Mythen en sagen uit West-Indië

Part 10

Chapter 104,180 wordsPublic domain

Den anderen morgen volgden de kinderen op, wat de Heboe had gezegd, en toen zij des middags terug kwamen, zat hun vader in de hut. Hij ging naar hen toe en zei: „Haal wat water voor mij: ik heb dorst”. Nadat hij wat gedronken had, vroeg hij: „Waar is jelui moeder?” Toen hij hoorde, dat ze bij haar schoonmoeder woonde, droeg hij hen op, haar te gaan halen. Toen de kinderen bij hun moeder kwamen en haar alles hadden verteld, wat ze gezien hadden, riep zij uit: „Hoe kan dat nu? Hoe kan jullie vader mij roepen, hij is immers dood?” Zij wilde er eerst niets van gelooven, maar toen de jongens bleven aandringen en al maar riepen: „Kom toch moeder, ga toch meê, alles is waar wat wij vertelden”, volgde zij haar kinderen. Zij weigerde echter haar hangmat meê te nemen, want zij kon nog altijd het verhaal niet gelooven.

Toen zij met de kinderen bij het graf gekomen was, kon zij haar oogen niet gelooven. Want haar man zat zoowaar in levenden lijve in de hut. Het was haar echte man, die daar tegenover haar zat. Het eerste wat hij vroeg was: „Waar is je broêr?” waarop zij antwoordde: „Wat, ik doodde hem en begroef zijn lijk naast het jouwe”. „Nu”, zei haar man, „hem zal je nooit terug zien”.

Hoewel hij erg slap was, na al wat hij geleden had, was hij binnen een week weêr geheel de oude van voorheen, daar hij door zijn vrouw zóó teederlijk verzorgd werd, dat hij zijn gezondheid spoedig weêr terug kreeg.

NO. 24. HOE EEN JONG WARRAU-INDIAANTJE UIT DE HANDEN DER CARAÏBEN ONTKWAM. (W.)

Een aantal vrouwen en meisjes trokken er eens op uit om wilde ananassen* te zoeken. Zij vertrokken van haar dorp in een groote korjaal en landden ten slotte nabij een savanne*, waarop deze vruchten veel plegen voor te komen. Nadat zij een poos hadden omgezworven en een voldoend aantal dezer lekkere vruchten bijeen hadden, zetten zij zich in een kring neêr, om ze op te eten, terwijl zij druk lachten en babbelden, zooals vrouwen dit gewoon zijn te doen.

Nu hadden zij een kleinen jongen meêgenomen, die in een overhangenden boom was geklommen, waaraan de korjaal was vastgebonden, en waarin hij de wacht hield. De jongen was bang en had een gevoel, dat er iets zou gaan gebeuren. [56]

Na een poos riep hij de vrouwen toe, dat eenige mannen de rivier kwamen overzwemmen; maar de vrouwen staken er den gek meê, en riepen hem toe: „Het is best, laten ze maar komen! Wij zullen ons best met hen vermaken”. De mannen waren echter menschenetende Caraïben; want pas hadden ze den oever bereikt, of ze wierpen zich op de vrouwen, slachtten ze allen en begonnen het vleesch te koken. De jongen in den boom trilde van angst en schrik, maar durfde niet naar beneden te komen. De Caraïben bewaakten de korjaal om te zien of de een of ander de boot zou komen halen, maar op onregelmatige tusschenpoozen liepen zij heen en weêr van de plek van den misdaad naar de landingsplaats. Gedurende een van deze oogenblikken zag de jongen kans, vlug van den boom af te komen, en nadat hij zijn pijl in stukken had gebroken [57] en de stukken over zijn lichaam had gewreven, om zich dapper te maken, sprong hij in de korjaal en parelde hij zoo hard hij kon naar het midden der rivier.

Maar de Caraïben hadden gezien wat hij deed en schreeuwden: „Keer om, keer terug, je zuster leeft nog en roept om je”. Maar de jongen wist wel beter, zoodat hij stevig doorparelde en veilig in zijn dorp kwam. Hier vertelde hij zijn vader en anderen, wien het ongeluk getroffen had en wat er gebeurd was. Deze haastten zich naar de plaats des onheils, maar toen zij er aankwamen, hadden de Caraïben reeds de vlucht genomen, zoodat zij geen betaling ontvingen (= niet gewroken konden worden).

NO. 25. SLUIT DE OOGEN EN DOE EEN WENSCH. (C.)

Twee jongens hadden ieder eens een springval gezet, om Maipoeri* te verschalken. Eens op een dag kwam de jongste uit het bosch terug en riep: ik heb een tapir gevangen. Dit maakte den oudste jaloersch, die zei: „als je me voor den mal hebt gehouden, zal ik je vermoorden.” Samen gingen zij toen naar het bosch en zij zagen werkelijk den tapir met een zijner pooten gevangen in de knip. De oudste doodde het dier, sneed het vleesch af, en nam alles voor zich alleen, alleen de ingewanden voor den jongste overlatende. Deze liep daarop naar zijn moeder, vertelde haar, hoe gulzig zijn broêr geweest was en haalde haar over, om met hem naar elders te vluchten. Toen zij met hun tweeën een grooten afstand hadden afgelegd, kwamen zij aan een hoogte. Hier sprak de jongen: „Moeder! sluit uw oogen en zeg: ik verlang hier een veld met bananen en patatten*, met een hut er vlak bij.” De oude moeder deed het, en kijk! alles was er wat zij gewenscht had.

Langen tijd leefden de twee hier tevreden en gelukkig, maar de moeder begon oud te worden. Haar zoon zei toen eens: „Moeder! Sluit uw oogen en zeg: ik wensch weêr een jong meisje te zijn.” Zij deed wat de jongen gezegd had, en ziet, zij was onmiddellijk een zóó lief en aantrekkelijk meisje geworden, dat haar zoon trots op haar was, en dat het verlangen bij hem opkwam, haar ook door anderen te laten bewonderen. Hij zei toen weder tot zijn moeder: „Moeder! sluit uw oogen en zeg: ik wensch dat mijn oudste zoon hier komt.” En nauwelijks had zij die woorden uitgesproken of de oudste zoon stond vóór haar.

Zij had nu een bezoeker, en natuurlijk moesten zij paiwarri* hebben. De jongste zoon zei al weêr aan de moeder, dat zij haar oogen moest sluiten en drank verlangen moest en—weêr werd aan haar verlangen voldaan en stond er een groote pot met paiwarri gereed.

Alle drie begonnen nu te drinken, totdat de oudste jongen op het laatst zóó dronken werd, dat hij de lieftallige jonge vrouw begon te liefkozen. „Hoe durf je dat te doen,” vermaande hem zijn jongere broêr. „Weet je dan niet, dat zij je moeder is?” „Neen, ik weet het niet,” antwoordde de oudste, „en wat meer is, ik geloof het niet!” Toen hij voortging met zijn liefkozingen, begonnen de beide zoons te vechten.

Toen de oudste eindelijk uit zijn dronkenschap ontwaakte, zag hij, dat hij geheel alleen was in een vreemde bouwvallige hut; er bleef voor hem nu niets anders over, dan troosteloos naar zijn woonplaats terug te keeren.

NO. 26. DE GELUKSPOT. (W.)

Op zijn weg van het bosch naar huis kwam een man eens voorbij een banab*, zonder bewoner. Hij vond er alleen een Pot, zacht pruttelend op het vuur. De Pot begon te spreken [58] en vroeg hem of hij honger had. Toen hij ten antwoord gaf: „Ik ben uitgehongerd”, zei de Pot: „Uitstekend! Ik zal een vogelbout voor je koken”. Onmiddellijk deed de Pot, wat hij beloofd had, en toen de man verzadigd was, stond hij op en vervolgde zijn weg naar zijn hut.

Daar aangekomen, zette zijn vrouw visch, die zij gereedgemaakt had, voor hem neêr. Maar de man zei, „neen, ik dank je, ik ben verzadigd”. Zoo nu en dan verzon de man een uitvlucht, om op stap te gaan, en verzuimde nimmer een bezoek aan den Pot te brengen. „Ik heb honger, je moet nu eens een hapje vleesch voor me klaar maken”, zei de man. Dadelijk begon de Pot weêr te koken en na korten tijd had hij een stevig maal tapir-vleesch. Toen hij weder bij zijn vrouw kwam, zette zij een cassavegerecht voor hem neêr, [59] maar haar man zei weêr: „ik heb geen trek, mijn buik staat bol.” Nadat hij twee dagen in de hut was gebleven en al het voedsel had geweigerd, dat zijn vrouw bij hem bracht, bracht hij weêr een bezoek aan den gelukspot, die hem trakteerde op vogelbout en vleesch en bij zijn thuiskomst verzekerde hij weêr zijn vrouw, dat hij in niets trek had.

De beide zoons begonnen nu argwaan te krijgen en fluisterden tegen elkaar: „wat moet dat toch beteekenen? Vader blijft twee volle dagen thuis, en nog heeft hij geen trek. Hij gaat naar het bosch, en als hij terug komt, wil hij nog niet eten. Waar haalt hij toch zijn voedsel van daan?” De jongens besloten, hem op een afstand te bespieden en toen zij hun vader tot bij de banab gevolgd hadden, zagen zij hem in gesprek met den Pot en hem ten slotte een lekker maal doen.

Bij zijn terugkeer bedankte hij weêr voor hetgeen zijn vrouw hem bracht. Maar er was een geringe voorraad eten voor de huishouding, en de vrouw vroeg haar man daarom, om morokot* te gaan schieten. De zoons echter begaven zich ongemerkt naar de banab, waar zij eveneens met den Pot begonnen te spreken, en om vogels en vleesch vroegen. Nadat de jongens zich te goed hadden gedaan, begonnen zij den Pot zóó goed schoon te maken, dat niet de minste geur achterbleef. Even daarna kwam de vader van den vischtocht terug en gaf den morokot aan zijn vrouw; maar hij bedankte als gewoonlijk. „Ik heb er geen trek in, ik ben voldaan”, zei hij weêr. Stilletjes sloop hij weêr weg naar zijn Gelukspot in het bosch, en vroeg hem weêr, voor hem te willen koken, maar hij wilde niet meer koken, noch voor hem, noch voor iemand anders; zóó schoon hadden ze den Pot* gemaakt. De man begon toen te jammeren, maar de Pot zei: „je bent begeerig geweest; je hebt niets van het gevogelte en het vleesch aan je vrouw en kinderen gegeven; je hebt alles alleen opgegeten.”

NO. 27. DE HONIGBIJ EN DE ZOETE DRANK. (W.)

Er waren eens twee zusters, die voor haar broêr zorgden, en al haar best voor hem deden, maar die geen drank konden bereiden, die naar zijn smaak was. De broêr vond het niets prettig, en kreeg er nu genoeg van; hij beklaagde zich bij zijn zusters, zeggende, dat hij iemand zou willen vinden, die voor hem een lekkeren zoeten drank zou kunnen bereiden, even zoet als honig. De zusters verzetten zich er niet tegen, en zeiden, dat zij maar al te gelukkig zouden zijn, wanneer hij de geschikte vrouw vond, die drank naar zijn smaak kon maken.

Eens op een dag, toen hij door het bosch ging, sprak hij luide zijn wensch uit, dat hij een vrouw verlangde, die een drank zou weten te bereiden, even zoet als de honig, die de bij weet te maken. Niet zoodra had hij zijn wensch uitgesproken, of hij hoorde voetstappen achter zich en omziende, zag hij een vrouw naar zich toekomen. „Wat wilt ge, waar gaat ge heen? Ge sprak mijn naam Kohóra* uit. Welnu hier ben ik.” De man, erg verheugd, maakte haar zijn wensch en die van zijn zusters kenbaar en toen zij hem vroeg, of hij dacht, dat zij bij zijn familie in den smaak zou vallen, antwoordde hij, dat hij daar zeker van was.

Kohóra ging dus met hem mede naar zijn hut, en toen zijn ouders hem vroegen, hoe hij aan haar gekomen was, antwoordde zij, dat zij meê was gekomen, omdat hun zoon haar geroepen had. Zij begon nu den gevraagden drank te bereiden. En hoe deed zij dat? Wel, zij had slechts haar pink in het water te steken, daarmeê het water wat om te roeren, en de drank was gereed. De drank smaakte zoet! zoet!! zoet!!! Nooit nog had de drank zóó lekker zoet gesmaakt. Van dien tijd af hadden zij nu altijd een zoeten drank; want telkens als Kohóra haar man water bracht, had zij haar pink er in te steken, het wat om te roeren en het op deze wijze zoet te maken. Maar ten slotte begon de man al dat zoete te vervelen, en hij begon er met Kohóra over te twisten. „Wel, dat is grappig”, zei ze, „je verlangdet zoeten drank; je riep mij, om dien voor je te bereiden. Ik kwam; ik maakte een lekkeren, zoeten drank voor je, en nu ben je nog niet voldaan. Je kunt er nu zelf voor zorgen”. En pas had zij deze woorden uitgesproken, of zij verdween oogenblikkelijk.

Van dien tijd af is het volk gestraft geworden, want het moet zich veel moeite geven, om in de boomen te klimmen, den honig uit den boom te snijden, en moet het den honig zuiveren, om hem voor zoetmakende doeleinden te kunnen gebruiken.

NO. 28. DE PIAIMAN EN DE STINKVOGELS*. (A.)

Maconaura* was een buitengewoon knappe piaiman; wij Indianen plegen een, die bijzonder uitmunt, een semi-chichi* te noemen. Wanneer hij zijn val of knip* in het bosch uitzette, was hij altijd zeker een of ander wild te vangen, hetzij vogels of dieren. [60] Maar eens op een keer, toen hij weêr naar zijn knip ging zien, zag hij tot zijn groote ergernis, dat de een of ander hem bestolen had, en het voor hem bestemde vleesch had weggenomen. Hij peinsde zich suf, wie dat toch gedaan kon hebben, want er waren geen voetstappen te zien, noch afgetrokken takken, die de vlucht van een of anderen vreemden gast verraden kon. Om nu den misdadiger te ontdekken, klom hij den volgenden morgen in een boom boven zijn knip en hield van uit zijn verheven zitplaats de wacht. Hij zag nu, dat er wild in zijn knip was en dat nu en dan een stinkvogel binnensloop en probeerde met zijn mes [61] stukken vleesch af te snijden, om het des te gemakkelijker eruit te kunnen krijgen. Maar het mes van dezen gier was te bot, zoodat de vogel wegvloog om den koningsgier* te halen, die een scherper mes had, en die al het vleesch schoon van het wild kon afhalen. Dadelijk kwamen nu een menigte stinkvogels aanvliegen om te helpen en in korten tijd was er geen stukje vleesch meer in den knip overgebleven.

Maconaura zag dit alles, verscholen tusschen de boomtakken, rustig aan, en telkens zag hij hetzelfde gebeuren; de koningsgier was altijd de belhamel. Hij zon nu op een middel, om den prachtigen vogel machtig te worden. Hij nam een hoeveelheid katoen [62], wikkelde zich er geheel in, zoodat zelfs ooren, neus en oogen er geheel mede bedekt waren, en legde zich doodstil vlak bij zijn val neêr, waarin zich wild bevond.

Zooals gewoonlijk kwam er al spoedig een stinkvogel aanvliegen, maar zijn mes was te bot, om hetzij Maconaura buiten den knip, hetzij het wild in den val aan te snijden. Ook nu weêr vloog de stinkvogel weg, om zijn gouverneur, den koningsgier te gaan halen. Toen deze prachtige vogel dichtbij genoeg was, greep Maconaura hem zóó stevig beet, dat de kleinere stinkvogels, die spoedig reeds present waren, er van schrokken en allen wegvlogen. De koningsgier vermoedde in zijn aanvaller dadelijk een piaiman, want nog nooit had iemand hem zóó leelijk te pakken gekregen. Eigenlijk doe ik verkeerd, hier van hem en zijn te spreken, want de vogel was een vrouwelijk exemplaar, hetgeen Maconaura spoedig zou merken, want plotseling legde de gier het veerenkleed af en veranderde in een vrouw [63], en welk een vrouw!—een beeldschoon meisje, zóó schoon, dat Maconaura smoorlijk op haar verliefd werd en haar tot vrouw nam.

Vele jaren leefde het paar tevreden en gelukkig, en de stinkvogels hielden het voortdurend gezelschap. Eens op een dag zond de vrouw Maconaura met een korf naar de rivier om water voor haar te halen; maar hoe hij het ding ook in het water dompelde, steeds liep het er door de mazen even hard weêr uit. Toen hij het nog maar niet wilde opgeven, kwamen er moeneri-mieren [64] opdagen, die zijn pogingen zagen en hem vroegen, wat hij daar deed; en toen zij van hem hoorden, hoe hij alles in het werk stelde, om aan het verlangen van zijn vrouw te voldoen, boden zij hem aan, om alle openingen van zijn korf met „mierenbed” dicht te stoppen. [65] Toen nu de mieren met hun karrewei gereed waren, liep het water niet meer weg en zoo bracht Maconaura den korf, tot aan den rand toe gevuld, huiswaarts.

Toen zijn vrouw dit zag, zei zij bij zich zelf: „Mijn man moet toch wel een ware semi-chichi zijn, om voor mij water in een korf te kunnen brengen.” Zij begreep er evenwel niets van en besloot hem nu een tweede maal op den proef te stellen.

Zij zond hem er nu op uit, om een stuk bosch voor haar schoon te kappen, maar toen hij iederen morgen het werk wilde voortzetten, zag hij tot zijn bevreemding, dat alle boomen, die hij den vorigen dag geveld had, weêr recht overeind stonden. Wat was de oorzaak daar wel van? Wel, op verzoek van den koningsgier vlogen alle stinkvogels iederen nacht naar het veld, en zetten de boomen, die op den grond lagen, weêr overeind! Arme Maconaura! Hij begreep er nog steeds niets van. Maar hij wist er iets op. Hij ging nl. naar de Koeshi-mieren* en verzocht hen, al het gevelde: stam, takken en bladeren voor hem te willen weghalen—hetgeen zij ook deden. Tegen zulke vernielers konden de stinkvogels niets uitrichten, en met de hulp van dit kleine grut gelukte het Maconaura het veld spoedig schoon te kappen.

Zijn vrouw, die steeds meer tot de overtuiging kwam, dat haar man een groote piaiman was, wilde hem toch nog eens voor de derde maal op de proef stellen. Zij zond hem er nu op uit, om een zitbank voor zijn schoonmoeder te maken, met aan elk uiteinde de uitgesneden beeltenis van de oude vrouw. Dit zou, dacht zij, voor hem wel geheel onmogelijk zijn en Maconaura geloofde dit ook, want hij had nog nooit een oog naar zijn schoonmoeder* geslagen. Hij dacht: „Nooit opgeven!” Maar iedere keer, dat hij even in de richting der oude vrouw keek, bedekte zij onmiddellijk haar gezicht met haar beide handen, en draaide het opzij of naar beneden. „Hoe nu”, dacht Maconaura, „krijg ik haar gelaat naar boven, zoodat ik er een goed gezicht op heb”. Daar kreeg hij een inval. Zonder dat de vrouw het merkte, klom hij tegen het dak van haar hut, en wierp hij een bajaboe* naar beneden, die in haar lendenkleed terecht kwam, zoodat de oude haar armen uitspreidde en een klein oogenblikje naar boven keek, juist lang genoeg, om zijn doel te kunnen bereiken. Maconaura begon nu met zijn werk; hij hakte het blok hout in een zoodanigen vorm, dat hij aan ieder uiteinde het goed gelijkende portret van zijn schoonmoeder kon maken.

Toen het werk gereed was, bracht zijn vrouw het bankje naar de oude vrouw, die hartelijk begon te lachen, toen zij de beide portretten zag. Beide vrouwen verbaasden zich er over, hoe Maconaura het had klaargespeeld, om een zóó goed gezicht op zijn schoonmoeder te hebben gehad, en daardoor een zóó sprekend gelijkend portret van haar te hebben kunnen maken.

De jonge vrouw begon nu werkelijk trots op haar man te worden, ja hem te beminnen, omdat hij steeds aan haar wensch voldeed. Wanneer zij hem vroeg, wat visch te brengen, ging hij naar de rivier, en als hij er eenigen meebracht en zij pruilend haar lippen naar voren bracht, daarmede te kennen gevend, dat het niet veel was, dat hij bracht, zei hij, dat zij den korf moest openen, en de visschen zouden er, de een na den ander komen uitduikelen—ja, in zulke hoeveelheden, dat de geheele hut er meê gevuld zou worden.

Maconaura lachte maar; want hij was een piaiman, die buitengewone dingen kon doen.

Inmiddels was de gelukkige echt gezegend door een knappen jongen en .... begon de jonge vrouw heimwee te krijgen en te verlangen, haar man en kind aan haar eigen volk te laten zien. Haar verlangen werd zóó groot, dat zij van Maconaura gedaan wist te krijgen, met hem en den zoon het dorp te verlaten, want zij wilde terugkeeren naar haar vaderen boven en beneden de wolken.

Zij verlieten dus het dorp, kwamen in hun nieuw verblijf aan en bleven langen tijd bij hun verwanten, de stinkvogels. De vrouw kon niet nalaten, telkens van de groote kunde van haar man te vertellen, die alles kon doen, wat zij hem maar vroeg. De stinkvogels, daardoor nieuwsgierig geworden, begonnen hem allerlei dingen te vragen, die, naar zij meenden, onmogelijk waren—maar al het gevraagde bracht hij tot stand. De stinkvogels konden die knapheid niet velen en begonnen jaloersch te worden, zoodat zij eindelijk overeen kwamen, den man gezamenlijk te dooden.

Maconaura, die een echte piaiman was, wist, wat zij met hem voor hadden, en zei: „Uitstekend, laat mij naar mijn dorp terugkeeren en mijn vrienden gaan opzoeken. Wij zullen het daar wel uitvechten”. Onmiddellijk nam hij zijn vrouw en zijn zoontje meê, en met hun drieën togen zij weder huiswaarts. Hier aangekomen, verzamelde hij alle vogels uit den omtrek, en vertelde hun, dat zij voorbereid moesten zijn op een stormloop der stinkvogels.

Toen deze er dan ook aankwamen en het groote leger vogels zagen, gereed om hen te ontvangen, besloten zij door middel van een krijgslist zich de overwinning te verzekeren, hetgeen hun door kracht alleen niet zou gelukken.

Het voornemen der stinkvogels was nl., de geheele wereld in brand te steken, met Maconaura en al zijn vrienden er bij. Zij legden dan ook overal in het rond vuren aan en meenden, dat hun vijanden niet ontkomen zouden, maar nog juist bijtijds ontdekte Maconaura den zwarten Koeri-Koeri*, die hoog in de lucht vloog, en die aan al zijn vrienden verzocht, hem te volgen, om zich bij zijn verwenschingen aan te sluiten. En ziet—onmiddellijk begon de regen bij stroomen neêr te vallen, die alle vuren uitdoofde.

Toen nu Maconaura bemerkt had, dat zijn vrouw bang voor hem was geworden, omdat hij het doel van haar eigen volk, de stinkvogels, om nl. de geheele wereld in brand te steken, verijdeld had, verliet hij haar en ging hij zijn eigen weg. Zijn vrouw zond toen haar zoon er op uit, om haar man heimelijk te overvallen, en hem te dooden, maar of hij dit snoode plan tot uitvoering heeft gebracht, is mij niet bekend.

NO. 29. HOE HET ONGELUK OVER DE MENSCHEN KWAM. DE GESCHIEDENIS VAN MACONAURA EN ANOEANNAÏTOE. (A.)

Heel, heel lang geleden, voor nog de grootvaders van onze grootmoeders geboren waren, was, zooals de Caraïben vertellen, de wereld geheel anders dan nu. De boomen droegen altijd vruchten; de dieren leefden in volkomen eensgezindheid en de kleine Agoeti* speelde, zonder vrees te hebben, met den baard van den Jagoear. Er leefden toen nog geen giftige slangen; de rivieren stroomden gelijkmatig, er was geen buitengewone droogte, noch had men last van overstroomingen, en de watervallen gleden langzaam van de hoogste rotsen.

Er waren toen nog geen menschen op de wereld, en Adaheli, die wij nu als God aanroepen, [66] doch die toen Zon heette, werd verontrust. Hij daalde uit den hemel neêr en kort daarna werd de mensch geboren. Uit een Kaaiman* zagen beide seksen, een man en een vrouw, het levenslicht. De vrouwen waren van een verrukkelijke schoonheid, maar vele mannen hadden een terugstootend uiterlijk, en dit was de oorzaak hunner verspreiding.

Sedert de mannen met een mooi gezicht niet in staat waren, om bij hunne afzichtelijke kameraden te blijven, scheidden zij zich van hen af, trokken naar het Westen, terwijl de afzichtelijke mannen naar het Oosten gingen [67], ieder de vrouwen, die ze hadden gekozen, meenemend.

Tot den stam der in elk opzicht aantrekkelijke Indianen behoorde een jonge man, Maconaura geheeten, die met zijn moeder samenwoonde. De jongen was in één woord bekoorlijk, slank en bevallig, als men dit ten minste van een man kan zeggen; hij droeg zijn kamiesa* op elegante wijze, en vond zijns gelijke niet op de jacht en de vischvangst, zoowel als in het vlechten, zoodat alle mannen hun vischkorven* voor de laatste afwerking bij hem brachten. De oude moeder was niet minder bekwaam in het maken van hangmatten en het gereed maken der tapana*. Zij leefden in volkomen eensgezindheid, zoowel onder elkander als met de leden van hun stam. Zij hadden geen last van overmatige warmte, noch van kille vochtigheid; zij hadden niet van booze dieren te lijden; want deze kwamen in de streek nog niet voor.

Eens op een dag echter vond Maconaura zijn vischkorf gescheurd en de visschen verslonden, iets wat tot nu toe in de geschiedenis van den stam niet was voorgekomen. Maconaura zette daarom, toen hij zijn korf weêr uitzette, een hoedoedi (specht*) op den uitkijk, hem verzoekende met zijn bek tegen een boomstam te willen kloppen, wanneer iemand, hetzij mensch of dier, mocht naderen. Maar hoewel hij op het toc! toc! van den vogel dadelijk kwam toegesneld, hij kwam te laat—weêr waren de visschen verslonden en was de korf gescheurd.

Met den bananenbek* als waarschuwer ging het beter, want toen de vogel zijn pon! pon! liet hooren, kwam hij nog juist bijtijds, om zijn pijl tusschen de leelijke oogen van den kaaiman te schieten, die met een gloe! gloe! onder water verdween.