna cirkelvormige opening had eene middellijn van omtrent vijf voet; de duistere tunnel was in de harde rots uitgehouwen en netjes gepolijst door de uitgebraakte stoffen, waaraan hij vroeger tot weg diende; zijn laagste gedeelte lag met den grond in hetzelfde vlak, zoodat wij er zonder eenige moeite in konden doordringen.
Wij volgden een bijna waterpassen bodem, toen, nadat wij zes schreden ver waren, onze tocht werd gestuit door een daar liggend verbazend groot rotsblok.
"Vervloekt blok!" riep ik toornig uit, toen ik mij zoo plotseling zag ophouden door een onoverkomelijken hinderpaal.
Wij zochten te vergeefs links en rechts, boven en beneden, er bestond geen doorgang, geene splitsing. Ik was diep teleurgesteld en wilde de wezenlijkheid van dien hinderpaal niet aannemen. Ik bukte. Ik zag onder het blok. Geene tusschenruimte. Er boven. Dezelfde granieten slagboom. Hans hield het licht van de lamp bij ieder punt van den wand, maar hij was nergens afgebroken. Wij moesten alle hoop opgeven om er door te komen.
Ik was op den grond gaan zitten; mijn oom liep met groote schreden den gang op en neder. "Maar Saknussemm dan?" riep ik.
"Ja!" zeide mijn oom, "is hij dan door deze steenen deur tegen gehouden?"
"Neen! neen!" hernam ik driftig. "Dit rotsblok heeft, tengevolge van den een of anderen schok of van een dier magnetische verschijnselen, die de aardschors schudden, plotseling dezen doorgang gesloten. Er zijn vele jaren verloopen tusschen den terugkeer van Saknussemm en den val van dit blok. Is het niet duidelijk, dat deze galerij voorheen een weg voor de lava is geweest en dat de uitgebraakte stoffen er toen onbelemmerd doorstroomden? Zie! dit granieten dak vertoont nog jonge scheuren; het bestaat uit samengevoegde stukken, uit verbazend groote steenen, alsof eene reuzenhand aan dezen onderbouw had gewerkt; maar eens is de schok heviger geweest, en dit blok, dat gelijkt op een ontbrekenden sleutel van het gewelf, is op den grond gegleden en heeft den doortocht versperd. Het is een toevallige hinderpaal, dien Saknussemm niet heeft aangetroffen, en als wij hem niet omverwerpen, dan zijn wij niet waard het middelpunt der aarde te bereiken!"
Zoo sprak ik! De ziel des professors was geheel in mij overgegaan. De zucht tot ontdekkingen bezielde mij.
Ik vergat het verledenene, ik verachtte de toekomst. Er bestond voor mij niets meer op de oppervlakte van den bol, in welks binnenste ik begraven was, steden, noch velden, noch Hamburg, noch Koningstraat, noch mijne arme Gräuben, die mij voor altoos verloren moest wanen in de ingewanden der aarde....
"Welnu!" hernam mijn oom, "laten wij ons met het houweel en het breekijzer een weg banen en die muren omverwerpen!"
"Het is te hard voor het breekijzer!" riep ik.
"Dan het houweel!"
"Met het houweel zal het te lang duren!"
"Maar!..."
"Welnu! het kruit! de mijn! Laten wij eene mijn aanleggen, en den hinderpaal in de lucht doen springen!"
"Het kruit!"
"Ja! het is maar een rotsblok, dat verbrijzeld moet worden!"
"Hans! aan het werk!" riep mijn oom.
De IJslander keerde naar het vlot terug en kwam spoedig met een breekijzer weder, waarvan hij zich bediende om eene mijnkamer te graven. Het was geen gemakkelijk werk.
Er moest een gat gemaakt worden groot genoeg om vijftig pond schietkatoen te bevatten, welks uitzettend vermogen viermaal grooter is dan van het buskruit.
Ik was verbazend opgewonden. Terwijl Hans werkte, hielp ik vlijtig mijn oom om een lange lont te vervaardigen van natgemaakt kruit, gewikkeld in eene linnen buis.
"Wij zullen er doorkomen!" zeide ik.
"Wij zullen er doorkomen!" herhaalde mijn oom.
Tegen middernacht was onze mijnarbeid geheel voltooid; de lading schietkatoen was in de kamer gestopt en de lont door de galerij heengelegd, zoodat zij daarbuiten uitkwam.
Eene vonk was genoeg om dit geduchte vernielingswerktuig in werking te brengen.
"Tot morgen!" zeide de professor.
Ik moest mij wel onderwerpen en nog zes lange uren wachten!
HOOFDSTUK XLI
De mijn gesprongen.--De ontploffing.--Snelle vaart van het vlot. --De woede van den stortvloed.--Onverwachte overstrooming.
De volgende dag, Donderdag de 27ste Augustus, was een merkwaardig tijdstip onzer onderaardsche reis. Ik kan er niet aan denken, zonder dat de schrik mijn hart doet kloppen. Van dit oogenblik af hebben onze rede, ons oordeel, onze vindingrijkheid geene stem meer in den raad en worden wij de speelbal der natuurverschijnselen.
Te zes uur waren wij op de been. Het oogenblik naderde, waarop het kruit ons een doortocht moest banen door de schors van graniet.
Ik verzocht om de eer de mijn te ontsteken. Als dat gedaan was, moest ik mij bij mijne makkers voegen op het vlot, dat niet ontladen was; dan zouden wij van wal steken om de gevaren der ontploffing te ontwijken, welker uitwerkselen zich wellicht niet tot het inwendige der vaste massa zouden bepalen.
De lont moest naar onze berekening tien minuten branden, alvorens het vuur de kruitkamer kon bereiken. Ik had dus den noodigen tijd om weder op het vlot te komen.
Niet zonder eene zekere ontroering maakte ik mij gereed om mijne taak te vervullen.
Na een korten maaltijd gingen mijn oom en de jager scheep, terwijl ik op den oever achterbleef. Ik was voorzien van eene brandende lantaarn, die mij dienen moest om de lont aan te steken.
"Ga, mijn jongen!" sprak mijn oom, "en kom dadelijk weder bij ons."
"Wees gerust!" antwoordde ik, "ik zal onderweg niet loopen spelen."
Terstond begaf ik mij naar de opening der galerij. Ik maakte mijne lantaarn open en greep het uiteinde der lont.
De professor hield zijn tijdmeter in de hand.
"Zijt gij gereed?" riep hij mij toe.
"Ik ben gereed!"
"Welaan dan! vuur, mijn jongen!"
Ik stak de lont, die bij de aanraking knetterde, gezwind in de vlam en liep pijlsnel naar den oever.
"Kom aan boord!" zeide mijn oom, "steek van wal!"
Met een krachtigen stoot verwijderde Hans ons van den oever. Het vlot dreef omtrent twintig vadem ver.
Het was een benauwd oogenblik. De professor staarde op den wijzer van den tijdmeter.
"Nog vijf minuten," zeide hij. "Nog vier. Nog drie."
Mijn pols klopte gejaagd.
"Nog twee. Eene!.... Stort in, bergen van graniet."
Wat gebeurde er toen? Ik geloof, dat ik het geraas van de ontploffing niet hoorde. Maar de gedaante der rotsen veranderde plotseling voor mijn oog; zij gingen als een gordijn open. Ik bemerkte een onpeilbaren afgrond, die zich in den oever opende. De zee, door schrik bevangen, was slechts één onzettend groote golf, op wier rug het vlot zich loodrecht verhief.
Wij werden alle drie omvergeworpen. In minder dan eene seconde maakte het licht plaats voor de zwartste duisternis. Vervolgens voelde ik het steunpunt ontzinken, niet aan mijne voeten, maar aan het vlot. Ik geloofde, dat het rechtstandig zonk. Maar dat was zoo niet. Al had ik tot mijn oom willen spreken, dan zou toch het geloei van het water hem belet hebben mij te verstaan.
In weerwil van de duisternis, het geraas, de verbazing, de ontsteltenis, begreep ik wat er gebeurd was.
Aan gene zijde van de rots, die wij hadden laten springen, bestond een afgrond. De uitbarsting had eene soort van aardbeving teweeg gebracht in dezen door scheuren doorsneden grond; de afgrond had zich geopend, en de zee, in een stortvloed veranderd, sleepte ons er in mede.
Ik gevoelde, dat ik verloren was.
Een, twee uren, weet ik het! gingen zoo voorbij. Wij drongen ons tegen elkander aan, wij hielden elkaars handen vast, om niet van het vlot geslagen te worden; allerhevigste schokken hadden plaats, wanneer het tegen den muur stiet. Toch waren die schokken zeldzaam, waaruit ik opmaakte, dat de galerij werkelijk breeder werd. Er was geen twijfelen aan, het was de weg van Saknussemm, maar in plaats van hem alleen te begaan, hadden wij door onze onvoorzichtigheid eene geheele zee medegesleept.
Men begrijpt licht, dat die gedachten zich in een onbepaalden en duisteren vorm aan mijn geest voordeden. Ik kon ze met moeite verbinden gedurende dezen duizelingwekkenden tocht, die op een val geleek. Naar den wind te oordeelen, die mijn aangezicht zweepte, moest hij de snelste treinen in vaart overtreffen. In deze omstandigheden eene toorts aan te steken was dus onmogelijk, en onze laatste electrieke toestel was, op het oogenblik van de ontploffing, gebroken.
Het verbaasde mij dus zeer, toen ik eensklaps een licht bij mij zag schitteren. Het kalme gelaat van Hans werd er door beschenen. Het was den behendigen jager gelukt de lantaarn aan te steken, en hoewel hare vlam trilde, alsof zij uit wilde gaan, wierp zij toch eenig schijnsel in de verschrikkelijke duisternis.
De galerij was breed. Mijn vermoeden werd dus bevestigd. Ons onvoldoend licht veroorloofde ons niet de beide wanden te gelijk te zien. De helling van het water, dat ons medevoerde, overtrof die der onoverkomelijkste watervallen van Amerika; zijne oppervlakte scheen te bestaan uit een bundel pijlen die met verbazende kracht waren afgeschoten. Ik kan den indruk, dien ik ondervond, door geene juistere vergelijking wedergeven. Het vlot, soms in eene draaikolk rakende, schoot al ronddraaiende verder. Wanneer het de wanden der galerij naderde, liet ik het licht der lantaarn er op vallen, en ik kon over zijne snelheid oordeelen, daar ik de uitspringende rotspunten in verlengde lijnen zag veranderen, zoodat wij besloten waren in een net van beweeglijke lijnen. Ik schatte onze vaart op dertig uur gaans per uur.
Mijn oom en ik, leunende tegen de stomp van den mast, die op het oogenblik van de ramp weggeslagen was, zagen elkander met verwilderde oogen aan. Wij keerden den rug naar den luchtstroom, om niet gesmoord te worden door de snelheid eener beweging, die geene menschelijke macht kon beteugelen.
Intusschen verliepen de uren. De toestand veranderde niet, maar een voorval maakte hem nog ingewikkelder.
Toen ik trachtte een weinig orde in de lading te brengen, zag ik dat het grootste gedeelte der aan boord gebrachte voorwerpen verdwenen was op het oogenblik der ontploffing, toen de zee ons met zooveel geweld aangreep. Ik wilde nauwkeurig weten, hoe het met onze hulpmiddelen stond, en met de lantaarn in de hand begon ik mijne nasporingen. Van onze werktuigen was er niets over dan het kompas en de tijdmeter. De ladders en touwen waren weg, op een eindje kabel na, dat om de stomp van den mast zat.
Geen houweel, geen breekijzer, geen hamer was er meer, en, onherstelbaar ongeluk! wij hadden voor geen dag levensmiddelen meer!
Ik begon de tusschenruimten van het vlot, de kleinste hoekjes door de balken en de samengevoegde planken gevormd, te doorzoeken. Niets! Al onze voorraad bestond slechts uit een stuk gedroogd vleesch en wat beschuit!
Wat stond ik versuft te kijken! Ik wilde het maar niet begrijpen! En toch over welk gevaar bekommerde ik mij? Al ware er mondvoorraad genoeg geweest voor maanden, voor jaren, hoe zouden wij nog uit die afgronden komen, waarin die onweerstaanbare stortvloed ons medesleepte? Waarom zouden wij de martelingen van den honger vreezen, als de dood zich reeds onder zoo vele andere gedaanten vertoonde? Zouden wij den tijd hebben om van gebrek om te komen?
En echter vergat ik door eene onverklaarbare gril der verbeelding het onmiddellijke gevaar, voor de bedreigingen der toekomst, die mij in al hare verschrikkelijkheid voor den geest zweefden. Bovendien zouden wij misschien aan de woede van den stortvloed kunnen ontkomen en op de oppervlakte van den aardbol terugkeeren. Hoe? dat wist ik niet! Waar? Dat kon mij niet schelen! Eene kans van de duizend is toch altijd eene kans, terwijl de hongerdood ons ook niet de geringste hoop overliet.
Ik dacht er over om alles aan mijn oom te zeggen, hem aan te toonen hoe bitter slecht wij voorzien waren, en nauwkeurig den tijd te berekenen, dien wij nog te leven hadden. Maar ik had den moed om te zwijgen. Ik wilde hem niet van zijn koelbloedigheid berooven.
Op dit oogenblik verflauwde het licht der lantaarn allengs en ging uit. De pit was geheel opgebrand. Het werd stikdonker. Er viel niet meer aan te denken om die ondoordringbare duisternis te verdrijven. Er bleef nog eene toorts over, maar wij zouden haar niet brandende kunnen houden. Nu sloot ik als een kind mijne oogen om die verschrikkelijke duisternis niet te zien.
Na een vrij lang tijdsverloop verdubbelde de snelheid onzer vaart. Ik bespeurde het aan de terugkaatsing der lucht op mijn gelaat. Het water liep verbazend snel af. Ik geloof waarlijk, dat wij niet meer dreven, maar vielen. Ik had een gevoel, alsof ik loodrecht nederviel. De hand van mijn oom en die van Hans, om mijne armen gekneld, hielden mij met kracht tegen.
Na een onberekenbaar tijdsverloop voelde ik eensklaps iets als een schok; het vlot had niet tegen een hard lichaam gestooten, maar was plotseling in zijn val gestuit. Eene waterhoos, eene onmetelijke vloeibare zuil viel op zijne oppervlakte neder. Ik stikte. Ik verdronk.
Die onverwachte overstrooming duurde echter niet lang. Binnen weinige seconden ademde ik weder met volle teugen de vrije lucht in. Mijn oom en Hans hielden mij zoo stevig vast, dat mijn arm bijna verbrijzeld werd, en het vlot droeg ons nog alle drie.
HOOFDSTUK XLII
De nauwe put.--Geen voedsel meer.--Levend verbranden.--De laatste maaltijd.--Een gloeiende dampkring.
Het moet naar mijne gissing 's avonds omstreeks tien uur geweest zijn. Het eerste mijner zintuigen, dat na dien laatsten stoot mij weder ten dienste stond, was het gehoor. Ik hoorde bijna terstond, want het was inderdaad eene zaak van het gehoor, dat er stilte in de galerij ontstond en op het geloei volgde, dat sedert zoovele uren mijn oor vervulde. Eindelijk drongen deze woord en van mijn oom als een gemompel tot mij door:
"Wij stijgen!"
"Wat zegt gij daar?" riep ik.
"Ja! wij stijgen! wij stijgen!"
Ik stak den arm uit; ik raakte den muur aan; mijne hand begon te bloeden. Wij stegen weder met verbazende snelheid.
"De toorts! de toorts!" riep de professor.
Het gelukte Hans, echter niet zonder veel moeite, om haar te ontsteken, en hoewel de vlam van boven naar beneden woei ten gevolge van de stijgende beweging, verspreidde zij genoeg helderheid om het geheele tooneel te verlichten.
"Het is zooals ik dacht," zeide mijn oom. "Wij zijn in een nauwen put, die geene drie vadem middellijn heeft. Nu het water op den bodem van den afgrond is gekomen, herneemt het zijn waterpassen stand en voert ons mede omhoog."
"Waarheen?"
"Dat weet ik niet, maar wij moeten ons op alles voorbereid houden. Wij stijgen met eene snelheid, die ik op twee vadem per seconde bereken, dat is honderd twintig vadem per minuut of meer dan twee en een derde uur gaans per uur. Op die wijze vorderen wij goed."
"ja! als niets ons stuit, als deze put een uitgang heeft! Maar als hij verstopt is, als de lucht langzamerhand samengeperst wordt onder de drukking der waterkolom, als wij verpletterd worden!"
"Axel!" antwoordde de professor heel bedaard, "de toestand is bijna wanhopig, maar er zijn eenige kansen van redding en die onderzoek ik. Kunnen wij al ieder oogenblik omkomen, wij kunnen even goed ieder oogenblik gered worden. Wees er dus op bedacht om van de geringste omstandigheden partij te trekken."
"Maar wat moet ik doen?"
"Eten om uwe krachten te herstellen."
Op die woorden zag ik mijn oom met een verwilderden blik aan. Wat ik tot nu toe had verzwegen, moest ik eindelijk zeggen:
"Eten?" herhaalde ik.
"Ja! zonder uitstel."
De professor voegde er in het deensch eenige woorden bij. Hans schudde het hoofd.
"Hoe!" riep mijn oom, "is onze voorraad weg?"
"Ja! dit is alles wat nog over is: een stuk droog vleesch voor ons drieën!"
Mijn oom zag mij aan, zonder mijne woorden te willen begrijpen.
"Welnu!" zeide ik, "denkt gij, dat wij nog gered kunnen worden?"
Er volgde op mijne vraag geen antwoord.
Een uur verliep. Ik begon een ergen honger te krijgen. Mijne metgezellen leden ook, en niemand onzer durfde deze handvol levensmiddelen aanraken.
Intusschen stegen wij nog altijd snel; soms belemmerde de lucht onze ademhaling, gelijk de luchtreizigers die te snel stijgen, het soms ondervinden. Maar dezen voelen eene koude, die toeneemt naar mate zij in hoogere luchtlagen komen; wij ondergingen juist het tegenovergestelde. De warmte nam op eene onrustbarende wijze toe en steeg zeker wel tot veertig graden.
Wat beteekende die verandering? Tot nu toe hadden de feiten de theoriën van Davy en Lidenbrock bevestigd; tot nu toe hadden, bijzondere omstandigheden van tegen het vuur bestand zijnde rotsen, van electriciteit, van magnetismus, de algemeene natuurwetten gewijzigd; want de theorie van het inwendige vuur bleef, mijns inziens, de eenige ware, de eenige verklaarbare. Zouden wij nu op eene plaats komen, waar die verschijnselen zich in volle kracht openbaarden en waar de hitte de rotsen volkomen smeltend maakte? Ik vreesde het en zeide tot den professor:
"Al verdrinken wij niet, al worden wij niet verpletterd, al sterven wij niet van honger, dan hebben wij toch altijd nog kans van levend te verbranden."
Hij vergenoegde zich met de schouders op te halen en verviel weder in gepeins.
Een uur verliep en met uitzondering van een geringe toeneming van hitte, bracht geen voorval eenige verandering in onzen toestand. Eindelijk verbrak mijn oom het stilzwijgen.
"Welaan!" zeide hij, "wij moeten een besluit nemen."
"Een besluit nemen?" antwoordde ik.
"Ja! wij moeten onze krachten herstellen. Als wij ons leven eenige uren trachten te rekken door de overschietende levensmiddelen te sparen, zullen wij tot het einde toe zwak zijn."
"Ja, tot het einde toe, dat niet lang zal uitblijven."
"Welnu! als er zich een kans op redding voordoet, als er een oogenblik van handelen komt, waar zullen wij dan de kracht tot handelen vinden, als wij ons door gebrek aan voedsel laten verzwakken?"
"Maar, oom! wat blijft ons over, als dit stuk vleesch opgegeten is?"
"Niets, Axel! niets, maar zal het u meer voeden, als gij het met uwe oogen verslindt? Gij redeneert daar als iemand zonder wil, als een wezen zonder geestkracht!"
"Wanhoopt gij dan niet?" riep ik verbitterd uit.
"Neen!" antwoordde de professor op vasten toon.
"Hoe! gelooft gij dan nog aan eene kans op behoud?"
"Ja! zeker ja! en zoo lang zijn hart klopt, zijn vleesch trilt, duld ik niet dat een met een wil begaafd wezen aan de wanhoop eene plaats inruimt."
Welke woorden! De man, die ze in zulke omstandigheden sprak, was zeker van een buitengewonen aard.
"Wat wilt gij dan eigenlijk doen?" zeide ik.
"Tot de laatste kruimel het voedsel, dat nog overgebleven is, opeten en onze verlorene krachten herstellen. Deze maaltijd zal onze laatste zijn, het zij zoo! maar ten minste zullen wij, in plaats van uitgeput te wezen, weder mannen zijn geworden."
"Welnu! wij zullen eten!" riep ik uit.
Mijn oom nam het stuk vleesch en de weinige beschuiten, die uit de schipbreuk gered waren, maakte er drie gelijke deelen van en gaf ze ons. Het was ten naasten bij een pond voedsel voor elk. De professor at gulzig met eene soort van koortsige drift; ik, zonder trek ondanks mijn honger, en bijna met tegenzin; Hans, rustig, bedaard, en zonder leven te maken kleine beetjes kauwende en ze doorslikkende met de kalmte van een man, dien de bezorgdheid voor de toekomst niet kon verontrusten. Na lang zoeken had hij eene half volle flesch jenever gevonden, en dit weldadige vocht wekte mij weder eenigszins op.
"Förtrafflig!" zeide Hans op zijne beurt drinkende.
"Voortreffelijk!" antwoordde mijn oom.
Ik begon weder eenige hoop te koesteren. Maar onze laatste maaltijd was afgeloopen. Het was nu 's morgens vijf uur.
Het is met den mensch zoo gesteld, dat zijne gezondheid een zuiver negatief iets is; als de behoefte aan voedsel eens voldaan is, kan men zich moeielijk de kwellingen van den honger voorstellen; men moet ze ondervinden om ze te begrijpen. Na het lange vasten zegevierden dan ook eenige beten beschuit en vleesch over onze doorgestane smarten.
Na dien maaltijd gaven wij ons allen aan onze overpeinzingen over. Waaraan dacht Hans, die man uit het hooge noorden, die onder de heerschappij stond van de oostersche leer van onderwerping aan het noodlot? Mijne denkbeelden bestonden slechts uit herinneringen, en deze voerden mij terug naar de oppervlakte van den aardbol, die ik nooit had moeten verlaten. Het huisje in de Koningstraat, mijn arme Gräuben, de goede Martha, gingen als gezichten voorbij mijne oogen, en in het doffe gebrul, dat door het vaste gesteente liep, meende ik het geraas van de steden op aarde te herkennen.
Mijn oom, "altijd bij de zaak," onderzocht aandachtig met de toorts in de hand den aard der gronden; hij trachtte te onderscheiden waar hij was door de opeenvolging der op elkander liggende lagen. Die berekening of liever die schatting kon slechts bij benadering wezen; maar een geleerde is altijd een geleerde, wanneer het hem gelukt zijne koelbloedigheid te behouden, en zeker bezat professor Lidenbrock die hoedanigheid in een buitengewonen graad.