Naakt model: Toneelspel in drie bedrijven
Part 3
_Jules_ (_allengs zich opwindend_). Ja, jawel: jullie hebt allemaal een gearrangeerde werkelijkheid noodig -- een interieurtje of een bloemetje of een kippie of een hippie -- en als je er dan lang genoeg aan gesabbeld hebt, ben je zelf verbaasd, dat de kopie nog zooveel op de werkelijkheid lijkt. Maar dat is 't juist: ik neem alle willekeurige werkelijkheid aan, en arrangeer ze in mijn eigen ziel tot iets prachtig moois -- dàt is kunst, dàt is inspiratie! -- àlles is schoonheid, àlles is mooi -- als je zelf maar mooi bent -- ! -- Dààr! (_hij gooit wat kopjes, schoteltjes en eetgerei, die Nellie nog niet weggenomen heeft, door elkaar op een hoop, zoodat enkele breken_) dààr, dààr -- ! is dàt niet mooi!? Daar zie ik nou schoonheid in, in al die witte lichtvlakken tegen elkaar: dat ronde boven die punt, en dan dwars die hoek en dan een breed vlak, -- dat is een harmonie van disharmonieën, dat is voor mij nou een schoonheid, een genot -- een "genòt!" -- In me zelf heb ik daar nou al een prachtig ding van gemaakt -- en dat hangt nou al in den hemel -- in mìjn galerij! Voilà! dàt is kunst, dàt is inspiratie -- en dat is voor mij genoeg -- -- (_weer heel nuchter_) en nou steek ik een cigaret op. (_de anderen zwijgen even, wat verbluft_).
_Frits._ Ja -- dat is nu juist jullie symbool: je slaat den boel maar kapot -- en dan heb jullie iets moois gedaan!
_Herman._ Dat is eenvoudig egoïsme, dat is anarchie!
_Nellie_ (_die juist de scène, uit de keuken komend, heeft aangezien, verontwaardigd_). En mìjn koppen -- !
_Frits._ O! ze zegt "mìjn koppen!" -- Is 't al zòò ver, juffrouw Nellie?
_Nellie_ (_haalt boozig haar schouders op en ruimt verder weg, waarna zij op de tafel gaat zitten_). 't Is wat moois!
_Henri_ (_korzelig uithalend_). Ach -- ! -- ach -- ! -- ach -- ! -- (_hij wendt zich schouderophalend af en neemt een mandoline, die aan een ezel hangt; hij grijpt in de snaren en probeert te spelen, maar haspelt_).
_Jules_ (_klapt in de handen_). Juist vadertje! je hebt gelijk: muziek, dat is de opperste uiting van alle inspiratie: -- de edelste praktijk van "je doe maar", dat is de moderne muziek.
_Henri_ (_spottend_). Ja -- maar ik houd eigenlijk juist zoo van de romantische.
_Jules._ Jammer -- jammer voor jou, -- ja, jullie zijn eigenlijk allemaal veel te sentimenteel, (_hij blaast peinzend de rook van zijn cigaret naar boven_) dat is jullie grondfout. (_even toekijkend_). Ik mag het anders zoo graag, zoo'n mandoline, hè -- een viool is mooier, maar zoo langademig: (_hij gooit zijn hoofd op zij en doet alsof hij een lange vioolstreek maakt_) -- , maar zoo'n ding, daar zit iets van het moderne leven in: (_hij buigt zich over een denkbeeldige mandoline en grijpt zenuwachtig heen en weer, met zijn hoofd en heele lichaam in beweging_) pang-pang-pàng -- pang-pang-pàng!--
_Henri_ (_probeert nog verder, geeft dan de mandoline aan Herman_). Nee, verduiveld, dat kan jij beter Herman: je weet, dat leuke ding van "Een lieve meid."
_Herman_ (_speelt en zingt, -- allen vallen in en zingen mee_).
Een lieve meid, Een mooi model, Dat mag ik bliksekaters wel-- Ti rá la la, Ti rá la la, Ti rá la la la lá!
(_Voor het tweede couplet aarzelt Herman even_). Hoe is 't ook weer -- ?
_Nellie_ (_van de tafel springend en, met haar hand aan haar oor, zich naar den vloer buigend_). Ik geloof waarachies, dat ik Tootje beneden hier kan hooren lachen -- !?
_Henri._ O, dat kan best -- dat is toch zoo'n gemeene vloer: je zou er soms bijna doorheen kunnen zien -- (_hij legt opeens een vinger op den mond_) wacht -- ! (_terwijl de anderen luisteren, schuift hij de rustbank opzij en slaat een grooten hoek van het vloerkleed om, -- dan legt hij weer een vinger op den mond_) -- nee, nee: we moeten juist doorspelen! Speel nou door, Herman! Speel nou door! (_zij liggen met handen en knieën op den grond, links, tegenover de deur, Henri, rechts, met de deur achter zich, Jules en Nellie, tusschen hen Frits, gebukt_).
_Herman_ (_naast Nellie staande en op haar neerziend, speelt verder en zingt nu alleen, een beetje sentimenteel uithalend_).
Eens, 's avonds, in De Kalverstraat Zoo'n snoepekoppie langs me gaat-- Ti rá la la, Ti rá la la, Ti rá la la la lá!
(_Henri probeert eerst te kijken, dan dringt Nellie op, doch zij schijnen niets te zien_).
_Henri_ (_probeert nog eens_). Ik geloof waarachtig, dat ik wat zien kan (_even opkijkend_) speel nou door Herman!
_Herman._
Wij bleven zoo Bij toeval staan, En zage' elkaar beteuterd aan-- Ti rá la la Ti rá la la Ti rá la la la lá!
_Henri_ (_kijkend, maar niets ziende, voor de grap uithalend_). Oh -- ! (_op dit oogenblik verschijnt Helena in de deur, welke zij nog onder Herman's zingen heeft geopend, een moment door niemand gezien, daar allen, behalve Henri, die juist voorover op den grond ligt, met hun rug naar de deur zijn gekeerd en door 't zingen van Herman niets gehoord hebben; als Henri, opkijkend, nog eens_ "Oh!" _roept, ziet hij haar vanzelf recht tegenover zich_). -- Ah -- !
NEGENDE TOONEEL
_De vorigen, Helena._
_Helena_ (_rijzige gestalte, achter in de twintig, donker haar met donkere wenkbrauwen en lange wimpers, waaronder lichte oogen, zuiver gesneden gelaat, met wat bleek teint; haar verschijning contrasteert tegen de groep door een zekere bewuste vrijheid van aristocratischen huize; zij draagt een eenvoudig maar gedistingeerd costume-tailleur. Weifelend in de deur_). Neemt u me niet kwalijk, maar ik had al een paar maal geklopt -- ik ben hier toch terecht bij mijnheer van Bergen -- ?
_Henri_ (_die op een knie haar eerst nog een oogenblik verbaasd heeft aangezien, opstaand_). Ah! -- pardon -- pardon! Zeker -- neemt u me niet kwalijk: -- wij zochten juist naar iets... naar iets, dat verloren was (_hij wijst verward op den grond, zich dan bezinnend slaat hij 't kleed weer recht en trekt de rustbank op haar plaats, terwijl de anderen zich naast de tafel retireeren, waar Nellie, die ook een oogenblik op haar knieën Helena's verschijning heeft aangestaard, zich bij hen voegt. Zich thans beheerschend, op zijn horloge kijkend_). Ach, maar ik was ook heelemaal den tijd vergeten: -- ik heb toch het genoegen met juffrouw van Dijk te spreken -- ?
_Helena_ (_knikt_).
_Henri._ O, ja -- (_met uitgestoken hand haar tegemoet gaand_) komt u binnen; wij waren eigenlijk allemaal den tijd vergeten, en mijn vrienden hebben zich wat verlaat: -- (_voorstellend_) mijnheer Boogaert, mijnheer Scheffer, mijnheer ten Kate, juffrouw Nellie -- juffrouw van Dijk.
_Frits._ Ja, we hebben ons verlaat: het is onze tijd.
_De anderen._ Ja -- ja. (_zij buigen vluchtig naar Helena en gaan_).
_Nellie_ (_gaat het laatst, nadat zij Henri een hand heeft gegeven_). Dag -- ! (_zij maakt een stijf buiginkje naar Helena en kijkt bij de deur nog even nieuwsgierig verwonderd om_).
TIENDE TOONEEL
_Helena, Henri._
_Henri_ (_hoffelijk Helena naar de rustbank wijzend_). Ik maak mijn excuses, dat ik u in zoo'n herrie ontvang, -- maar ik had juist een paar vrienden hier... (_Nellie komt nog even terug, en haalt rustig haar hoed, -- Henri ziet haar wat korzelig na, waarop zij in de deur van het keukentje verdwijnt_). Dat is een modelletje -- -- een mo-dèlletje, -- ze moet daar nog wat redderen.
_Helena._ Een modelletje -- ? Och -- maar gaat die nu weg voor mij? -- had u haar maar laten blijven.
_Henri_ (_licht verwonderd over haar vrije manier_). O -- pardon juffrouw van Dijk, maar het is toch beter onze eerste lessen -- later kunnen wij misschien naar het model werken. (_nog wat geaffaireerd opruimend_). Ik hoop, dat u mij niet kwalijk neemt, dat u zoo'n gezelschap hier vond -- maar, het was een afspraak -- en u hadt zoo laat geschreven -- -- en dan die tabaksrook -- hindert u die lucht niet -- ?
_Helena_ (_met iets van teleurstelling over Henri's conventioneelen toon_). O nee mijnheer van Bergen, volstrekt niet -- dat vind ik juist aardig, ik houd juist van tabakslucht -- ik rook zelf ook wel.
_Henri_ (_haar nog even verwonderd van terzijde opnemend, biedt cigaretten aan_).
_Helena_ (_een oogenblik aarzelend_). O -- ! -- nee, dank u -- nu niet -- later.
_Henri._ O maar dat vind ik anders heel sympathiek: moderne dames, die rooken. Daar ligt iets heel gracieus in: "de dame met de cigaret", (_een elegant rookgebaar makend_) ik zou bijna zeggen -- daar ligt iets artistieks, iets voor een schilder in: een mooie lijn -- .
_Helena_ (_meer geanimeerd_). Juist, ja -- de lijn, dàt is, geloof ik, wat me daar altijd in aantrekt; (_lachend_) kijk, daar geeft u me al een eerste les: "de lijn van het rooken"!
_Henri._ Maar de meeste dames vinden het rooken toch aantrekkelijk om andere redenen.
_Helena._ Waarom dan?
_Henri._ Ja, dat is niet zoo makkelijk te zeggen, dat is een kwestie van sentiment -- ze zoeken er -- ja, hoe zal ik dat zeggen -- ze zoeken er een tikje van het scabreuze in. O, een tikje maar! een druppeltje -- een homoeopatisch druppeltje misschien -- begrijpt u?
_Helena._ Ja -- of eigenlijk nee, niet precies: ik voel dàt er nu niet zoo in -- of misschien... (_uit haar gedachtengang opkijkend_) maar ik ben volstrekt niet zoo tegen het scabreuze mijnheer van Bergen -- -- wat verstaat u eigenlijk precies onder het "scabreuze" -- ?
_Henri_ (_wat in de war gebracht, en opnieuw lichtelijk verbaasd_) "Scabreus" -- ? Wel, scabreus -- dat is bijvoorbeeld een modelletje, (_zich verbeterend_) of nee, niet alle modelletjes natuurlijk -- dit (_met een gebaar naar het keukentje_) was een lief modelletje, volstrekt niet scabreus -- maar de meeste modelletjes zijn toch een beetje "scabreus"; of laat ik zeggen, met verlof: een "cocotte" nietwaar, pardon, dàt is "scabreus".
_Helena._ O -- maar ik heb toch wel cocottes gekend, die heelemaal niet scabreus waren.
_Henri_ (_die bij de tafel was gaan zitten, springt verbaasd op en staart haar even vragend aan_). U zegt -- ? -- O -- ja.
_Helena_ (_glimlachend_). Ja, daar verbaast u zich natuurlijk over, dat ik cocottes heb gekend, -- dat was een toeval, en dat waren ook maar enkelen, -- (_met een half spottend, half nieuwsgierigen blik naar hem_) u zult er ongetwijfeld meer gekend hebben dan ik -- , maar enfin die -- die vrouwen waren niet wat ik meen dat "scabreus" is. -- Wilt u wel gelooven mijnheer van Bergen, dat mij dat bijzonder aantrekt -- ik bedoel bijzonder intrigeert: "het scabreuze" -- ?
_Henri_ (_die haar aldoor met verbazing heeft aangehoord, ziet haar nu ook wat achterdochtig aan_). Hoe bedoelt u -- ?
_Helena_ (_die zijn gedachten raadt, lachende_). O nee! ik ben zelf heusch geen cocotte mijnheer van Bergen -- en heelemààl niet scabreus -- "helaas", zou ik bijna zeggen -- maar begrijpt u niet, dat dàt ons, moderne vrouwen, juist interesseert, die streken van het leven, die altijd zoo gesloten voor ons zijn, en waarmee we eigenlijk toch zoo veel te maken hebben -- -- althans zijdelings?
_Henri_ (_van zijn verbazing bekomend_). O ja -- o ja -- maar...
_Helena._ Maar u vindt 't eigenlijk niet te pas komen, dat ik daar maar zoo dadelijk over redeneer, -- ik dacht anders juist, dat ik met u...
_Henri_ (_met warmte_). O nee, zeker, zeker, dat interesseert me allemaal bizonder! Nee, integendeel, gaat uw gang. Maar, eerlijk gezegd, maakte u me even wat in de war met zoo te spreken, -- u -- ja, hoe zal ik dat uitdrukken: -- u haalt om zoo te zeggen verschillende kringen door elkaar -- de dames uit uw kringen zijn anders niet...
_Helena._ Maar ik ben juist een dame uit geen enkele kring, ziet u. Ja, ik begrijp wel, dat u dat maar niet zoo dadelijk aan kunt nemen: -- u vindt, dat er verschillende kringen moeten zijn, en u had me vooraf alvast gerangschikt onder de nette, artistiek conventioneele dames! En nu raakte u even uit uw humeur, omdat u zich in de conversatie wat gedesoriënteerd voelde -- . O! de mannen zijn zulke huichelaars -- nog veel erger dan wij vrouwen: -- de vrouw is tenminste sòms heelemaal waarachtig eerlijk, maar de mannen zijn 't geloof ik nooit zóó heelemaal -- -- daarom irriteert het ze zoo van een vrouw waarheden te hooren.
_Henri_ (_meer en meer geïnteresseerd, gaat naast haar zitten_). Ik ben nu heusch heelemaal niet meer uit mijn humeur. (_pogend het gesprek een andere wending te geven, om zijn autoriteit te herstellen_). Maar juffrouw van Dijk, nu ik u zoo hoor, ben ik toch nieuwsgierig, waarom u juist tot mij komt om lessen -- ?
_Helena._ O, noemt u me alsjeblieft niet juffrouw van Dijk: dat klinkt zoo -- dat klotst -- haha, dat klotst, zooals een biljartbal! Ik heet Helena -- of Lena -- of hoe u maar wilt.
_Henri._ O, ik wil graag zeggen wat u 't prettigst vindt: juffrouw Helena -- of Lena -- of Helena--
_Helena_ (_weifelend_). Nee -- ik geloof dat dat wat te familiaar is om mee te beginnen, -- zegt u dan maar liever juffrouw Lena.
_Henri._ Juffrouw Lena -- (_haar aanziende_) nee, dat gaat toch niet goed: "juffrouw Helena" -- dat past veel beter. En noemt u mij dan ook alsjeblieft bij mijn voornaam: Henri.
_Helena._ "Henri", "Mijnheer Henri" -- nee: mijnheer van Bergen en juffrouw Helena -- dat klotst tenminste iets zachter.
_Henri_ (_met een aai door de lucht_). Laten wij zeggen: dat "klutst". Maar juffrouw van... juffrouw Helena, nu heeft u me nog heelemaal niet gezegd, waarom u juist naar mìj gekomen bent, om lessen te nemen -- ?
_Helena._ Kijk, daar heb je nu de mannelijke ijdelheid! want u voelt zich al vooraf gestreeld door de redenen.
_Henri_ (_wat onthutst_). O -- nee -- -- het is louter nieuwsgierigheid.
_Helena._ En dààr heb je de mannelijke huichelarij!
_Henri_ (_een weinig geraakt_). U bent -- -- u heeft wel een slechte meening van de mannen!...
_Helena_ (_als ze hem wat geraakt ziet, invallend_). Och -- dat moet u niet zoo ernstig opvatten! -- (_lachend_) u moet me niet al te serieus nemen. Maar ik dacht dat alleen zoo, omdat de reden, waarom ik juist naar u kom, betrekkelijk zoo eenvoudig is: -- ik had bij professor Muller van de Academie geïnformeerd, die mij ook uw naam noemde -- en de rest heb ik u geschreven; -- (_eenvoudig_) ik houd van uw werk, vooral van dat nevelig kuische in uw naaktfiguren -- dat boeit me.
_Henri_ (_die zich, gevleid, toch even den meerdere voelt_). En -- heeft u al eens lessen gehad? u teekent zeker?
_Helena_ (_schalks bescheiden_). O ja -- zoo heelemaal niets niemendal ben ik niet: ik heb veel geteekend, en ook wel geschilderd, en -- (_met een lichte zucht_) veel gezien, -- een matig talentje, mijnheer van Bergen -- een matig talentje, maar toch heusch wel eenig talent. Ik hield ook van uw schilder"wijze", en daarom ook kwam ik naar u.
_Henri_ (_nog even in den toon van den leeraar_). Dus -- 't is vooral voor het eigenlijke schilderen -- ?
_Helena_ (_peinzend zijn woorden herhalend_). Ja -- "vooral voor het eigenlijke schilderen" -- (_levendig_). O ja, maar 't is dat niet alleen -- het is de "sfeer", die me altijd zoo aantrekt, ziet u; ik heb veel gereisd: Noorwegen, Italië, Amerika -- maar het is "de sfeer", die me altijd aantrekt en die ik wil begrijpen en doordringen -- het is het "leven" -- ja: het "leeren leven" ziet u -- -- (_zij rekt zich traag_).
_Henri._ "Leeren leven?" -- (_glimlachend_) "leeren leven!" -- iemand, die zich zoo vrij beweegt -- vrijer dan al die losse schilders hier -- maar: u beweegt u nog veel vrijer dan ik!
_Helena_ (_even glimlachend_). Nóg vrijer -- ? -- Ach nee, dat lijkt maar zoo, mijnheer van Bergen; al die vrouwen, die zich zoo vrij bewegen -- ! Nee, ik ben niet zoo vrij -- -- of misschien ook tè vrij -- (_haar gedachten afschuddend_). Maar -- ik zit hier maar te praten -- (_zij kijkt onwillekeurig zoekend rond en ziet de schilderij op den ezel; verrast_). O -- ! -- is dat uw laatste werk? Ach, dat heb ik nog heelemaal niet gezien! (_zij staat op en gaat er belangstellend voor staan, loopt dan terug en zet zich ten slotte op een stoel voor den ezel_).
_Henri_ (_komt naast haar staan, terwijl zij even beiden zwijgend toezien; dan met ijver, maar toch met een lichten schijn van nonchalance, uitleggend, terwijl hij den indruk op haar bespiedt_). Ziet u: -- in de beide naaktfiguren heb ik het dualisme, de tweespalt in ons leven willen uitdrukken -- de polen van het natuurlijke en het gecultiveerde in ons leven, -- u ziet: de tweede naaktfiguur heb ik nog maar aangezet -- er is zoo moeilijk een model voor te vinden, omdat ik er al het edele, geestelijke mee wil uitdrukken tegenover het primitieve, natuurlijke van de andere figuur. En dan op den achtergrond "het gelaat" -- het zielsgelaat, als een beeld van het standvastig blijvende, dat als een stille lamp voor ons uitschijnt -- -- enfin...
_Helena_ (_met warmte_). Ja -- ja -- ! dat is mooi gedacht, dat vind ik mooi gevoeld, -- daarin herken ik u weer -- uw kunst.
_Henri_ (_lachend_). Beter dan in den persoon?
_Helena._ O nee, dat niet -- (_hem glimlachend aanziend_) daaraan mag ik nog niet toe zijn, -- (_weer naar de schilderij gekeerd_) maar ja, in het algemeen geloof ik wel, dat de kunst zuiverder is dan de kunstenaar zelf.
_Henri._ O ja -- ze vallen tegen in 't gebruik!
_Helena._ Och, dat zegt u nu maar alleen, om een complimentje te krijgen -- maar mijn beste compliment is toch mijn belangstelling voor uw kunst -- want dat is toch in ieder geval het beste in een kunstenaar.
_Henri._ Nee maar zeker, zeker -- dat geloof ik ook, -- en daarom kan een kunstenaar zelf nooit meevallen: het beste in hem kennen de menschen al.
_Helena_ (_nog in de schilderij verdiept, mijmerend_). Toch misschien niet altijd, -- (_zich plots omkeerend_) maar mijnheer van Bergen: wij vergeten de les! (_zij doet haar hoed af, legt haar handschoenen weg en bereidt zich ijverig voor op den arbeid; even vrouwelijk vleiend_). Misschien zou ik mogen beginnen met een schets van uw eigen werk -- ? dat zou ik graag -- dan zoudt u mij meteen daar juist enkele dingen in kunnen wijzen...
_Henri_ (_die haar reeds een portefeuille en papier heeft gegeven, dat zij op haar schoot neemt, zet een tabouret met verdere benoodigdheden bij haar_). Dat is best -- ja, dat is best. -- (_Helena begint nu te teekenen, voor de schilderij gezeten, terwijl Henri achter haar is komen staan, met één voet op een spaak van de tabouret, terwijl hij, over haar heengebogen en enkele hoofdpunten aanwijzend, tevens met verwondering en nieuwsgierigheid op haar neerziet; op dat oogenblik komt Nellie met stoffer en blik uit de keukendeur om een rest van de gebroken koppen op te vegen, -- zij ziet even naar hen beiden, die haar niet opmerken, knielt dan om te vegen, waarop Henri bij het geluid van het blik verstoord omkijkt en haar met een barschen wenk terugwijst; aarzelend wijkt Nellie naar het keukentje_).
_Scherm._
TWEEDE BEDRIJF
_Het zelfde atelier. De rechtsche figuur op de schilderij schijnt voltooid, de houding van de linksche figuur is duidelijker aangegeven._
EERSTE TOONEEL
_Henri, daarna Marie._
_Henri_ (_hij heeft juist iets op den achtergrond der rechtsche figuur voltooid, legt zijn penseelen neer en bekijkt aandachtig de schets aan de linker zijde, dan haalt hij een kanten zakdoekje uit zijn binnenzak, ruikt er even aan en speelt er mee. Hij neuriet zacht: "l'Amour est enfant de Bohème" als juist geklopt wordt. Hij schrikt op, steekt het zakdoekje weer in zijn binnenzak en neemt weer een penseel ter hand_). Ja!
_Marie_ (_een paar jaar ouder dan Henri; een wat magere en spichtige, doch nog niet onaannemelijke huwelijkscandidate; zij heeft een lange dunne parasol met een handtaschje in de eene hand en houdt met de andere de deur half open; -- naar binnen rondkijkend_).
_Henri_ (_daar hij niets hoort binnenkomen, omziende_). Oh -- ! -- ? (_hij legt palet en penseelen neer en draait zich van den ezel af_).
_Marie_ (_verder binnenkomend_). Hè -- goddank ben je alleen, ik was bang zoo'n model of zoo'n schilder bij je te vinden.
_Henri_ (_luchtig_). O, daar hoef je je anders niet voor te geneeren.
_Marie_ (_verontwaardigd_). Mij "geneeren" -- ? Ik mocht hèn eens geneeren, m'n beste.
_Henri_ (_als boven_). O, daar is geen kans op.
_Marie_ (_haalt kribbig haar schouders op en loopt even aarzelend nieuwsgierig een paar schilderijen langs_). Hè, wat schilder jij tegenwoordig toch verschrikkelijk immoreel -- ! (_onder het kijken, terwijl Henri haar spottend met de oogen volgt_). Vroeger hield ik zoo van je stukken, maar nou -- -- kijk nou -- ! (_voor een brutale naaktfiguur_). Nee, maar Henri! (_oprecht verontwaardigd_) nee, maar dat kan je toch niet -- dat -- dat exposeer je toch niet -- met je eigen naam -- met -- -- oh! (_zij keert zich met een snellen blik over een paar andere schilderijen af en gaat op de rustbank zitten_).
_Henri_ (_met de armen over elkaar_). Je komt toch niet alleen voor kritiek, lieve zus?
_Marie_ (_met wat meer warmte_). Nee -- ik kom om te praten, -- we moeten es samen praten.
_Henri._ "Samen praten?" -- (_even verrast slaat hij op, en zet zich half spottend, half gemeenzaam naast haar_).
_Marie._ Ja, Henri -- we moeten es samen praten (_zij prikt met haar parasol in 't kleedje_). Ik heb juist gisteravond met mama een gesprek gehad -- een gesprek over jou, en -- -- over mij. (_Henri spitst zich en ziet haar van schuin op zij aan_). -- Ja, als ik je nou een verzoek mag doen, wees dan alsjeblieft ernstig.
_Henri._ Maar ik ben volkomen ernstig! -- Ik hoor!
_Marie_ (_vertrouwlijker_). Henri, je wordt nu gauw dertig...
_Henri._ Ah -- !--
_Marie_ (_zachter_). En ik -- -- (_zij prikt met haar parasol in 't kleedje_).
_Henri_ (_haar laatste woorden niet hoorend, luchtig_). Dertig -- nou, dat is een mooie leeftijd!
_Marie._ Je weet wel wat ik bedoel, Henri, een man van dertig moest eigenlijk getrouwd zijn.
_Henri_ (_met een hoofdknik opstaande, alsof hij wel wist wat haar bezoek bedoelde, in denzelfden toon van haar voortgaande_). En een vrouw, een vrouw van...
_Marie_ (_hem gegriefd aankijkend, bitter_). Ja -- een vrouw natuurlijk ook -- een vrouw -- -- maar dat is niet mooi van je, om dat zoo te zeggen! Jij bent een man, en voor een man is dat wat anders. Wij vrouwen moeten wachten, en jullie -- jullie kunt uitzien en zoeken -- (_bitterder_). O, jullie mannen kunt doen wat je wilt, jullie leeft er maar op los -- jullie geniet maar!
_Henri_ (_schamper_). Genieten -- genieten -- !
_Marie._ Zeker "genieten". Maar natuurlijk erken je dat niet en ben je er niet dankbaar voor -- daarvoor ben je een man. Je mocht er mama wel op je knietjes voor danken, dat je door haar hulp je altijd zoo vrij hebt kunnen bewegen, en altijd alles hebt kunnen doen. Jìj hebt je niet te bekommeren om de wereld, jìj hebt niet -- jij hebt niet -- -- (_zich inhoudend en zenuwachtig met haar parasol in het kleed prikkend_). Ach -- jullie!
_Henri_ (_zachter_). En kom je me dat nu eigenlijk vertellen?
_Marie_ (_zich herstellend_). Nee, -- ik kom je iets vragen: -- ik kom je vragen om met mama en mij een invitatie van tante Jet aan te nemen, om de volgende maand een paar weken op haar buiten te komen logeeren. Lientje -- je weet wel, waar je vroeger zoo dol op was, (_zachter_) en waarvan ik weet, dat ze jou erg, héél erg graag mag lijden, -- Lientje is nu uit 't buitenland voor goed bij tante terug, en Arie komt er ook over een paar weken, met verlof uit Indië, -- -- het zou heel aardig kunnen zijn -- héél aardig!
_Henri._ Arie -- ? Arie -- van wien ze zeggen, dat hij in Indië zoo zwaar geleefd heeft -- !?
_Marie_ (_afwerend_). Ach, dat is allemaal onzin! -- Ze leven daar in Indië misschien wat -- wat vrijer, maar daarom hoef je nog niet aan al die lasterpraatjes te gelooven! -- Maar (_ietwat vleiend_) -- zeg nou es Henri, is dat nou werkelijk niet een aardig plan? Je weet, tante is altijd bizonder op jou gesteld -- de invitatie geldt misschien in de eerste plaats jou! -- de heele logeerpartij hangt van de aardige stemming af -- en van jouw komen vooral -- , zou 't niet aardig kunnen zijn, zeg -- ?
_Henri_ (_kregel_). Ach! mama en jij met jullie plannetjes! Ik ben niet voor die dingen; en Arie...