Naakt model: Toneelspel in drie bedrijven

Part 5

Chapter 53,668 wordsPublic domain

_Helena._ Maar daar moogt u toch niet zoo verwonderd over zijn, juffrouw Nellie? Ik schilder heusch al zoo lang -- wij zijn toch, om zoo te zeggen, van hetzelfde vak.

_Nellie._ Ik poseer niet voor dames.

_Helena._ Maar ik heb u immers al daareven gezegd, dat ik heelemaal niet zoo'n "dame" ben, ik ben...

_Nellie._ En bovendien wil Henri -- wil mijnheer Henri volstrekt niet, dat ik voor iemand anders dan voor hem poseer -- volstrèkt niet!

_Helena._ O maar wat dat betreft, dat zal -- mijnheer Henri wel goed vinden.

_Nellie_ (_dringend_). En dat wou ik u in vertrouwen nog wel even zeggen: mijnheer Henri is gevaarlijk -- een gevaarlijke man voor vrouwen, voor dames, past u maar op voor hem!

_Helena_ (_glimlachend_). Gevaarlijk!? -- Ja, dat heb ik ook al wel gemerkt (_lachend_). Ja, een beetje gevaarlijk is hij misschien wel -- .

_Nellie._ Ja, daar hoeft u niet zoo om te lachen -- hij is een echte vrouwenverleider, hoor!

_Helena_ (_haar poging om Nellie voor zich in te nemen opgevend, -- langzaam met een spottenden glimlach_). En als ik nu juist eens verleid wilde worden -- ?

_Nellie_ (_versteld_). Wat zegt u -- ! -- ?

ZESDE TOONEEL

_Nellie, Helena, Henri._

_Henri_ (_binnenkomend_). Ach! neem me niet kwalijk, ik wist niet...

_Helena_ (_nog lachend om haar laatste woorden op hem toegaand_). Ah -- ! mijn vriend!

_Henri_ (_innemend_). Neem me niet kwalijk, maar ik moest juist even beneden bij een kennis zijn. Heeft Nellie je goed ontvangen? (_gekscherend tot Nellie_). Heb je de "honneurs" goed waargenomen Nellie?

_Helena._ O, juffrouw Nellie heeft me heel lief gezelschap gehouden -- wij hadden het juist over jou.

_Henri._ Over mij -- ?

_Helena._ Ja -- juffrouw Nellie waarschuwde me ernstig voor je gevaarlijkheid -- (_lachend_) voor je mànnelijke gevaarlijkheid!

_Nellie_ (_ziet haar verontwaardigd aan; zij is intusschen op de rechtsche tabouret naast den ezel gaan zitten en steekt het haar wat vaster om haar hoed op te zetten, waardoor zij, met opgeheven armen en wat achterovergebogen, een overeenkomstige houding heeft met de rechtsche naaktfiguur, -- terwijl Helena gedurende de volgende woorden op de linksche tabouret naast den ezel gaat zitten en, met de handen in haar schoot naar Henri opziende, een houding heeft, die eenigszins met de schets der linksche naaktfiguur overeenstemt_).

_Henri_ (_die tusschen hen voor den ezel is komen staan, half korzelig, half gevleid glimlachend_). Ach, wat een onzin! -- Nee, wat een onzin! Ik gevaarlijk?! (_boozig tot Nellie_). Wat heb je juffrouw Helena nou voor gekkigheid op de mouw gespeld? Ik gevaarlijk! -- Nee (_tot Helena_): er bestaat maar één groot algemeen gevaar -- en dat is de vròùw -- , dè vrouw! -- (_hij kijkt van hen naar de schilderij en ziet plotseling in hun houding zijn naaktfiguren; verrast_). Kijk! -- Ah! -- Blijf zoo zitten -- blijf zitten! (_een stap terugdoend_). Ah! dat is -- -- (_Helena en hij zien elkaar, na een snellen blik van haar naar de schilderij, een oogenblik strak aan en alle drie begrijpen zij tegelijk de plotselinge gedachte. Een moment zijn alle drie verward, dan haalt Henri een schetsboekje uit zijn zak, en doet nog een stap terug_). Even! -- éven maar! -- blijf zitten -- (_hij maakt een vlugge krabbel van Helena, terwijl Nellie stil opstaat en naar de deur treedt, hetgeen Henri ternauw bemerkt, en slechts even met de hand doet terugwenken_). Nee, blijf nou zitten (_doorteekenend_) -- zoo zitten (_hij teekent verder_) zoo -- zoo (_Helena en hij zien eerst verrast terzijde, als Nellie de deur achter zich sluit_).

ZEVENDE TOONEEL

_Helena, Henri._

_Henri_ (_wat onthutst zijn boekje opbergend_) Ah -- ! -- ? (_hij doet een paar stappen naar de deur, maar wendt zich dan tot Helena_). "Voilà la femme!"

_Helena._ "Voilà l'hòmme!" -- jullie zien altijd de vrouwen als theoretisch allemaal 't zelfde.

_Henri._ Maar in de practijk proeven wij ze apart!

_Helena._ Nee -- wees nu niet zoo cru.

_Henri_ (_wrevelig voor zich heen_). En wat valt er nu aan haar te proeven (_half tot Helena_). Wat heb je aan die modellen après tout!

_Helena._ Dat mag je niet zeggen! Ik vind dat een heel lief, naïef kind. Het was een heel ding voor haar me hier gezelschap te houden -- nee, je mag niet zoo cru zijn!

_Henri._ Juist cru! De dingen zeggen, zèggen -- en niet alleen dènken! Wat zou de wereld verder zijn, als iedereen maar zei wat hij dacht -- (_zachter, met een zucht_) en wat zouden wìj verder zijn.

_Helena_ (_ontwijkend_). O nee -- nee, de menschen zouden veel te veel schrikken.

_Henri._ Laat ze dan maar eens schrikken en door elkaar geschud worden! O, die eeuwige conventie! -- Het is soms als watten, als een wolk die op de wereld ligt, -- zij hangt over de menschen en dekt ze toe -- ons allemaal! Zie je, ik voel me soms als mensch en als kunstenaar te kort gedaan door de conventie, beschadigd, gekortwiekt aan mijn vrije ziel -- gedeukt en gedrukt -- ja, gedrukt vooral! als een dier gevangen onder een net! Wij, conventioneele menschen, kunnen de wereld en de hemel, en Onze Lieve Heer er bij, alleen nog maar zien door de mazen van het net -- door vierkantjes! -- alles door vierkantjes!

_Helena._ Ja -- zoo voel ik het ook dikwijls, daar heb je gelijk in.

_Henri._ En, zie je, ik geloof soms, dat dat de eenige taak, de hoogste taak van een kunstenaar is -- of van 't genie in 't algemeen: het dóórbreken van de conventie. Wat hebben alle grooten eigenlijk anders gedaan, alle genieën en denkers en kunstenaars, dan een scheur te geven in het net, en er boven uit -- -- o! er boven uit te komen!

_Helena._ Ja, ja -- dat moet jij ook!

_Henri_ (_peinzend_). En dat is 't mooie van de vrouw: jullie zijn soms meer dan wij "er boven uit" -- jullie dùrven soms meer.

_Helena_ (_onzeker_). Ja -- soms.

_Henri_ (_haar onzekerheid bemerkend_). Tenminste -- ja, zie je, dàt is nou wel 't mooie van zulke modellen, als die Nellie nou bijvoorbeeld, -- ah! zulke kinderen kennen geen conventie, hè.

_Helena._ O nee Henri, zeg dàt niet -- nee, nee dàt is niet waar: juist zij, juist die standen zitten vol met conventie en duffe begrippen!

_Henri._ Maar ik kèn haar toch, ik weet toch, hoe de meesten van hen denken -- hoe vrij zìj bijvoorbeeld is, hoe...

_Helena._ Ah! ja, jij denkt alleen aan -- jawel, jawel in dat ééne opzicht: het diertje, het ... nee, nee daarin ben je nu weer de echte man, die de vrouwen maar allemaal over één kam scheert en te laag taxeert! Nee: juist bij de vrije, zelfstandige en moderne vrouwen, juist in die tusschenlagen, of hoe je 't noemen wil, vind je een eerlijkheid en een vrij zijn van conventie...

_Henri_ (_onstuimig in de rede vallend_). Juist niet! juist niet! hoe kùn je dat nu zeggen Helena! -- En jìj dan -- jij -- ! O, hoe zou je me kunnen helpen! (_hij grijpt haar hand_) als je maar woudt -- en als jij óók maar niet vastzat aan een conventie!

_Helena_ (_haar hand terugtrekkend, onzeker aanvallend_). Niet zoo cru, Henri! niet zoo -- dat kan ik niet hebben -- ik ben nu eenmaal níet zoo'n model -- ik voel nu eenmaal -- -- anders.

_Henri_ (_ietwat verschrikt aflatend_). O nee -- nee, natuurlijk. (_stilte, dan zuchtend voor zich heen_). Ach! wat zijn jullie vrouwen subliem onlogisch!

_Helena_ (_onzeker_). Wij zijn misschien spontaan -- maar er is een vrouwlijke spontaniteit, die hooger gaat dan jullie mannelijke logica.

_Henri_ (_met zijn handen in de zakken voor de schilderij_). Nou ja, dat zijn per slot maar woorden (_stilte_). Zie je, (_naar de figuur van Nellie wijzend_) dat is af, aan haar kan ik niet meer doen. Dat is het naakt op zichzelf hè, waar een kunstenaar niets meer bij te voegen heeft -- het aesthetisch physieke naakt. Daarachter ligt niet meer iets anders -- je zou bijna zeggen: "daar ligt geen ziel meer achter", -- het "classieke" naakt, dat is 't eigenlijk!

_Helena._ Classiek?

_Henri._ Nou ja, dat is natuurlijk als een moderne impressie geschilderd, maar in heel algemeenen zin toch "classiek". Het naakt, dat leeft, dat ademt -- maar ook niet meer, hè, -- ja, als "soort" van kunst kun je 't natuurlijk impressionistisch noemen. -- Nou, dat is af -- dat is af. Maar nu dat andere! Dat is het naakt met een sluier, met een sfeer, of liever met een ziel -- dat is de "romantiek" van het naakt! Dat eerste is het lichaam als verschijning, hè, maar dàt moet het lichaam als ziel worden, als een wonder -- als iets waar zoo veel nog àchter ligt, -- het naakt als een levend bloembed, waar de warme hemel over trilt!

_Helena_ (_zacht_). Ja, dat is juist wat ik in je stukken altijd zoo mooi vind, -- (_weifelend, naar de rechtsche figuur_) dat ligt daar misschien niet zoo in -- .

_Henri._ Maar dat heb ik nog nooit heelemaal bereikt, dat wat ik wil! Zooiets groeit met je leven als schilder, en zelf groei je er naar toe; en in zoo'n groot ding als dit groeit dat onderwijl -- (_mismoedig_) groeit alles wat je zou willen je over je hoofd.

_Helena_ (_voorzichtig_). Maar -- dat alles, wat je er in ziet, dat leg jij er in, dat is toch van jou, van jou eigen -- en dat alles kan je toch zien -- in elk mooi model?

_Henri._ Nee! nee! juist niet -- hoe kun jij dat nu zeggen, jij, die toch weet wat kunst is! Er moet toch een wisselwerking zijn, je kan toch niet alles uit je zelf alleen phantaseeren -- er moet toch een bezieling uitgaan van iets, waar je een ziel in wil leggen! En zulke modellen zijn dood -- dood. Om dat te bereiken wat ik wil, moet ik in een roes zijn Helena -- moet ik betooverd zijn! betooverd! (_vurig aandringend_). En nou zie ik voor me, wat ik zoo lang heb gezocht! nou zie ik jou Helena! -- nou zie ik jou, die betoovert en me dàt kan geven!

_Helena_ (_die teruggeweken is op de rustbank en naar de schilderij staart, terwijl Henri aan haar voeten gaat zitten en haar hand neemt_). En het gelaat -- ? het gelaat -- ?

_Henri_ (_zich afwendend_). Het gelaat? -- O, daar ben ik nog niet aan toe. Dat is het eind, het symbool van de beide anderen -- dat wat de beide anderen opheft in een louter geestelijke sfeer. (_glimlachend naar de schilderij_). Ik noem het wel eens hun "hemelvaart" zie je -- ja, maar daar ben ik nog niet aan toe, dat komt later.

_Helena._ Misschien kan ik je daar ook aan helpen -- ?

_Henri_ (_afgetrokken_). Daarbij? -- Nee -- ja, misschien, -- maar dat is voor later, ik zie je nu alleen zóó.

_Helena_ (_zich werktuiglijk een zijden sjaaltje dat zij draagt vaster om de schouders trekkend_). Maar -- hoe weet je, dat ik mooi zou zijn, hoe weet je, dat al mijn vormen -- en de kleur...

_Henri._ Maar dat zie ik Helena! Ik heb toch oogen! Dacht je, dat ik je niet zag -- dacht je, dat ik niet wist hoe mooi je bent -- ? Ik ben toch schilder! -- Ach, dat spreekt zich immers in alles uit, dat verschil van jou met -- met al die anderen. -- Kijk nou je haar alleen (_op Nellie's figuur wijzend_) dat is haar -- nou ja, dat is mooi haar, mooi als kleur, mooi als noot tegen die blanke huid -- maar het is per slot niet meer dan een mooie kleurvlak. Maar jouw haar, dat heeft een glans, een wrong, een golving -- dat is meer dan schildermooi, zie je, dat leeft -- ! (_allengs meer koel ontledend_) En dan -- jouw hals bijvoorbeeld: -- zoo die lijn van jouw hals naar je schouder -- o! dat vind je zoo zelden, dat is altijd onzuiver: (_met zijn handen aan haar teekenend_) dat is altijd te recht, of dan weer te kort, -- -- en trouwens: je huid, dat soort van heel licht olijf...

_Helena_ (_onwillekeurig uitroepend_). Maar zoo zie je me alleen als schilder!

_Henri_ (_zich vaag bij het doel voelend, maar niet wetend in welke richting hij moet antwoorden_). Als -- als schilder? Ja -- wil je dan -- -- je weet Helena, dat ik je ook in andere -- opzichten bewonder, dat ik...

_Helena_ (_verward haar uitroep pogend te herstellen_). O nee, nee dat bedoel ik niet -- ik wil alleen zeggen, dat -- ja, omdat je daarnet juist uitlegde, dat je in mij, in mijn figuur, meer dan 't schildermooi zag -- iets daar boven uit -- je sprak toch over "meer dan schildermooi", dat zei je toch?

_Henri._ Ja, natuurlijk -- maar dat moet hier toch ook berusten op een lichamelijk schoon.

_Helena._ Jawel, jawel, maar -- zie je, jij trekt die grens altijd zoo scherp, ik begrijp eigenlijk niet, dat je dat altijd zoo scherp kunt scheiden -- als mensch en als schilder.

_Henri_ (_opstaand, geprikkeld over wat hem verward schijnt_). O, jullie vrouwen! jullie speelt altijd -- speelt met kunst, en met leven, en liefde -- jullie spéélt! -- -- En als 't er op aankomt dan dùrven jullie niet!

_Helena_ (_gekwetst, tegenover hem_). Ik speel niet, dat is niet waar, -- en "durven"? -- wat is daar voor durven aan -- voor mij! Maar je begrijpt een vrouw niet, je begrijpt niet, dat sommige gevoelens van een vrouw nu eenmaal -- anders zijn, dat een vrouw zich nooit zuiver als een schilderselement kan voelen! Zie je; als het er op aankomt, dan hebben wij juist meer ziel -- meer menschelijkheid -- !

_Henri._ Maar dat begrijp ik, dat respecteer ik, dat...

_Helena_ (_een beweging makend of zij de hand op zijn mond legt_). Ik wil alleen zeggen, dat -- als je me schildert -- als je me zou schilderen -- je me alleen moet zien, zooals je me zelf zei, als een -- een model, dat "bezielt" -- -- een model met een ziel...

_Henri_ (_in vervoering_). O maar -- -- wìl je! -- wìl je! -- je wilt Helena!?

_Helena_ (_ziet hem aan en stemt zwijgend toe_).

_Henri._ Je wilt! -- (_hij kust hartstochtelijk haar hand_). O, ik zal niet aan je komen -- ik zal je niet aanraken Helena!

_Helena_ (_wat ontsteld door zijn hartstocht en door zijn woorden, verwijtend_). Henri -- !

_Henri_ (_zich herstellend_). O! -- nee, vergeef me, vergeef me, -- het was alleen maar uit dankbaarheid, het was alleen uit vreugde!

_Helena_ (_nu weer zekerder van zichzelf_). En -- wanneer?

_Henri._ Vandaag! -- Nu! (_ronddenkend_). Nee, nu kan 't niet meer -- ik geloof, dat Nellie nog terug zou komen. (_op zijn horloge ziend_). Ja, de tijd is om -- ze zou nog wel terugkomen, geloof ik -- , (_zich bezinnend_) maar -- nee, vandaag kan 't niet meer.

_Helena_ (_wat gejaagd_). O komt ze nog terug ? Ja, dan is 't beter, dat ik nu maar ga, hè. (_zij neemt haar hoed en maakt zich haastig klaar_).

_Henri._ Ja, misschien is 't dan ook beter, dat je nu maar gaat -- voor 't geval -- -- (_blij_) maar dan hebben we morgen ook den heelen dag, den héélen dag voor ons! Ik zal haar dan afzeggen, en wij zijn alleen, den heelen dag voor òns -- den heelen dag Helena!

_Helena_ (_hem de hand drukkend en snel afscheid nemend_). Tot morgen -- ! (zij ziet nog even naar de schilderij en gaat dan snel heen).

_Henri_ (_haar uit de deur geleidend_). Tot morgen Helena, tot morgen! tot morgenochtend!

ACHTSTE TOONEEL

_Henri, daarna Nellie._

_Henri_ (_hij blijft even in gedachten, en komt dan langzaam, neuriënd naar voren, terwijl hij de aria van het champagnelied uit Mozart's "Don Juan" tracht te zingen. Daar hij niet muzikaal is, wil het niet best. Hij probeert nog eens de wijs te vatten, zich in den kleinen spiegel naast den ezel beziende en daarbij met het zakdoekje van Helena manoeuvreerend, als d'Andrade met de handschoenen. Juist wanneer hij het zakdoekje bij het overmoedige slot triomfantelijk ophoudt, ziet hij in 't spiegeltje Nellie achter zich de deur openen. Hij blijft even, zich bedenkend, in dezelfde houding, en keert zich dan kalm om_). Tja -- (_het zakdoekje wegbergend_). Ja, je zou nog terugkomen, hè -- dat is waar ook (_neuriënd_). Ken je die wijs nog uit de "Don Juan", Nellie? (_hij tracht de laatste noten van de aria te herhalen_).

_Nellie_ (_is stil op de bank gaan zitten en zwijgt_).

_Henri_ (_niet goed wetend wat te zeggen, herhaalt nog eens neuriënd het slot_). Hè -- ? -- dat is mooi -- ?

_Nellie._ Daar heb ik toch geen verstand van, -- je hebt me nooit meegenomen naar de opera.

_Henri._ Nooit meegenomen! -- En we zijn laatst nog naar dat nieuwe café-chantant geweest? (_als zij minachtend lacht_). Ja, God, dat gaat nu eenmaal moeilijk! En bovendien heb ik daar geen tijd voor: -- ik kan niet eeuwig naar de schouwburg loopen! -- O, maar dat is ook al zoo lang geleden, die "Don Juan" -- ha, ik weet geen eens de wijs precies meer. Ze zeggen wel eens, dat ik heelemaal niet muzikaal ben, -- onzin natuurlijk: ieder mensch is eigenlijk muzikaal -- maar daarom hoef je nog niet dadelijk zoo'n wijs te kennen -- (_hij probeert nog eens neuriënd_).

_Nellie_ (_die zwijgend voor zich uit is blijven kijken_). Moet ik nog poseeren?

_Henri._ Poseeren -- ? -- Ja, dat is waar ook, hè: je komt -- -- (_hij gaat voor den ezel zitten_). Ja, maar eigenlijk zijn we klaar, (_de figuur van dichtbij bekijkend_) -- nee -- ik durf er voorloopig niet meer aan te komen.

_Nellie_ (_opstaand_). Nou, dan zal ik maar gaan.

_Henri_ (_verward opkijkend_). Gaan -- ? Nee kind -- zet nog wat thee, -- dan drinken we een kop thee, hè? -- Je begrijpt: voorloopig moet dat nou wat rusten, ik moet nu aan de linksche figuur -- .

_Nellie._ En daar heb je nou een ander voor.

_Henri._ Daar hebben we 't nu al eens meer over gehad, hè. Je weet, dat ik je voor de linksche figuur nu eenmaal niet kan gebruiken.

_Nellie._ "Gebruiken" -- juist: nou die ander er is, kan je mij heelemaal niet meer "gebruiken", hè?

_Henri._ Nou, nou, "gebruiken" -- dat zeg ik niet, wat is dat nou voor een uitdrukking.

_Nellie_ (_uitbarstend_). Dat zeg je wèl -- en je bedoelt 't ook, gemeenert! O, ik heb het altijd wel geweten, dat ik hier maar was tot je er genoeg van zou hebben! (_naar de schilderij wijzend_). Dáárvoor had je me alleen maar noodig, hè? en de rest was maar bijzaak -- en nou laat je me in de steek, nou dat malle spook hier komt -- nou ben ik hier te veel, hè?

_Henri_ (_driftig_). Wel allemachtig, hoe heb ik 't nou! -- Wat is hier gemeen -- ? Ik zou toch zeggen, dat dat werk voorgaat! -- Ik kan je hier toch niet altijd over de vloer hebben, nou ik aan die tweede figuur begin!

_Nellie._ O, maak je maar niet ongerust hoor -- ik zal heelemaal niet meer over je vloer komen. Je hebt al een ander, die je huishouden kan doen, hè? die voor je brood zal zorgen en voor je kleeren, hè? -- nou, laat die fijne madam dan maar je sokken stoppen en je vuile rommel redderen -- ìk zal mijn voeten hier niet meer zetten hoor -- ik bedank je hier voor je meid te spelen -- !

_Henri_ (_pogend te sussen_). Nou, nou Nellie -- zoo is 't niet bedoeld. Mijn hemel wind je toch niet zoo op, -- ik heb alleen maar willen zeggen, dat je niet meer zoo dikwijls -- niet meer zoo elke dag...

_Nellie._ O, ik weet heel goed wat je bedoelt! Zoo zachies aan kant gezet, hè? Eerst wat minder komen, en dan voor goed de bons -- net als je vorige. Nou maar, al ben ik dan niet veel -- daar ben ik toch nog te goed voor, hoor! God, ik zal wel uit me zelf gaan! Maak je maar niet ongerust, ik zal 't je niet lastig maken hoor, -- als je dacht dat ik niet buiten je kon, dan vergis je je -- ik gùn je dat malle mensch -- dààr: ik gun je er!

_Henri_ (_driftig opstuivend_). Hou je mond! Ik verkies niet, dat je hier zoo over mijn leerling spreekt!

_Nellie_ (_heftig, tegenover hem_). "Jij verkiest" -- !

_Henri._ Ja zeker: "ìk verkies"! versta je dat!? ik verkiès niet, dat je hier zoo over mijn leerling spreekt!

_Nellie._ "Zijn leerling" -- ! -- O! dat moet er nog bij komen, dat je me uitscheldt! Wat heb ik je dan gedaan, dat je me zoo behandelt -- heb ik niet alles gedaan, wat je van me wou -- àlles -- en nou -- (_in tranen uitbarstend, aan de tafel_) o, maar ik heb lak aan je leerling, hoor! ik heb lak aan je fijne madam! ik heb lak aan jullie!----

_Henri_ (_in de war, nog ingehouden driftig_). Ik verkies niet, dat je hier zoo spreekt! ik verkies niet, dat je hier scènes maakt! ik verkies niet...

_Nellie_ (_snikkend_). O! ik zal wel gaan! -- ik zal wel gaan! -- ik zal wel gaan!--

_Henri_ (_onder den indruk_). Ach -- Nellie -- toe--

_Nellie_ (_te erger snikkend_). Ik zal wel gaan! -- ik zal wel gaan!--

_Henri._ Ach Nel -- wees nou verstandig (_hij klopt haar op den schouder_).

_Nellie_ (_snikkend, zijn hand afschuddend_). Nee -- je hoeft me niet meer aan te raken! -- je hoeft me niet meer aan te raken!

_Henri_ (_sussend_). Nou, maak je nou toch niet zoo overstuur.

_Nellie_ (_zich allengs beheerschend_). O wees maar gerust, ik zal je niet meer tot last zijn.

_Henri._ Daar is geen kwestie van Nellie. Je weet wel, dat je mij volstrekt niet tot last bent. Je weet toch, hoe graag ik je heb -- we hebben 't samen toch altijd goed gehad. Maar denk je nu toch eens in de zaak, -- het is toch zoo eenvoudig mogelijk: -- Ik moèt nu aan die andere figuur, -- iemand wil me daaraan helpen -- nou, natuurlijk neem ik dat aan! -- Je weet toch immers, hoe lang ik daar naar gezocht heb! In dien tijd kan jij nu natuurlijk minder komen -- , -- later -- daarna...

_Nellie_ (_voor zich uit starend_). Herman had gelijk: -- egoïsten zijn jullie! egoïsten! -- egoïsten!--

_Henri_ (_zijn schouders ophalend_). Ach, Herman -- wat kan die je nou geven!

_Nellie_ (_uitdagend_). O, meer dan jij!

_Henri._ Wat?! -- Heb je hier dan niet alles gehad, wat je wilde? heb ik je niet alles gegeven, waar je om vroeg? heb ik je niet altijd met je kleeren geholpen, als je wat noodig had -- ?

_Nellie_ (_opstaande, trotsch tegenover hem_). En wat heb ìk je gegeven -- ?

_Henri_ (_verbaasd, glimlachend_). Jij -- ? -- ach, wat kan jij me nu geven, Nellie!

_Nellie._ Ik heb je àlles gegeven -- àlles, alles -- mijn lijf en mijn alles!

_Henri_ (_geprikkeld door haar houding_). Ach wat "lijf"! -- wat is een lijf! ik wil meer! -- het "ideàal" van een lijf, als je me dát kon geven, ja...

_Nellie._ Ik heb je álles gegeven -- mijn lijf en mijn ziel en...

_Henri._ Ach -- "ziel" -- !--

_Nellie_ (_hem ontsteld aanziende_). God, ik wist niet, dat je zóó hard was.

_Henri_ (_stampend, daar hij voelt het moreel te verliezen_). Dat is niet hard, dat is wáár! Dat is een wáárheid! Maar de menschen willen geen waarheid -- jullie kunt geen waarheid verdragen!

_Nellie_ (_zich terugtrekkend naar de deur_). Ik wist niet, dat je zóó hard was.

_Henri._ Als ik zeg "meer", dan bedoel ik dat overdrachtelijk natuurlijk, "ideëel" begrijp je -- ach nee, dat begrijp je natuurlijk niet. -- Dat is het juist, dat je me niet begrijpt -- niet begrijpen kùnt -- !

_Nellie._ Ik wist niet, dat je zóó hard was.

_Henri_ (_met zijn armen naar den ezel wijzend_). Ik bedoel dàt, ik bedoel mijn kunst, begrijp je! Ik wil alleen mijn kunst! dàt zoek ik achter een lijf en een ziel en alles -- en dáárvoor moet al 't andere wijken -- begrijp je.

_Nellie_ (_in de deur_). Ik wist niet, dat je zóó hard was.

_Henri._ Nellie -- -- ! (_zij heeft de deur gesloten; hij weifelt een oogenblik, zet zich dan op de rustbank en staart met het hoofd tusschen de handen voor zich uit_).

_Scherm._

DERDE BEDRIJF

_Het atelier doet door een paar donkerroode lappen nog iets warmer, dan in de beide vorige bedrijven; op de rustbank een goudbruin kleed; op de tafel in een vaas witte rozen, naast den ezel een tuil roode anemonen. De linksche figuur op de schilderij, waarom een losse donker-houten lijst staat, is voltooid, terwijl van het gelaat de vage schets iets duidelijker schijnt geworden. Als het scherm opgaat, helpt Henri Helena, die blijkbaar juist geposeerd heeft, haar bloote armen in een peignoir van donkerpaarse zijde te steken, waaronder haar bloote voeten in muilen uitkomen; zij staan naar de schilderij gekeerd. Gedurende het begin van het gesprek heerscht er een onuitgesproken weifeling tusschen hen, die weldra bij Henri's enthusiasme verdwijnt, doch daarna terugkomt._

EERSTE TOONEEL

_Henri, Helena._

_Henri._ Zoo -- ?

_Helena._ Dank, dank je wel. Nou -- ik denk, dit zal dan wel de laatste keer zijn geweest, hè, -- je bent nu toch heusch klaar met de figuur -- ?

_Henri._ Klaar!? -- Nog één keer, nee, ik moet je hiervoor nog één keer hebben, Helena.