Naar het middelpunt der Aarde

Chapter 16

Chapter 163,684 wordsPublic domain

Die echtheid had niettemin een ijverig tegenstander in Elias de Beaumont. Deze hooggeschatte geleerde beweerde, dat de grond van Moulin-Quignon niet diluviaansch, maar uit lateren tijd was, en evenmin als Cuvier wilde hij iets weten van de bewering, dat het menschdom gelijktijdig met de dieren uit het quaternaire tijdperk zou bestaan hebben. Mijn oom Lidenbrock had, in overeenstemming met de groote meerderheid der geologen, staande gehouden, getwist en geredeneerd, terwijl de Beaumont met zijne meening genoegzaam alleen was blijven staan.

Wij kenden deze zaak in al hare bijzonderheden, maar wisten niet, dat het onderwerp na ons vertrek opnieuw ter sprake was gekomen. Andere dergelijke kaakbeenderen, schoon dan afkomstig van andere stammen en dus van afwijkende vormen, waren in sommige grotten van Frankrijk, Zwitserland en België gevonden, benevens wapenen, huisraad, gereedschappen, beenderen van kinderen, jonge menschen, volwassenen, grijsaards. Het bevestigde zich met elken dag meer, dat de mensch inderdaad in het quaternaire tijdperk geleefd heeft.

En dit was nog niet alles. Nieuwe opgravingen uit het tertiaire pliocenische tijdperk hadden voorwerpen doen ontdekken, uit welke de stoutste geleerden eene nog veel hooger opklimmende oudheid aan het menschdom hadden toegekend. Deze overblijfselen waren wel geen beenderen van menschen, maar toch voortbrengselen zijner kunstvlijt, namelijk scheen- en dijbeenderen van uitgestorven dieren, besneden met regelmatige figuren, die het kenmerk van 's menschen hand droegen.

Daardoor klom het bestaan van den mensch plotseling de ladder eener lange reeks van eeuwen op; hij leefde reeds vroeger dan de mastodont; hij was een tijdgenoot van die voorwereldlijke olifanten, welke men "elephas meridionalis" noemt; hij was reeds voor honderd duizend jaren een bewoner dezer aarde; immers op dien ouderdom begrooten de meest vermaarde geleerden de pliocenische formatie.

Op dat standpunt stond destijds de wetenschap der voorwereldlijke dieren en hetgeen wij er van wisten was genoeg om onze aandacht op die beenderenhoopen in de Lidenbrock-zee te spannen. Men kan zich dus voorstellen hoe opgetogen mijn oom was, vooral toen hij, twintig schreden verder, zich in de onmiddellijke nabijheid van een menschelijk overblijfsel uit het quaternaire tijdperk bevond.

Het was een menschelijk lichaam, duidelijk als zoodanig herkenbaar. Had eene bijzondere gesteldheid van den grond, gelijk aan dien van het kerkhof van St. Michel te Bordeaux, dat lichaam zoovele eeuwen bewaard? Ik weet het niet. Maar dat lijk, met zijne perkamentachtige huid en nog weeke ledematen--op het oog althans--met zijn gaaf gebit, met zijn overvloedig hoofdhaar, met zijne verbazend uitgegroeide nagels aan vingers en teenen--dat lijk vertoonde een wezen zooals het geleefd had.

Ik stond als stom tegenover deze verschijning uit lang vervlogen eeuwen. Mijn oom, anders zoo woordenrijk van aard, sprak insgelijks geen woord. Wij hadden het voorwerp opgenomen en overeind gezet. Het scheen ons met zijn holle oogkassen aan te staren.

Na eenige oogenblikken zwijgens ging de oom op in den professor. Otto Lidenbrock vergat in zijne opgewondenheid de omstandigheden van onzen tocht, de plaats waar wij waren, de onmetelijke spelonk in welke wij stonden. Zonder twijfel stond hij met zijne gedachten in het college, bezig zijne leerlingen te onderwijzen; immers hij nam een geleerden toon aan en richtte tot een denkbeeldig gehoor op deze wijze het woord:

"Mijne heeren! ik heb de eer u een mensch uit het quaternaire tijdperk voor te stellen. Groote geleerden hebben zijn bestaan ontkend; anderen, niet minder groot, het verzekerd. Deze ongeloovige Thomassen der wetenschap zouden, indien zij hier waren, hem met den vinger kunnen aanraken en wel genoodzaakt zijn hunne dwaling te herroepen. Ik weet zeer wel, dat de wetenschap op hare hoede moet zijn tegenover zulke ontdekkingen. Het is mij niet onbekend wat er van den voorwereldlijken mensch geworden is onder de handen van een Barnum en andere soortgelijke kwakzalvers. Ik ken de geschiedenis van de knieschijf van Ajax, van het zoogenaamde lijk van Orestes, dat door de Spartanen zou teruggevonden zijn, en van dat van Asterius, tien ellebogen lang, waarvan Pausanias spreekt. Gelezen heb ik de berichten aangaande het in de XIVde eeuw gevonden geraamte van Trapani, waarin men Polyphemus heeft meenen te vinden; bekend is mij de geschiedenis van een reus, die in de XVIe eeuw in den omtrek van Palermo is opgegraven. Even goed als ik, weet gij, mijne heeren, hoe de beenderen, te Lucern in 1577 gevonden, door den vermaarden geneesheer Felix Plater verklaard zijn voor gedeelten van een reus van negentien voet lengte. Gelezen, ik mag wel zeggen verslonden, heb ik de verhandelingen van Cassanion, benevens al de geschriften en tegenschriften ter gelegenheid van het geraamte, den 11den Januari 1613 op het landgoed van den heer de Langow bij het kasteel van Chaumont in Dauphiné opgegraven, dat naar beweerd en betwist werd, dat van Teuthobochus, koning der Cimbren, zou geweest zijn. Had ik in de vorige eeuw geleefd, ik zou met P. Campet geplukhaard hebben over het bestaan van den voorwereldlijken mensch van Scheuchzer. Ik heb het geschrift in handen gehad, getiteld: Gigan...."

Hier bleek het natuurlijke gebrek van mijn oom, die in het openbaar geen moeilijke woorden kon uitspreken.

"Het geschrift, getiteld Gigan...."

Hij kon het niet verder brengen.

"Giganteo...."

Onmogelijk! Het moeielijke woord wilde er niet uit! Wat zou men hem op het college hebben uitgelachen!

Eindelijk wrong hij tusschen een paar vloeken in, uit de keel: Gigantosteologie.

Op vlugger toon ging hij voort:

"Ja, mijne heeren, ik weet daar alles van. Ik weet ook, dat Cuvier en Blumenbach die beenderen hebben gehouden voor overblijfselen van mammouths en andere dieren uit het quaternaire tijdperk. Maar hier zou elke twijfeling eene beleediging der wetenschap zijn. Ziedaar het lijk! Gij kunt het zien, gij kunt het aanraken! Het is geen geraamte, het is een volledig lichaam, uitsluitend bewaard als bijdrage tot de natuurkundige geschiedenis van den mensch!"

Ik had geen lust om die bewering tegen te spreken.

"Indien ik het in een oplossing van zwavelzuur kon leggen," ging mijn oom voort, "zou ik er alle aardachtige aanhangselen en schulpen af weeken. Maar ik heb hier geen zwavelzuur. Intusschen, het zij zoo als het wil, het lijk zal ons zijn eigene geschiedenis verhalen."

De professor nam het lijk en ging er mede om als de handigste vertooner van zeldzaamheden.

"Gij ziet," hernam hij, "het haalt geen zes voet lengte, en wij zijn dus ver van de voorgewende reuzen. Wat het ras betreft, waartoe het behoort, dit is buiten allen twijfel het kaukasische, het blanke, het onze! De schedel is regelmatig eivormig, zonder vooruitstekende oogbeenderen of verlengde kaakbeenderen. Het vertoont geen spoor van prognathismus dat den gelaatshoek wijzigt [15]. Meet dien hoek, hij is bijna 90°. Maar ik zal nog verder gaan op den weg der gevolgtrekkingen, en dus zeggen, dat dit voorwerp behoort tot het ras van Japhet--den Indo-Germaanschen stam--, van Indië tot aan de westelijke streken van Europa verspreid. Lacht niet, mijne heeren!"

Niemand vertrok een mond tot lachen; maar de professor was gewoon ongeloovige lachjes te zien verschijnen op het gelaat zijner toehoorders te midden van het uitkramen zijner geleerdheid.

"Voorzeker," begon hij met nieuwe kracht weder, "wij hebben daar een voorwereldlijken mensch, tijdgenoot van de mastodonten, wier gebeenten daar in den omtrek verspreid liggen. Maar u zeggen hoe hij daar gekomen is, hoe de lagen, in welke hij is begraven geweest, tot in deze geweldige holte in de ingewanden der aarde zijn geschoven,--dat is iets waar ik mij niet aan wagen zal. Ongetwijfeld hadden gedurende het quaternaire tijdvak nog verbazende, omwentelingen in de aardschors plaats; de voortdurende afkoeling des aardbols veroorzaakte scheuren, spleten, kloven, waarin waarschijnlijk een gedeelte van den bovengrond wegzakte. Ik zal mij daarover niet uitlaten; hoe het zij, het menschelijk overblijfsel is daar, omringd door het werk zijner handen, die bijlen en bewerkte vuursteenen die het steentijdperk gevormd hebben; misschien is hij hier gekomen gelijk ik, als reiziger, als ontsteker van het licht der beschaving, maar aan de opgegeven oudheid van zijn bestaan kan ik niet twijfelen."

De professor zweeg en ik deed als een éénig man luide toejuichingen hooren. Overigens, mijn oom had gelijk: geleerder mannen dan zijn neef zouden veel moeite gehad hebben hem te wederleggen.

Iets anders nog ten bewijze. Het gevonden overblijfsel was niet het eenige in zijne soort in dit onmetelijke knekelhuis. Andere voorwerpen vertoonden zich bij elke schrede die wij deden, en mijn oom had slechts het merkwaardigste uit te zoeken om het aan ongeloovigen ter overtuiging voor te leggen.

In waarheid, die bonte verzameling overblijfselen van menschen en dieren, op dit uitgestrekte kerkhof dooreenliggende, leverde een eigenaardig schouwspel op. Maar er rees eene belangrijke vraag op, die wij niet waagden te beantwoorden. Waren de overblijfselen herwaarts gedreven nadat de menschen en dieren, tot welke zij eenmaal hadden behoord, reeds hadden opgehouden te leven; of leefden en woonden zij eenmaal in deze onderaardsche wereld? Tot dusver hadden wij er alleen zeemonsters en visschen in leven gezien. Zwierf nog eenig onderaardsch mensch rond op deze woeste vlakten?

HOOFDSTUK XXXIX

Voorwereldlijke planten en dieren.--Mosplanten.--Mastodonten.--De aapmensch.--Niet op het uitgangspunt terug.--Een dolk.--Eene echte dagge.

Nog gedurende een half uur kraakten deze beenderenlagen onder onze voeten. Wij stapten voorwaarts, voortgedreven door eene brandende nieuwsgierigheid. Welke andere wonderen bevatte deze spelonk, welke schatten voor de wetenschap? Mijn blik was voorbereid op allerlei verrassingen, mijne verbeelding op allerlei merkwaardigheden.

Het zeestrand was reeds lang achter de heuvels in het beenderendal verdwenen. De onvoorzichtige professor gaf er weinig om of hij van den weg geraakte en sleurde mij met zich voort. Zonder een woord te spreken en badende in de elektrieke golven, schreden wij voorwaarts. Tengevolge van een voor mij onverklaarbaar verschijnsel verspreidde zich het licht zoodanig, dat het gelijkelijk op al de deelen der voorwerpen viel. Het ging niet van een bepaald punt uit en vertoonde ook geen de minste schaduw. Het was even alsof men zich op den vollen middag, in het midden van den zomer, onder de loodrecht nedervallende zonnestralen tusschen de keerkringen bevond. Van damp geen het minste spoor. De rotsen, de verwijderde bergen, de nog verder afgelegen bosschen--het had alles een zonderling voorkomen onder de gelijkmatige verdeeling van de lichtende vloeistof. Wij geleken naar den man van Hoffmann, die geen schaduw had.

Na eene wandeling van een mijl vertoonde zich de zoom van een onmetelijk woud, maar geen enkele der champignonboomen in de nabijheid van Gräubenhaven.

Het was de plantenwereld van het tertiaire tijdperk in al hare heerlijkheid. Reusachtige palmboomen in soorten die tegenwoordig niet meer bestaan, prachtige dennen, cypressen en levensboomen vertegenwoordigden de kegeldragende boomen en waren onderling verbonden door een netwerk van slingerplanten. De grond was bedekt door een mollig tapijt van mosplanten en levermossen. Eenige beekjes murmelden onder het geboomte, dat echter geene schaduw van zich gaf. Langs de kanten van het water wiesen boomvarens, gelijkende naar die, welke men aantreft in de broeikassen der bewoonde aarde. Doch kleur hadden die boomen en heesters en planten niet, omdat zij het zonlicht misten. Alles was als met eene flauwe, bruinachtige tint overtogen. De bladeren misten hun groen, en de bloemen zelve, zoo talrijk in het tertiaire tijdperk, hadden kleur noch geur; 't was alsof zij vervaardigd waren van papier, verkleurd onder den invloed van den dampkring.

Mijn oom Lidenbrock waagde zich onder die reusachtige takken. Ik volgde hem, niet zonder zekeren angst. Had de natuur daar gezorgd voor overvloed van plantenvoedsel, waarom zag men er geen dier reusachtige zoogdieren? Ik ontwaarde op de opene plekken, ontstaan door het omvallen van doode boomen, kruiden die tot de legumineusen, de acerinen, de rubiaceën behoorden, en voorts, duizenderlei eetbare struikgewassen, op welke de herkauwende dieren van alle tijden zoozeer aasden. Verder vertoonden zich, van alles dooreen, boomen zooals men ze in de verschillende streken des aardbols aantreft, eiken naast palmboomen, Australische mirten naast Noorweegsche dennen, Noordsche berken, hunne takken slingerende tusschen tropische tamerinden. Het was eene verzameling om de schranderste plantenkenners tot wanhoop te brengen.

Op eens bleef ik stilstaan. Met de hand hield ik mijn oom terug.

Het gelijkmatig verspreidde licht liet ook de kleinste voorwerpen op den grond onder het geboomte waarnemen. Ik geloofde te zien.... Neen! inderdaad, ik zag er wezenlijk, met mijne oogen, eene dierenwereld in beweging. Inderdaad, het waren reusachtige dieren, eene geheele kudde mastodonten, nu geene geraamten, maar levende dieren, gelijkende op die, waarvan de overblijfselen in 1801 in de moerassen van de Ohio gevonden zijn. Ik zag die groote olifanten, welker snuiten onder de boomen kronkelden als eene menigte slangen. Ik hoorde hun ivoren slagtanden tegen de oude stammen slaan. De takken braken af en de bladeren verdwenen in den open muil dier wangedrochten.

Zoo was dan eindelijk de droom verwezenlijkt, in welken ik die geheele voorhistorische wereld had zien herleven in den tertiairen en den quaternairen tijd! En wij stonden daar, alléén, in de ingewanden der aarde, ter prooi aan het woeste gedierte!

Mijn oom zag nauwlettend om zich heen.

"Kom," zeide hij, mij bij den arm nemende, "voorwaarts, voorwaarts!"

"Neen!" riep ik uit, "dat niet. Wij zijn ongewapend. Wat zouden wij doen in het midden dezer menigte reusachtige dieren? Kom, oom, kom! Geen menschelijk wezen is in staat om ongestraft de woede dier gedierten te tergen."

"Geen menschelijk wezen!" antwoordde mijn oom met zachte stem. "Dat hebt gij mis, Axel! Zie, daar omlaag! Mij dunkt ik zie een wezen als wij zijn! Een mensch!"

Met opgetrokken schouders zag ik toe, vast besloten om de ongeloovigheid tot het uiterste te drijven. Maar ik was wel genoodzaakt voor de klaarblijkelijkheid te zwichten.

Inderdaad, op minstens een vierde mijl afstand, zat, leunende tegen een reusachtigen boom, een menschelijk wezen, een Proteus in deze onderaardsche gewesten, een nieuwe zoon van Neptunus, de wacht te houden over die ontelbare kudde mastodonten!

Hoeder van een reuzenkudde, Maar toch zelf nog grooter reus!

Ja! zelf nog grooter reus! 't Was nu niet het menschelijk overblijfsel dat wij hadden opgenomen te midden dier onmetelijke beenderenwereld, maar een reus, in staat om gebied te voeren over die monsterdieren. Zijne grootte ging de twaalf voet te boven. Zijn hoofd, zoo groot als dat van een buffel, verschool zich onder een kreupelbosch van verwarde haren. Het schenen manen, gelijkende naar die van den voorwereldlijken olifant. Hij slingerde met de hand een reusachtigen tak, waardigen staf van dezen voorwereldlijken herder.

Onbeweeglijk en in verbazing waren wij blijven staan. Maar wij konden opgemerkt worden. Het was tijd het hazepad te kiezen.

"Kom, kom!" riep ik uit, mijn oom voorttrekkende, die zich voor het eerst liet medetrekken.

Een kwartier later waren wij uit het oog van dezen gevreesden vijand.

En nu ik er bedaard over nadenk, nu mijn geest tot kalmte is teruggekeerd, nu er maanden zijn verloopen na deze vreemde en bovennatuurlijke ontmoeting--wat moet ik er nu van denken? Wat er van gelooven? Neen! het is onmogelijk! Onze zintuigen hebben ons bedrogen; onze oogen hebben niet gezien hetgeen wij waanden dat zij zagen. Er leeft geen menschelijk wezen in die onderaardsche wereld! Geen menschengeslacht bewoont die onderaardsche spelonken, buiten gemeenschap met de bovenwereld! Dat is onzinnig, volkomen onzinnig!

Ik wil liever denken aan een of ander dier, dat min of meer iets heeft van de gedaanten des menschen, aan eene soort van aap, aan een protopitheek of mesopitheek, omtrent zooals er Lartet de overblijfselen van aantrof in de beenderenlaag van Sansan! Maar deze aapmensch overschreed ver elke afmeting van de thans bekende wezens uit den vóórtijd! Om 't even! Een aap, ja, een aap, hoe onwaarschijnlijk het dan ook moge wezen! Maar een mensch, een levend mensch, en met hem een geheel menschengeslacht, begraven in de ingewanden der aarde! Nimmer!

Intusschen, wij hadden het heldere, lichtvolle bosch verlaten, stom van verwondering, overstelpt door eene verbazing die ons als wezenloos maakte. Wij liepen snel, in weerwil van ons zelven. Het was een ware vlucht, gelijksoortig aan den geweldigen angst dien men bij de zoogenoemde nachtmerrie gevoelt. Als onder den invloed eener geheime aandrift keerden wij terug naar de Lidenbrock-zee, en ik weet niet welke voorstellingen mijne ziel al doorkruist zouden hebben, ware het niet, dat ik op andere wijze naar meer gewone gedachten werd heengeleid.

Hoewel ik zeker was een geheel anderen bodem te betreden, bemerkte ik toch menigmaal gemengde rotsen, wier gedaante mij aan Gräubenhaven deed denken. Men zou er zich soms in bedrogen hebben; beken en watervallen stortten bij honderden van de uitstekende rotsen af.

Ik verbeelde mij de laag Surtarbrandur, onze getrouwe Hansbeek en de grot, waarin ik in het leven teruggekeerd was, weder te zien; iets verder brachten de schikking der voorgebergten, de verschijning eener beek, het verrassende voorkomen eener rots, mij weder aan het twijfelen.

De professor was even besluiteloos als ik; hij kon den weg niet vinden in dat eenvormige panorama. Ik maakte het op uit eenige woorden, die hem ontvielen.

"Het is zeker," zeide ik hem, "dat wij niet op ons uitgangspunt terug gekomen zijn; maar als wij den oever langs varen, komen wij stellig weder bij Gräubenhaven terug."

"Als dat zoo is," antwoordde mijn oom, "is het noodeloos om dit onderzoek voort te zetten en het beste is naar het vlot terug te keeren. Maar vergist gij u niet, Axel?"

"Het is moeielijk dienaangaande iets te beslissen, want al die rotsen gelijken op elkander. Mij dunkt echter, dat ik het voorgebergte herken, aan welks voet Hans zijn vaartuig heeft gebouwd. Wij moeten dicht bij de kleine haven zijn, misschien is deze het wel," voegde ik er bij, eene kleine streek onderzoekende, die ik meende te herkennen.

"Wel neen, Axel! dan zouden wij ten minste onze eigene sporen terugvinden, en ik zie niets...."

"Maar ik zie wat!" riep ik naar een voorwerp toeloopende, dat op het zand blonk.

"Wat is het dan?"

"Ziedaar!" antwoordde ik, en toonde mijn oom een dolk, dien ik had opgeraapt.

"Hadt gij dan dat wapen medegenomen?" zeide hij.

"Ik, in het geheel niet, maar gij veronderstel ik."

"Zoo ver ik weet, niet; ik heb dat voorwerp nooit in mijn bezit gehad."

"En ik nog minder, oom!"

"Dat is vreemd."

"Wel neen! het is zeer eenvoudig; de IJslanders hebben dikwijls zulke wapenen, en Hans, wien dit toebehoort, heeft het op dezen oever verloren...."

"Hans!" zeide mijn oom het hoofd schuddende.

Vervolgens onderzocht hij oplettend het wapen.

"Axel!" zeide hij mij op een ernstigen toon, "deze dolk is een wapen uit de zestiende eeuw, eene echte dagge, zooals de edellieden ze aan hun gordel droegen om den genadestoot te geven; hij is van spaanschen oorsprong; hij behoort u, noch mij, noch den jager!"

"Durft gij zeggen?"....

"Zie! die schaarden zijn er niet ingekomen door hem menschen in de keel te duwen; zijn lemmet is met eene laag roest bedekt, die niet dagteekent van één dag, van één jaar, noch van één eeuw!"

De professor werd naar gewoonte opgewonden, terwijl hij zich door zijne verbeelding liet medeslepen.

"Axel!" hernam hij, "wij zijn op den goeden weg van de groote ontdekking! Dit lemmet is sedert een, twee, drie honderd jaar op het zand blijven liggen, en is geschaard op de rotsen dezer onderaardsche zee!"

"Maar het is hier niet van zelf gekomen!" riep ik uit; "het is niet van zelf geschaard! iemand is ons voor geweest!..."

"Ja, een man?"

"En die man?"

"Die man heeft zijn naam met dezen dolk gegrift! Die man heeft nog eens eigenhandig den weg naar het middelpunt willen aanwijzen! Laten wij zoeken! laten wij zoeken!"

En vol belangstelling gaan wij den hoogen muur langs en onderzoeken de geringste scheuren, die in eene galerij konden overgaan.

Zoo kwamen wij op eene plaats, waar de oever smaller werd. De zee bespeelde bijna den voet der voorgebergten, een pad van ter nauwernood een vadem breed overlatende. Tusschen twee vooruitstekende rotsen bemerkte men den ingang van een duisteren tunnel.

Daar stonden op een granietblok twee geheimzinnige, half uitgewischte letters, de beide voorletters van den stoutmoedigen, avontuurlijken reiziger:

[AFBEELDING]

"A.S.!" riep mijn oom. "Arne Saknussemm! Altijd Arne Saknussemm!"

HOOFDSTUK XL

Arne Saknussemm.--Altijd dalen.--De schepen verbranden.--Een weg voor de lava.--De mijn moet springen.

Sedert den aanvang der reis had ik mij over veel verwonderd; ik mocht dus meenen, dat ik op mijne hoede was tegen verrassingen en gewapend tegen elke verbaasdheid. Op het gezicht echter van die beide letters, die daar reeds voor tweehonderd jaar gegrift waren, stond ik bijna zoo onnoozel te kijken als een domoor.

Niet alleen las ik de naamteekening van den geleerden goudzoeker op de rots, maar ook de stift, waarmede zij gegrift was, bevond zich in mijne handen. Zonder in het oogloopend wantrouwend te zijn, kon ik niet langer twijfelen aan het bestaan van den reiziger en de echtheid zijner reis.

Terwijl die gedachten in mij opkwamen, hief professor Lidenbrock een min of meer gezwollen lied aan ter eere van Arne Saknussemm.

"Wonderlijke geest!" riep hij uit, "gij hebt niets over het hoofd gezien, wat anderen stervelingen den weg door de aardschors kan banen, en zij die u gelijken, kunnen de sporen terugvinden die uwe voeten voor drie eeuwen op den boden dezer duistere onderaardsche gewelven hebben achtergelaten! Voor andere blikken dan de uwen hebt gij de beschouwing dezer wonderen bespaard! Uw op iedere rustplaats gegrifte naam geleidt den reiziger, die stoutmoedig genoeg is om u te volgen, recht op het doel aan, en in het middelpunt onzer planeet zal hij ook staan, met uwe eigene hand gegrift. Welnu! ook ik zal deze laatste bladzijde van graniet met mijn naam teekenen! Maar dat van nu af deze door u geziene kaap, bij deze door u ontdekte zee, voor altijd kaap Saknussemm heete!"

Dit of iets dergelijks hoorde ik, en ik voelde mij aangrijpen door de geestdrift, welke deze woorden ademden. Een inwendig vuur werd in mijn boezem aangeblazen! Ik vergat alles, de gevaren der reis en die der terugreis. Wat een ander gedaan had, wilde ik ook doen, en niets wat menschelijk was scheen mij onmogelijk toe!

"Voorwaarts! voorwaarts!" riep ik.

Ik snelde reeds naar de donkere galerij, toen de professor mij tegenhield, en hij, de driftige man, mij geduld en koelbloedigheid aanried.

"Laten wij eerst naar Hans terugkeeren," sprak hij, "en het vlot hier brengen."

Ik gehoorzaamde, niet zonder tegenzin, en liep snel tusschen de rotsen aan den oever door.

"Weet gij wel, oom!" zeide ik onder het loopen, "dat de omstandigheden ons tot nu toe bijzonder begunstigd hebben?"

"Zoo! vindt gij dat, Axel?"