Naakt model: Toneelspel in drie bedrijven

Part 2

Chapter 23,279 wordsPublic domain

_Nellie_ (_geprikkeld_). Och wat -- "hier veel geweest" -- en wat weet jij daar nou van! Dat is nou maar enkel, omdat je jaloersch bent. (_stilte_). En wat dan nòg? -- ik ben toch maar een model! -- ik ben toch vrij! (_stilte_). Och Henkie, toen ik bij jou kwam, was ik nog maar een schaap.

_Herman_ (_opspringend_). Ja -- ja, dàt is het! Ik was de eerste hè -- en dan zie je niet zoo nauw! en nu je de smaak beet hebt, nu wil je ook de anderen leeren kennen! -- -- Nou leer ze dan maar kennen! allemaal -- den een na den ander -- dan zul je zien, wat voor een egoïsten het zijn! egoìsten! egoìsten! -- -- de heele wereld is egoïst! (_stilte, weer naar haar toekomend, zachter_). Maar wat ìk voor je voelde, zie je -- dat zal je niet weer vinden -- zie je. (_hij komt weer zitten, terwijl zij brood snijdt. Stilte_). Weet je nog -- zoo snee je bij mij ook altijd brood, Nellie, -- we hadden 't toch goed samen, Nel, -- -- hou je dan heelemaal niet meer van me -- zeg -- ?

_Nellie_ (_zachter_). Och ja jongen -- och jawel -- . (_Zij zet koffie, en legt daarbij haar arm over de tafel_).

_Herman_ (_haar hand vattend_). We hadden het zoo goed samen, zeg -- kon het niet zoo blijven -- ? kan het niet meer zoo worden, Nel -- ? Ik heb je zoo noodig zeg -- ik kan je niet meer missen -- ! ik kàn niet buiten je!

_Nellie_ (_haar hand terugtrekkend_). Och nee Henkie -- toe! Ik kom wel es -- ja, ik kom nog wel es -- voor poseeren -- misschien, (_jagend_) maar noù niet -- noù ben ik hier, noù ben ik van hem -- en ik hoù van hem! -- ik heb hem lief -- daàr: ik hoù van hem!

_Herman._ St -- ! St! -- niet zoo hardop! -- (_hij staat op, loopt kreunend rond, -- dan bij de tafel terug_). Hoe kun je dàt nou tegen me zeggen!

_Nellie_ (_een beetje verschrikt over haar eigen uitval_). Nou ja -- (_luisterend, -- opgelucht_). Daar komen ze -- !

_Herman_ (_haastig_). Je spreekt hem toch nooit over -- ons -- ?

_Nellie._ Och wel nee.

ZESDE TOONEEL

_Nellie, Herman, Henri, Frits, Jules._

(_Rumoer op de trap. Henri komt met Frits en Jules druk in de deur. Herman is opgestaan en wischt zich het voorhoofd, terwijl Henri vluchtig een nieuwsgierigen blik op hem en Nellie werpt_).

_Henri._ Ziezoo: -- daar zijn we alle drie! Ik ontmoette ze juist bij de voordeur. (_tot Frits en Jules_). Kom binnen, kom binnen! (_naar Herman_) Jullie kent elkaar -- (_tot Nellie_) en jij kent ze ook Nellie? -- mijnheer Frits ken je...

_Nellie._ Ja, mijnheer Frits ken ik wel.

_Henri._ En dat is nou mijnheer Scheffer: Jules Scheffer -- juffrouw Nellie.

_Jules_ (_wat jonger dan de anderen, levendig, gladgeschoren gezicht, modieus gekleed met kleurig dasje en met een bloemetje in 't knoopsgat_). "Enfant terrible", juffrouw Nellie, onder al die kwasten.

_Frits_ (_wat ouder dan de anderen, rustiger, met iets van den arrivist over zich, maar toch joviaal met zijn puntbaard_). Ja, jij bent een fijn nummer!

_Jules._ Hij bedoelt een "fijn penseel" juffrouw Nellie.

_Henri_ (_zet het gehaalde op tafel, terwijl de anderen met Herman naar den ezel komen_). Nou Nel, hier is brood, en sardines en zoo -- is alles klaar?

_Nellie._ Ja, maar ik moet natuurlijk de omelet nog maken.

_Henri._ O -- , maar dan gauw hè, dan kunnen we beginnen.

_Nellie._ Ja -- ja -- (_zij verdwijnt in het keukentje, waarvan de deur openblijft, terwijl Henri bij de anderen voor den ezel komt_).

_Frits._ Knap werk, -- maar wat bedoelt ie er eigenlijk mee?

_Jules._ Wel, zie je dat niet -- dat is je reine duidelijke symboliek: twee violen en een baspartij -- twee naakten op den voorgrond, als de lichte noten, en een soort kop op den achtergrond als de zware noot -- -- Henri is altijd een "Schwerenöter" geweest -- wat jij, ouwe jongen.

_Henri_ (_glimlachend_). Ach jij met je onzin! Natuurlijk is 't symbolisch, -- maar toch bijna reëel hè, (_uitleggend_). Ik wou er een soort drieluik van maken, een synthese zoeken, zie je -- daar moeten we toch weer heen: -- de twee naakten op het voorplan als het veelvuldige, het dualistische -- bijvoorbeeld ook het anti-monogame in ons...

_Jules._ A ha!--

_Henri._ De eeuwige tweestrijd, zie je -- enfin. En daarachter, in het midden: "het gelaat" -- als het symbool van het monistische hè, het ideaal achter de dingen -- als het beeld van de ziel, zie je, die zich losmaakt van de naakte werkelijkheid... (_Nellie is onderwijl in het keukentje aan het klutsen gegaan, wat Henri afleidt_). Nou is ze daar waarachtig aan het klutsen! -- (_naar de open deur van het keukentje gaande_). Nellie -- wat is dat nou voor manier van doen!

_Nellie_ (_met een schotel in de deur_). Ik moet toch klutsen voor de omelet!

_Henri._ Nou maar doe dan de deur dicht -- (_zij schijnen nog wat te harrewarren, waarna Henri de deur sluit_).

_Frits_ (_onderwijl met de anderen voor den ezel_). Dat rechtsche naakt staat er mooi op -- maar de idee van die kop in het midden lijkt me wat erg vaag.

_Jules._ De baspartij speelt altijd min of meer in het obscure -- dat noem je: "tremolo in oscuro."

_Herman._ De idee vind ik juist mooi.

_Henri_ (_intusschen weer bij hen gekomen_). Zie je: dat linksche naakt moet de tegenstelling van het rechtsche worden -- een naakt van hooger orde -- meer bezield, meer het geestelijke tegenover het lichamelijke naakt -- -- enfin, daar ben ik nog niet aan toe, daar heb ik nog niet eens een model voor. En dan het gelaat als de bevrijding -- bevrijding uit de banden van liefde en kunst, -- de vrijheid----

_Frits_ (_plagend_). A ha, nou begrijp ik Henri: "de vrije liefde en de vrije kunst" -- en de vrije liefde op den voorgrond! (_de anderen lachen, terwijl Henri glimlachend zijn schouders ophaalt_).

_Jules._ Ik voel voor de vrijheid! Maar waarom zet je haar dan in afdeelinkjes? -- en dan nog een lijst er om! -- Dan zijn wij, modernen, toch consequenter; de lijst, dat heeft zijn tijd gehad: decoratief en fresco vadertje -- dat is de toekomst, wat ik je brom. (_Henri blijft in gedachten voor zijn ezel staan, terwijl de anderen meer naar de rustbank komen_).

_Frits._ En waarom ga jìj dan niet es voor, met je praatjes?

_Jules._ Ik wacht ouwe heer: het gaat me momenteel wat te gauw. Ik wacht tot er stagnatie komt, en dan sticht ik eenvoudig een nieuwe richting -- je zult nog van me hooren -- -- , maar mijn theorie is nog niet heelemaal klaar.

_Herman_ (_verontwaardigd_). En vroeger zei je precies andersom, dat je nooit moest schilderen naar een theorie!

_Jules._ "Andersom?" -- nou natuurlijk: een mensch moet toch niet altijd hetzelfde zeggen! Dat zou waarachtig een vervelende boel worden! Mijn hemel, laat een mensch toch wat spatie in zijn particuliere meeningen!

_Frits._ Ach wat, al dat getheoretiseer en geïdealiseer -- jullie leeft allemaal veel te veel in de wolken! De kunst is een vak als een ander: -- als jong broekje zie je er hoog tegen op -- maar kunst is talent en werken, en als je eerst maar een beetje gerangeerd bent en je vak verstaat----

_Jules_ (_met zijn duimen in de armsgaten_). Ah jawel: als je "gerangeerd" bent, dan merk je eerst "wie leicht sich's leben lässt!"

_Henri_ (_die zich uit zijn gedachten voor den ezel weer bij de anderen voegt_). Ja, jij hebt mooi praten -- jij bent tegenwoordig maar het heertje met je portretten!

_Jules_ (_tot Frits_). Nee maar ouwe heer, nou stel je je zelf toch weer te plat voor, nee--

_Herman._ Hoe kun je het idealistische in kunst ontkennen!

_Frits_ (_wat in 't nauw gebracht_). Dat zeg ik ook niet, volstrekt niet, ik zeg alleen, dat jullie te veel in de wolken leeft en te weinig practisch bent -- en te weinig werkt misschien ook -- , tegenwoordig is er geen respect meer voor talent en voor arbeid.

_Jules._ Jawel vadertje, "arbeid" -- nou ja, alle respect, en "talent" -- nog mooier, maar: "een chique kunstziel" zie je, dàt is eigenlijk de quintessens van het neodandinisme in de kunst! -- en "rood", vadertje, rood! de toekomst is aan de rooden: "sociaal-monumentaal!"

(_Nellie komt intusschen uit de keukendeur nog een paar dingen klaar zetten, waarop Herman ook bij de tafel komt scharrelen om haar te helpen_).

_Henri._ O ja "rood" -- dat ben ik eigenlijk ook.

_Frits._ Een "chique kunstziel" en "rood" -- "wie reimt sich das zusammen?"

_Jules._ Dat is eenvoudig ordinair achterlijk, om dat niet te laten rijmen!

_Frits._ Nou ja, op die manier zijn we allemaal rood, (_lachend met een knikje naar Herman_) Herman is ook rood.

_Jules._ Maar de nuance -- de nuance vadertje!

_Frits._ "De nuance?" -- ja, wat weet jullie tegenwoordig nog van nuancen -- ! -- je zet de hoofdkleuren maar fel tegen elkaar...

_Henri._ Ik niet! Nee daar heb je gelijk in: de nuance is eigenlijk alles. Kijk hier: (_hij haalt de anderen weer bij zijn ezel_) -- dat vleesch, -- en de atmospheer van dat heele lijf -- God, wat is levend naakt anders dan "nuance!" Nuance is de "idealiteit" van het naakt!

_Frits_ (_gekscherend_). En de realiteit?

_Nellie_ (_met de omelet uit het keukentje komend_). De omelet is klááaar -- !

_Jules._ Ah -- !

_Frits._ Zie je: -- de omeletten en de modellen, dat zijn de aangenaamste realiteiten van het leven!

_Jules._ En de omeletjès -- ?!

_Frits_ (_maakt afwerend gebaar; allen gaan lachend aan tafel en bedienen zich, terwijl Nellie koffie schenkt, waarbij Herman helpt. Nellie zit rechts, aan haar rechterhand Herman, dan Jules, Henri tegenover haar, Frits links vooraan_).

_Henri_ (_het gesprek weer opvattend_). Maar dat is het beroerde hè -- : het ideale losse naakt, dat vind je niet -- je zit altijd met modellen!

_Frits._ Tja, ik heb in 't buitenland eens een bekend "Berliner" gesproken, die nam altijd zijn modellen -- zijn naaktmodellen -- uit "die Gesellschaft" -- zooals hij zei. "Ik neem nooit van die beroepsmodelletjes, of ateliermeisjes of zoo," zei hij -- "alleen maar die Damen aus der Gesellschaft, mijnheer -- die kunnen zich veel beter bewegen, die begrijpen je altijd dadelijk."

_Jules._ "Compris"! -- maar daar moet je zoo een fijne puntbaard voor hebben als jij!

_Henri._ Nou maar dat is opsnijerij!

_Herman._ Nee -- ik vind juist: die eenvoudige modellen, dat is het liefst wat je hebt -- -- (_schouderophalend_) wat zijn nou "die Damen aus der Gesellschaft"!

_Henri._ Maar mijn God, ze zijn dan ook zoo onhandig, de meeste modellen!

_Jules_ (_tot Herman_). Ken jij dan zoo goed "die Damen aus der Gesellschaft"? -- Nee vadertje, Frits heeft schoon gelijk: (_met een knipoogje naar Nellie_) die modellen moesten eenvoudig afgeschaft worden voor "die Damen aus der Gesellschaft"!

_Nellie_ (_die door het drukke bezoek en in 't bijzonder door de zorg voor de omelet wat zenuwachtig is geworden_). Nou, ben ik dan zoo slecht model -- !? (_tot Henri_). En je hebt juist zoo dikwijls gezegd, dat ik zoo goed model was! -- (_met tranen in haar stem_). Nou heb ik een uur voor die omelet staan zorgen, en nou -- -- O! wat zijn jullie mannen toch ondankbaar! Weet je wat jullie zijn -- ? -- "egoïsten"! dát zijn jullie -- egoïsten! (_zij pruilt met haar hoofd in haar hand; allen willen sussen en troosten; Herman neemt schuchter haar andere hand, Frits staat op en geeft haar van achter een zoen in haar halsje_).

_Henri._ Ajasses, wees nou niet zoo flauw! -- nee -- daar kan ik heelemaal niet tegen----

_Herman._ Ach, dat bedoelt ie niet zoo erg.

_Frits._ De omelet is eenvoudig prachtig!

_Henri_ (_tegen Frits, als hij Nellie weer een zoen in haar halsje geeft_). Wil je daar wel es afblijven!

_Jules_ (_met zijn kop koffie opstaande_). Ik drink op de modelletjes in het algemeen -- en op juffrouw Nellie's halsje in het bijzonder!

_Nellie_ (_weer bijtrekkend_). Nou jongens -- zoo is 't genoeg hoor -- , zoo is 't genoeg. (_allen gaan weer lachend zitten en eten_). -- -- Zeg, jongens: Tootje komt straks.

_De anderen._ Tootje -- !?

_Jules._ Het nieuwe sterretje! (_Een Fransch wijsje neuriënd_)

"Un poète m'a dit Qu'il savait une étoile, Où on aime toujours -- "

_Herman_ (_tot Frits_). Jouw Tootje?

_Frits_ (_zijn schouders ophalend_). Mijn Tootje -- !? -- -- Nou maar het is een aardig snoetje hoor.

_Nellie._ Ajakkes, hoe kun jullie die nou zoo aardig vinden -- ! Zoo'n brutaal nest! -- dat komt nauwlijks onder en boven 'r broek uit!

_Jules_ (_effen_). Nou, als ze de broek maar uitkomt.

_Nellie._ O, hoor dat! (_hem met den vinger dreigend_). Ik geloof, dat u een erg gevaarlijke man bent, mijnheer Jules.

_Frits_ (_voor zich heen_). Nee, zulke "erg" gevaarlijke mannen, zijn juist nooit zoo erg "gevaarlijk".

_Henri._ Ja, maar ze moet dadelijk weer weg, want ik krijg een leerling.

_De anderen._ Een leerling -- !?

_Nellie._ Ja jongens, hoe vindt jullie: Henri heeft een nieuwe leerling -- en wat een fijne, hè Han?

_Henri._ Nou.

_Nellie._ En ze heeft hem ook een brief geschreven -- nee, die moet jullie toch eens hooren!

_De anderen._ Laat hooren! -- laat hooren!

_Henri_ (_protesteerend_). Ach, wel nee -- nee, nee!

_De anderen._ Toe -- toe!

_Jules_ (_plagend_). Laat es zien, of het waar is.

_Henri_ (_een beetje gevleid glimlachend_). Nou, es kijken -- één zinnetje: -- ik weet geen eens, of ik hem bij me heb -- (_hij haalt den brief meteen uit zijn binnenzak; hem inziende_) Nou maar -- e...

_De anderen._ Draai af! -- draai af!

_Henri._ Hm -- (_lezend_). "Zeer geachte heer" -- -- (_hij mompelt eerst een paar zinnen door_) -- -- "ik houd van uw werk, als van een vriend -- -- zag het vaak -- en bewonder de idealistische kuischheid van uw naaktfiguren -- -- ik -- " nou maar met de rest heb jullie ook verder niets te maken.

_Frits._ "Hear! hear! hear!"

_Jules._ Heel pikant!

_Frits_ (_zich den geur van de enveloppe, waar Henri den brief weer ingestopt heeft, toewuivend_). Nou -- nou!

_Nellie._ Ja jongens -- nou moet jullie es ruiken!

_Henri_ (_na eenig protest_). Nou netjes hoor! -- netjes! (_de enveloppe gaat langs de neuzen_).

_Herman_ (_ruikend_). Nee, daar houd ik niks van.

_Jules_ (_snuivend_). Beslist idealistisch kuische geur! (_aan Henri teruggevend_). Nou maar dan is ze bij jou wel aan het goede adres!

_Nellie_ (_haar vingers nog naruikend_). Een fijne dame! -- Maar ik vind dat toch een gekke brief voor een dame hoor, -- -- zou ze mooi zijn?

_Jules._ Natuurlijk is ze mooi! -- Pas maar op!

_Nellie._ O, mijnheer Jules, u bent een nare vent -- een reuzeplaag!

_Herman._ Och, zulke dames zijn nooit mooi.

_Frits._ Nee, Herman heeft schoon gelijk Nellie: idealistisch kuische dames zijn nooit mooi -- mooi zijn alleen de realistisch onkuische modelletjes!

_Nellie_ (_niet goed wetend hoe het op te nemen, pruilend_). Nou maar, ik vind jullie niks lief, hoor. (_Frits geeft haar een handkus_).

_Henri_ (_op zijn horloge ziend, zenuwachtig_). Zeg es lui, we moeten voortmaken: over een half uurtje zou ze al kunnen komen -- en dan moet jullie weg wezen, hoor.

_Jules._ En hij moet zich eerst nog prepareeren!

_Nellie._ Nou, jullie zijn ook klaar, hè?

_Henri._ Hier zijn sigaren. (_hij en Herman steken een pijp op, Frits een sigaar_).

_Jules_ (_een cigaret aanstekend_). De moderne sleutel van alle hooge inspiratie is de cigaret. (_er wordt geklopt_).

_Henri._ God! dat kan ze toch nog niet zijn!? -- (_allen staan op_).

ZEVENDE TOONEEL

_De vorigen, Tootje._

_Tootje_ (_om de deur_). Mag ik binnenkomen -- ?

_Henri._ O -- 't is Tootje. Ja, kom maar binnen! -- Maar je moet dadelijk weer weg -- ik kan je niet gebruiken, hoor: ik krijg een leerling, en oompje -- die mijnheer van beneden -- heeft om je gevraagd, -- -- (_rondwijzend_) je kent de heeren toch?

_Tootje_ (_pruilig coquet rondkijkend_). Nou, of ik de heeren ken, van haver tot gort, hoor -- (_Frits bemerkend_) alleen mijnheer Frits ken ik heelemaal niet -- (_zij gaat meteen wat uitdagend op Frits' knie zitten_).

_Jules_ (_zich kwasi gechoqueerd afwendend_). Nu niet zoo familiaar!

_Tootje._ "Niet zoo familiaar" zeit ie! (_Jules aankijkend, kwasi verschrikt_). O, maar ù ken ik echt niet!

_Frits._ Heb je mijnheer Jules dan nooit bij me ontmoet?

_Jules_ (_neuriënd_). "Och Toosje, mijn Roosje, mijn suikerdeprij -- "

_Tootje._ Nou maar, nou mag ìk wel zeggen: "niet zoo familiaar!" -- (_zij ziet Jules' cigarettenkoker, en haalt er brutaal een uit_). Daar heeft u zeker eentje voor mij in bewaard? (_zij steekt haar cigaret op aan Frits' sigaar; Herman ziend_). En daar heb je Herman ook! Hoe gaat het ouwe jongen?

_Herman._ Kleine rakker!

_Tootje_ (_tot Henri_). En wat zei u nou van "naar beneden?" (_pruilend_). Ik zal hier toch wel mogen blijven?

_Henri._ Nee -- : ik krijg plotseling een leerling, en nu heeft juist oompje, van beneden, om je gevraagd.

_Tootje._ Nou maar dat is wat moois -- wie is dat nou: -- mijnheer "oompje" -- daar heb ik nooit van gehoord!

_Jules._ O, dat is een heel aardige jonge man.

_Henri._ Veel aardiger dan ik.

_Herman._ Pas maar op: 't is een oude doordraaier, hoor!

_Frits._ Een groote bok met een groote sik!

_Tootje._ Ajakkes! -- Nou maar ik blijf veel liever hier, -- waarom moet ik naar beneden toe? (_boozig verwijtend tot Henri_). U heeft me besteld!

_Henri._ Nou nou, zoo erg is het niet; troost je maar voor dezen keer, -- (_hij neemt een bonbon uit het zakje van Nellie, waar deze juist zelf een uitgenomen heeft, en steekt die Tootje in haar mond_) de anderen moeten straks toch ook allemaal weg.

_Nellie._ Dat zijn mìjn bonbons!

_Tootje_ (_met uitdagend zuigend snoetje_). Ze smaken niet slecht -- , (_met een oogje van Nellie naar Henri_) jij weet ook wel, waar de lekkerste bonbons zijn te krijgen!

_Nellie_ (_haalt verontwaardigd haar schouders op_).

_Herman_ (_voorzichtig plagend_). En wat een mooie hoed -- !?

_Tootje_ (_coquet haar hoed schikkend_). Ja, vind je niet -- ? die heb ik gister ook pas gekre... (_met een oogje naar Frits_) gekocht. Mooi hè, met die bos veeren, -- en ze wapperen zoo!

_Frits_ (_laat haar paardje rijden en blaast in de veeren_). Kijk ze wapperen! (_Hij klapt met de tong_).

_Henri_ (_neuriënd_) "... En wie zal dat betalen..."

_Tootje._ Nee Frits, schei nou uit, zeg. -- Nou, je moet toch als model goed gekleed gaan! -- de mannen willen toch, dat je altijd wat knaps aantrekt, altijd "gekleed" bent!

_Jules_ (_voor zich heen_). Integendeel!

_Tootje._ De mannen willen toch niet die pruldingen uit een modebazar.

_Nellie_ (_geërgerd_). Ach kind, jij met je "mannen" -- je komt nauwlijks kijken! wat weet jij nou van de mànnen -- ? -- wat weet jìj nou van de mannen!

_Tootje_ (_schamper_). "Ik van de mannen -- ?" -- nee: dat zal ik aan joù vertellen! -- ha, ha -- wat ìk van de mannen weet!

_Jules._ Ktsch! Ktsch!--

_Tootje_ (_tot Jules_). Poeh -- , -- zij gééft in ieder geval meer om de mannen dan ik, hoor: -- ik geef niets om de mannen -- daar: geen cent hoor!

_Jules._ Als de mánnen maar centen geven!

_Henri._ En hoeden. (_Nellie lacht_).

_Tootje_ (_tot Jules_). Mijnheer ... hoe heet u ook weer -- ?

_Frits._ Mijnheer Jules.

_Tootje._ Nou -- mijnheer Jules, ik geloof, dat u een impertinent mensch bent.

_Jules._ Integendeel -- ik mis die deugd!

_Henri._ Lieve Tootje, nu moet je heusch naar beneden hoor.

_Tootje._ Maar ik wil niet naar dien ouden vent toe! -- ik vind het hier veel te leuk -- -- ofschoon jullie heelemaal niet aardig zijn, dat moet ik zeggen.

_Henri._ Het is een hééle lieve man -- en heel royaal!

_Tootje_ (_ongeloovig, nieuwsgierig_). Heel royaal -- ?

_Herman._ En hij houdt veel van de meisjes.

_Nellie._ Dat komt goed uit -- jij geeft immers geen cent om de mannen!

_Tootje._ Ach, bemoei jij je er niet mee -- ga jij dan!

_Nellie_ (_haalt haar schouders op_).

_Henri._ Nee, hij heeft expres naar jou gevraagd -- "om je mooie handjes".

_Tootje_ (_half pruilend, half gestreeld haar handjes bekijkend_). Om mijn mooie handjes -- ? (_opstaand van Frits' knie_) Ach wat -- ! Dag -- dag (_zij neemt vluchtig afscheid en gaat schoorvoetend naar de deur_).

_Henri._ 't Is hier vlak beneden: eerste deur links, -- en-ne -- netjes gedragen hoor!

_Tootje_ (_bij de deur uitdagend omziende_). Als jullie je hier maar netjes gedragen, (_met een nijdigen blik naar Nellie_) en jìj vooral, met je "mánnen"! (_af_).

ACHTSTE TOONEEL

_De vorigen, behalve Tootje._

_Henri_ (_op zijn horloge ziend_). Zoo -- nu kunnen we nog een pijp rooken, en dan moet jullie ook weg, hoor.

_Herman._ Dat is me der ook eentje!

_Frits._ Laat haar maar gaan.

_Henri._ Die brengt het nog ver -- in de liefde.

_Nellie._ Liefde -- !? -- wat weet zìj nou van liefde!

_Jules._ Lieve juffrouw Nellie: sommige vrouwen brengen het in de liefde juist het verst zonder de liefde.

_Herman._ Hoor nou! hoor nou! Nee -- liefde is alles!

_Henri._ En schoonheid.

_Herman._ Ja -- maar liefde is toch meer.

_Henri._ Hoe kun je dat zeggen, als kunstenaar -- ! -- Nee, schoonheid is alles.

_Nellie_ (_met de ellebogen op tafel en de kin in haar handen_). Waarom -- ?

_Henri_ (_korzelig_). Waarom -- !?

_Nellie_ (_merkend, dat Henri wat geprikkeld is_). Jullie zijn allemaal aardige jongens, en ik geloof, dat jullie allemaal altijd een beetje gelijk hebben.

_Frits_ (_plagend_). Maar Henri toch het meest -- ?

_Nellie_ (_lachend afwerend_). Och -- ! (_zij staat op en begint de tafel af te ruimen_).

_Henri._ En wat zeg jij er van Jules -- ?

_Herman._ Ja, wat zeg jij er van?

_Jules_ (_met dichtgeknepen oogen de rook van zijn cigaret opblazend_). Nee -- als jullie er ernst van gaat maken----

_Frits._ Nou, biecht nu eens op!

_Henri en Herman._ Nou -- ? -- Nou -- ?

_Jules._ Wel -- -- ik zou zeggen: de theoretische quintessence van alle schoonheid en van alle liefde, dat is de "inspiratie", -- en de practische quintessence van de kunst en de liefde, dat is: "je doe maar!" -- Ik houd me aan de inspiratie.

_Henri._ Maar je moet toch werken! toch ploeteren, toch doen!?

_Herman._ Ja -- anders kom je er niet.

_Jules._ Maar ik heb nergens te "kommen", ik wil nergens "kommen"! -- ik houd me eenvoudig aan de inspiratie, die is altijd veel mooier dan alle uitwerking. Verbeel je eens, wanneer Onze Lieve Heer het alleen maar bij de inspiratie had gelaten, en niet tot zoo'n miserabele uitwerking was gekomen -- dàt zou een artiest zijn geweest! -- Tegen een liefde en tegen een schoonheid en tegen een kunstwerk en tegen de wereld kun je redeneeren -- maar de inspiratie blijft overeind: -- ik houd me aan de inspiratie en aan den beredeneerd negatieven kant van de kunst!

_Herman._ Ja, jij hebt makkelijk praten: jij hoèft niet te schilderen: jij hebt geld, dan kun je wel leven van de inspiratie en negatief zijn -- dat is makkelijk genoeg!

_Jules_ (_met dédain_). O man, dat is veel moeilijker dan je denkt!

_Henri._ Nou maar dat noem ik eenvoudig met je welnemen: "artistieke luierij".

_Jules._ Mis vadertje! -- dan leef ik juist, dan zie ik, dan schilder ik, dan werk ik, dan "be-leef ik de idee"!

_Frits._ Maar bovendien is je uitgangspunt verkeerd: de uitwerking is niet minder dan de inspiratie, integendeel: -- ik ben bij mijn portretten altijd weer opnieuw verbaasd, dat ik er nog zooveel van terecht breng! Nee hoor: bij wie de uitwerking altijd beneden de inspiratie staat -- ik geloof, dat dàt de ware broeders niet zijn.