Naakt model: Toneelspel in drie bedrijven
Part 1
NAAKT MODEL
TOONEELSPEL IN DRIE BEDRIJVEN
DOOR
C. S. ADAMA VAN SCHELTEMA
ROTTERDAM MCMXVII
W. L. & J. BRUSSE'S UITGEVERS-MAATSCHAPPIJ
PERSONEN
Henri van Bergen kunstschilder Helena van Dijk leerling van Henri Nellie model Herman ten Kate kunstschilder Oompje kunstschilder } benedenburen Cor zijn vrouw } van Henri Marie van Bergen zuster van Henri Jules Scheffer kunstschilder Frits Boogaert kunstschilder Tootje model
Het stuk speelt in het atelier van Henri van Bergen.
Voor de eerste maal opgevoerd door de N.V. "Tooneelvereeniging" te Amsterdam op 23 December 1916. In de tooneelmatige opvoering zijn enkele coupures aangebracht.
_Alle rechten voorbehouden_
EERSTE BEDRIJF
_Atelier van Henri van Bergen. Achterwand rechts deur naar trapportaal, links deur naar slaapkamer, in 't midden oud-Hollandsche kast. Aan rechterwand kleerenhanger enz., op voorplan deur naar keukentje-rommelkamer. Rechts boven onderscheidt men een glazen dak, rechts op voorplan tafel met stoelen, op tafel pot met penseelen en schildergerei. Linkerwand schoorsteenmantel met potkachel enz. In 't midden groot karpet met rustbank, waarop kussens en lappen; klein schut daarachter waarover sjaals. Links voorplan ezel met een groot doek. Op het doek valt rechts een halfliggende, bijna voltooide naaktfiguur te onderscheiden, links een vluchtig aangezette pendant daarvan -- in het midden vaag een gelaat, de drie afdeelingen zijn door grauw-zwarte strepen als voor een drieluik gescheiden. Rondom een paar ezels met schilderstukken er op en er naast, sommige met, andere zonder lijst, daartusschen oude sjaals, koper, aardewerk enz., aan den wand schetsen, teekeningen enz. Het geheel niet overladen, maar warm en smaakvol._
EERSTE TOONEEL
_Henri, daarna Oompje._
_Henri (ongeveer dertig, niet groot, maar flink van postuur, donker haar, heldere, sprekende oogen. Hij zit met een pijpje in zijn hand fluitend voor zijn ezel de rechtsche figuur te keuren)._ Goed -- goed -- , maar het ìs er nog niet! -- nee -- -- (_er wordt geklopt_) ja!
_Oompje (bij de zestig, klein van gestalte, een witte vooruitstekende sik; hij maakt met zijn eenigszins schorre stem en zijn verdacht rooden neus een ietwat verloopen indruk, maar zijn knijpende, waterig bijziende oogjes hebben hun glans nog niet verloren. Hij schuift grinnikend naar binnen)._ Hm! -- goeie morgen -- goeie morgen!
_Henri_ (_opstaande_). Morgen oompje, -- komt u eens kijken?
_Oompje._ Hm -- precies! ik wou es even boven komen, hè.
_Henri_ (_buigend_). Vereerd, vereerd!
_Oompje_ (_komt voor den ezel zitten_). Ik wou je es komen vragen -- hm (_voor de schilderij zijn sikje beplukkend_) jullie schildert er tegenwoordig toch maar op los, hoor -- sakkerloot! (_hij knipt met zijn oogjes naar een plek en met zijn vinger wijzend, spottend_) -- en dát?
_Henri._ Dat -- ? dat is een heup, een Fransche hooge heup, -- prachtig, het licht op een heup!
_Oompje._ Precies, -- maar wij schilderden dat toch anders. In ónzen tijd...
_Henri_ (_even geprikkeld_). Ach ja, natuurlijk, dat zeggen alle oude heeren; "in ónzen tijd -- in ónzen tijd!" -- maar het is nou weer een àndere tijd!
_Oompje._ Hm, tja -- precies, dat denk je zoo, m'n jongen -- maar de tijd gaat altijd in een kringetje (_met zijn wijsvinger in de lucht teekenend_) en eer je 't weet, komen ze weer achterop en sta je weer aan 't eind van het kringetje. Natuùrlijk: wij oudjes zijn niks meer waard -- maar dat dachten wij in ónzen tijd immers precies zoo! De wereld is immers altijd precies zoo -- ! (_Als Henri nadrukkelijk zijn hoofd schudt_). Jawel, jij denkt: die oompje met zijn genrestukjes, dat beteekent niks meer -- maar ik heb er verleden toch maar weer eentje verkocht! (_Henri haalt zijn hoofd op_). Precies! (_hem met den vinger dreigend_). Pas jij maar op, jongeheer! (_zich weer naar de schilderij draaiend_). Tja -- pas jij maar op met je Fransche heupen! In ónzen tijd, toen beteekende dat nog wat, hè -- wij leerden nog "teekenen", zie je.
_Henri._ Ach, jawel.
_Oompje._ Precies! -- Wij -- toen wíj nog jong waren, leerden wij eerst teekenen. Maar jullie -- jullie kunt eigenlijk heelemaal niet meer teekenen -- (_zijn sik beplukkend voor de schilderij_) hm, eigenlijk kunnen jullie ook heelemaal niet meer schilderen, -- hm, eigenlijk kunnen jullie heelemaal niks, -- hm -- tja -- en toch zijn jullie soms zoo verdekseld knappe jongens -- -- tenminste jij.
_Henri_ (_glimlachend_). Ah zoo -- ah zoo!
_Oompje_ (_zich naar hem toedraaiend_). Maar wacht maar mijn jongen, als je oud wordt -- dan laten ze je in je hemmetje staan -- -- als je oud wordt, dan laten ze je alleen!
_Henri._ Ach oompje, wij jongeren zijn als kind al alleen -- en dat is nog heel wat erger: als kind alleen, en als mensch alleen -- en als kunstenaar alleen! In úw tijd, toen leefden ze nog samen voor één ding; voor teekenen en voor schilderen en -- nou ja, ieder in zijn "genre"; in úw tijd -- weet u, het lijkt me soms of het leven toen nog zoo eenvoudig was als "tweemaal twee vier" -- en nou -- -- nou zijn het allemaal breuken -- ha, ha: repeteerende breuken! (_hij mompelt wat in zich zelf door, terwijl oompje, maar half luisterend, is opgestaan en een andere schilderij bekijkt; dan, zijn gedachtengang afbrekend_). Maar -- waar kwam u eigenlijk voor?
_Oompje._ -- Hm -- precies! (_naar een schilderij gebogen, zijn sikje beplukkend_). Dat -- dat snoepie, dat je hier verleden had -- je weet wel, dat kleine zwarte ding -- hoe heet dat ook weer -- ?
_Henri._ Tootje ? -- -- (_begrijpend waar oompje heen wil_) Ah -- -- !
_Oompje._ Precies! -- Tootje, dàt zal 't zijn, precies -- (_voor de schilderij_). Kijk: dat is nou toch verduiveld knap, zie je -- dat halsje..., hm, die had je toch weer voor vanmiddag besteld, hè -- ?
_Henri_ (_kijkt even schuddend glimlachend naar oompje, die in de schilderij verdiept schijnt_). Jawel -- .
_Oompje._ Nou stuur haar dan es eventjes naar beneden, hè -- ? Ik kan haar zoo goed even gebruiken -- enkel maar voor de handjes, zie je, (_opkijkend van zijn kunstbeschouwing_) enkel maar even voor de handjes: -- allerliefste handjes, hè... ik stuur haar onmiddellijk weer terug hoor.
_Henri_ (_nog glimlachend_). Dat komt goed uit, want ik krijg onverwacht een nieuwe leerling -- vanmiddag voor 't eerst, ik moet Tootje toch wegsturen.
_Oompje._ Precies!
_Henri._ En tante Cor -- ?
_Oompje._ Mijn wijfie gaat uit.
_Henri_ (_lachend_). Ah...!
_Oompje_ (_zijn sik streelend_). Cornelia moet met de trein.
_Henri._ Cornelia -- ? Noemt u haar tegenwoordig Cornelia?
_Oompje_ (_grinnikend_). Wel nee, wel nee -- dat is alleen maar voor Zondags en voor feestelijke gelegenheden (_grinnikend zijn sik uitstrijkend_) Cor-ne-lia... heette niet zoo'n helleveeg uit zoo'n stuk van Shakespeare ook Cornelia?
_Henri._ Cornelia -- ? Cor -- Cordelia bedoelt u misschien? -- maar dat was geloof ik juist geen helleveeg.
_Oompje._ Zoo -- dat is jammer. Och, mijn Cor is nou wel niet bepaald zoo'n helleveeg, zie je -- een goed wijf -- maar -- hm -- (_als hij Cor op dat oogenblik juist in de deur ziet_) precies!
TWEEDE TOONEEL
_Henri, Oompje, Cor._
_Cor_ (_een nog wel flinke, maar ietwat te veel opgemaakte vrouw uit het volk van in de veertig, vrij zwaar gebouwd, met volle buste. Zij schijnt op haar Zondags aangedaan, met wat erg bloemigen hoed, een paraplu en een ouderwetsche reistasch. De deur, welke aanstond, heeft zij opengestooten en komt nu wat hijgend, met opgestreken zeil binnen_). Hoe heb ik het nou! -- O, neem me niet kwalijk mijnheer Henri, maar de deur stond an -- (_tot oompje_). Nou maar jij bent ook een lievert! (_weer tot Henri_). Daar zal ik nou net op reis gaan, en hij loopt naar boven! Aardig moet ik zeggen -- héél aardig hoor -- !
_Oompje._ Mijn goeie mensch, ik was juist even naar boven geloopen, om me voor te bereiden op het afscheid, hè (_met een knipoogje naar Henri, terwijl Cor hem dreigt met haar vinger_).
_Henri._ En waarheen gaat de reis?
_Cor._ Ach, dat is niet voor pleizier mijnheer Henri -- naar mijn kind natuurlijk hè, -- waarheen zou ik anders op reis gaan! Daar is altijd een heele dag mee gemoeid, -- maar hij heeft het goed in 't gesticht -- de stumper.
_Henri._ En gaat het nog niet beter?
_Cor._ Och dat wordt immers nooit beter, hè -- idioot blijft idioot -- dat zeggen de heeren doktoren ook.
_Oompje._ Tja!
_Cor_ (_tot Oompje_). Doe jij nou maar niet of jij je er wat van aantrekt -- al is het van je eigen!
_Oompje_ (_maakt schouderophalend een afwerend gebaar_).
_Cor._ 't Is me wat moois, zoo naar boven te loopen, net dat ik weg moet! Over een uur gaat de trein al, godnogantoe -- en dat zal je nou altijd gebeuren als ik er heen moet, hè; als het op het nippertje loopt, is ie nooit te vinden. Een fatsoenlijk man brengt zijn vrouw naar de trein! En biecht jij nou es op: -- wat had je hier boven nou op eens weer uit te voeren, net dat ik weg moet, hè? 't Is hier bij mijnheer Henri niks gedaan voor zoo'n oude snoeper als jij!
_Henri_ (_wuift afwerend geruststellend met de hand_).
_Oompje._ Me lieve mensch, ik had eenvoudig een nieuw doekie noodig (_grinnikend over den rug van zijn hand wrijvend_) een nieuw velletje.
_Cor._ Ajasses, schei toch uit met je "nieuwe velletjes"! Als je zoo bent, kan ik je eenvoudig niet uitstaan.
_Oompje._ Tja -- het was anders voor jou, melieve: -- ik zou toch nog zoo graag es een nieuw koppie van je maken.
_Cor._ Hoor nou zoo'n ouwe slampamper! Hij houdt me weer rejaal voor de gek -- o, 't is zoo'n rakkert! (_oompje bij zijn mouw vattend_). Nou maar zeg es ouwe heer -- nou gaan we subiet naar beneden hoor.
_Henri._ -- -- Nou, wat de oogen aangaat (_half tegen oompje, half tegen Cor_) -- ze heeft nog een paar mooie oogen.
_Cor_ (_oompjes mouw weer loslatend_). O zoo! mijnheer Henri, mijn oogen...
_Oompje._ Tja -- maar voor naakt model -- dat gaat toch niet meer.
_Cor._ Hoor hem! -- hoor dat nou! (_zij slaat zich op de gespannen buste_). Daar kunnen die jonge brutale krengen van tegenwoordig niet tegenop, hoor -- die platvisschen! Dat mag nog gezien worden, mijnheer Henri! En dat wisten de heeren aan de Academie vroeger ook wel: -- ze hadden mij er o zoo graag gehad voor naakt model, -- maar ik wou niet hè -- altijd particulier model bij de jongens geweest -- en altijd in alle eer en deugd, hoor.
_Henri_ (_voor zich heen_). De uitzonderingen daargelaten.
_Cor_ (_hem maar half verstaande, dreigt hem met den vinger_). Ja, gelooft u dat maar niet, mijnheer Henri! In ónzen tijd, toen was het nog een mooi vak, in ónzen tijd toen was het nog "echt", hè, -- maar tegenwoordig halen de jongens maar alles van de straat -- van die meiden, die niet eens een dramatische stand kunnen houden -- -- afijn, ik trek me van de heele beweging niks meer an, hoor. Maar hij -- ! -- zoo'n oude snoeper, hè -- wilt u wel gelooven, dat ie nog wel es graag de kat in 't donker zou willen knijpen? (_oompje weer bij den mouw vattend_). Zult u vandaag een oogje op hem houden, mijnheer Henri?
_Henri._ Dat beloof ik.
_Cor_ (_oompje aan zijn sik trekkend_). Ga je mee, ouwe doordraaier?
_Oompje_ (_zijn arm om haar heenslaande_). Precies! -- zoo'n snoepertje -- en nog zoo elegant! -- (_zij gaan samen, elkaar uitgeleidend, naar de deur, waar oompje zich nog even tot Henri keert, met den vinger naar beneden wijzend_). Dus -- ?
_Henri_ (_knikt lachend. Cor en oompje af_).
DERDE TOONEEL
_Henri, daarna Nellie._
_Henri_ (_klopt glimlachend zijn pijpje uit, en gaat schouderophalend weer voor zijn ezel zitten; voor zich heen mompelend_). "In ónzen tijd" -- "in ónzen tijd!" -- (_zijn hoofd schuddend_) en dan zóó te blijven hangen! (_er wordt geklopt_). Ja! (_over zijn schouder omkijkend_). Ah!
_Nellie_ (_mooi figuurtje van omstreeks twintig, trouwhartige oogopslag in een niet heel sterk geteekend, maar jong en levendig gezichtje, stadsteint bij donkerbruin haar. Naar binnen trippend_). Daar ben ik!
_Henri._ Nou, het werd ook hoog tijd hoor, -- ik zit te wachten -- ìk wacht! (_opspringend_) en nou gaan we meteen beginnen!
_Nellie_ (_rustig voor den schoorsteenmantel haar hoed afdoend_). Wel, wat heb je weer een haast -- ik mag toch wel even uitblazen? (_ze gaat op de bank zitten_).
_Henri._ Nee: -- één zoen, en dan beginnen! (_hij komt naast haar zitten, zoent haar, neemt haar handje en zoent in haar hals_).
_Nellie._ Nou -- ! nou!
_Henri._ Dat is om op streek te komen! -- Oompje was hier, en Cor.
_Nellie._ Die ouwe draak óók? -- en wat hadden ze?
_Henri._ Oompje kwam eerst, hè -- vragen of ik Tootje stuurde -- je weet toch, dat ik Tootje voor vanmiddag besteld had, om es te probeeren voor de linksche figuur -- ? Alleen maar es om een indruk -- (_als Nellie betrekt_) -- nou daar hoef je niet zoo van op te kijken, want ik kan haar juist niet gebruiken, omdat die nieuwe leerling van me komt, -- ik had de heele Tootje vergeten. Nou, dan kan ze meteen naar oompje -- -- tante Cor moest weer uit stad -- je begrijpt! -- en toen kwam zij hem zelf halen, hoor. (_zij lachen samen_). Ja hè, om er zoo in te loopen: haar te trouwen! Ofschoon: zij zorgt goed voor hem -- hij verdient eigenlijk niet beter, -- maar toch -- (_haar van terzij aanziend, terwijl hij met een lachje opstaat_). Nee Nellie -- "trouwen" dat doen we lekker niet, hè?
_Nellie_ (_wat betrokken_). 't Wordt je ook niet gevraagd.
_Henri._ Nou ja, dat is toch onzin, je kan het toch samen goed hebben, je kan toch van elkaar houden -- maar: trouwen, (_voor zich heen_) die schildershuwelijken met...
_Nellie._ 't Wordt je ook niet gevraagd.
_Henri._ Verduveld, daar heb ik het toch al zoo dikwijls met je over gehad! Dat heb je toch zelf wel meegezegd: liefde moet vrij zijn -- en kunst moet vrij zijn, -- dat kun je niet binden. Als liefde vrij is, dan is ze juist het zekerst en het mooist Nel, dan is ze echt, -- maar trouwen -- ? -- dan zet je je liefde onder een stollepie -- dat is immers onzin!
_Nellie._ 'k Weet wel, dat je niet van me houdt.
_Henri._ Wel God nog toe -- "niet van je hou" -- ! Ach meid, ik houd immers juist veel te veel van je -- hè? (_verliefd_). Klein dierage, dat me telkens er uit haalt! -- Ik moest juist wat minder van je houden, dan ging het werk beter -- want telkens zie ik jou en niet mijn werk: dàn ben ik er in -- en dàn weer lig je me aan te kijken met je bruine oogen -- dan zie ik niks dan je oogen -- o, jullie -- jullie! -- -- En dat weet je ook bliksems goed!
_Nellie_ (_gauw bijgetrokken_). Nou, ik mag er toch ook wel wàt van hebben. (_aanhalig_). Ik ben nou toch alleen maar voor jou, -- en als ik nog es voor anderen zit, is het toch alleen maar gekleed -- -- en als jij het niet wilt, dan doe ik dàt ook niet!
_Henri._ Je bent een snoes! -- Wacht: (_hij haalt uit de kast een papiertje met bonbons_) kijk eens -- , dat heb ik voor je bewaard, van Zondag, bij mijn familie -- -- verjaardag van m'n zuster.
_Nellie._ Oh -- ! -- dat is nou weer lief van je -- je bènt wel lief!
_Henri._ En nou gaan we beginnen!
_Nellie._ (_geeft hem een zoen, en begint haar blouse los te maken_).
_Henri._ Nee, vandaag alleen de kop -- ik moet nou eerst de kop nog wat beter hebben. (_hij gaat voor den ezel zitten_).
_Nellie._ O -- (_zij neemt een half liggende pose aan als op de schilderij, met de armen onder haar hoofd_). Zoo -- nietwaar?
_Henri._ Ja -- nee, wacht: (_hij staat op en verlegt haar hoofd wat, waarbij hij haar kriebelt_).
_Nellie_ (_met een gilletje opvliegend_). Hè nee! -- nou maak je 't zelf weer in de war! ik lag goed -- (_zij gaat weer liggen_).
_Henri_ (_de kussens schikkend_). Zoo -- ja -- zoo, (_hij gaat weer voor den ezel zitten en kijkt nog eens_) zoo is 't goed. (_hij schildert. Stilte_).
_Nellie_ (_voor zich heen_). -- Zoo -- was die Cor hier -- -- wat een mensch, hè.
_Henri_ (_schilderend_). Nou -- (_stilte_).
_Nellie._ Ik kan niet begrijpen, dat die model is geweest -- hè -- -- ?
_Henri._ Nee -- (_stilte_).
_Nellie._ En oompje, -- aardige man wel -- wèl aardig -- maar mìjn man is toch nog veel aardiger -- (_stilte. Voor zich heen, terwijl zij telkens met haar schoentje een wip in de lucht geeft_) -- Hénri -- Hárri -- Hánni -- Hénk -- Hénnie -- nee: Hánnie, dat vind ik het leukst (_vleierig_) -- "Hánnie" -- !
_Henri_ (_schilderend_). Nee: "Henri" (_even korzelig opkijkend met nadruk_) "Hén-rì"! (_stilte_).
_Nellie_ (_in zijn zelfden toon_). Hén-rì -- -- en Nél-liè -- . (_stilte_). Zeg, heb ik je wel es verteld, dat ik een neef heb, die ook Henri heet? -- maar die noem ik Henk.
_Henri._ Nou ja, maar houd nou es je mond! (_stilte. Er wordt geklopt_). Ja -- !
VIERDE TOONEEL
_Henri, Nellie, Herman._
_Herman_ (_van ongeveer eenzelfden leeftijd als Henri, maar blijkbaar uit armer stand afkomstig. Met z'n bleeke, aldoor klamme voorhoofd, zijn vlas-rossig haar, en zijn ietwat te hooge schouders, maakt hij een niet heel gezonden indruk. Hij draagt een ouderwetsche, groen geworden pelerine. Voorzichtig de deur openend en naar binnen ziend_). Mag ik binnen komen -- ?
_Henri_ (_omziende_). O, ben jij het! -- kom binnen! -- (_schilderend_). Lang niet gezien!
_Herman_ (_verrast ook Nellie te vinden, komt aarzelig binnen_). Nee -- hoe gaat het, -- (_drukt Henri, daarna ook Nellie de hand_) zoo -- dat tref ik!
_Nellie_ (_heeft bij Hermans binnenkomen even opgezien, maar dadelijk dezelfde pose bewaard, waarin zij zich, totdat Henri opstaat, niet meer beweegt, -- hem de hand drukkend_). Dag. -- !
_Henri_ (_wenkt met penseel_). Ga zitten -- ga zitten.
_Herman_ (_blijft achter Henri staan en ziet beurtelings naar de schilderij en naar Nellie_). Lief -- lief -- !
_Henri._ Nee, heelemaal niet lief -- "lief" wordt het heelemaal niet!
_Herman_ (_verward_). Nee -- ik bedoel -- de -- het -- ik bedoel -- (_hij keert zich wat verlegen om en zoekt een stoel_).
_Henri_ (_schilderend_). Jawel -- jij zou er wel iets liefs van maken.
_Nellie_ (_vergoelijkend_). Nou maar hij heeft laatst een heel mooi van me gemaakt, vroeger -- gekleed -- met die blauwe blouse -- (_met haar oogen tot Herman_) weet je nog wel?
_Herman_ (_onhandig_). Ik bedoel -- je model: het model is lief. (_Nellie zet een pruimemondje en Henri lacht meesmuilend. Met den rug van zijn hand over zijn voorhoofd vegend, zich herstellend_). Ik kwam eigenlijk juist om Nellie, hè -- dat wil zeggen: (_tot Nellie_) ik had het nieuwe adres na je verhuizing nog niet -- enne -- nou kwam ik hier es even oploopen -- ik dacht, dat Henri het nummer misschien wel zou weten, -- ik wist wel: zelfde straat...
_Nellie._ Honderd-drie-en-veertig twee hoog.
_Herman._ O -- wacht: (_hij noteert zorgvuldig in een notitieboekje_) "honderd-drie-en-veertig -- twee hoog", -- -- ik had idee, zie je...
_Henri_ (_schilderend_). Ja -- maar ik kan haar niet missen, hoor!
_Herman._ Nou ja, het is natuurlijk alleen om maar al vast af te spreken; (_achter hem staande_) ik zie, je bent met haar nou toch betrekkelijk gauw klaar -- en dan----
_Henri._ "Mee klaar"? -- (_hij duwt palet en penseelen weg, opspringend_) "mee klaar"? -- ik kom er nooit mee klaar! Telkens ben ik er weer uit: dan dít, dan dàt, aldoor weer wat anders -- ik kan er verduveld nòòit inblijven!
_Herman._ O -- maar als ik ongelegen kom... (_hij maakt beweging om te vertrekken_).
_Henri._ Wel nee, wel nee kerel -- nee, dat is de bedoeling niet. Ik wil alleen maar zeggen in 't algemeen, hè: ik wou er juist es wat moois van maken, zie je -- ik dacht, misschien voor een expositie, of zoo, -- en de opzet was zoo allemachtig goed -- en nou raak ik vast en zit ik er op te sabbelen...
_Herman._ Nee maar... (_maakt opnieuw beweging voor afscheid_).
_Henri_ (_hem terughoudend_). Och nee kerel, heusch -- -- , maar dat weet je immers zelf ook wel (_met een zucht_): van den mooien opzet tot het mooie eind, hè -- dat is de choos! (_naar Nellie kijkend, die uit haar pose is op gaan zitten en een bonbon eet_) en Nellie is een goed model -- (_met een schuin oogje naar Herman_) je kent haar -- prachtig, uitstekend voor de pose, en mooi genoeg waarachtig, maar...
_Nellie._ Wat "maar" -- ?
_Henri_ (_haar op haar neus tikkend_). Jij hebt een mooi figuurtje Nel, en een mooi gezichtje -- nou -- maar soms wil ik meer hebben, hè: -- het "ideale" model, hoe zal ik zeggen, dat zou zelf moeten leven, zie je, ik bedoel "meeleven" -- ik bedoel als 't ware "meeschilderen", enfin: de ziel aan 't stuk geven, hè -- een lijf is niet genoeg -- .
_Herman_ (_fijntjes_). Ja, jij wil altijd alles hebben, hè -- het lijf en de ziel -- en het hart -- .
_Nellie_ (_opspringend_). Ja, hij wil altijd alles hebben! -- en geef ik je dan niet alles -- ? (_tot Herman_) maar hij is toch zoo'n moeilijke vent, hè -- ik begrijp soms niet, wat ie eigenlijk wil.
_Henri._ Nee, dat is het juist; (_peinzend_) het "ideale" model -- "hèt" model -- -- maar... (_op zijn horloge ziend_). O! maar het is ook al -- God, en dat is waar ook: Jules en Frits zouden op de koffie komen! (_tot Herman, die weer aanstalten maakt tot vertrekken_). Nee, dan blijf jij natuurlijk ook -- nee maar dan gaan we een complete lunch op touw zetten! (_hij rolt den ezel wat terug, verschikt de stoelen enz. terwijl Herman zijn hoed en jas ophangt_).
_Nellie_ (_die weer op de bank is gaan zitten en een bonbon eet, lang uithalend_) "Lùnch" -- "lùnchen" -- hà wat klinkt dat leuk, zeg -- wat zegt ie dat leuk: "lùnchen" -- , wat is eigenlijk "lùnchen" -- ?
_Henri_ (_haar nadoend_). "Lùnchen" -- ? dat is jou een zoen in je halsje geven! (_hij zoent haar; dan, in zijn handen klappend_). En nou aan 't werk jongens! (_hij telt op zijn vingers_). Brood is er -- maar niet genoeg -- eieren, kaas, koffie -- dat vind je allemaal in het keukentje Nellie, -- dan ga ik wat sigaren halen -- en nog wat brood -- en sardines (_op zijn manchetten noteerend_).
_Nellie._ Hè ja, sardines! -- maar dat kan ìk toch wel doen?
_Henri._ Nee, jij hebt de vorige keer heelemaal verkeerde meegebracht! Maak jij nou alles klaar en zet de koffie -- en dan kun je straks meteen de omelet maken, -- dat kun je nou immers zoo mooi.
_Nellie._ Piekfijn -- (_tot Herman_) dat heeft ie me zelf geleerd, zeg -- -- (_dringend tot Henri_) maar toe, laat mij dat nou halen.
_Henri_ (_naar de deur gaand en zijn hoed nemend, terwijl Nellie mee naar de deur loopt_). Nee, zet jij nou klaar en maak koffie -- ik moet toch zelf voor sigaren naar beneden, en het is vlak bij. (_af_).
VIJFDE TOONEEL
_Nellie, Herman._
_Nellie_ (_komt aarzelig terug van de deur, scharrelt wat aan de tafel, verdwijnt in het keukentje en begint klaar te zetten_).
_Herman_ (_naast de tafel zittend volgt haar met de oogen; hij zucht; stilte_). Is 't nog altijd zoo an -- ?
_Nellie._ Och Henkie, begin daar nou niet weer over.
_Herman_ (_loopt pijnlijk rond en blijft voor den ezel staan_). Ik kwam zeggen -- ik kwam vragen, of je -- na dit ding -- nog es kwam -- voor een nieuw stuk; (_zich tot haar wendend_) wit! en grijs en blauw -- een nimf, als een droom in een bosch.
_Nellie_ (_aldoor bezig_). Ja, later misschien, hè -- maar nou kan ik niet. (_naar de schilderij knikkend_). Dàt moet eerst af -- enne -- -- ik ben nou van hem, hè.
_Herman_ (_met afwerend gebaar, dan met den rug van zijn hand zich het voorhoofd wisschend_). Maar -- jouw figuur is immers toch bijna af, -- en dan beloof je me toch -- dan kom je weer -- voor de nimf -- ik moet je dan hebben, zie je -- (_hij gaat weer zitten en dringt nader_) ik moet -- .
_Nellie_ (_tegenover hem, brood snijdend_). Och Henkie, zit nou niet te zeuren -- ik ben nou hier.
_Herman._ "Hier" -- "hier" (_bitter_) hier zijn er al zooveel geweest.