Mythen en sagen uit West-Indië

Part 8

Chapter 84,175 wordsPublic domain

Hij was met pijl en boog ver het bosch ingegaan, om zich een voorraad wild te verschaffen. Maar hij zag niets en zijn wapens bleven ongebruikt. Ik vertel hier van een ouden Arowak, die heel lang geleden geleefd heeft. Laat in den namiddag echter schoot hij een baboen*; het bleek een wijfje te zijn. Het was al te laat, om er meê naar huis te gaan en daarom maakte hij een banab* om er den nacht in door te brengen. Toen hij er mede gereed was, sneed hij den staart van het dier af, roosterde dezen en deed er zijn maal mede. De rest van het lichaam legde hij op den barbakot*, om het den anderen morgen gerookt en gedroogd te hebben.

Toen hij den volgenden dag reeds vroeg het bosch weêr inging, was hij buitengewoon gelukkig, want hij keerde des avonds beladen met wild in de banab terug. Zijn verbazing kunt ge denken, toen hij, in zijn tijdelijk verblijf komend, een vrouw in de hangmat zag liggen en geen baboen op den barbakot vond. Niet begrijpende waar zij vandaan was gekomen, vroeg hij haar, wat ze daar deed. „Wel, ik had met je eenzaamheid te doen en kom je gezelschap houden; ik zal het vleesch voor je toebereiden”. Toen hij verder vroeg, verzekerde zij, dat er geen baboen op den barbakot was, toen ze hier aankwam. Maar de man begon haar afkomst een weinig te begrijpen, toen hij zag, dat haar vingers van nature omgebogen waren [38] en dat zij met haar eene hand moeite deed, de vingers van de andere hand te strekken. Hij vroeg haar toen, of zij niet zelf de baboen was, die zoo geheimzinnig verdwenen was. Maar zij bleef ontkennen. De vrouw zag er echter zóó goed uit, dat de man niet verder aandrong en besloot haar tot zijn vrouw te nemen.

Zóó gelukkig leefden zij nu, dat zij geen enkel geheim meer voor elkander hadden. Eens op een dag vroeg de man weêr naar den verdwenen baboen en ditmaal bekende zijn vrouw, dat zij de baboen was, die hare gedaante had aangenomen; maar zij verbood hem dit aan iemand te vertellen.

Enkele dagen later verlieten beiden de banab, en gingen zij met een goeden voorraad wild op weg naar de hut van den man. Langen tijd leefden ze hier gelukkig. Het is waar, dat de man herhaaldelijk door zijn stamgenooten naar de afkomst zijner vrouw werd gevraagd; maar hij bleef zwijgen als een pot.

Eens op een morgen, toen zij in de vroegte de baboens weêr hoorden brullen, vertelde de vrouw aan haar man, dat haar ooms nu bezig waren, kassiri* te drinken en gaf hem te kennen, dat zij het prettig zou vinden, hun een bezoek te brengen en van de partij te zijn. De baboens waren bezig, op de uiterste takken van een hoogen mora*-boom hun vervaarlijk gebrul te laten hooren, en deze boom was dik genoeg, om een geschikt voetpad naar boven aan te leggen. Toen zij dit gereed hadden, togen zij op weg; steeds hooger en hooger klommen zij, totdat zij eindelijk in het echte Baboenland* waren aangekomen. Zij kwamen het eerst over den drempel van een groote hut. En wat hadden de baboens een hoeveelheid drank! En wat waren er een massa baboens, die aan het drinken waren! Iedereen raakte dronken en begon daarop te brullen, terwijl zij allerlei vragen tot elkander richtten.

Al weêr werd nu onzen vriend naar de afkomst zijner vrouw gevraagd, en nu, denkende: „ik bevind mij te midden van haar eigen stam; nu mag ik toch wel de waarheid zeggen”, vertelde hij, dat zijn vrouw een echte baboen was. Niet zoodra had hij echter de verboden woorden gesproken, of alles—vrouw, drank, hutten en baboens—verdween oogenblikkelijk. Geheel alleen bleef hij nu op den top van den hoogen Mora-boom achter.

Hoe moest hij nu naar beneden komen? Hij zat te hoog om omlaag te durven springen, en de stam was te kolossaal om zich naar beneden te laten glijden. Hij wist waarlijk niet wat te doen, en was de wanhoop nabij. Na eenigen tijd kwam er een Bunia*-vogel aanvliegen, die hem vroeg, wat hij daarboven zoo alleen uitvoerde; en toen de vogel vernam, hoe de arme kerel zijn vrouw had verloren, omdat hij verklapt had, dat zij tot de natie der Baboens behoorde, bood hij zijn hulp aan, om hem veilig en wel naar den grond te brengen.

De man was ontsteld en vroeg den vogel, hoe hij dit zou aanleggen; maar hij zei, dat hij hetzelfde middel zou toepassen, dat hij te baat neemt met de wortels van de Kofa*. Hij gehoorzaamde aan den gegeven raad en spoedig bereikte hij door middel van de naar beneden hangende wortels van den liaan den grond, en de man was in veiligheid.

Tot zoover ging het goed, maar nu wist hij nog niet waar hij was; hij kende geen middel om de richting naar zijn hut te vinden. Gelukkig kwam er nu een prachtige kolibri om hem heen vliegen, en nadat dit schitterend vogeltje had aangeboden, hem den weg te wijzen, vertelde het hem, dat hij maar te volgen had, waar het heen vloog. Maar de kolibri vloog te snel en de man kon niet gauw genoeg volgen. Het diertje vloog toen weêr terug en begon opnieuw, nu de richting van een rechte lijn volgende, waarna het verdween.

De man volgde de lijn en kwam toen aan een pad, waar de kolibri hem opwachtte en hem zei: „Volg het pad”. De man deed zulks en bereikte eindelijk zijn hut.

NO. 13. SCHILDPAD, DIE BOSCHRAT ER IN LIET LOOPEN. (C.)

Er was eens een tijd van langdurige droogte en voedselschaarschte, toen Boschrat*, bezig om eten te vinden Schildpad* tegenkwam, die ook probeerde wat van zijn gading te ontdekken. Na elkander gegroet te hebben en naar elkanders bezigheden te hebben gevraagd—van waar zij kwamen en waar zij heengingen—begonnen zij over de moeilijkheden te praten, en, zoo van het eene op het andere komend, werd er eindelijk de vraag te berde gebracht, wie van beiden wel het langst zou kunnen vasten, als de nood er toe drong. Zooals dit bij menschen en dieren altijd het geval is, betwistten zij elkander den voorrang, en ten slotte besloten zij tot een wedstrijd, en wel op deze wijze, dat telkens een van de twee een boom zou uitkiezen, terwijl de andere zóó lang zou moeten vasten, tot de boom vrucht zou hebben gedragen. De Boschrat koos een pruimeboom*, en toen zij dezen van een omheining had voorzien, sloot zij Schildpad daarbinnen op. Iedere maand bracht de Boschrat een bezoek aan de vrijwillige gevangene. „Nog levend?” riep de Boschrat. „Waarom niet”, antwoordde Schildpad, „er kan mij niets overkomen”. Iedere maand werd dit gesprek in den tijd van een half jaar herhaald, tot dat aan het einde van dien tijd de knoppen van den boom zich openden, de bloemen vrucht zetten en de vruchten waren afgevallen. De omheining werd toen verbroken en Schildpad wandelde zegevierend naar buiten.

Nu was het de beurt aan de Boschrat, om te toonen, wat hij kon. Schildpad bouwde nu een omheining om een kasjoe-boom*, sloot de Boschrat op en vertrok. Toen een maand om was, kwam Schildpad te voorschijn en riep buiten de omheining de gevangene toe: „Wel, nog levend?” waarop Boschrat antwoordde: „Ja, in blakenden welstand”. Maar na de tweede maand, toen Schildpad dezelfde vraag kwam doen, kreeg zij ten antwoord: „Ja, nog levend, maar wat slapjes”. Maar nadat weêr een maand verloopen was en Schildpad terugkwam, kreeg zij geen antwoord meer, toen zij haar gewone vraag herhaalde. Boschrat was niet meer levend. De vliegen op het doode lichaam leefden echter wel.

De Boschrat had er niet aan gedacht, dat de kasjoe slechts eenmaal in de drie of vier jaar vruchten draagt.

NO. 14. DE BEDRIEGER BEDROGEN. (C.)

Tawaroe-wari, een Caraïb, was eens op een dag zoo gelukkig een jongen arend te vangen. Hij bracht het dier naar zijn hut en maakte het spoedig geheel tam. Tawaroe-wari moest er nu geregeld op uitgaan, om jonge baboens voor hem te schieten. De brulapen vonden dit alles behalve prettig en zij belegden een groote vergadering, waarin zij beslisten, dat wanneer de man zich weêr in hunne nabijheid vertoonde om een hunner te dooden, zij hem in handen zouden zien te krijgen en hem aan een boom zouden ophangen. Toch schoot Tawaroe-wari korten tijd daarna weêr een baboen. Een menigte baboens daalden toen uit de boomen neêr, omsingelden en grepen hem. Daarna hingen zij hem met een liaan, die zij uit de boomen los maakten, op, en, na hem op vreeselijke wijze bevuild te hebben, lieten zij den man aan zijn lot over. Voor zij allen vertrokken, riepen zij: „zoo is het goed; nu zullen de arenden hem komen opeten.” Maar deze deden het niet, want al spoedig daalde een groote arend, die den man van verre had geroken, tot dicht bij hem neêr, en vroeg hem, waarom hij op deze wijze was opgehangen. „Alleen, omdat ik baboens heb geschoten”, antwoordde hij. Toen de arend verder vroeg, voor welk doel hij ze noodig had en hij ten antwoord gaf, dat het was om voor een jongen arend, dien hij in zijn hut verzorgde, eten te hebben, maakte de vogel onmiddellijk de lianen los, gaf hem de vrijheid, en daarbij nog twee baboens voor den baby-arend meê, die hij nog gauw even had bemachtigd.

NO. 15. TIJGER EN MIERENETER. (C.)

Eens op een dag ontmoette Tijger vriend Tamanoea* in het bosch en nam hem in de maling om zijn grappigen bek en zijn wonderlijke lompe voeten. „Geeft niets”, zei Tamanoea, „al is mijn bek lang en dun, en mijn voet lomp, toch kan ik, als het moet, even goed vleesch eten als jij, en als het er op aankomt, ben ik ook even sterk als jij.” „O, neen! dat heb je mis!” antwoordde Tijger. Zij begonnen nu te redetwisten. Ten slotte beweerde Tamanoea, dat hij wel eens een pijp in den mond van Tijger zou willen zien, en toen deze daarop zijn kaken wijd openzette en zijn slagtanden liet zien, lachte Tamanoea hem hartelijk uit, uitroepende: „ik geef daar weinig voor”. Dit ergerde Tijger, die van zijn kant vroeg, in Tamanoea’s mond te mogen zien. Toen deze deed, wat Tijger vroeg, riep deze uit: „Wat, durf jij beweren, dat je vleesch kan eten? Ik geloof er niets van; je hebt in je leven nog geen stukje vleesch geproefd”. „Je liegt”, antwoordde Tamanoea, „want dezen morgen heb ik mij nog te goed gedaan aan het overschot van een hert, dat jij hebt laten liggen. Als je mijn verteringsresten maar eens goed bekijkt, zal je moeten bekennen, dat ik minstens evenveel vleesch heb gegeten als jij”. Zij kwamen nu overeen, onmiddellijk het bewijs te leveren, nadat Tamanoea gedaan had weten te krijgen, dat zij, terwijl zij bezig waren, beiden de oogen zouden sluiten. Maar niet zoodra hadden zij zich neergezet, of Tamanoea opende heimelijk zijn oogen en verwisselde haastig zijn excrementen voor die van zijn tegenpartij.

„Doe je oogen open”, riep nu Tamanoea, waarna beiden het resultaat in oogenschouw gingen nemen. Toen nu Tijger het verteringsoverschot van Tamanoea bekeek, begreep hij er niets van, en moest hij bekennen, dat zijn tegenstander inderdaad dien morgen vleesch had gegeten en nog wel een groote hoeveelheid ook.

Tijger begon nu te piekeren over hetgeen zijn eigen maal had opgeleverd, en zei: „Nog nooit is me zoo iets overkomen; ik moet stellig ziek zijn”. „Ziek ben je zeker”, antwoordde Tamanoea, „en slapjes ook; want hoewel mijn voeten zoo lomp zijn, door bij het loopen mijn teenen steeds naar buiten te buigen, [39] kan ik toch even hard vooruitkomen als jij”.

Tijger werd door deze laatste grootspraak zóó geprikkeld, dat hij zich tot den strijd gereed maakte. Hij deed een sprong, maar op het zelfde oogenblik boog Tamanoea zijn kop voorover, en Tijger bij zijn ribben grijpend [40] was hij nu meester in den strijd, en perste hij hem zóó hevig samen, dat Tijger dood neêrviel. [41]

NO. 16. HARIWALI EN DE WONDERBOOM. (A.)

Hariwali was een knappe, ijverige piaiman, die een groot deel van zijn tijd besteedde aan het openkappen van het bosch voor zijn twee vrouwen. [42] In de hut, die hij met de vrouwen en kinderen bewoonde, hield ook zijn broeder verblijf. Wanneer hij de boomen aan het vellen was, gingen de vrouwen om beurten naar het veld, om hem kassiri* te brengen.

Op een keer gebeurde het nu, dat toen een der beide vrouwen als gewoonlijk met de verfrissching voor hem op weg was, zij haar schoonbroêr ontmoette, die eenige strengen itiriti* droeg, om er korven van te vlechten. „Hallo!” zei hij, „waar ga je heen?” waarop de vrouw antwoordde: „ik ga kassiri aan mijn man brengen, die op het veld is—maar je bevalt mij. Hou je ook van mij?” „Neen” zei hij, „dat heb je mis, en als ik van je hield, zou mijn broêr, die immers piaiman is, er spoedig achterkomen”. Maar de vrouw hield aan, probeerde hem te vleien, waarop zij eindelijk haar armen om zijn hals sloeg. Hij was maar een mensch, en liet zich ten slotte de liefkozingen van zijn schoonzuster welgevallen, nadat zij hem verzekerd had, dat haar man nooit te weten zou kunnen komen, dat zij hem bedrogen had.

Nadat zij weder elk hun eigen weg waren gegaan, brak de vrouw nog voor zij het veld bereikt had, haar kalebas, en verwondde zich de knie aan een puntig stammetje, waardoor ze begon te bloeden. Toen Hariwali haar zoo langzaam, kreupel loopend zag aankomen, vroeg hij haar, wat er gebeurd was. Zij kon niets anders doen, dan op de schram en het bloed van de gewonde knie te wijzen, en hem te vertellen, dat zij een ongeluk had gehad en gestruikeld was over een boomstronk. Maar haar man was een listige piaiman, en wist heel goed wat er gebeurd was, en hoewel hij toen niets liet merken, besloot hij zich niet alleen op haar, maar ook zijn andere vrouw te zullen wreken. Hij wilde haar nu zoo gauw mogelijk kwijt zijn, en verzocht haar, dadelijk terug te gaan.

Den volgenden morgen vroeg hij de vrouwen, hem te willen vergezellen, daar hij wilde gaan visschen en haar noodig had, om zijn vuur aan te leggen en zijn eten te koken. Toen zij goed en wel aan den poel waren aangekomen en de vrouwen het vuur gereed hadden, bracht haar man een schildpad, die zij levend op de heete asch neerlegden. Het dier kroop echter onmiddellijk van zijn onaangenaam verblijf weg. Dit was het kwade voorteeken, dat beider dood voorspelde. De piaiman had haar n.l. betooverd en zij dachten, dat zij de schildpad reeds gedood hadden. „Maar misschien is het vuur niet heet genoeg”, dacht de trouwelooze echtgenoote; „ik ga nog wat droog hout halen.” Toen zij nu het hout aan het breken ging, bleek het buitengewoon hard te zijn, hetgeen haar deed uitroepen: Tata-Ketaiaba (=hard om te breken); maar nauwelijks had zij deze woorden uitgesproken, of zij vloog weg in de gedaante van een valk, een boel-tata, die zoo vaak zijn huiveringwekkend boel-tata laat hooren. Hariwali had dit gedaan.

Zijn andere vrouw had het erg warm gekregen, en ging daarom even naar de rivier, om een bad te nemen, maar nauwelijks was zij ondergedoken of Hariwali veranderde haar in een bruinvisch*. Zij was de eerste bruinvisch, die de rivieren ooit hebben voortgebracht. Toen Hariwali nu op deze wijze zijn vrouwen had gestraft, was de beurt aan zijn broêr. Hoe zou hij nu dezen laten boeten voor hetgeen hij jegens hem misdreven had?

Toen Hariwali in zijn hut terugkeerde, stond hij, dien hij zocht, juist gereed om met pijl en boog op jacht te gaan. Hij begroette hem niet. Hij had zijn maatregelen genomen, en deze hadden goede uitwerking, want terwijl diens pijlen nooit misten, troffen zij nog dienzelfden middag ongeloofelijk ver van het doel. Zijn broêr gaf het echter niet op en probeerde andermaal een vogel te raken, maar ook nu doodde hij het dier niet, dat slechts enkele veeren liet vallen. „Doe dat niet meer”, zei de vogel, „en kijk nu eens achter je”. En zoo waar, toen hij zich omdraaide, zag hij een uitgestrekt watervlak, en ontdekte hij tot zijn schrik, dat hij op een eiland was.

Maar hoe daar nu vandaan te komen? Hij wandelde heen en weêr, naar alle kanten zocht hij een uitweg, tot hij ten slotte een pad vond, maar geen gewoon pad, maar Jawahoe’s pad, dat leidde naar het verblijf van den Geest. Toen hij daar aankwam, pakte de Jawahoe hem beet en nam hem al zijn beenderen uit het lijf, [43] behalve die van zijn vingers. Jawahoe was zoo vriendelijk dit te doen, opdat hij niet ontvluchten zou. De Geest legde hem nu in de hangmat en verzorgde hem zoo goed hij maar kon. De beenderen hing hij in een bundel op onder het dak van de hut.

Deze Jawahoe was een echte huisvader met een menigte zoons, die altijd met hun pijl en boog bezig waren. Wanneer nu hun pijlen stomp werden, behoefden zij maar naar de hangmat van den gevangene te gaan, om ze te scherpen aan diens beenige vingertoppen.

Al dien tijd jammerde Hariwali’s moeder des nachts over haar afwezigen zoon, die op zoo geheimzinnige wijze verdwenen was; maar ten laatste kreeg de piaiman, die zijn broêr door nooit falende tooverkunsten aan de macht van den Geest had overgeleverd, medelijden met haar, en keerde hij naar zijn hut terug. Zoodra hij zijn moeder zag, beduidde hij haar, dat zij alles wat zij in de hut hadden, bijeen moest pakken, om ten spoedigste van de plaats weg te gaan; want dat zij allen het dorp voor altijd zouden moeten verlaten, wanneer hij er met zijn broêr zou terugkeeren.

De nacht vóór het vertrek liet de piaiman met zijn tooverrammelaar het shak shak hooren, waarmede hij zijn Geestenvrienden opriep—en ziet, den volgenden morgen vlogen er een menigte papegaaien over zijn hut. Zijn kinderen maakten hem er opmerkzaam op en hij had nog juist tijd, de vogels toe te roepen, een zaad van zekeren boom te laten vallen, van wiens bast de Indiaansche medicijnmeesters bij hunne genezingen gebruik maken. De vogels voldeden onmiddellijk aan het verzoek en hoewel de jongens het zaad hadden zien vallen, konden zij het nergens vinden.

Hariwali had er echter dadelijk zijn voet op gezet. Daar kinderen er niets meê te maken hadden, wat hij ging doen, zei hij, dat er geen zaad gevallen was en dat zij zich zoo gauw mogelijk moesten verwijderen. Het jonge volk mag immers niet zien wat de oude piaiman voor kunsten uitvoert!

Zoodra Hariwali alleen was, legde hij het zaad in den grond, op dezelfde plek, waar het was neêrgevallen, en nadat hij den zelfden avond zijn tooverkunsten met den rammelaar herhaald had, stond den volgenden morgen op de plek een statige boom. Zoodra Hariwali nu de vrucht van zijn kunde had gezien, riep hij zijn moeder, wie hij gelastte, alles wat zij bij elkander had gepakt, aan de takken van den boom te hangen, en te wachten, tot hij met zijn broeder zou terugkeeren.

Zoodra hij nu op de woonplaats van Jawahoe was aangekomen, waar hij de geheele familie afwezig vond, nam hij zijn gevangen broeder uit de hangmat, trok den bundel beenderen van het bladerdak der hut en maakte, dat hij met zijn last wegkwam. Maar ongelukkig kwam de Geest eerder terug, dan hij gedacht had, en deze, ziende dat de hangmat leeg was en de beenderen verdwenen waren, begreep dadelijk, wat er gebeurd was. Hij ontdekte spoedig het versche spoor en zond zijn honden vooruit, om de vluchtelingen op te sporen. Arme Hariwali, arme broêr! Deze hoorden het blaffen van de honden en het fluiten van den Geest, maar zij hadden nog juist den tijd, om in het hol van een armadil* te kruipen. Pas waren zij er in, of Jawahoe kwam aanrennen, die hen toeriep, onmiddellijk te voorschijn te komen, want anders zou hij hen met een stok doorboren. De vluchtelingen lagen echter diep en laag en antwoordden niet. Jawahoe, daarop woedend geworden, bracht een stok met een harden stoot in het hol, maar Hariwali greep hem vast en veranderde het harde voorwerp onmiddellijk in een kapassi-slang*.

Jawahoe nu, denkende, toen hij de slang zag, dat hij zich vergist had en het spoor der vluchtelingen kwijt was geraakt, verwijderde zich nu en ging elders zoeken. Toen Hariwali zich overtuigd had, dat het gevaar voorbij was, plaatste hij de beenderen weêr in het lichaam van zijn broeder en toog met hem op weg naar zijn dorp.

Hoe verheugd was zijn moeder, haar beide zoons weêr te zien! Zij had inmiddels alles aan de takken van den zwaren boom opgehangen, en had zich met haar dochter en kleinkinderen voor een lange reis gereed gemaakt. Toen het avond begon te worden, klommen zij allen, groot en klein in de onderste takken, waarop zij beschutting vonden onder het dichte gebladerte, terwijl Hariwali nog hooger klom en hier met zijn tooverrammelaar begon te werken.

Midden in den nacht voelde de familie beneden plotseling, dat de boom begon te schudden; zij hoorde rommelende geluiden, gevolgd door trillingen, en kregen de gewaarwording, dat de boom zijn wortels uit den zandachtigen bodem begon los te maken, en op het punt was, er vandoor te gaan. [44] Juist waren ze voornemens de lange reis te ondernemen, toen Hariwali’s zuster, haar oogen naar beneden richtend, zich herinnerde, dat zij haar kwejoe* in de hut had achtergelaten. Zij riep haar broeder boven in den boom toe: Dekeweyo-daiba (ik heb mijn voorschoot vergeten) en toen zij ten antwoord kreeg, dat zij het moest gaan halen, veranderde zij op het oogenblik, dat zij haar hut had bereikt, in een wicissi-eend*. Nog altijd kan men deze eend „dekeweyo-daiba” hooren roepen, hoewel niet zoo duidelijk, als wanneer de woorden langzaam zouden worden uitgesproken.

Wat de rest van de familie betreft—wel, wij weten, dat de boom ergens heen vloog, maar nooit hebben wij iets van de menschen vernomen, die er op waren, toen hij van de plaats, waar hij zoo gauw gegroeid was, vertrok.

NO. 17. DE LEGENDE VAN DEN OUDEN MAN’S VAL.

In lang vervlogen tijden, zoo vertellen onze voorouders, bevonden zich boven den Potaro-val* meerdere Indianen-dorpen. In een der hutten woonde een oude man, die half blind en een ieder tot last was. Want, hoewel hij vroeger sterk en vlug was geweest, werden zijn arme lijdende voeten door een menigte zandvlooien* geplaagd, die er zich venijnig hadden ingegraven. De oude, hulpelooze man had steeds meer verzorging noodig—en dit verdroot den jongeren, die er ten slotte de brui van gaven en uitriepen: „Wat helpt dat? Laten we hem laten liggen en laat hem maar schreeuwen! Wie er lust in heeft, ga zijn gang. Hij is een lastige, afzichtelijke oude man geworden. Wat is er aan te doen? Allen wenschen zijn dood”. Niemand wilde echter het hoofd van den armen man klieven. „Laat hij gaan naar het land der Geesten”, riepen sommigen, „de rivier zal hem er wel brengen; als zijn lijden nog langer voortduurt, zal hij toch sterven. Wij kunnen hem niet meer helpen; wij zondigen dus niet”.

Toen zei de kapitein: „Breng een korjaal, [45] leg er den oude in, maar verzuim vooral niet, al hetgeen hij bezit er ook in te leggen; laat hier niets van hem achterblijven, want wij wenschen geen voordeel, doch willen alleen aan zijn lijden een einde maken. Wij zenden hem naar een andere wereld, en laten hem niet met ledige handen gaan; want anders zouden we zondigen”.

De jongeren gehoorzaamden. Zij brachten den gevraagden korjaal, legden den ouden man met zijn bezittingen er in, duwden het vaartuigje vooruit en zagen hem langzaam stroomafwaarts drijven. Het geraas van den naderenden waterval moet voor hem een benauwende droom geweest zijn, maar zijn angst duurde niet lang, want—slechts eenige oogenblikken daarna stortte het bootje met het slachtoffer en al zijn zandvlooien naar omlaag.

Het kan zijn, dat het jonge volk, dat zoo wreed was geweest, spijt heeft gehad, niet anders gehandeld te hebben; het is niet bekend, want het is al heel, heel lang geleden. Maar wel weten we, dat de klokkenvogel*, met zijn wit gevederte, in de buurt nog altijd voortgaat, des nachts zijn klokkentonen te laten hooren.

Sommige Indianen weten echter te vertellen, dat toen de man de afschuwelijke tuimeling over den val maakte, onzichtbare krachten tusschenbeide gekomen zijn, die, om zijn arm gebeente te redden, boot, met alles wat er in was, in steenen veranderd hebben. Ieder, die de rotsen daar nu ziet, zal de boot in de gedaante van een puntigen rots duidelijk herkennen en, niet ver van daar, de in steen veranderde pagaai. Het is echter niet zoo duidelijk, waar de man zelf gebleven is. „Want”, beweren de Indianen, die beneden den val wonen, „daar een sterke stroom de hardste rotsen afslijpt, zullen eerst zijn ooren en zijn neus, vervolgens zijn vingers en zijn teenen afgeslepen zijn, zoodat zijn lichaam misschien in het zand beneden den val is overgegaan”.