Mythen en sagen uit West-Indië

Part 9

Chapter 94,089 wordsPublic domain

NO. 18. AMANNA EN HAAR PRAATZIEKE MAN. (C.)

Verhit door den drank van een groot paiwarri-feest, nam een Indiaan zijn weg naar het water, om zich te baden en wat op te frisschen. Toen hij er aankwam, ontmoette hij Amanna, een van de geesten der Okoyoemo’s, een aantrekkelijke jonge vrouw, die hem vroeg, haar in het water te vergezellen. Eerst had hij er wel wat op tegen, maar toen zij bleef aanhouden, kon hij ten slotte niet langer aan haar bekoorlijkheden weêrstand bieden. Toen hij op het laatste oogenblik toch niet nalaten kon, haar toe te voegen, dat hij er haast zeker van was, dat men hem zou willen verdrinken, voegde zij hem toe: „Wees niet bevreesd, ik zal goed op je passen en zorgen, dat er geen kwaad met je gebeuren kan”. Zij doken nu samen onder, en toen zij op den bodem van het water aankwamen, zag hij een aantal hutten, vol met volk, waaronder vele jonge vrouwen. Hij voelde zich nu erg tevreden, vooral toen deze hem drank aanboden. Amanna verbood hem er echter van te gebruiken en nam hem meê naar haar ouden vader, die hem hartelijk verwelkomde en zijn dochter op het hart drukte, goed op hem te letten.

Dit deed zij ook.

In dien tusschentijd was de moeder over het lange wegblijven van haar zoon ongerust geworden; zij volgde het spoor, dat helaas naar de rivier leidde. „Mijn arme zoon zal verdronken zijn”, dacht zij, en zij begon naar zijn lijk te zoeken. Maar overal te vergeefs. Zij keerde bedroefd naar haar dorp terug, in de vaste meening, dat haar zoon dood was.

Geruimen tijd was er voorbijgegaan, toen de man het verlangen kreeg, om zijn moeder een bezoek te brengen. Hij rees uit het water omhoog en sloeg den weg in naar zijn oude woonplaats. De moeder, verheugd haar zoon weêr te zien, vroeg hem, waar hij al dien tijd was geweest; en hij vertelde, dat hij een verre wandeling had gemaakt. De oude vrouw was echter met dit antwoord niet tevreden, en zei tot haar zoon: „Je moet niet meer van me weggaan, want ik ben oud en lijd honger; je jongere broêr kan mij niet ondersteunen en ik heb geen andere kinderen dan jelui beiden”.

Maar haar zoon, die een wilden aard had, luisterde niet en vertrok nog dienzelfden namiddag naar zijn vrouw, de Watergeest, terug. Ditmaal bleef hij nog veel langer weg dan de eerste maal. Toen hij nu na zijn tweede afwezigheid weêr eens naar zijn moeder kwam zien, vond hij haar met zijn kleinen broêr weêr aan het drinken van paiwarri. De jongen begon hem uit te vragen, waarom hij toch bij het Okoyoemo-volk verblijf hield. Dit verontrustte hem, en onder het uitroepen van: „Hoe durf je me zoo’n vraag te doen?” holde hij weg en verdween hij weêr onder water, waar hij nog langer bleef dan den tweeden keer.

Er verliep nu weêr een lange tijd, gedurende welke Amanna hem drie kinderen had geschonken, en toen de man weêr zijn wensch te kennen gaf, zijn moeder te willen bezoeken, voegde hij er bij, dat hij graag zou zien, dat Amanna hem vergezelde. Zij vond het goed, op voorwaarde, dat de kinderen thuis zouden blijven.

Toen het paar in de ouderlijke hut aankwam, was de oude moeder met haar zoon weêr bezig met het drinken van paiwarri, maar ditmaal was de broêr bepaald dronken, en weêr kon deze niet laten de vraag te doen, of hij onder het Okoyoema-volk bleef wonen? Ja, dat doe ik, zei de man geprikkeld, en hier heb je mijn vrouw Amanna, die tot die natie behoort!

Zoodra Amanna dit hoorde, holde zij naar de waterkant, en plonste zij onder water. Haar man vluchtte haar na, maar niet zoodra was hij ook onder water gekomen, of zijn vrienden en verwanten vermoordden hem, omdat hij aan zijn moeder haar naam had genoemd, en verteld had, waar zij van daan kwam.

NO. 19. DE ZON EN ZIJN BEIDE TWEELINGZOONS. (C.)

Zeer lang geleden leefde er een vrouw, aan wie de Zon* een tweeling schonk. Het waren jongens, Pia en Makoenaima* genoemd. Eens op een dag zei de toen nog niet geboren Pia tot zijn moeder: „Laten wij gaan en onzen vader gaan opzoeken. Wij zullen U den weg wijzen, en als wij op pad zijn, moet gij voor ons mooie bloemen plukken.” De moeder liep naar het Westen [46] om haar man te ontmoeten, en terwijl zij aan het bloemen plukken was, struikelde zij, waardoor zij zich verwondde en viel. Zij betichtte nu van dit ongeluk hare nog ongeboren kinderen; en nadat zij hen beknord had en hun vroeg, welken weg zij verder moest volgen, weigerden zij het te zeggen.

Zoo kwam het, dat zij een verkeerden weg insloeg en eindelijk met den gewonden voet en doodmoe aan een vreemdsoortige hut kwam. De hut was het eigendom van Tijger’s moeder, Kono(bo)-aroe, de Regenkikvorsch*, en toen de uitgeputte wandelaarster ontdekte waar zij was, zei ze tot de oude vrouw, dat zij groote spijt had, hier gekomen te zijn, daar zij gehoord had, hoe wreed haar zoon was. De huisvrouw, die medelijden met haar had, beduidde haar, dat zij niet bang behoefde te zijn, maar verborg haar voor alle veiligheid in den kassiripot en smeet haastig het deksel er op.

Toen Tijger des nachts thuis kwam, begon hij overal rond te snuiven. „Moeder”, zei hij, „ik ruik iemand, wie heb je hier?” En ofschoon zij volhield, dat zij niemand voor hem had, om zijn maal te doen, was Tijger niet tevreden en ging zelf op onderzoek uit. Eindelijk ontdekte hij het angstige schepsel in den kassiri-pot.

Toen hij nu de arme vrouw met één slag gedood had, ontdekte hij de nog niet geboren kinderen. Hij toonde ze aan zijn moeder, die hem aanried, goed op ze te passen en ze zorgvuldig te verplegen. Tijger deed wat hem gezegd was: hij wikkelde ze in een bundel katoen, om ze warm te houden en ziet, den volgenden morgen waren ze al zóó groot geworden, dat ze begonnen te kruipen. Nog een dag later waren ze nog meer gegroeid, en dat ging zoo voort, tot dat ze reeds na verloop van een maand volwassen waren.

Tijger’s moeder zei, dat zij nu wel pijl en boog zouden kunnen hanteeren, waarmede zij den powies* moesten schieten, omdat het deze vogel was geweest, die hun moeder gedood had.

Pia and Makoenaima gingen nu de volgenden dag op jacht en schoten een powies. Dat ging lang goed; iederen dag brachten zij powies mede. Maar toen zij weêr eens op een powies mikten, riep den vogel hen toe, dat het niet een powies was geweest, die hun moeder gedood had, maar Tijger zelf, terwijl hij er de noodige inlichtingen bij gaf, hoe zij Tijger moesten dooden.

De beide jongens schrokken hevig, toen zij dit hoorden. Zij spaarden den vogel; maar toen zij met leêge handen van de jacht terugkwamen, maakten zij hun moeder wijs, dat de powies hun pijlen en boog had weggenomen. Deze leugen hadden ze maar verzonnen, om de kans te hebben, nieuwe en betere wapens te maken. Zij hadden hun wapens ergens in het bosch verborgen.

Nadat zij nu met hunne krachtiger wapens gereed waren, bouwden zij een stellage tegen een boom, klommen er in en schoten, toen Tijger voorbij kwam, op hem, zoodat hij morsdood neêrviel. Haastig daalden zij naar beneden, renden naar de hut en schoten nu ook zijn moeder neêr.

De beide jongens vervolgden nu hun weg en kwamen ten laatste aan een groep Kankantries, bij een hut, waarvoor een stokoude vrouw zat, die in werkelijkheid een kikvorsch* was. Zij namen bij haar hun intrek en gingen iederen dag op jacht. Iederen keer, wanneer zij van de jacht terugkeerden, vonden zij cassavebrood gereed staan, dat hun gastvrouw gebakken had. „Dat is erg vreemd”, zei Pia tot zijn tweelingbroeder, „wij zien hier geen kostgronden, en kijk nu eens, hoeveel cassave de oude ons wel voorzet. Wij moeten eens goed op haar letten.”

Den volgenden morgen bleven zij, in plaats van hun jachtterrein op te zoeken, in de buurt en verscholen zij zich achter een boom, van waar zij alles konden zien, wat er in en om de hut gebeurde. Zij zagen toen, dat de oude een witte vlek op haar schouders had, dat zij telkens zich voorover boog en in deze vlek beet, waaruit onmiddellijk cassavemeel begon neêr te vallen.

Bij hun thuiskomst weigerden de jongens nu van de cassave te eten, nu zij wisten, waar zij vandaan was gekomen.

Den volgenden dag plukten zij nu een hoeveelheid katoen [47] van de boomen en spreidden dit op den bodem uit. „Wat doen jelui daar?” vroeg de oude. „Wel, we maken iets heel moois voor je. Die zachte zitplaats zal je bevallen”, antwoordden de jongens. De oude was er erg blij meê; maar niet zoodra was zij op het zachte bed gaan zitten, of de jongens staken het in brand. De huid van de oude werd nu zóó erbarmelijk geschroeid, dat haar huid vol met rimpels trok. Dit leelijke, ruwe vel heeft de Regenkikvorsch altijd behouden.

Pia en Makoenaima zetten nu hun reis verder voort, om hun vader te ontmoeten en kwamen al heel gauw aan de woning van Maipoeri*, den Tapir, waar zij drie dagen bleven. Op den derden avond keerde Maipoeri glanzend en vet van zijn dagelijksche wandeling terug. De jongens, die wilden weten, hoe hij het wel aanlegde, er zoo doorvoed uit te zien, volgden den anderen morgen vroeg zijn spoor, dat leidde naar een pruim*. Hier aangekomen, begonnen ze zóó hard aan den boom te schudden, dat alle vruchten, rijp en onrijp, op den grond vielen.

Toen Maipoeri zich den volgenden morgen weêr dacht te goed te kunnen doen, maar bemerkte, dat al zijn voedsel voor hem verloren was, keerde hij haastig naar huis terug, ranselde de beide jongens af en verdween haastig in het bosch. Pia en Makoenaima liepen hem achterna, volgden den geheelen dag zijn voetspoor en haalden hem eindelijk in. Pia beduidde zijn broêr, achter Maipoeri om te gaan en het dier naar hem toe te drijven, en toen hij het dier zag naderen, schoot hij het een haapoena (harpoenpijl) door het lijf, maar de lijn kwam door het nog een eind voortloopende dier langs den armen Makoenaima en sneed hem een been af.

Op een helderen nacht kan men ze nu nog zien: je ziet Maipoeri (Hyaden), Makoenaima (de Pleiaden) en daaronder zijn afgesneden been (de gordel van Orion).

NO. 20. DE LEGENDE VAN DEN VLEERMUIS-BERG. (M.)

Langen tijd geleden, leefde er in het gebergte [48] een reusachtige vleermuis, die vrees en schrik verspreidde onder de Makoesi-Indianen*. Niet zoodra was de zon in het Westen nedergedaald, of het groote afschuwelijke dier verliet zijn onbekend verblijf, fladderde over hunne vóór dien tijd zoo ongelukkige woonplaatsen en schoot pijlsnel naar beneden, om den eerste den beste, dien het buiten de hut aantrof, van den grond te lichten. Het wezen droeg daarop het slachtoffer in zijn vervaarlijke klauwen naar zijn onbekend nest en verslond het daar.

Angstig bracht men den avond in de Indianen-kampen door, en de morgen brak dikwijls met geweeklaag aan, wanneer twee, soms zelfs drie dorpsgenooten gemist werden; geen nacht ging er voorbij zonder een ontvoering en de stam verminderde dagelijks, zoodat zijn geheele vernietiging nabij scheen.

De piaiman was steeds ijverig in de weêr, om den Geest uit te drijven, maar telkens kwam het gevreesde geheimzinnige dier terug; mannen trokken er op uit, om het verblijf van den vervloekten moordenaar op te sporen, maar zij konden het nergens vinden—Makoenaima was blijkbaar niet met hen.

Om den stam voor uitsterven te behoeden, verrees er nu een oude vrouw uit haar hangmat en verklaarde aan het volk, dat zij zich wilde opofferen ter wille van hare mede-stamgenooten. Nadat de zon was ondergegaan, plaatste zij zich met een overdekten vuurstok [49] in het midden van het dorp, terwijl haar dorpsgenooten, gebukt en angstig in hun hutten zaten af te wachten, wat gebeuren zou. Men hoorde het fladderen van de reusachtige vleugels, en begreep, dat de heldin in zijn vreeselijke klauwen was vastgegrepen, en meêgenomen werd naar het geheimzinnige knekelhuis.

Nauwelijks was het slachtoffer omhoog geheven, of het ontdeed den vuurstok van zijn omkleedsel, en deze wierp nu, evenals de Zon, zijn vurige stralen achterwaarts [50] zoodat het volk beneden kon zien, welken weg het zou moeten volgen, om het kerkhof der verloren broeders te vinden.

De hooge vlammen, die den volgenden morgen uit het brandende nest opstegen, wezen nu de verblijfplaats van het monster aan. Het volk wachtte geen oogenblik, om er op uit te trekken, en het gelukte den moordenaar te dooden. De geschiedenis vertelt niet, of de oude vrouw voor haar heldhaftige daad heeft moeten boeten; maar wel is het bekend, dat een stapel gebleekte beenderen de plaats aanwijst, waar eenmaal het nest van den roover zich bevond.

NO. 21. DE UIL EN ZIJN SCHOONBROEDERS VLEERMUIS. (W.)

Bokoe-Bokoe, de nachtuil, was getrouwd met de zuster van de vleermuis en nam des nachts haar broêrs meermalen mede, om in de Indianen-hutten op roof uit te gaan. Eens op een nacht kwamen zij langs een hut, waarin het volk juist bezig was, op den barbakot visch te roosteren. Om de menschen schrik aan te jagen, zongen zij luidkeels: bokoe! bokoe! bokoe! waardoor zij de bewoners op de vlucht joegen, zoodat zij gelegenheid kregen, de visch te stelen. Het drietal haalde in meerdere hutten denzelfden streek uit, totdat de uil op zekeren dag aan zijn kornuiten meêdeelde, dat hij voor eenigen tijd op reis moest en dat zij zich tijdens zijne afwezigheid maar wat moesten behelpen en goed deden, ’s nachts binnenshuis (d.i. in het bosch) te blijven, daar er anders zeker iets minder prettigs met hen zou gebeuren. Maar niet zoodra had Bokoe-bokoe zijn hielen gelicht, of zwager Vleermuis nam nu in zijn plaats zijn broêr op den rooftocht meê.

Eens op een nacht kwamen de beide vleermuizen weêr aan een hut, waar visch geroosterd werd, en daar zij nu den uil niet bij zich hadden en dus niet zoo duidelijk bokoe! bokoe! bokoe! konden roepen als te voren, werd het volk ook niet zoo bang en liep het niet zoo ver weg, zoodat het in staat was te zien, dat de vleermuizen het waren, die hun die poets bakten. Maar de vleermuizen, die zich niet lieten afschrikken en dachten, dat zij ongestraft hun slag zouden kunnen slaan, kwamen den volgenden avond terug, toen een deel van de menschen reeds in hun hangmatten lag, anderen nog rustig bijeenzaten. De snoodaards dachten zeker, dat er niets met hen gebeuren kon en lachten van vreugde Chi! Chi! Chi! Maar de hutmeester nam zijn boog en schoot een pijl, voorzien van een prop was [51], een der vleermuizen tegen het lijf, waardoor deze bedwelmd neêr viel. Zijn broêr, die onmiddellijk naar het bosch gevlucht was, ontmoette daar Bokoe-bokoe, die juist van zijn reis teruggekeerd was en aan wien hij den vroegen dood van zijn broêr vertelde. Maar het verlies schrikte hen niet af, zoodat zij er den volgenden nacht met hun tweeën op uittrokken. Het geluid hunner stemmen bracht, nu Uil er bij was, weêr zulk een opschudding onder het Indianenvolk teweeg, dat allen weêr de vlucht naar het bosch namen en Bokoe-bokoe met zijn schoonbroêr de visch kon wegnemen. Toen zij nu op den barbakot ook de doode vleermuis ontdekten, namen zij het lichaam van hun verwante meê naar huis, waar zij flink op de plek begonnen te kloppen, waar hij met den pijl geraakt was; dit bracht het dier weêr bij, daar het vuur deze plek niet had aangedaan, en als te voren begon de tot het leven weêr terug geroepen vleermuis te lachen, Chi! chi! chi!

Hoewel nu Bokoe-bokoe den volgenden avond verhinderd was zijn beide schoonbroêrs te vergezellen, herhaalden deze toch hun nachtelijken strooptocht, en zooals van zelf sprak, was het volk weêr minder bevreesd, zoodat een der vleermuizen een schot in zijn achterste ontving.

Den volgenden nacht keerde nu Bokoe-bokoe met zijn schoonbroêr terug en evenals de eerste keer vonden zij op den barbakot weêr de gedoode vleermuis. Weêr namen zij het lichaam meê naar huis; maar toen zij weêr op het lichaam klopten, wilde het leven niet terugkeeren; het was te veel geroosterd boven het vuur.

De overlevende vleermuis echter gaat nu altijd voort met het volk en zijn gevogelte uit te zuigen [52], of hen op andere wijze te hinderen, terwijl de verschijning van Bokoe-bokoe voortaan altijd ongeluk beteekent. Wanneer het bokoe! bokoe! bokoe! des nachts wordt gehoord, beteekent dit steeds ziekte of dood.

NO. 22. DE LICHTKEVER EN DE VERDWAALDE JAGER. (C.)

Er gingen eens vijf mannen gezamenlijk op jacht. Zij hadden zich echter te diep het bosch in begeven, om nog vóór den nacht huiswaarts te kunnen keeren, zoodat zij, toen de duisternis hen overviel, een banab* bouwden. Den volgenden morgen trokken zij in verschillende richtingen het bosch in. Laat in den avond waren allen in de tijdelijke verblijfplaats teruggekeerd, behalve één. Drie van hen beweerden, dat hij zeker door een tijger verslonden was, maar toen zij de zaak nader gingen overleggen, herinnerden zij zich, dat zij geen enkel tijgerspoor hadden gezien. De hoofdman was dichter bij de waarheid, toen hij zei: „Neen! Hij moet verdwaald zijn”. [53] Dit was ook werkelijk, wat er met den vijfden man gebeurd was. Hij was al dieper en dieper het bosch ingedrongen, en was door de duisternis overvallen, waardoor hij zijn weg niet terug had kunnen vinden. Hij was toen in alle richtingen gaan zoeken en had zich eindelijk onder een boom te slapen gelegd.

Nu en dan vloog er een Poe-yoe, een lichtkever* om zijn rustplaats heen, die hem vroeg, wat hij daar zoo alleen uitvoerde. „Ik ben den weg kwijt geraakt”, antwoordde hij, waarop het insekt aanbood, hem den weg te wijzen. Maar de verdwaalde kon niet gelooven, dat zoo’n klein ding in staat zou zijn, hem te helpen. Eerst toen de lichtkever hem vertelde, dat hij voornemens was, zich te gaan warmen aan het echte vuur, dat zijn vrienden bij de banab hadden ontstoken, stemde hij toe en volgde hij het insekt.

Toen de beide vrienden het kampement in het oerwoud naderden, hoorden zij in de verte reeds menschelijke stemmen. „Luister”, zei de kleine kever, „hier zijn je gezellen. We zullen er heengaan”. Toen zij eindelijk de banab hadden bereikt, vloog de lichtkever vooruit en vertelde aan de jagers, dat hij hun verloren metgezel kwam brengen. Onmiddellijk daarna trad deze binnen, en de vier vrienden waren verheugd hem weêr te zien.

NO. 23. DE BINA [54], DE WEDER IN HET LEVEN GEROEPEN VADER EN DE SLECHTE VROUW. (W.)

In een der Warrau-dorpen leefde een man met zijn vrouw en zijn beide kinderen. Zijn schoonbroêr woonde bij hem in. Eens op een morgen begaven man en vrouw zich naar den kostgrond en droegen den broeder op, om te gaan visschen, zoodat zij bij hun thuiskomst wat te eten zouden hebben. Toen zij echter terugkwamen van hun werk, zagen zij, dat de broêr geluierd had en dat hij niet eens buiten de hut was geweest; ja, dat hij zelfs het weinige, dat er nog van den vorigen dag was overgebleven, had opgegeten. Dit maakte hem boos en hij zei tot zijn schoonbroêr: „Ik moet naar het land gaan, om het terrein in orde te brengen. Ik moet in het bosch gaan, om mij wild te verschaffen, en in mijn bootje de rivier opvaren, om visschen te vangen. Ik moet al het werk doen, terwijl jij niets uitvoert en alle dagen maar ligt te luieren in je hangmat. Al ben ik vermoeid, toch moet ik weêr uitgaan, om visch te gaan halen.”

Terwijl hij dit op een alles behalve vriendelijken toon zei, nam hij zijn harpoen-lans* en toog op weg naar de kreek. De schoonbroêr nam op zijn beurt zijn kapmes, en na het gescherpt te hebben, volgde hij den man in zijn korjaal. Beide mannen ontmoetten elkander juist op het oogenblik, toen de echtgenoot met zijn boot terug wilde keeren, nu hij een grooten visch had weten te bemachtigen. „Hallo! nu al terug!” zei de schoonbroêr. „Ja”, antwoordde de ander, „ik heb een grooten visch geschoten, hier is hij”. „Nu, leen mij dan je lans”, zei de eerste weêr, „ik wil zien, of ik ook zoo’n grooten visch kan schieten als jij”. Toen beide korjalen naast elkander lagen, hief de man zijn lans omhoog en wilde het wapen juist naar de boot van zijn schoonbroêr richten, toen hij op hetzelfde oogenblik door het kapmes werd getroffen, waarmeê hij twee sneden ontving, die hem dood deden neêrvallen.

De moordenaar probeerde nu het lijk kwijt te raken en het in het water te werpen. Maar zijn zuster, die haar broêr zijn kapmes had zien scherpen, was in toorn de hut uitgeloopen, en had, bevreesd dat hij er iets kwaads meê voor had, tegen haar kinderen gezegd: „jelui oom is zeker boos over iets; hij scherpt zijn houwer, en is jelui vader achterna gegaan. Laten we gaan zien, wat hij wil gaan doen”.

Met haar beide kinderen was zij haar broêr gevolgd en zij kwam juist aan bij de rivier op het oogenblik, dat hij probeerde, het doode lichaam overboord te werpen. „Neen, doe dat niet, broêr”, zei ze. „Nu je hem gedood hebt, moet je zijn lijk meê naar zijn hut nemen en hem daar begraven”. Hij deed, wat hem werd gevraagd, nam het lijk meê in zijn korjaal en begon een boom te vellen, om hout te hebben voor zijn laatste rustplaats. In dien tusschentijd zond de vrouw van den vermoorde hare kinderen naar diens broêr en oude moeder, met de boodschap, dat zij niet ongerust moesten zijn, maar eens moesten komen. Moeder en zoon lieten niet op zich wachten en toen zij naderbij kwamen, zagen zij, dat hij juist gereed was gekomen met het uithollen van den stam, de lijkkist in de hut had gebracht en nu bezig was een graf te graven. De broêr van den vermoorde was woedend, maar zijn moeder zei: „Hinder de man niet: wij willen eerst eens zien, wat de weduwe denkt te doen”. Deze wachtte bij het graf met een kapmes in haar hand en zei tot den moordenaar, wat haast te maken.

Toen de delver met het graf gereed was, liet hij de kist er in zakken, legde hij er het lijk in, dat hij netjes gekleed had en met verf en sieraden had opgetooid, en gaf het zijn mes, zijn vischhaken en andere voorwerpen van zijn voormalig bezit meê. Toen hij eindelijk met zijn nog met bloed bevlekte handen begonnen was, het graf met aarde dicht te werpen, trof zijn zuster, die achter hem stond, hem met haar kapmes in den nek en na enkele oogenblikken bloedde de delver dood.

Er werd nu een tweede graf naast het eerst gegravene gedolven, en daarin legde de zuster hem, zooals hij in zijn naaktheid was, neder, zonder kleeding, zonder sieraden, zonder zijn bezittingen, want zij voelde niet het minste medelijden of spijt jegens haar broêr.

Den zelfden dag vertrokken de moeder en de broeder weêr naar hun woonplaats, na de weduwe te hebben overgehaald, bij hen haar intrek te nemen en de kinderen mede te nemen. Dadelijk na aankomst in het verblijf der oude moeder nam haar zoon de zorg voor de weduwe op zich, legde haar in zijn hangmat en zei tegen zijn vrouw, dat hij liever deze vrouw nam, omdat deze kinderen had, en zij hem geen kinderen kon schenken.

In het nieuwe verblijf voelden de kinderen van de weduwe zich weinig op hun gemak. Iederen morgen, nadat zij wat hadden gegeten, begaven zij zich zoo gauw zij konden naar het graf van hun vader en keerden zij eerst laat op den dag terug. Op den derden dag van hun bezoek aan het graf ontmoetten zij een Heboe*, maar de kinderen herkenden hem niet. De Heboe sprak tot hen: „Wanneer jelui je vader weêr terug wilt hebben, moet je een blad van een zekeren boom (hij noemde den boom) plukken en er mede over het graf heen en weêr wrijven. Dan zal hij verschijnen”. [55] „Maar we kennen den boom niet”, antwoordden zij, en toen de kleine man eenige bladen van den bedoelden boom had geplukt, wees hij hun, hoe zij de bladeren over den grond moesten wrijven, waar hun vader lag begraven, en drukte hen op het hart, dit den volgenden morgen dadelijk te doen en dan ’s middags terug te komen. Hun vader zouden zij dan zien.