Naar het middelpunt der Aarde

Chapter 14

Chapter 143,810 wordsPublic domain

Maandag 17 Augustus.--Ik doe mijn best om mij de bijzondere eigenschappen van die voorwereldlijke dieren uit het secundaire tijdperk te herinneren, die op de weekdieren, de schaaldieren en de visschen volgende, de verschijning der zoogdieren op den aardbol voorafgingen. De wereld behoorde toen aan de kruipende dieren. Die monsters heerschten onbeperkt in de zeeën der Juragroep [13]. De natuur had hun de volkomenste inrichting geschonken. Welk eene verbazende kracht! De tegenwoordige hagedissoorten, waarvan de alligators of krokodillen de grootste en geduchtste zijn, zijn slechts zwakke nabootsingen van hunne vaderen uit de eerste eeuwen!

Ik sidder, omdat ik die monsters heb opgeroepen. Geen menschelijk oog heeft ze ooit levend gezien. Zij verschenen op aarde duizend eeuwen vóór den mensch, maar hunne versteende beenderen, die men teruggevonden heeft in den kleiachtigen kalksteen, dien de Engelschen "lias" noemen, hebben ons in staat gesteld hen ontleedkundig samen te stellen en hunne kolossale vorming te leeren kennen.

Ik heb in het Museum te Hamburg het geraamte gezien van eene dier hagedissoorten, dat dertig voet lang was. Ben ik, een bewoner der aarde, dan voorbeschikt om mij vlak tegenover die vertegenwoordigers eener voorwereldlijke familie te bevinden? Neen! het is onmogelijk. Toch staat het merk der sterke tanden op de ijzeren staaf, en aan hun afdruksel zie ik, dat zij kegelvormig zijn gelijk die van den krokodil.

Angstig vestigen mijne blikken zich op de zee; ik vrees een van die bewoners der onderzeesche holen boven te zien komen.

Ik veronderstel, dat professor Lidenbrock mijne gedachten, misschien wel mijne vrees deelt, want na het breekijzer onderzocht te hebben ziet hij rond over den oceaan.

"Naar den duivel," zeide ik in mijzelven, "met die gedachte, waarop hij gekomen is, om te peilen! Hij heeft het een of andere zeedier in zijne schuilplaats gestoord, en als wij niet onder weg aangevallen worden!..."

Ik sla een blik op de wapens en verzeker mij, dat zij in goeden staat zijn. Mijn oom ziet, wat ik doe, en maakt eene goedkeurende beweging.

Reeds verraden geweldige golvingen van de oppervlakte der baren de onrust der dieper liggende lagen. Het gevaar is nabij. Wij moeten op onze hoede zijn.

Dinsdag 18 Augustus.--Het wordt avond, of liever het oogenblik komt, waarop de slaap onze oogleden bezwaart; want het wordt nooit nacht op dezen oceaan en het onverzoenlijke licht vermoeit hardnekkig onze oogen, alsof wij onder de zon der poolzeeën voeren. Hans staat aan het roer. Gedurende zijne wacht slaap ik in.

Twee uur later doet een vreeselijke schok mij ontwaken. Het vlot is met eene onbeschrijfelijke kracht opgeheven en twintig vadem verder nedergeworpen geworden.

"Wat is er gaande?" roept mijn oom; "hebben wij gestooten?"

Hans wijst met den vinger op een afstand van twee honderd vadem eene zwartachtige massa, die beurtelings rijst en daalt. Ik bezie haar en roep uit:

"Het is een kolossale bruinvisch!"

"Ja!" antwoordt mijn oom; "en ziedaar ook een buitengewoon groote zeedraak!"

"En verder een monsterachtige krokodil! Zie zijn breeden muilen de rijen tanden, waarmede deze gewapend is. Ha! hij verdwijnt!"

"Een walvisch! een walvisch!" roept de professor. "Ik merk zijne ontzaglijke vinnen! Zie, wat al lucht en water hij uit zijne neusgaten spuit!"

Inderdaad verheffen zich twee vloeibare zuilen op eene aanmerkelijke hoogte boven de zee. Wij staan verbaasd, ontsteld, beangst tegenover deze troep zeemonsters. Zij hebben bovennatuurlijke afmetingen en het kleinste hunner zou het vlot met één beet verbrijzelen. Hans wil te loefwaart afhouden, om die gevaarlijke buren te ontwijken; maar hij bemerkt aan de andere zijde niet minder geduchte vijanden: eene veertig voet groote schildpad en eene slang van dertig voet, die haar geduchten kop boven de golven uitsteekt.

Het is onmogelijk om te vluchten. Die kruipende dieren naderen; zij draaien rondom het vlot met eene vaart, die een sneltrein niet zou kunnen evenaren; zij beschrijven om hetzelve evenmiddelpuntige cirkels. Ik heb mijne karabijn gegrepen. Maar welke uitwerking kan een kogel hebben op de schubben, waarmede het lichaam dezer dieren bedekt is.

Wij zijn stom van angst. Daar naderen zij! Van den eenen kant de krokodil, van den anderen de slang. De overigen zijn verdwenen. Ik wil vuur geven. Hans houdt mij door een teeken tegen. De twee monsters gaan het vlot op vijftig vadem afstands voorbij, storten zich op elkander, en hunne woede belet hun ons te bemerken.

Het gevecht begint op een afstand van honderd vadem van het vlot. Wij zien de beide monsters duidelijk handgemeen worden.

Maar het schijnt mij toe, dat de andere dieren, de bruinvisch, de walvisch, de zeedraak, de schildpad, nu ook deel komen nemen aan de worsteling; ieder oogenblik meen ik hen te zien. Ik wijs ze den IJslander. Deze schudt ontkennend het hoofd.

"Tva!" zegt hij.

"Hoe! twee? Hij beweert, dat slechts twee dieren...."

"Hij heeft gelijk," roept mijn oom, die den kijker niet van zijne oogen heeft weggenomen.

"Nu nog fraaier!"

"Ja! het eerste dezer monsters heeft den bek van een bruinvisch, den kop van een zeedraak, de tanden van een krokodil en dat heeft ons bedrogen. Het is het vreeselijkste der voorwereldlijke kruipende dieren, de ichthyosaurus!"

"En het andere?"

"Het andere is eene slang, verborgen in de schaal eener schildpad, de verschrikkelijke vijandin van den eerste, de plesiosaurus!" Hans heeft de waarheid gesproken. Slechts twee monsters beroeren zoo de oppervlakte der zee en ik heb twee kruipende dieren der oorspronkelijke zeeën voor mij. Ik bemerk het bloedige oog van den ichthyosaurus, dat zoo groot is als een menschenhoofd. De natuur heeft hem een buitengewoon sterken gezichtstoestel geschonken, die in staat is om de drukking der waterlagen in de diepte die hij bewoont, te weerstaan. Men heeft hem terecht den walvisch der hagedissoorten genoemd, want hij heeft zijne snelheid en gedaante. Deze meet niet minder dan honderd voet, en ik kan over zijne grootte oordeelen, als hij zijne loodrechte staartvinnen boven de golven uitsteekt. Zijn kaak is ontzettend groot, en volgens de natuurkundigen bevat zij niet minder dan honderd twee en tachtig tanden.

De plesiosaurus, eene slang met een rolrond lichaam en korten staart, heeft pooten in de gedaante van roeiriemen. Haar geheele lichaam is met eene schaal bedek, en haar hals, even buigzaam als die der zwaan, steekt dertig voet boven de golven uit.

Deze dieren tasten elkander met eene onbeschrijfelijke woede aan. Zij doen vloeibare bergen oprijzen, die zich tot het vlot toe uitbreiden. Twintigmaal zijn wij op het punt van om te slaan. Een ontzettend schel gefluit doet zich hooren. De twee dieren hebben zich in elkander geslingerd. Ik kan het eene niet van het andere onderscheiden! Alles hebben wij te vreezen van de woede des overwinnaars.

Een, twee uren verloopen. De worsteling wordt met dezelfde razernij voortgezet. De strijdenden naderen en verlaten beurtelings het vlot. Wij blijven onbeweeglijk, maar houden ons gereed om te vuren.

Plotseling verdwijnen de ichthyosaurus en de plesiosaurus, en vormen een echten maalstroom in den schoot der golven. Verscheidene minuten verloopen. Zal het gevecht ten einde gebracht worden in de diepten der zee?

Maar eensklaps komt een ontzaglijke kop, die van den plesiosaurus, boven water. Het monster is doodelijk gekwetst. Ik bemerk zijne verbazende schaal niet meer. Zijn lange hals alleen richt zich overeind, zakt, verheft zich weder, kromt zich nogmaals, drijft op de golven als eene reusachtige zweep en wringt zich als een doorgesneden worm. Het water spat tot op een aanzienlijken afstand. Het verblindt ons. Maar spoedig eindigt de doodsangst van het kruipende dier, zijne bewegingen verminderen, zijne stuiptrekkingen bedaren, en het lange lijf der slang strekt zich als eene levenlooze massa op de tot rust gekomene golven uit.

Maar de ichthyosaurus, heeft hij zijn onderzeesch hol weder opgegezocht, of zal hij nog eens aan de oppervlakte der zee verschijnen?

HOOFDSTUK XXXIV

Nieuw gevaar.--Iets gezien.--Een eiland.--De geyser.

Woensdag 19 Augustus.--Gelukkig heeft de hevige wind ons in staat gesteld om snel het tooneel van den strijd te ontvluchten. Hans staat nog altijd aan het roer. Mijn oom, die door de wisselingen van dien strijd uit zijne alles overheerschende overpeinzingen was wakker geschud, vervalt weder in zijne ongeduldige beschouwing van de zee.

De reis wordt weder even eentonig als te voren, hetgeen ik niet meer verlang te zien afbreken ten koste van de gevaren van gisteren.

Donderdag 20 Augustus.--Een vrij onbestendige noord-noordwestenwind. Warm weder. Wij vorderen drie en een halve mijl per uur.

Tegen den middag doet zich in de verte een geraas hooren. Ik stip hier het feit aan zonder er eene verklaring van te kunnen geven. Het is een aanhoudend geloei.

"De zee breekt in de verte op eene rots of een eilandje," zegt de professor.

Hans klautert in den top van den mast, maar seint geene klip. De oceaan is effen tot aan den gezichteinder.

Drie uren verloopen. Het geloei schijnt voort te komen van een verwijderden waterval.

Ik maak er mijn oom opmerkzaam op, die het hoofd schudt. Toch ben ik overtuigd, dat ik mij niet bedrieg. Loopen wij dan een waterval in den mond, die ons in den afgrond zal storten? Het is mogelijk, dat die manier van te dalen den professor zal bevallen, omdat zij dichter bij het loodrechte komt; maar ik voor mij....

In allen gevalle moet er eenige uren verder onder den wind een geraasmakend natuurverschijnsel plaats hebben, want het geloei laat zich nu met groote hevigheid hooren. Komt het uit de lucht of uit den oceaan?

Ik wend mijne blikken naar de in den dampkring zwevende dampen, en tracht hunne hoogte te peilen. De lucht is stil; de wolken, die naar het hoogste punt van het gewelf worden gevoerd, schijnen onbeweeglijk en verliezen zich in de sterke stralenschieting van het licht. Dus moet ik de oorzaak van het verschijnsel ergens anders zoeken.

Ik onderzoek nu den zuiveren en onbenevelden gezichteinder. Zijn voorkomen is niet veranderd. Maar als dat geraas voortkomt uit een val, een waterval; als deze geheele oceaan in een lager bekken stort; als dat geloei wordt voortgebracht door eene vallende watermassa, dan moet de stroom versnellen en zijne toenemende snelheid kan mij eene maat aangeven van het gevaar, dat ons bedreigt. Ik onderzoek de stroomsnelheid. Zij is gelijk nul. Eene ledige flesch die ik in zee werpt, blijft onder den wind.

Tegen vier uur staat Hans op, klemt zich aan den mast en klautert naar den top. Vandaar doorloopt zijn oog den cirkelboog, dien de oceaan voor het vlot beschrijft, en blijft op één punt rusten. Zijn gelaat drukt geene verrassing uit, maar zijn oog blijft in dezelfde richting staren.

"Hij heeft iets gezien," zegt mijn oom.

"Ik geloof het ook."

Hans komt weder beneden, strekt den arm naar het zuiden uit en zegt

"Dernere!"

"Ginds!" antwoordt mijn oom.

En zijn kijker nemende, ziet hij oplettend eene minuut, die mij wel eene eeuw toescheen, voor zich uit en roept:

"Ja, ja!"

"Wat ziet gij?"

"Eene verbazende waterzuil, die zich boven de golven verheft."

"Weder het eene of andere zeedier?"

"Misschien."

"Laten wij dan den steven naar het westen wenden, want wij hebben reeds kennis gemaakt met het gevaar van die voorwereldlijke monsters te ontmoeten!"

"Wij zullen niet van koers veranderen," antwoordt mijn oom.

Ik wend mij naar Hans. Deze bestuurt het roer met vaste hand.

En toch moet het, als wij op den afstand, die ons van dit dier scheidt en dien wij gerust op twaalf uur gaans kunnen schatten, de waterzuil kunnen zien, die het uit zijne neusgaten spuit, van eene bovennatuurlijke grootte zijn.

Vluchten zou dus niets anders zijn dan zich gedragen volgens de wetten der meest gewone voorzichtigheid. Maar wij zijn niet hier gekomen om voorzichtig te zijn.

Wij gaan dus vooruit. Hoe dichterbij wij komen, hoe grooter de zuil wordt. Welk monster kan zich met zulk eene hoeveelheid water opvullen en het zoo zonder tusschenpoozen uitblazen?

Te acht uur des avonds zijn wij er geene twee uur gaans meer van af. Zijn zwartachtig, ontzaglijk en heuvelachtig lichaam strekt zich als een eilandje in zee uit. Is het verbeelding? is het angst? Zijne lengte schijnt mij toe meer dan duizend vadem te bedragen. Wat is dat dan voor een walvischaardig dier, welks bestaan de Cuviers noch de Blumenbachs hebben kunnen vermoeden? Het is onbeweeglijk en schijnt te slapen; de zee schijnt het niet te kunnen optillen en de baren golven langs zijne zijden. De waterzuil, die vijfhonderd voet hoog opgeworpen wordt, valt weder met een oorverdoovend geraas als regen neder. Wij houden als krankzinnigen op dien ontzaglijken klomp aan, dien honderd walvisschen ook slechts voor één dag niet zouden verzadigen.

De schrik bevangt mij. Ik wil niet verder gaan. Ik zal, als het noodig is, den val van het zeil doorsnijden! Ik verzet mij tegen den professor, die mij geen antwoord geeft.

Eensklaps staat Hans op, en met den vinger het dreigende punt aanwijzende, zegt hij:

"Holme!"

"Een eiland!" roept mijn oom.

"Een eiland!" zeg ik, op mijne beurt de schouders ophalende.

"Zeker!" antwoordt de professor schaterende van lachen.

"Maar die waterzuil?"

"Geyser", zegt Hans.

"Zonder twijfel, een geyser", antwoordt mijn oom, "een geyser gelijk aan dien op IJsland!" [14].

Ik wilde eerst niet toegeven, dat ik mij zoo lomp vergist had. Een eilandje aangezien te hebben voor een zeemonster! Maar het wordt duidelijk, dat het zoo is, en ik moet eindelijk mijne dwaling erkennen. Het was slechts een gewoon verschijnsel.

Naarmate wij naderen, worden de afmetingen der waterzuil grootscher. Het eilandje stelt met eene bedrieglijke juistheid een walvischaardig dier voor, welks kop tien vadem boven de golven uitsteekt. De geyser, een woord, dat "woede" beteekent, verheft zich statig aan het uiteinde. Van tijd tot tijd hebben er doffe ontploffingen plaats, en de verbazende waterstraal, door hevigen toorn aangegrepen, schudt zijn vederbos van dampen en stijgt tot de eerste wolkenlaag. Hij staat op zich zelven. Zwaveldampen noch heete bronnen omringen hem, en al de vulkanische kracht vereenigt zich in hem. De stralen van het electrische licht vermengen zich met die verblindende waterzuil, waarvan elke droppel geschakeerd wordt met de prismatische kleuren.

"Aan wal gaan!" beval de professor.

Maar wij moeten zorgvuldig die waterhoos vermijden, die het vlot in een oogenblik zou doen zinken. Behendig sturende brengt Hans ons aan het uiteinde van het eilandje.

Ik spring op de rots; mijn oom volgt mij gezwind, terwijl de jager op zijn post blijft, als iemand die boven zulke verwondering verheven is.

De bodem bestaat uit graniet vermengd met kiezelachtigen tufsteen; hij beeft onder onze voeten, gelijk de wanden van een stoomketel, waartegen oververhitte stoom bonst; hij is brandend heet. Wij komen in het gezicht van een klein bekken in het midden, waaruit de geyser zich verheft. Ik dompel een thermometer in het kokende water, die eene hitte van honderd drie en zestig graad teekent.

Dit water komt dus uit een vuurhaard. Dat is lijnrecht in strijd met de theoriën van professor Lidenbrock. Ik kan niet nalaten het op te merken.

"Welnu!" antwoordt hij, "wat bewijst dit tegen mijne leer?"

"Niets!" zeg ik op een drogen toon, ziende dat ik stoot op eene ongeneeslijke stijfhoofdigheid.

Niettemin moet ik bekennen, dat wij tot nu toe buitengewoon begunstigd zijn, en dat deze reis, door eene mij onbekende oorzaak, volbracht wordt onder bijzondere warmtetoestanden; maar het is, dunkt mij, stellig zeker dat wij vroeger of later in die streken zullen komen, waar de inwendige warmte de uiterste grenzen bereikt en alle graadverdeelingen der thermometers overtreft.

"Wij zullen wel zien." Zoo sprak de professor, die, na dit vulkanische eilandje naar zijn neef genoemd te hebben, het sein geeft om ons weder in te schepen.

Ik blijf nog eenige minuten den geyser beschouwen. Ik merk op, dat de toevoer van zijn straal onregelmatig is, dat hij somtijds in kracht vermindert, dan weder nieuwe sterkte krijgt, hetgeen ik toeschrijf aan het verschil in drukking van de dampen, die in zijn vergaderbak opgehoopt zijn.

Eindelijk vertrekken wij, en varen om de zeer steile rotsen aan de zuidzijde. Hans heeft van dit oponthoud gebruik gemaakt om het vlot te herstellen.

Maar voor wij van land staken, doe ik eenige waarnemingen om den afgelegden afstand te berekenen, en teeken ze aan in mijn journaal. Wij hebben twee honderd zeventien zeemijlen van Gräubenhaven af doorloopen, en bevinden ons zes honderd twintig uur gaans van IJsland af, onder Engeland.

HOOFDSTUK XXXV

Naderend onweder.--De rotsen van den oever.--Een orkaan.--Werking der electriciteit.--Hevigheid van den orkaan.--De electrische kogel.--Altijd op zee.

Vrijdag 21 Augustus.--Den volgenden dag is de prachtige geyser verdwenen. De wind is opgestoken en heeft ons snel van het eilandje Axel afgedreven. Het geloei heeft langzamerhand opgehouden.

Het weder zal, als ik het zoo eens mag uitdrukken, binnen kort veranderen. De dampkring wordt bezwangerd met dampen, die de electriciteit medevoeren, welke ontstaan is uit de verdamping van het zoute water; de wolken dalen merkbaar en nemen eene gelijke olijfkleurige tint aan; de electrische lichtstralen kunnen nauwelijks door die ondoorschijnende gordijn heenboren, die neergelaten is voor het tooneel, waarop het treurspel der stormen zal gespeeld worden.

Ik gevoel mij bijzonder ernstig gestemd, zooals op aarde ieder schepsel is bij de nadering eener omkeering. De in het zuiden opgehoopte stapelwolken leveren een droevig gezicht op; zij hebben dat "onmeedoogende" voorkomen, dat ik dikwijls opgemerkt heb bij de nadering der stormen. De lucht is drukkend, de zee kalm.

In de verte gelijken de wolken op groote katoenbalen in eene schilderachtige wanorde opeengestapeld; allengs zwellen zij op en verliezen in aantal wat zij in omvang winnen; zij zijn zoo zwaar, dat zij zich niet van den gezichteinder los kunnen maken: maar op den adem der hooge luchtstroomingen vermengen zij zich langzamerhand, worden donker en vertoonen weldra slechts eene laag van een geducht aanzien; somtijds springt een kluwen van dampen, nog eenigszins verlicht, over dat grauwe tapijt en verdwijnt weldra in de ondoorzichtige massa.

Het is stellig, dat de dampkring verzadigd is met electriciteit; ik ben er geheel van doortrokken, mijne haren richten zich overeind als in de nabijheid eener electriseermachine. Mij dunkt dat mijne makkers, zoo zij mij thans aanraakten, een geweldigen schok zouden ondervinden.

Des morgens te tien uur zijn de voorteekenen van den storm nog beslissender; men zou zeggen, dat de wind gaat liggen, om beter adem te scheppen; de wolk gelijkt op een verbazenden zak, waarin de orkanen opgezameld worden.

Ik wil geen geloof hechten aan de bedreigingen des hemels, en toch kan ik niet nalaten te zeggen:

"Daar is slecht weder in aantocht."

De professor antwoordde niet. Hij heeft een onuitstaanbaar humeur, omdat hij den oceaan zich eindeloos ver vóór zich ziet uitstrekken. Hij haalt op mijne woorden de schouders op.

"Wij krijgen storm", zeg ik, de hand naar den gezichteinder uitstekende; "die wolken dalen op de zee neder als om haar te verpletteren!"

Algemeene stilte. De wind zwijgt. De natuur ziet er uit als een doode en ademt niet meer. Het slappe zeil valt in groote plooien tegen den mast, waarop ik reeds een klein Sint-Elmusvuur zie schitteren. Het vlot ligt onbeweeglijk in eene dikke zee zonder golfslag. Maar, als wij toch niet vorderen, waartoe moeten wij dan dat zeil behouden, dat ons bij den eersten schok van den storm in het verderf kan storten?

"Wij moesten het zeil strijken," zeg ik, "en onzen mast kappen: dat zou voorzichtig zijn."

"Neen, voor den duivel!" roept mijn oom, "honderd maal neen! Laat de wind ons aangrijpen, de storm ons medevoeren! maar laat ik toch eindelijk de rotsen van den oever zien, al moest ons vlot er in duizend stukken op verbrijzeld worden!"

Die woorden zijn nog niet gesproken, of de gezichteinder verandert in het zuiden eensklaps van aanzien; de opeengehoopte dampen lossen zich op in water, en de lucht, die met kracht toesnelt om de ledige plaatsen door de verdichting ontstaan te vullen, wordt een orkaan. Hij komt uit de verste hoeken van het hol. De duisternis neemt toe. Nauwelijks kan ik eenige onvolledige aanteekeningen maken.

Het vlot wordt opgelicht en geslingerd. Mijn oom wordt van zijne plaats afgeworpen. Ik sleep mij naar hem toe. Hij heeft zich stevig vastgeklemd aan een kabeltouw en schijnt met genoegen dat schouwspel der losgelaten elementen te aanschouwen.

Hans beweegt zich niet. Zijne lange haren, door den orkaan opgewaaid en op zijn onbeweeglijk gelaat nedervallende, geven hem een vreemd voorkomen; want hunne uiteinden zijn bedekt met lichtgevende electrische straalbundels; zijn schrik inboezemend aangezicht is dat van een voorwereldlijken mensch, den tijdgenoot der ichthyosauriën en megatheriums.

Toch houdt de mast zich goed. Het zeil wordt gespannen als eene blaas, die op het punt is van te bersten. Het vlot drijft voort met eene drift die ik niet schatten kan, maar toch minder snel dan de waterdroppels, die er onder verplaatst worden en zuivere rechte lijnen beschrijven.

"Het zeil! het zeil!" zeg ik, een teeken gevende om het te strijken.

"Neen!" antwoordt mijn oom.

"Nej!" zegt Hans, zachtjes het hoofd schuddende. Intusschen vormt de regen een bruisenden waterval voor den gezichteinder, waarop wij als zinneloozen aanhouden. Maar voor hij ons bereikt, scheurt de wolkensluier, de zee begint te koken, en de electriciteit voortgebracht door eene sterke scheikundige werking, die in de bovenste lagen plaats heeft, komt in het spel.

Schitterende bliksemstralen vermengen zich met de donderslagen; tallooze weerlichten kruisen elkander te midden van de losbarstingen; de dampenmassa wordt witgloeiend, de hagelsteenen, die het metaal onzer gereedschappen en wapenen treffen, worden lichtgevend; de hooge golven schijnen zoovele vuurspuwende heuvelen te zijn, waaronder een inwendig vuur blaakt en waarvan iedere top een vederbos van vlammen draagt.

Mijn oogen zijn verblind door de sterkte van het licht, mijn ooren verdoofd door het geraas van den donder; ik moet mij aan den mast vasthouden, die buigt als een riet onder het geweld van den orkaan....

-- -- --

(Hier werden mijn aanteekeningen zeer onvolledig. Ik heb nog slechts eenige vluchtige, om zoo te zeggen werktuiglijk gedane waarnemingen teruggevonden. Maar door hare kortheid zelfs, dragen zij den stempel van de ontroering, die mij beheerschte, en beter dan mijn geheugen geven zij mij een besef van onzen toestand.)

-- -- --

Zondag 23 Augustus.--Waar zijn wij? Waarheen zijn wij met een onmeetbare snelheid gevoerd?

De nacht is vreeselijk geweest. De storm bedaart niet. Wij leven te midden van geraas en onophoudelijke losbarstingen. Het bloed komt uit onze ooren. Wij kunnen geen woord wisselen.

Het weerlicht is niet van den hemel. Ik zie terugkeerende zigzag-lijnen, die na eene snelle vaart weder van beneden naar boven gaan en het granietgewelf treffen. Als het eens instortte! Andere bliksemstralen verdeelen zich of nemen den vorm van vuurbollen aan, die als bommen springen. Het algemeene geraas schijnt er niet door te vermeerderen; het heeft de grens van sterkte, die het menschelijk oor kan waarnemen, overschreden, en als alle buskruitmagazijnen der wereld te gelijk sprongen, "zouden wij er niets van kunnen hooren."

Er heeft eene gestadige uitvloeiing van licht aan de oppervlakte der wolken plaats; de electrische stof maakt zich onophoudelijk uit hare deeltjes los; ontelbare waterzuilen verheffen zich in den dampkring en vallen schuimende neder.

Waar gaan wij heen?... Mijn oom ligt zoo lang hij is op het uiteinde van het vlot.