Naakt model: Toneelspel in drie bedrijven
Part 4
_Marie_ (_in de rede vallend_). Papa had ook altijd zoo met tante en Lientje op.
_Henri_ (_ernstig_). Laat papa er maar buiten Marie, -- je weet heel goed, hoe papa over zoo'n plannetje zou denken; en wat Arie betreft...
_Marie_ (_in de rede vallend_). En Lientje! -- jij wàs toch altijd zoo op haar, voor ze naar 't buitenland ging?
_Henri_ (_schouderophalend_). Lientje was een lief gansje, en zal dat wel altijd gebleven zijn. Ik bèn niet geschikt voor die dingen -- ik moet wérken, ik heb toch waarachtig wel beter dingen te doen, mooier dingen -- belangrijker dingen!
_Marie_ (_met een blik naar de schilderij_). Waarom "belangrijker" -- ?
_Henri._ Wel godallemachtig -- "waarom?" "waarom?"
_Marie_ (_verbeten zuchtend_). Ach ja, natuurlijk weer bezwaren -- altijd bezwaren, wanneer 't geldt mama en mij es een pleizier te doen! (_na een pauze op anderen toon_). En jij zelf Henri -- je moet toch ook aan je zelf denken. De tijd van partijtjes en dineetjes is nou toch voor ons voorbij -- en (_spijtig_) van mijn vriendinnen heb je je nooit iets aangetrokken, -- Lientje...
_Henri_ (_schamper in de rede vallend, door de kamer stappend_). Nee, dat zal waar zijn -- wat heb ik ooit aan die vertooningen gehad -- met die droge vriendinnen van jou. Mijn hemel (_hij bromt wat voor zich heen_) -- en dat teint, en die conversatie -- nou!
_Marie_ (_opspringend_). Henri, ik verbied je zoo te spreken! Ik heb genoeg aardige meisjes in huis gebracht, -- maar als Jeanne, als Tilde -- -- ha! jij mocht willen dat...
_Henri._ "Als Jeanne, als Tilde"? (_zijn schouders ophalend_). Ik heb er nooit wat bizonders aan opgemerkt. Ach maar beste Marie, wat heb jij nou ooit voor aardigs en bizonders in huis gebracht?
_Marie._ En jij, jij -- ? wat heb jij dan in huis gebracht? jij, met je onmogelijke kornuiten, met "die schilders"! Mama geeft me daarin volkomen gelijk -- en papa zou me zeker ook gelijk geven.
_Henri._ Neen, papa zou je zeker niet gelijk geven -- als papa nog leefde.
_Marie_ (_na korte pauze_). Nu, denk er nog eens over Henri, het hoeft ook niet dadelijk beslist, het is pas voor de volgende maand, maar mama en ik hopen hartelijk, dat je gaat (_een flacon uit haar taschje nemend_). Mama heeft me wat voor je meegegeven, en gezegd, dat ik 't zelf op je waschtafel moest zetten (_naar de slaapkamerdeur gaande_). Mag ik dan meteen eens zien, of alles daar in orde is -- ?
_Henri._ Heel lief -- heel lief.
_Marie_ (_even weifelend bij de deur_). Kan ik -- ?
_Henri._ O zeker, ga je gang, -- ga je gang -- geen geheimen hoor. (_Marie verdwijnt in de slaapkamer, terwijl Henri met zijn handen in zijn broekzakken voor den ezel gaat zitten en zingt_):
"l'Amour est enfant de bohème Elle n'a jamais connu des lois Et quand je t'aime prends gàààrrde..."
TWEEDE TOONEEL
_Henri, Nellie, daarna Marie._
_Nellie_ (_heeft, als Henri begint te zingen, haar hoofdje om de deur gestoken, en is op haar teenen naar binnen gekomen en tot vlak achter hem genaderd, als hij juist met een operastem "prends garde" zingt, -- waarbij ze als verrassing haar eene hand voor zijn oogen, de andere voor zijn mond houdt. Hij spartelt even wanhopig maar voorzichtig, om geen leven te maken, tegen, waarbij Nellie hem juist op zijn kruin zoent, als Marie uit de slaapkamer komt, een grasgroen directoire broekje tusschen duim en vingers voor zich uithoudend_).
_Marie._ Maar Henri -- ! Wat is dat -- !? (_Nellie ziende_). Oh -- || (_algemeene ontsteltenis, waarbij Marie het broekje op de rustbank laat vallen en naar haar parasol grijpt, terwijl Nellie zich achter Henri bij den ezel opstelt_).
_Henri_ (_die zich half zenuwachtig, half ingehouden vroolijk, op de lip bijt_). Mag ik eens voorstellen...
_Marie_ (_hem voorkomend_). O -- neem me niet kwalijk -- ik wist niet -- ik -- (_met een vluchtig stijf buiginkje naar de deur gaande, waar Henri haar inderhaast uitgeleidt_).
DERDE TOONEEL
_Henri, Nellie._
_Nellie_ (_verbaasd_). Wat was dat voor een mensch -- ?
_Henri_ (_uit zijn humeur_). Dat mensch was mijn zuster.
_Nellie_ (_wat onthutst_). Oh -- ! je zuster -- ! -- ?
_Henri._ Ja, wat duvel kom je dan ook zoo binnen! -- Waarom kom je nù al -- je zou toch komen na de les? -- Je hebt hier nog heelemaal niet te zijn!
_Nellie._ Nou, word maar niet zoo boos, -- dat kan ìk toch niet helpen, dat juist dat men... dat je zuster hier was. Ik kwam maar even oploopen, omdat ik in de buurt moest wezen bij Mien -- 't is nou toch nog geen tijd voor je les met die leerling, -- die -- hoe heet ze ook weer -- ?
_Henri._ In ieder geval had je eerst kunnen kloppen, dan had ik je kunnen zeggen, dat er iemand was.
_Nellie._ Och, je was toch aan 't zingen -- ! en--
_Henri_ (_opnieuw verontwaardigd over de scène van daar straks_). En dan ook altijd die uitbundige manieren van jou! (_het broekje op dezelfde manier als zijn zuster tusschen duim en vingers nemend_). Dat is van jou, geloof ik.
_Nellie._ "Geloof ik" -- ? "geloof ik" -- ! Ja natuurlijk is dat van mij -- dat weet je toch waarachtig ook wel! -- Ha! het moest ook eens niet van mij zijn! -- "Geloof ik" -- ! -- Draagt je nieuwe leerling ze dan ook zoo -- ?
_Henri._ Hou je mond! Wat is dat nou weer voor ordinairheid! -- Wat duvel, jij met je grove manieren! -- Wees toch een vrouw! Wees toch een nette vrouw! Probeer toch eens eindelijk een "dame" te zijn! (_hij heeft het broekje onderwijl verfrommeld en gooit het op de rustbank_).
_Nellie_ (_wat kleintjes_). Ja, zoo'n "dame" als je nieuwe leerling kan ik niet wezen.
_Henri._ Dat is onzin! Die nieuwe leerling heeft er niets mee te maken, -- iedere vrouw kan een "dame" zijn -- als ze maar wil.
_Nellie._ Och Henri, hoe kan ik nou een "dame" zijn, voor een "dame" moet je geld hebben, en fatsoenlijk wezen -- dàt is een "dame!"
_Henri._ Ach, jij met je eeuwige gezanik over fatsòènlijk en ónfatsoenlijk! -- Er bestaat eenvoudig geen fatsoen -- wat is nou fatsoen -- ! Het eenige kenmerk van een fatsoenlijke vrouw is, dat je nooit aan haar kunt zien, dat ze niet fatsoenlijk is -- begrijp je?
_Nellie._ Nee, dat begrijp ik heelemaal niet.
_Henri._ Dat is toch anders zoo eenvoudig als ik weet niet wat: -- je kunt toch wel "spélen!" Je kunt je toch wel fatsoenlijk bewegen! en fatsoenlijk spreken! en fatsoenlijk doen! -- -- toch nàdoen?
_Nellie._ Nee -- nee -- ik kán niet spelen en ik wìl niet spelen -- en ik ben zooals ik ben!
_Henri._ Dat is onzin -- dat is naïeve aanstellerij: je hèbt eenvoudig niet altijd te zijn zooals je bent! Iedereen speelt een rol, en een vrouw... mijn hemel, wat is nou een vrouw, die geen comedie kan spelen! Dat is zelfs het kenmerk van beschaving -- (_doceerend_): het kenmerk van beschaving is, dat iedereen "netjes speelt."
_Nellie._ Och, dat is flauwe kul!
_Henri_ (_haar niet hoorend, tevreden zijn vondst bij zichzelf herhalend_): "netjes speelt" -- juist: "netjes speelt" -- (_tot Nellie_). Wat zei je?
_Nellie._ Och Henri, je weet wel, dat ik voor die dingen geen begrip heb.
_Henri._ Nee, dat is het juist: "je hebt geen begrip!" -- Geen begrip van comedie tenminste, -- daarom zit er ook geen kunst in je. God! ìk zou wel voor "dame" kunnen spelen -- (_hij doet gemaakt aanstellerig zijn zuster na en tript met een stijf buiginkje voor Nellie nuffig naar de deur_).
_Nellie_ (_lacht_). Gekke vent!
_Henri_ (_komt meelachend op de rustbank naast haar zitten. Stilte_).
_Nellie._ Zeg Han, hoeveel maal komt die leerling nou wel in de week?
_Henri._ Denk je, dat ik dat opschrijf! -- Zij komt -- wanneer ze komt.
_Nellie._ Nou -- Herman had net zoo goed leerlingen, -- die heeft er wel drie, en die kwamen op een vast uur -- en die schreef het wel degelijk op, hoor.
_Henri._ Zoo -- nou maar ik ben Herman niet.
_Nellie._ Maar, je moet het toch ook opschrijven voor -- voor de rekening?
_Henri_ (_proestend_). De rekening! "de rekening!" Ha, ha! die is goed!
_Nellie._ Nou -- is dat zoo gek?
_Henri._ Ach mensch, ze kon mij net zoo goed een rekening sturen! -- Ik geef haar soms wat les, jawel, maar ze weet er waarachtig genoeg van -- theoretisch tenminste -- en ik leer zèlf, ik heb zelf veel aan haar (_heen en weer loopend, meer voor zich redeneerend_). Dat is nou eens een nieuwe, een bizondere vrouw -- dat is een verschijning! -- Een mensch moet altijd weer nieuwe ideeën, nieuwe gevoelens op zich laten inwerken, als een sproeibad -- dat heb ik noodig! Een mensch moest eigenlijk telkens weer in nieuwe vormen kunnen opleven -- -- niet na je dood -- maar zóó: je moet je altijd metamorphoseeren (_voor haar staan blijvend_). Zie je Nellie, dat noem je metamorphose: "mètàmòrphóse" -- (_afbrekend_) enfin, dat begrijp je toch niet!
_Nellie._ Dat begrijp ik best! dat begrijp ik best! je wil eenvoudig weer eens wat anders! Je hebt genoeg van mijn poseeren, en nou komt die opgemaakte madam hier over de vloer, en zit je met haar te zaniken en thee te zetten -- en -- dat mensch komt hier tegenwoordig elke dag!
_Henri._ En wat zou dat? -- Je vergeet eenvoudig -- omdat je daar geen begrip van hebt -- dat ik schilder ben, "schilder!" -- begrijp je dat Nellie? (_naar de schilderij gaand_). Dààr geef ik om, dààr leef ik voor, dààr gaat het hier om! -- Ik heb die vrouw noodig, ik zie daar dingen in, die ik kan gebruiken -- dat is een gezicht, dat is een "gelaat, dat strààlt" begrijp je: "waar licht uit komt!" Ik heb lìcht noodig -- en die vrouw is mooi, begrijp je -- mooi -- "mooi"!
_Nellie_ (_even wat onthutst_). Mooi? mooi -- ? Ben ik dan niet mooi genoeg? Heb je niet altijd opgegeven over mijn haar, en mijn lijf? Heb je dan altijd weer anderen noodig voor je schilderijen? (_zich opeens herinnerend_). En je hebt zelf verleden nog gezegd, dat ik er telkens zoo anders uitzag! -- -- "Mooi?" -- nou, maar je maakt mij niet wijs, dat dat mensch hier altijd alleen om te schilderen komt!
_Henri_ (_in den grond gevleid_). Poeh! wat een ideeën -- wat een ideeën! -- En al kwam hier de heele wereld over de vloer, dan had je daar nog niks niemendal mee te maken! Dacht je dan, dat ik altijd maar naar een en hetzelfde gezicht kon zitten schilderen!? -- Och, dat is immers eenvoudig te gek om los te loopen! -- Nee, lieve Nellie, sinds jij hier bent, komen hier veel te weinig vrouwen -- dàt is de kwestie! Ik kàn niet schilderen zonder vrouwen -- een schilder moet vrij zijn -- "vrij!"
_Nellie_ (_voor zich uit starend_). Je bent een harde man.
_Henri._ Hard -- !? Ha, ik wou, dat ik hard wàs! Ik ben juist heelemaal niet hard -- niet hard genoèg. Ach God, ik ben juist veel te zacht: een kunstenaar moèt hard zijn -- alle groote kunstenaars waren hard!
_Nellie._ En Herman dan?
_Henri._ Herman -- ? (_hij haalt zijn schouders op_).
_Nellie._ Nou, is Herman dan geen kunstenaar?
_Henri_ (_kregel_). -- Ach! -- (_luchtiger_). Ach ja, jullie, modellen, snappen ook juist nooit iets van kunst, -- en van de moderne schilderkunst nog minder, -- en van mij heelemaal niets.
_Nellie._ Nou, en je bent toch een harde man.
_Henri._ Maar God mensch, waar moet ik nou hard om zijn?
_Nellie._ Je bent voor vroùwen hard. Je hoèft niet altijd over vrouwen te praten en over "vrij" zijn, -- als je van iemand houdt, dan màg je niet... heelemaal vrij meer zijn! Nee! -- Jij doet maar, jij leeft maar, jij moet maar vrij zijn -- en van mìj wil je niet, dat ik ergens meer poseer: ik mag niet meer bij Herman komen, ik mag niet naar Willem, niet naar mijnheer Hendriks -- .
_Henri_ (_na een kleine pauze_). God, ga je gang hoor.
_Nellie_ (_even in de war, dan driftiger_). Wat -- "ga je gang" -- ? -- Wat zeg je -- ? -- O! dus het kan jou niets schelen hè, waar ik zit en wat ik uitvoer! -- O ja -- dan ben jij des te vrijer hè? (_bijna in tranen_). Om mìj heeft ie zich niet te bekommeren, als hìj maar doen en laten kan, wat ie wil! -- Heb je dan nog niet genoeg gehad, vroeger -- met al die meiden? O! jullie mannen hebt 't maar makkelijk -- jullie hebt geen gevoel, dàt is 't: jullie hebt geen gevoel!
_Henri_ (_wat onthutst over den uitval en de opkomende tranen_). Nou, nou -- "makkelijk"! ìk "makkelijk"! (_hij zet zich op den stoel voor den ezel_). Nee -- dàt kan je waarachtig niet van me zeggen hoor. Ik mag misschien niet zoo zwaar op de hand zijn als jouw Herman...
_Nellie_ (_opstuivend_). "Mìjn Herman" -- !?
_Henri._ Nou ja -- als Herman dan, en sommige anderen -- maar makkelijk (_hij draait zich om naar de schilderij_). Goddorie nee. Hoe lang zit ik nou al aan dat ding, en ik kan er maar niet verder mee komen, nou ik met jou haast klaar ben, -- hoe lang zoek ik al naar dat tweede naakt? En ik kan 't toch niet zonder model -- ik kan 't toch niet uit mijn duim zuigen! -- Maar ik zal zoeken, zoeken tot ik 't vind -- tot ik heb wat ik wil! Ah! jij met je "vrouwen" -- ! Vrouwen? Ja natuurlijk -- dáárvoor, dáárvoor heb ik ze noodig! -- ik kàn niet schilderen zonder vrouwen! -- Maar voor mezelf -- ? (_zich weer tot Nellie keerend_). Ach lieve Nellie, ze zeggen zoo dikwijls van mij, dat ik zoo op vrouwen ben, en -- er zooveel gehad heb. -- (_opstaande_). Ach, ik zou me misschien schamen om te zeggen "hoe weinig" -- hoe weinig of ik waarachtig -- -- ha! als al die zoogenaamde Don Juans eens dorsten opbiechten hoe weinig... (_hij blijft voor haar staan, en opeens heftiger met saamgeknepen vuisten_). Maar begèèrd, begèèrd, zie je, ja dàt heb ik -- altijd -- altijd -- "begeerd!" (_moedeloos weer op den stoel voor den ezel vallend_) -- -- en daarom is 't leven zoo vermoeiend.
_Nellie_ (_verteederd, legt haar arm om zijn schouders_). Maar Han, nou toch niet meer, nou heb je toch mij! nou hoef je toch niet meer zoo onrustig te zijn. Kijk es, hoor nou es: als ik nou eens een heel nieuwe pose aanneem -- je laat me ook altijd maar zóó liggen, maar...
_Henri_ (_zich wrevelig losmakend_). Ach nee, dat begrijp je niet. Het gaat maar niet zoo om een willekeurig lijf! God, die zijn er genoeg, maar om een nieuw "aspect," om een nieuw wézen -- om een "ziel," om iets dat bè-zièlt, lieve Nellie, -- dát heb ik noodig!
_Nellie_ (_nadenkend_). Nou zal ik dan nog eens rondzien, en bijvoorbeeld vragen of Ant es aankomt, die met dat mooie rooie haar, hè? die heb je hier nog nooit gehad. Dàt is een mooie vrouw Han -- tenminste, voor een schilder...
_Henri_ (_uitvallend_). Ach verdomd nee, dat bête gezeur over Ant en Lien en -- -- Goddorie nog an toe, wat geef ik om de heele zooi! Dacht je dan, dat ik daarmee opschoot, of ik de eene of de andere dooie hark daar heb liggen!--
_Nellie_ (_geprikkeld_). O, ik begrijp 't heel goed hoor! ik begrijp 't best: -- dat nieuwe mensch maalt je door je hoofd, en nou zijn wij -- nou ben ik niet genoeg, hè! Nou maar...
_Henri._ En nou is 't uit met "dat mensch" dìt en "dat mensch" dàt! Ik verbied je eenvoudig...
_Nellie._ Verbieden! verbieden! (_heftig, met weer opkomende tranen_). Ja, ik zal me door jou laten verbieden! -- verbeel je! -- (_er wordt geklopt, beiden kijken om_).
VIERDE TOONEEL
_Henri, Nellie, Oompje._
_Oompje_ (_zijn witte sik om de deur stekend_). Hm -- precies! precies, -- zoo hard aan 't vrijen? (_naar binnen schuivend_). Zijn jullie ook al zoo ver me kinders? hè?
_Nellie_ (_naar hem toegaande en bij een mouw vattend_). Nou, hoort ù nou es!
_Henri_ (_half gekscherend de andere mouw vattend_). Ja, hóórt u nou es!
_Oompje_ (_naar voren gehaald, kijkt hen de een na den ander over zijn schouders aan en schudt zijn hoofd_). Nee, oompje heeft niets meer te hooren (_zijn beide oogjes dichtknijpend_) Oompje weet er alles van, hm, -- hij heeft het zijn heele leven al gehoord -- dat is zoo de spe... (_hij niest_) de specerij van de liefde me kinders, hm, -- maar dat komt terecht -- gerust: dat komt altijd weer terecht! (_met een zucht_) àltijd weer terecht.
_Nellie_ (_nog opgewonden_). Nou maar hìj--
_Henri_ (_spottend in denzelfden toon_). Nou maar zìj--
_Oompje_ (_hen om beurten aankijkend_). Hm, "nou maar ik!" Precies! ik mag wel zeggen "nou maar ik" -- want oompje zit er leelijk tusschen.
_Henri en Nellie._ Wat is er dan? Wat is er dan?
_Oompje._ Oompje heeft geen centen mekinders (_ze laten hem los_). Nee! Het is niet voor mìj hoor, -- jullie weet hoe ik leef hè: kalmpjes an met m'n pijpie, en, (_zijn neus wrijvend_) een heel enkele keer mag 't es een borreltje zijn (_de een na den ander aankijkend_) -- ja, God, in mìjn tijd hè, toen waren we nog niet zoo geheelonthouders hè, toen lustten we 'm nog wel es, zie je -- maar afijn -- -- nee, waarachtig voor mij is 't niet. Hm.
_Henri_ (_meesmuilend_). Nee natuurlijk, dat weten we wel.
_Oompje._ Precies! Voor mij is 't niet -- maar voor Cor. (_vertrouwelijk tot Henri_). Hm, Cor vraagt, of je misschien es eventjes tijd had, om beneden te komen. Ze zou je zoo graag es effen spreken, -- (_hem met den vinger dreigend_) ja jongeheer, zij heeft een zwak voor jou! -- 't Is voor hààr, zie je -- of eigenlijk is het voor ... e, voor dat kind, zie je. Ze heeft berichten gekregen -- hm, het is nou op eens weer minder goed geworden, en nou maakt ze zich zoo belabberd over dat wurm en nou wil ze er met alle macht heen -- dat is de choos. Maar oompje heeft geen centen -- dat is m'n zwakke punt, hm, en nou maakt ze zich zoo overstuur -- enne -- afijn -- als je nou misschien es een oogenblikkie had, om naar beneden te komen en haar wat te kalmeeren -- enne...
_Henri_ (_korzelig_). Jawel, jawel -- ik zal wel even meegaan (_hij reddert wat bij den ezel en veegt een paar penseelen uit_).
_Nellie._ Och, is Cor zoo overstuur? Is 't kindje dan zoo erg ziek? Zou 't dood gaan, denkt u?
_Oompje._ Ach, ze zit beneden te grienen om dat wurm, of 't heel wat is, maar 't is zoo dikwijls ziek, -- ik voor mij, ik moet zeggen, zie je -- ik mag lijden dat -- -- hm...
_Nellie_ (_die onderwijl in haar beursje gezocht heeft, aarzelend_). Zou u dat misschien aan Cor willen geven -- ? Dan kan ze er misschien wat van meenemen voor 't kindje, hè -- wil u -- ?
_Oompje_ (_het geldstukje nemend_). O -- dat is heel lief me kind -- heel lief, hoor (_hij bekijkt het geldstukje met zijn bijziende, knippende oogen en steekt 't in zijn vestjeszak_). Ik zal er aan denken hoor, hm -- . Heel lief! (_hij heeft Nellie's hand genomen en geeft er een zoen op_) heel lief!--
_Henri_ (_klaar met zijn penseelen_). Nou, zal ik dan even meegaan?
_Oompje._ Precies!
_Nellie_ (_oompje naroepend, die vóór Henri de kamer uitgaat_). Doet u mijn groeten aan Cor -- ? en het beste met 't kindje, hoor -- ! zal u 't aan haar zeggen -- ?
_Henri_ (_zich in de deur nog bedenkend, tot Nellie_). O ja, als -- e -- (_aarzelend_) als intusschen die leerling van me mocht komen, dan -- e -- dan doe jij wel open!
_Nellie_ (_verward_). O! -- ja -- wel -- ik zal wel open doen.
VIJFDE TOONEEL
_Nellie, daarna Helena._
_Nellie_ (_komt langzaam van de deur terug en blijft nadenkend voor de schilderij op den ezel staan, dan gaat ze snikkend op de rustbank zitten, en veegt met het broekje, dat daar nog is blijven liggen, haar tranen weg. Er wordt geklopt, zij krimpt ineen, -- als er voor de tweede maal geklopt wordt, springt zij op, veegt gauw over haar gezicht, ziet dan naar het broekje in haar handen en gooit het verfrommeld in een hoek achter een ezel, dan kijkt ze angstig naar de deur en roept weifelend met een klein stemmetje_) Binnen!
_Helena_ (_in vroeg voorjaarstoilet met bonten boa. Na even een aarzelenden blik in 't rond_). O -- bent u zoo vriendelijk mij te ontvangen voor mijnheer Henri?
_Nellie_ (_terwijl Helena het atelier binnenkomt, wat terugwijkend_). Hij komt dadelijk.
_Helena._ Ach -- u bent zeker (_zich kalm op de rustbank vlijend, met een oog over de schilderij op den ezel_) -- ik geloof, dat ik u herken als de trouwe helpster van mijnheer Henri?
_Nellie._ Ik ben zijn model.
_Helena._ Ach ja, hij heeft mij van u gesproken: juffrouw -- juffrouw Nellie, niet waar? Ja (_haar vriendelijk opnemend_) u heeft ook wel een bizonder figuur voor poseeren -- ja, ik schilder zelf ook, -- en poseert u al lang?
_Nellie._ O -- ja.
_Helena._ En -- bevalt het u te poseeren? Houdt u er van te poseeren?
_Nellie._ O -- jawel.
_Helena_ (_met warmte pogend haar aan 't praten te krijgen, naar de schilderij ziende_). Ziet u, juffrouw Nellie, dat lijkt mij nu het bizonder mooie van het poseeren: -- u helpt als het ware mee, om iets moois te scheppen -- u geeft iets moois van u zelf aan een kunstenaar -- iets moois, dat hij zonder u niet kan verwerkelijken, -- -- weet u wel dat ik eigenlijk heel jaloersch op u moest zijn?
_Nellie_ (_heeft van de rechtsche tabouret haar hoed genomen, dien zij voor het spiegeltje, op zij van den ezel hangend, wil opzetten; ongeloovig verrast_). Op mij -- ?
_Helena._ Ja zeker, op u -- (_merkend dat zij zich gereed wil maken te vertrekken_). Nee maar, wilt u mij nu al alleen laten juffrouw Nellie -- dat vind ik heelemaal niet aardig! Toe, houdt u me nog wat gezelschap -- (_op haar aandringen en terwijl zij zelf zich van hoed en boa ontdoet, gaat Nellie met den hoed in haar handen bij de tafel zitten_). Ik stel belang in uw werk en in dat van mijnheer Henri; ik zou graag met u -- ik zou graag weten -- -- o! ik zou graag een heeleboel van u willen weten! Ik interesseer mij voor uw vak ziet u, en voor alles wat een schilder raakt.
_Nellie_ (_met een wantrouwenden blik_). Wat komt u hier dan eigenlijk doen?
_Helena_ (_glimlachend_). Wat ik doen kom? Wel, ik kom les nemen -- ik schilder zelf, maar ik kan nog heel wat van mijnheer Henri leeren. O, ik bewònder zijn kunst! hij schildert prachtig het naakt -- en de heele verbeelding, die hij daarin legt -- , en het naakt is toch eigenlijk het hoogste in de schilderkunst. Ja, en een deel van die schoonheid dankt hij zeker aan -- aan zijn model, aan u -- en daarom stel ik ook belang in u.
_Nellie._ Maar -- mijnheer Henri heeft het heel druk! -- hij moet veel werken, en -- hij moet véél werken!
_Helena_ (_op haar spraakzaam worden met denzelfden toon ingaande_). O ja, maar ik kom ook -- ik mag ook maar niet zoo dikwijls komen! Nee, daar zorg ik wel voor: wij moeten bij een kunstenaar zijn tijd respecteeren. Maar -- (_lachend den aanval keerend_) ik hoor mijnheer Henri zoo dikwijls over ù spreken: -- respecteert u zèlf zijn tijd wel?
_Nellie._ Ik -- ?
_Helena._ Ja, ja, dat mag ik wel vragen: -- als ik mijnheer Henri zoo dikwijls hoor zeggen, dat hij u wacht...
_Nellie._ Maar ik ben zijn model!
_Helena._ Jawel -- maar hij zal toch niet altijd schilderen? En verleden hoorde ik hem zelf klagen over heeren en dames, die hem telkens zoo van zijn werk afleidden -- ja, en ik geloof de dames vooral!
_Nellie_ (_minachtend_). Maar ik ben volstrekt geen "dame"!
_Helena_ (_zich even verslagen voelend_). Geen... nee -- o, maar in dien zin ben ik ook eigenlijk volstrekt geen dame, juffrouw Nellie. Nee, nee, u moet mij heelemaal niet als zoo'n "dame" beschouwen. U meent zeker, dat ik zoo'n rijke vreemdelinge ben, zoo'n Amerikaansche juffrouw of zoo, hè? Nee -- u moet maar denken, dat ik -- dat ik een zwerfster ben door de kunstenaarswereld -- zoo maar een verschietend sterretje -- een -- ziet u, ik ben eenvoudig zelf schilderes -- en ook wel eens model -- -- enfin, eigenlijk net zooals u.
_Nellie._ Poseert u dan ook?
_Helena._ O dikwijls! dikwijls! Ja, daar weet ik alles van; die vermoeiende standen, hè -- en op 't laatst weet je je niet meer te houden, en dan wil je tòch, hè? En dan de heerlijkheid van er even uit te komen -- -- (_zij rekt zich behagelijk. Als Nellie haar ongeloovig aanziet_). Gelooft u me niet?
_Nellie._ Poseert u dan ook voor naakt model. -- ?
_Helena_ (_een moment verwonderd_). Nee-ee, nee dat nu niet -- dat niet bepaald, -- maar dat vind ik nu eigenlijk van minder belang, is 't niet: gekleed of ongekleed.
_Nellie_ (_met geringschatting_). Oh!
_Helena._ Maar ik schilder zelf veel naar naakt model, ziet u. Ja -- eigenlijk had ik u juist willen vragen, of u niet eens voor mij zoudt willen poseeren?
_Nellie._ Ik -- !? (_zij staat verontwaardigd op en wil haar hoed opzetten om te vertrekken_).