Naar het middelpunt der Aarde

Chapter 15

Chapter 153,808 wordsPublic domain

De warmte neemt toe. Ik zie op den thermometer; hij wijst ... (Het cijfer is uitgewischt.)

Maandag 24 Augustus.--Zal het dan nooit ophouden? Waarom zou de toestand van dezen zoo dichten dampkring, eens gewijzigd zijnde, niet bestendig zijn?

Wij zijn uitgeput van vermoeienis. Hans blijft dezelfde. Het vlot drijft onveranderlijk naar het zuidoosten. Wij zijn reeds meer dan twee honderd uur gaans van het eilandje Axel verwijderd.

Tegen den middag verdubbelt de hevigheid van den orkaan; wij moeten al de voorwerpen der lading stevig vastmaken. Wij sjorren ons ook vast. De golven slaan over ons hoofd.

Drie dagen lang is het onmogelijk een woord met elkander te spreken. Wij openen den mond, bewegen onze lippen, maar kunnen geen verstaanbaar geluid voortbrengen. Zelfs al brengen wij den mond aan elkanders oor, kunnen wij elkaar nog niet verstaan.

Mijn oom is dichter bij mij gekomen. Hij heeft eenige woorden geuit. Ik geloof, dat hij gezegd heelt: "Wij zijn verloren!" maar ik ben er niet zeker van.

Ik kom op den inval om deze woorden te schrijven: "Laten wij het zeil strijken."

Hij geeft mij een teeken van toestemming.

Hij heeft nog den tijd niet gehad om zijn hoofd op te lichten, of eene vurige schijf verschijnt op den rand van het vlot. De mast en het zeil worden te gelijk weggeslagen, en ik heb ze tot eene verbazende hoogte zien slingeren, gelijk aan den pterodactylus, dien spookachtigen vogel uit de allereerste tijden.

Wij zijn verstijfd van schrik; de half witte, half blauwe bol, zoo groot als eene bom van tien duim, rolt langzaam voort en draait met eene verbazende snelheid rond onder den stoot van den orkaan. Hij komt hier, daar, stijgt op een der balken van het vlot; springt over op den zak met levensmiddelen, daalt weder, springt op, gaat strijkelings langs de kruitkist. O schrik! Wij zullen in de lucht springen! Neen. De verblindende schijf verwijdert zich, zij nadert Hans, die haar rustig aanziet; mijn oom, die nederknielt om haar te ontwijken; mij, die verbleek en ril onder den glans van het licht en de warmte; zij draait rond bij mijn voet, dien ik tracht terug te trekken. Het mag mij niet gelukken.

De lucht van salpeterig gas vervult den dampkring; zij dringt in de keel, de longen. Wij stikken.

Waarom kan ik mijn voet niet terugtrekken? Is hij misschien aan het vlot vastgeklonken! ach! de val van den electrischen kogel heeft al het ijzer aan boord magnetisch gemaakt; de werktuigen, de gereedschappen, de wapenen raken in beweging en rammelen met een schel geluid tegen elkander; de spijkers mijner schoenen houden stevig vast aan eene ijzeren plaat, die in het hout zit. Ik kan mijn voet niet terugtrekken!

Door eene geweldige, krachtsinspanning ruk ik hem eindelijk los, op het oogenblik dat de bal hem in zijne ronddraaiende beweging grijpen en mijzelven medeslepen zou, indien ...

O! welk een fel licht! de bol springt! wij zijn met vonken vuur bedekt!

Vervolgens wordt alles uitgedoofd. Ik heb even den tijd gehad om te zien, dat mijn oom op het vlot ligt uitgestrekt, dat Hans, die nog altijd aan het roer staat, "vuur spuwt" onder den invloed der electriciteit, die hem doordringt!

Waar gaan wij heen? waar gaan wij heen?

-- -- --

Dinsdag 25 Augustus.--Ik kom bij, uit eene langdurige bezwijming; de bliksemstralen worden ontketend gelijk een broedsel slangen, die in den dampkring geslingerd worden.

Zijn wij nog altijd op zee? Ja, en wij worden met eene onberekenbare snelheid medegevoerd. Wij zijn onder Engeland, het Kanaal, Frankrijk, onder geheel Europa misschien doorgegaan!

-- -- --

Een nieuw geraas doet zich hooren! Het is zeker de zee, die op de rotsen breekt!... Maar dan....

-- -- --

HOOFDSTUK XXXVI

Vreugde van den professor.--Toebereidselen voor de terugreis.--Werktuigen gered.--De professor denkt aan zijne collega's.--Op welke hoogte?

Hier eindigt, wat ik het "reisjournaal" heb genoemd, dat ik gelukkig uit de schipbreuk heb gered. Ik vat den draad van mijn verhaal weder op.

Ik kan niet zeggen wat er voorviel, toen het vlot stiet tegen de klippen der kust. Ik voelde, dat ik in de golven stortte, en dat ik aan den dood ontkwam, dat mijn lichaam niet verbrijzeld werd tegen de scherpe rotsen, had ik alleen te danken aan den gespierden arm van Hans, die mij uit den afgrond redde.

De moedige IJslander bracht mij buiten het bereik der golven op brandend heet zand, waar ik naast mijn oom lag.

Daarna keerde hij naar die rotsen terug, waartegen de woedende golven beukten, om eenige overblijfselen uit de schipbreuk te redden. Ik kon niet spreken; ik was afgemat door aandoeningen en vermoeienis; ik had ruim een uur noodig om wat te herstellen.

Intusschen viel er bij voortduring een zware stortregen met die hevigheid, die het einde der stormen aankondigt. Eenige opeengestapelde rotsblokken boden ons eene schuilplaats aan tegen de plasregens. Hans bereidde spijzen, die ik niet kon aanraken, en wij allen vielen, door drie slapelooze nachten uitgeput, in een onrustigen slaap.

Den volgenden dag was het prachtig weder. Elk spoor van den storm was verdwenen. De opgeruimde woorden van den professor begroetten mij bij mijn ontwaken. Hij was vreeselijk vroolijk.

"Hoe is het, mijn jongen!" riep hij, "hebt gij goed geslapen?"

Zou men niet gezegd hebben, dat wij in het huis in de Koningstraat waren, dat ik bedaard beneden kwam om te ontbijten en dat mijn huwelijk met de arme Gräuben dienzelfden dag voltrokken zou worden?

Helaas! als de storm het vlot maar een weinig oostelijk had geslagen, dan zouden wij onder Duitschland, onder mijne geliefde stad Hamburg, onder die straat, waarin alles woonde, wat ik het liefste op aarde had, doorgegaan zijn. Nu scheidden mij er nauwelijks veertig uur gaans van! Maar eene veertig uur lange loodlijn van graniet, hetgeen inderdaad op een afstand van meer dan duizend uur gaans nederkwam!

Al die smartelijke overdenkingen doorkruisten snel mijn hoofd, voor ik de vraag van mijn oom beantwoordde.

"Hoe is het!" herhaalde hij, "wilt gij niet zeggen, of gij goed geslapen hebt?"

"Zeer goed!" antwoordde ik, "ik ben nog wel zeer afgemat, maar dat zal wel terecht komen."

"Wel zeker! het is slechts vermoeidheid, anders niet."

"Maar mij dunkt, dat gij dezen morgen bijzonder vroolijk zijt, oom!"

"Ik ben in de wolken, mijn jongen! Wij zijn er!"

"Aan het einde van onzen tocht?"

"Neen, maar aan het einde van die zee, die niet scheen te eindigen. Wij zullen nu weder over land gaan en inderdaad in de ingewanden der aarde afdalen."

"Oom! veroorloof mij eene vraag."

"Met genoegen, Axel!"

"En de terugreis?"

"De terugreis! denkt gij reeds aan de terugreis, terwijl wij nog niet eens aangekomen zijn?"

"Neen, ik wilde alleen vragen, hoe wij die zullen bewerkstelligen."

"Op de eenvoudigste manier van de wereld. Als wij eerst maar in het middelpunt van den bol gekomen zijn, zullen wij òf een nieuwen weg vinden om weder aan de oppervlakte te komen, òf wij zullen heel bedaard langs denzelfden weg terugkeeren. Ik vertrouw, dat hij zich niet achter ons sluiten zal."

"Dan moet het vlot weder in orde gebracht worden."

"Dat spreekt van zelf."

"Maar zijn er genoeg levensmiddelen over om al die groote plannen te volbrengen?"

"Ja, zeker! Hans is een knappe kerel, en ik ben zeker, dat hij het grootste gedeelte van de lading gered heeft. Wij zullen het echter eens gaan onderzoeken."

Wij verlieten deze grot, die voor alle winden open lag. Ik koesterde eene hoop, die tegelijk eene vrees was; het was, dacht mij, onmogelijk, dat de verschrikkelijke stranding van het vlot niet alles vernietigd zou hebben, wat er op was. Ik bedroog mij. Op den oever komende, zag ik Hans onder eene menigte ordelijk gerangschikte voorwerpen staan. Mijn oom drukte hem de hand met een levendig gevoel van erkentelijkheid. Die man, wiens bovenmenschelijke zelfopoffering bijna zonder voorbeeld was, had gewerkt terwijl wij sliepen, en met levensgevaar de kostbaarste voorwerpen gered.

Wel hadden wij vrij gevoelige verliezen geleden, onze wapens o.a., maar wij konden ze missen. De voorraad kruit was onbeschadigd gebleven, nadat het gedurende den storm bijna in de lucht was gesprongen.

"Welnu!" riep de professor, "als de geweren ons ontbreken, zijn wij vrij van jagen."

"Goed; maar de werktuigen!"

"Hier is de luchtdichtheidsmeter, het nuttigste van alle, en waarvoor ik de andere gaarne missen wil! Met dit werktuig kan ik de diepte berekenen en weten, wanneer wij het middelpunt bereikt hebben. Zonder hetzelve zouden wij gevaar loopen er voorbij te gaan en bij de tegenvoeters uit te komen."

Die scherts was wreed.

"Maar het kompas?" vraagde ik.

"Hier ligt het op deze rots, in volmaakte orde, evenals de thermometers en de tijdmeter. O! die jager is een onwaardeerbaar man!"

Ik moest erkennen, dat er op het punt van de werktuigen niets ontbrak. Wat de gereedschappen betreft, zag ik op het zand ladders, touwen, breekijzers, houweelen enz. verstrooid liggen.

Toch moest de zaak van de levensmiddelen nog opgehelderd worden.

"En de voorraad?" zeide ik.

"Dien zullen wij ook eens nazien," antwoordde mijn oom.

De kisten, die hem bevatten, lagen in eene lijn op het strand in een ongeschonden staat; de zee had ze grootendeels gespaard, en aan beschuit, gezouten vleesch, jenever en gedroogden visch konden wij nog op vier maanden levensmiddelen rekenen.

"Vier maanden!" riep de professor; "dan hebben wij tijd om te gaan en terug te komen, en van het overschot wil ik een grooten maaltijd aanrichten voor al mijne collega's van het Johannaeum!"

Sedert lang had ik reeds gewoon moeten zijn aan het karakter van mijn oom, en toch wekte die man nog altijd mijn verwondering op.

"Nu," zeide hij, "zullen wij onzen watervoorraad vernieuwen met den regen, dien het onweder in al die bekkens van graniet heeft gestort; bij gevolg behoeven wij niet te vreezen, dat wij dorst zullen lijden. Wat het vlot aangaat, zal ik Hans aanbevelen om het zoo goed mogelijk te herstellen, hoewel wij er, denk ik, geen gebruik meer van zullen maken."

"Hoe zoo?" riep ik.

"Dat is zoo maar eene gedachte van mij, mijn jongen! Ik geloof niet, dat wij uit zullen gaan, waar wij ingekomen zijn."

Ik zag den professor met een zeker wantrouwen aan; ik vraagde mijzelven of hij soms gek was geworden. En toch "hij kan het zoo niet zeggen."

"Laten wij gaan ontbijten!" hernam hij.

"Ik volgde hem op eene hoogte, nadat hij zijne bevelen aan den jager had gegeven. Daar hielden wij met gedroogd vleesch, beschuit en thee een heerlijk maal, een der beste, ik erken het, die ik in mijn leven had bijgewoond. De behoefte, de vrije lucht, de kalmte na de ontsteltenis, alles werkte mede om mijn eetlust op te wekken.

Onder het ontbijt legde ik mijn oom de vraag voor, waar wij op dit oogenblik waren.

"Dat is, dunkt mij, moeielijk te berekenen."

"Het nauwkeurig te doen, ja!" antwoordde hij; "het is zelfs onmogelijk, omdat ik gedurende dien driedaagschen storm geen aanteekening heb kunnen houden van de snelheid en richting van het vlot; maar wij kunnen het toch wel bij gissing vinden."

"De laatste waarneming is gedaan op het eilandje van den geyser...."

"Op het eilandje Axel, mijn jongen! Acht die eer niet gering, van uwen naam geschonken te hebben aan het eerste eilandje, dat in het middelpunt der aardmassa is ontdekt."

"Het zij zoo! Op het eilandje Axel hadden wij omtrent twee honderd zeventig zeemijlen afgelegd en bevonden wij ons meer dan zes honderd uren gaans van IJsland af."

"Goed! Dan zullen wij van dat punt uitgaan en vier dagen storm rekenen, gedurende welke onze snelheid niet minder dan tachtig uur per dag heeft kunnen bedragen."

"Dat geloof ik ook. Dan zouden er nog driehonderd uur gaans bijkomen."

"Ja! en de Lidenbrock-zee zou ten naastenbij zes honderd uur gaans van den eenen oever tot den anderen meten! Weet gij wel, Axel! dat zij dan in grootte met de Middellandsche zee kan wedijveren?"

"Ja! vooral als wij haar alleen in de breedte overgestoken zijn!"

"Dat is zeer licht mogelijk!"

"En het aardigste is," voegde ik er bij, "dat als onze berekening juist is, wij nu de Middellandsche zee boven ons hoofd hebben."

"Is het waar?"

"Ja! wij zijn immers negenhonderd uur gaans van Reikiavik af!"

"Dat is een aardig eind, mijn jongen! maar dat wij juist onder de Middellandsche zee en niet onder Turkije of den Atlantischen oceaan zijn, kan alleen plaats hebben ingeval onze richting niet veranderd is."

"Neen! de wind scheen in denzelfden hoek te blijven; ik denk dus, dat deze oever ten zuidoosten van Gräubenhaven ligt.

"Wij kunnen ons er licht van verzekeren door het kompas te raadplegen. Wij zullen eens op het kompas zien!"

De professor begaf zich naar de rots, waarop Hans de werktuigen had nedergelegd. Hij was vroolijk, opgeruimd, wreef zich in de handen, nam allerlei houdingen aan, als ware hij nog een jongeling. Ik volgde hem, nieuwsgierig om te weten of ik mij in mijne berekening ook bedroog.

Bij de rots gekomen nam mijn oom het kompas, legde het waterpas, en zag naar de naald, die na eenige slingeringen een vasten stand aannam onder den invloed der magneetkracht.

Mijn oom beschouwde haar, wreef zich toen de oogen uit en zag nog eens. Eindelijk wendde hij zich geheel ontsteld tot mij.

"Wat is er gaande?" vraagde ik.

Hij wenkte mij om het werktuig te onderzoeken. Een kreet van verbazing ontsnapte mij. De punt der naald wees naar het noorden waar wij het zuiden zochten! Zij was naar het strand gericht in plaats van de volle zee aan te wijzen!

Ik schudde het kompas, ik onderzocht het; het was volmaakt in orde. In welken stand men de naald ook bracht, zij nam hardnekkig weder die onverwachte richting aan.

Er viel dus niet meer aan te twijfelen, gedurende den storm was de wind omgeloopen, zonder dat wij het bemerkten, en had het vlot teruggedreven naar de oevers, die mijn oom meende achter zich te hebben.

HOOFDSTUK XXXVII

Verloren reis.--Landverkenning.--Verbastering der schildpad.--De beenderenvlakte.

Het zou mij onmogelijk zijn de opeenvolgende gevoelens te schetsen, die professor Lidenbrock bezielden, zijn ontsteltenis, zijn ongeloof, zijn toorn! Nooit zag ik iemand eerst zoo verlegen, daarna zoo verbitterd.

De vermoeienissen van den overtocht, de doorgestane gevaren, alles moest dus weder op nieuw beginnen. Wij waren achteruit in plaats van vooruit gegaan.

Maar mijn oom was weldra zichzelven weder meester.

"O! het noodlot speelt mij zulke parten!" riep hij uit; "de elementen spannen tegen mij samen! de lucht, het vuur en het water vereenigen hunne pogingen om zich tegen mijne reis te verzetten! Welnu! men zal zien, wat mijn wil vermag. Ik zal het niet opgeven; ik zal geene streep achteruitgaan, en wij zullen zien, wie het winnen zal, de mensch of de natuur!"

Op de rots staande, verbitterd, dreigend, scheen Otto Lidenbrock, gelijk de woeste Ajax, de goden uit te dagen. Maar ik oordeelde het noodig om tusschen beiden te komen en die zinnelooze drift te betoomen.

"Hoor mij aan!" zeide ik hem op een vasten toon. "Er is hier beneden eene grens voor iedere eerzucht; wij moeten tegen het onmogelijke niet kampen; wij zijn slecht uitgerust voor eene zeereis; vijf honderd uur gaans kan men niet afleggen op een slecht samenraapsel van balken met eene deken tot zeil, een stok tot mast, en dan nog tegen de ontketende winden. Wij kunnen niet sturen, wij zijn de speelbal der stormen, en wij zouden als dwazen handelen, zoo wij ten tweeden male dien onmogelijken overtocht beproefden!"

Tien minuten lang kon ik, zonder in de rede gevallen te worden, die onwederlegbare redenen opsommen, maar dat kwam alleen door de onoplettendheid van den professor, die geen woord van mijne bewijsvoering verstond.

"Naar het vlot!" riep hij.

Hij antwoordde verder niets. Te vergeefs smeekte ik, werd ik driftig; ik stiet het hoofd tegen een wil, die vaster was dan graniet.

Hans was juist gereed met de herstelling van het vlot. Men zou gezegd hebben, dat dit zonderling wezen de plannen mijns ooms ried.

Met eenige stukken surtarbrandur had hij het vaartuig weder in orde gebracht. Een zeil verhief er zich op en de wind speelde in zijne plooien.

De professor zeide eenige woorden tot den gids en terstond bracht deze de bagage weder aan boord en maakte alles voor het vertrek gereed. De dampkring was tamelijk zuiver en de noordwestewind hield aan.

Wat kon ik doen? Mij alleen tegen twee verzetten? Onmogelijk. Als Hans nog maar mijne zijde gekozen had. Maar neen! Het scheen, dat de IJslander zijn eigen wil ter zijde gesteld en de gelofte van zelfverloochening afgelegd had. Ik kon niets verkrijgen van een dienaar, die zoo blindelings aan zijn heer overgegeven was. Ik moest vooruit.

Ik wilde dus op het vlot mijne gewone plaats innemen, toen mijn oom mij met de hand tegenhield.

"Wij zullen eerst morgen vertrekken," zeide hij.

Ik maakte een gebaar als iemand, die zich aan alles onderwerpt.

"Ik moet niets verzuimen," hernam hij, "en nu het noodlot mij op dit gedeelte der kust heeft geworpen, zal ik het niet verlaten voor ik het verkend heb."

Men zal deze opmerking begrijpen, als men bedenkt, dat wij wel op den noordelijken oever waren teruggekomen, maar niet op ons vroeger uitgangspunt. Gräubenhaven moest westelijker liggen. Niets was derhalve natuurlijker, dan zorgvuldig den omtrek dezer nieuwe landingsplaats te onderzoeken.

"Laten wij op ontdekking uitgaan!"

En Hans aan zijn werk latende, vertrokken wij. De ruimte tusschen het zeestrand en den voet der lage voorgebergten was zeer groot; wij hadden een half uur te loopen voor wij den rotsmuur bereikten. Wij vertrapten ontelbare schelpen van allerlei gedaante en grootte, waarin de dieren der allereerste tijden leefden. Ik bemerkte ook verbazende schalen wier middellijn dikwijls grooter was dan vijftien voet. Zij hadden toebehoord aan die reusachtige glyptodons van het pliocenische tijdvak, waarvan de hedendaagsche schildpad slechts eene onbeduidende vertegenwoordigster is. Bovendien was de grond bezaaid met eene menigte steenachtige overblijfselen, eene soort van strandkeitjes door de golven afgerond en in opeenvolgende rijen gerangschikt. Ik kwam dus tot de opmerking, dat de zee voorheen die ruimte had bedekt. Op de verstrooide rotsen, die nu buiten haar bereik waren, hadden de golven duidelijke sporen van haar overgang achtergelaten.

Dit kan eenigszins het bestaan van dien oceaan, veertig uur gaans onder de oppervlakte van den aardbol, verklaren. Maar mijns inziens moest die watermassa allengs wegzinken in de ingewanden der aarde, en was het duidelijk, dat zij voortkwam uit het water van den Oceaan, die zich een weg baande door de eene of andere scheur. Evenwel moest ik aannemen, dat die scheur thans verstopt was; want dit geheele hol of die onmetelijke vergaarbak zou anders in korten tijd vol geloopen zijn. Misschien ook was dit water, tegen het onderaardsche vuur moetende strijden, gedeeltelijk verdampt. Daaruit kon ik dan ook de wolken verklaren, die boven ons zweefden, en de vrijwording van die electriciteit, die stormen deed ontstaan in het midden der aarde.

Deze theorie van de natuurverschijnselen, die wij bijgewoond hadden, scheen mij voldoende toe; want hoe groot de natuurwonderen ook zijn mogen, toch kunnen zij altijd uit natuurkundige redenen verklaard worden.

Wij liepen dus over eene soort van aangespoelden grond door het water gevormd, gelijk al de gronden van dat tijdperk, die zoo kwistig over de oppervlakte van den aardbol verspreid zijn. De professor onderzocht oplettend iedere kleine ruimte in de rotsen. Bestond er ergens eene opening, dan was het van belang voor hem om er de diepte van te peilen.

Eene mijl ver hadden wij het langs de oevers der Lidenbrock-zee gehouden, toen het voorkomen van den grond plotseling veranderde. Het scheen alsof alles omgewoeld was door eene hevige rijzing der benedenlagen. Op verschillende plaatsen toonden hoogten en diepten een geweldige verplaatsing van den bodem aan.

Met moeite klauterden wij over deze verwarde massa granietstukken, keisteenen, kwartsblokken en aangespoelde gronden, toen zich eene laag, meer dan eene laag, eene geheele vlakte vol beenderen aan onze blikken vertoonde. Men zou gezegd hebben, dat het een onmetelijk kerkhof was, waar het gebeente der geslachten van twintig eeuwen nederlag. In de verte vertoonden zich hooge stapels van dergelijke overblijfselen, zich uitstrekkende zoover het oog reikte en die zich in een nevel verloren. Dáár, op drie vierkante mijlen misschien, lag de geheele geschiedenis van alle dierlijk leven opeengestapeld; eene geschiedenis, slechts met flauwe trekken beschreven in de nieuwere aardlagen der bewoonde wereld.

Een ongeduldige nieuwsgierigheid overmeesterde ons. Met een dof geluid kraakten onder onze voeten de overblijfselen dier voorhistorische gedierten, welke in de musea der groote steden als kostbare voorwerpen worden ten toon gesteld. Duizend Cuviers zouden niet toereikende geweest zijn om die verbazende beenderenhoopen tot volledige geraamten bijeen te voegen.

Ik stond verbaasd. Mijn oom had zijne lange armen opgeheven naar het dikke gewelf dat boven onze hoofden was uitgespannen. Zijn geheele voorkomen kenteekende een onbegrensde verbazing, zijn gapende mond, zijne achter de brilleglazen schitterende oogen, zijn hoofd dat op en neder, rechts en links, heen en weder getrokken werd. Hij stond voor een onschatbare verzameling leptotheriën, mericotheriën, lophodions, anoplotheriën, megatheriën, mastodonten, protopitheken, pterodactylen--in één woord, van allerlei voorwereldlijke monsterdieren, hier als voor zijn vermaak opeengestapeld. Men stelle zich een opgewonden boekenliefhebber voor, plotseling verplaatst in de beroemde boekerij van Alexandrië, door een wonder uit hare asch herrezen, na door Omar verbrand te zijn--in zulk eene stemming stond daar mijn oom, professor Lidenbrock.

Maar van een geheel anderen aard werd zijne gewaarwording, toen hij, over de beenderen stappende, een schedel opnam en met eene trillende stem uitriep:

"Alex! Axel! een menschenhoofd!"

"Een menschenhoofd, oom," antwoordde ik met geene mindere verbazing.

"Ja, neef! Ach, Milne-Edwards! Ach, de Quatrefages! Waarom zijt gij niet hier, waar ik ben, ik Otto Lidenbrock!"

HOOFDSTUK XXXVIII

Voorwereldlijke overblijfselen.--Een menschelijk lichaam.--De reus van Palermo.--Onderzoek van een lijk.--Een onmetelijk knekelhuis.

Om het aanroepen van de namen dier twee Fransche geleerden door mijn oom wèl te begrijpen, moet men weten, dat een allerbelangrijkst verschijnsel op het gebied der voorwereldlijke overblijfselen eenigen tijd voor ons vertrek had plaats gegrepen.

Den 8sten Maart 1863 vonden werklieden, onder bestuur van Boucher de Perthes in de steengroeven van Moulin-Quignon bij Abbeville in het Fransche departement la Somme arbeidende, een menschelijk kaakbeen op eene diepte van veertien voet beneden den beganen grond. Het was het eerste voorwerp van dien aard dat te voorschijn kwam. In de nabijheid lagen bijlen van bewerkten vuursteen, door den tijd met een verweerd huidje bedekt.

Veel gerucht ging van deze ontdekking uit, niet alleen in Frankrijk, maar ook in Engeland en Duitschland. Onderscheidene leden van het Fransche Instituut, waaronder de heeren Milne-Edwards en de Quatrefages, lieten zich aan de zaak gelegen liggen. Zij bewezen de onbetwistbare echtheid van het voorwerp en betoonden zich krachtige verdedigers "in het geding ter zake van het kaakbeen," gelijk de Engelschen zich uitdrukten.

Bij de geologen van het Vereenigd Koninkrijk die het feit als zeker beschouwden, zooals Falconer, Bush, Carpenter enz. voegden zich Duitsche geleerden, en daaronder als de ijverigste, de opgewondenste, mijn oom Lidenbrock.

De echtheid van een menschelijk overblijfsel uit het quaternaire tijdperk scheen dus onwederlegbaar bewezen.