Mythen en sagen uit West-Indië

Part 11

Chapter 114,028 wordsPublic domain

Maconaura herstelde nu zijn vischkorf en vertrok. Maar nauwelijks was hij in zijn hut teruggekomen of hij hoorde weêr het signaal pon! pon! van den vogel, en toen hij aan de rivier kwam, zag hij daar een beeldschoone Indiaansche, die tranen schreide. „Wie zijt Gij?” vroeg hij. „Anoeannaïtoe”, antwoordde zij. „Waar komt Gij van daan?”—„Van heel ver!”—„Wie zijn uwe verwanten?”—„O, vraag mij dat niet”, zei ze, en zij bedekte haar gelaat met beide handen.

Het meisje, dat haast nog een kind was, nam haar intrek bij Maconaura en diens moeder. Naarmate zij grooter werd, nam haar schoonheid en bevalligheid zóó toe, dat Maconaura haar eindelijk zijn liefde bekende en haar tot zijn vrouw vroeg. Hoewel zij eerst met tranen in de oogen een weigerend antwoord gaf, stemde zij ten slotte toe, hoewel het samenleven niet correct was, daar Maconaura nog niet de toestemming harer ouders had gevraagd, wier namen hem nog altijd door zijn vrouw onthouden werden.

Gedurende korten tijd leefde het paar zeer gelukkig, totdat Anoeannaïtoe door een vurig verlangen werd aangegrepen, haar moeder te bezoeken. Maar toen Maconaura zei, met haar meê te willen gaan, dreigde zij in woede, den tocht te zullen opgeven. „Dan zal ik alleen gaan en je ouders toestemming voor ons huwelijk vragen”, drong Maconaura aan. „Dat nooit”, riep Anoeannaïtoe, „dat zou onze dood zijn, evenals die van je lieve moeder”. Maconaura was echter niet te overtuigen, „want”, zei hij, „ik heb een piaiman geraadpleegd, die mij verzekerd heeft, veilig te zullen terugkeeren.” Alzoo vertrok hij met zijn bruid.

Toen zij na verscheidene weken reizen met hun korjaal aan een kamp aankwamen, riep Anoeannaïtoe: „Wij zijn er, ik ga mijn moeder opzoeken, zij zal U een kalebas brengen, gevuld met bloed en rauw vlees, en een andere met beltiri* en cassavebrood. Ons lot hangt van Uw keus af.” De jongeman koos, toen de oude vrouw verscheen, zonder aarzelen de beltiri en het brood, waarop zij zei: „Je hebt een goede keus gedaan. Ik geef de toestemming tot het huwelijk, maar ik vrees dat mijn man zich er sterk tegen verzetten zal.” Kaikoutji* was de naam van haar echtgenoot.

Moeder en dochter gingen nu vooruit, om den man te polsen, maar dien woede was zóó groot, dat het nodig scheen, de jongen man in het bosch te verbergen, tot dat Kaikoutji eindelijk zóó zacht gestemd werd, dat hij er in toestemde den jongeman te zien. Toen zijn woede bij zijn verschijning weêr bovenkwam, riep hij: „Hoe durf je mij te naderen?” Maconaura, die hem tot bedaren wilde brengen, antwoordde: „Ja, het is waar, het huwelijk met Uw dochter was niet volgens de gebruiken, maar ik kom herstel vragen. Ik zal voor U maken wat U verlangt.” „Maak dan een halla* met de kop van een kaaiman aan de eene zijde en mijn beeltenis aan de andere,” zei Kaikoutji.

Te middernacht was Maconaura met zijn werk, op het portret na, gereed, maar dit was niet gemakkelijk, daar de man zijn hoofd door een kalebas bedekt had, waaruit alleen zijn ogen zichtbaar waren. Toen nu Maconaura zijn vrouw vroeg, haar vader te willen beschrijven, antwoordde zij: „Onmogelijk. Mijn vader is een piaiman.” „Hij kent en weet alles. Hij zou ons allebei doden.” Maconaura verborg zich nu naast de hangmat van den vader, in de hoop dat hij nu en dan wat van zijn gezicht zou kunnen zien.

Toen kwam er een makoe*, die om de oren van Kaikoutji gonsde en hem stak; maar de man, die als een bal in zijn hangmat lag opgerold, bewoog zich niet. Maconaura vreesde al, het te moeten opgeven, toen hij iets over zijn been voelde kruipen. Het was een hajara*, die tot hem sprak: „Vrees niets, heb geduld.” De spin kroop nu tegen de hangmat van Kaikoutji op en beet den slapende. Maar deze doodde de spin, en nog liet hij zijn gezicht niet zien. Maconaura werd wanhopig, maar eindelijk kwam er hulp opdagen; het was een heel leger van mieren, die hem kwamen aanvallen, en hem zóó toetakelden, dat hij, in de consternatie uit zijn hangmat oprijzend, zijn heele gezicht, zoo afschuwelijk als het was, liet zien.

Toen de morgen aanbrak, had Maconaura zijn halla gereed en bracht hij zijn werkstuk aan den vader. „Dat zal nog niet voldoende zijn,” bromde Kaikoutji, „je moet voor mij in één nacht nog een hut voor mij maken, geheel gebouwd uit de mooiste veeren.”

De jonge man voelde zich al verloren, maar plotseling lieten kolibris, jacamars* en andere vogels met een schitterend gevederte, hun veeren voor hem neêrvallen, zoodat de verlangde hut nog vóór het aanbreken van den dag gereed was, waarna Maconaura werd ontvangen als de erkende echtgenoot van Anoeannaïtoe.

Na verloop van tijd verlangde nu Maconaura zijn moeder weêr te zien, en toen Kaikoutji aan Anoeannaïtoe weigerde, haar man te vergezellen, vertrok hij alleen. Gelukkige dagen volgden nu voor hem in zijn oude hut, als hij zijn avonturen vertelde, en zijn oude moeder verhalen van heel lang geleden aan het vertellen ging, die zij in haar zwak geheugen trachtte terug te roepen. Toen nu Maconaura na eenigen tijd weêr naar zijn vrouw wilde vertrekken, smeekte zijn moeder hem bij haar te blijven, omdat de piaiman hem voor gevaren had gewaarschuwd. Maar Maconaura zei, vast besloten te zijn, nog eenmaal te willen vertrekken en beloofde zijn moeder, iederen dag een vogel te zullen zenden, die haar van zijn welstand zou verwittigen .... als de uil* kwam, zou zij hooren, dat hij verloren was.

Toen nu Maconaura eindelijk in Anoeannaïtoe’s hut was aangekomen, ontving zij hem in tegenwoordigheid zijner schoonmoeder, in tranen uitroepend: „weg, gauw! Kaikoutji is woedend over het geen hij heeft gehoord!” Maconaura stoorde zich echter niet aan de waarschuwingen, en o, onvoorzichtige, toen hij Kaikoutji’s hut binnentrad, werd hij zonder slag of stoot door een pijl tusschen zijn oogen neêrgeveld.

Maconaura’s moeder had dagelijks het droevige bouta! bouta! van den Otolin* gehoord, toen het eens op een dag door het afschuwelijke, onheilspellende popopo! van den uil werd gevolgd.

Nu wetende, dat haar zoon dood was, liet zij zich door den verkondiger van het slechte nieuws naar de plaats des onheils brengen; en toen zij zijn korjaal met zijn lijk eindelijk had gevonden, keerde zij diep bedroefd er mede naar haar volk terug.

De mannen bedekten het lichaam met een lijkkleed van prachtige veeren, en legden er de wapens en gereedschappen van Maconaura op; de vrouwen bereidden de tapana* voor de begrafenisviering en allen vereenigden zich om den doodenzang te laten hooren, het laatst vaarwel van de moeder aan haar geliefden zoon. Met alle kracht, die nog in haar was, richtte de oude vrouw zich in haar hangmat overeind en nadat zij met vuur het tragische verhaal van de liefde en den dood van haar jongen had gedaan, riep zij, terwijl zij haar schaal met tapana aan de lippen bracht: „Wie heeft het licht van mijn zoon gedoofd? Wie heeft hem gezonden naar het dal der schimmen? Woe! Woe! voor hem. Alas—jelui aanschouwt in mij, o, vrienden en broeders, slechts een arme, zwakke, oude vrouw. Ik kan niets doen. Wie van jelui wil hem wreken?” Onverwijld sprongen toen twee mannen naar voren, grepen hun schaal, ledigden deze, en hieven, naast het lichaam van den vermoorde, het Kenaima*-lied aan, terwijl zij den dans der wrake dansten. Op hetzelfde oogenblik sloop in een van hen den geest van een boa, in den ander dien van een jagoear binnen [68].

Het groote tapana-feest werd in het dorp van Kaikoetji gevierd, waar honderden Indianen vergaderd waren, mannen, vrouwen en kinderen. Zij dronken en braakten, dronken en braakten weêr. Plotseling verschenen onder de feestvierenden twee mannen, een in het vel van den Jagoear, de ander in de gevlekte schubbenhuid van een Boa-constrictor [69], en ... in een oogenblik waren Kaikoetji en allen, die om hem heen waren, gedood, een deel vermorzeld door de slagen van den Jagoear, een ander gekraakt door de omstrengelingen van den boa. [70]

De angst had enkelen weêr bijgebracht en deze grepen hun bogen en richtten hun pijlen op de woedende aanvallers. De beide Kenaima’s staakten daarop den aanval. Een van hen sprak toen: „Houdt op, vrienden, wij zijn in uwe handen, maar laat ons eerst spreken”. Toen de tegenstanders hun pijlen hadden laten zakken, vertelde hij de geschiedenis van Maconaura. Het droevig verhaal maakte blijkbaar indruk, want toen hij had uitgesproken, trad een oude piaiman naar voren en sprak: „Jonge mannen, gij hebt goed gesproken; wij ontvangen u als vrienden”.

Het feest werd nu nog vroolijker dan te voren voortgezet. Anoeannaïtoe, die in haar groote smart tot nu toe het feest niet had bijgewoond, kwam nu te voorschijn, en schreed voort langs de doode lichamen, ze een voor een onderzoekend; en toen zij eindelijk het lijk, dat zij zocht—dat harer moeder—herkend had, zette zij er zich bij neêr en hief zij lang achtereen den lofzang op den dood aan. Plotseling sprong zij daarna op, en met overeind staande haren en met een woesten blik liet zij met trillende stem het verschrikkelijke kenaima-lied weerklinken, en danste zij, danste net zoo lang, totdat de geest van de ratelslang haar lichaam binnendrong.

Tegelijkertijd vierde het volk van het andere dorp ook het tapana-feest, om de wraak te vieren, terwijl Maconaura’s moeder, beneveld door den drank, in haar hangmat van haar verloren zoon lag te droomen. Het feest was in vollen gang, toen plotseling Anoeannaïtoe verscheen. Maar zij trad eenige stappen terug, toen zij haar naam hoorde uitspreken door de droomende vrouw: „Anoeannaïtoe! Mijn kind, jij bent goed, evenals je moeder! Maar waarom kom je hier? Mijn zoon, die je verloren hebt, is niet meer. O! mijn zoon Maconaura, verheug je! Jij bent nu gelukkig, want je bent nu gewroken door het bloed van je moordenaars. Ja, je bent goed gewroken”. Onder het uitspreken van die woorden voelde Anoeannaïtoe een verschrikkelijken tweestrijd in haar ziel—de begeerte naar de liefde en de eisch der plicht. Maar bij de woorden: „gewroken met het bloed”, kon zij zich niet langer inhouden, en zich op de oude vrouw werpende, trok zij haar de tong uit den mond en schoot er het doodend gif overheen. Terwijl zij zich over haar zieltogend lichaam heen boog, sprak ze: „De kaaiman, die uw zoon bij zijn vischkorf heeft gedood, was mijn broeder. Evenals mijn vader bezat hij het hoofd van een kaaiman. Ik zou het willen vergeven. Mijn vader wreekte den dood van zijn zoon door uw zoon met hetzelfde lot te bestraffen.....met een pijl tusschen zijn oogen. Uw verwanten hebben mijn vader en velen van zijn stam verslagen. Ja, ik zou dit alles misschien nog willen vergeven hebben, wanneer zij mijn lieve moeder maar gespaard hadden. Maconaura is de oorzaak, dat wat mij het dierbaarst was, is weggenomen. Ik neem nu op mijn beurt weg, wat hem het dierbaarst was”.

Onder het slaken van een verschrikkelijken kreet vlood zij naar het bosch en ... onmiddellijk daarna vond in de natuur plaats, wat tot nu toe onbekend was geweest: de winden antwoordden met een orkaan, die de boomen neêr velde, en de zwaarste stammen ontwortelde. Dikke wolken bedekte het gelaat van Ahadeli, terwijl onheilspellende bliksemstralen en het rommelen des donders de donkere wereld deden sidderen. Ontzettende regenstroomen deden de rivieren buiten hun oevers treden. De dieren, die tot nu toe vreedzaam onder elkander geleefd hadden, begonnen elkander aan te vallen, en elkaar te verslinden. De slang trof met zijn vergif; de kaaiman verbrijzelde met zijn vreeselijke kaken al wat van levende wezens onder zijn bereik kwam; en de jagoear scheurde het vleesch uit het lichaam van den onschuldigen Agoeti.

Anoeannaïtoe, gevolgd door een heel leger van wilde beesten, zette haar zinneloozen tocht voort, totdat zij op den top van een enormen rots aankwam, waarvan een waterval met donderend geweld naar omlaag stortte. Hier staakte zij haar loop; aan den rand van den afgrond strekte zij haar armen uit, en toen, zich vooroverbuigend, plofte zij in de diepte neêr. De wateren namen haar beneden op en sloten zich boven haar. Niets was er meer van haar te zien dan een verschrikkelijke draaikolk.

Wanneer nu een vreemdeling langs den waterval komt, zal de Caraïb hem waarschuwen, niet diens naam te noemen. Het zou zijn onfeilbaren dood zijn; want op den bodem dezer wateren wonen Maconaura en Anoeannaïtoe nu gelukkig in het schitterend paleis van den Geest van het water.

NO. 30. DE KOLIBRI, DIE TABAK BRENGT AAN DEN EERSTEN PIAIMAN. (W.)

Heel lang had een man reeds met zijn vrouw samengeleefd; zij was zeer bekwaam in het vervaardigen van hangmatten, maar één ding beviel hem niet in haar: zij schonk hem maar geen kinderen. Hij besloot daarom, er een tweede vrouw bij te nemen ... en hij was nu gelukkig, want in den kortst mogelijken tijd schonk deze hem een jongen. Het kind, Koeroesiwari geheeten, groeide vlug op, en terwijl de stiefmoeder bezig was, haar hangmatten te maken, gebeurde het dikwijls, dat de jongen, die om haar heen aan het spelen was, aan het koord ging hangen, waardoor het de noodige spanning verloor.

De oude vrouw liet dezen kleinen last eenigen tijd toe, maar eens op een dag, toen de jongen ondeugender was dan ooit, zei zij: „ga weg, en speel ergens anders”. De jongen gehoorzaamde, verwijderde zich, maar kwam gauw weêr aangedribbeld en trok weêr aan het koord. De vrouw werd nu boos, duwde den jongen op zij; maar zij deed het wat hardhandig, zoodat de jongen viel en begon te schreien.

Niemand sloeg acht op dit voorval, en niemand zag het kind de hut uitdribbelen ... de eigen vader en moeder ook niet, die maar steeds in de hangmat lagen. Het was nu al laat op den dag, toen men merkte, dat het kind verdwenen was. Zijn ouders kwamen nu te voorschijn en toen zij overal begonnen te zoeken, vonden ze eindelijk hun kind spelende in een naburige hut met andere kinderen. Hier legden zij uit, waarom zij gekomen waren en al sprekende, kwamen zij van het eene in het andere, en geraakten zij in een zóó levendig gesprek, dat zij geheel en al vergaten, waarom zij gekomen waren; toen ze eindelijk met redeneeren ophielden, bemerkten zij, dat niet alleen hun eigen kind, Koeroesiwari, maar ook Matoe-wari, het kind van hun buren, verdwenen was.

De ouders van beide kinderen gingen nu aan het zoeken en vonden hen eindelijk, toen zij een der naburige hutten binnentraden, druk spelende met een ander kind, Káwai-wari genoemd. Hetzelfde, wat in de andere hut was voorgevallen, herhaalde zich nu; met hun zessen ouders der drie weggeloopen kinderen geraakten zij in zóó druk gesprek, dat zij niet eens bemerkten, toen zij uitgepraat waren, dat alle drie de kinderen verdwenen waren.

De zes ouders begonnen nu hun drie kinderen te zoeken, maar aan het einde van den eersten dag staakte het derde ouderenpaar het onderzoek, terwijl aan het einde van den tweeden dag ook het tweede paar het opgaf. In dien tusschentijd waren de drie kinderen het bosch ingegaan, en waren er zeer bevriend geworden met de Marabons*, die in die tijden spreken konden en nog niet staken. Deze kinderen zijn het geweest, die aan de zwarte soorten leerden, hoe ze steken moesten en aan de roode, om koorts op den koop toe te geven.

Toen de drie kinderen eindelijk, na lang omzwerven, ten laatste aan het zeestrand waren aangekomen, ontmoetten zij de ouders van het eerst verdwenen kind. Zij waren blijven zoeken en hadden het niet, zooals de ouders der twee andere kinderen, opgegeven. In al dien tijd waren de kinderen reeds groote jongens geworden. Toen nu de ouders, dol blij over het wederzien, zich wilden haasten om met hen naar hun dorp terug te gaan, sprak de leider der drie jongens, Koeroesiwari, die het eerst was weggeloopen, tot groote verbazing zijner ouders: „Ik kan niet teruggaan, want toen mijn stiefmoeder mij wegstuurde, viel ik en schreide ik, en u beiden zaagt niet eens naar mij om. Neen, ik ga niet terug”.

Toen de ouders hem met betraande oogen smeekten, toch meê te willen gaan, werd hij wat toegeefelijker en beloofde hij zijn vader, dat wanneer hij een behoorlijken heboe-hanokoe [71] zou bouwen en hen met tabak zou roepen, hij hen alle drie zou zien terugkomen. De ouders keerden nu teleurgesteld naar hun dorp weêr en Koeroesiwari stak met zijn beide makkers de zee over.

Onmiddellijk na den terugkeer der ouders begon de vader de gevraagde heboe-hanokoe te maken en toen deze gereed was, brandde hij papaja-*, katoen- en koffiebladeren, maar hij kon ze niet gebruiken, want geen van allen bezat de noodige kracht. Alleen met tabak zou deze kunnen worden aangewend. Maar in die dagen bezaten de Indianen nog geen tabak; deze plant groeide heel ver weg, op een verafgelegen eiland.—Ik weet niet of dit eiland Trinidad was of een ander, maar wel weet ik, dat de Warraus het Niboe-yoeni (letterl: Man-zonder) noemen, omdat het alleen door vrouwen werd bewoond [72], zooals heel oude menschen plegen te vertellen.

De bedroefde vader zond er nu een egret* op uit, om te trachten daar wat tabakszaad voor hem machtig te worden—maar de vogel kwam niet terug. Hij zond er toen met spoed verschillende soorten van zeevogels heen; zij ondergingen echter allen hetzelfde lot: allen werden gedood door de vrouw, die de wacht hield bij het tabaksveld.

Toen de man reeds alle hoop had opgegeven, ooit een der boodschappers te zullen terugzien, raadpleegde hij een broeder, die hem een kraan* bracht. Deze vloog naar de zeekust, waar hij wilde blijven rusten tot den anderen morgen, om de vlucht van hier flink te kunnen inzetten. Terwijl de vogel daar zoo zat, kwam er een kolibri langs vliegen, die hem vroeg, wat hij daar zoo deed. „Ik maak mij gereed voor morgenochtend” antwoordde hij. „Ik moet vliegen naar Niboe-yoeni, om tabakszaad te halen.” De kolibri stelde hem daarop voor, in zijn plaats de reis te maken, maar de andere vond het voorstel al te dwaas, en herinnerde haar er aan, dat zij veel te klein was en stellig in zee zou vallen. De kleine kolibri liet zich echter niet ontmoedigen, stond den anderen morgen vroeg op, zooals steeds haar gewoonte is, en vloog weg, uitroepende: „ik ben opgestaan.”

Toen nu de kraan, zoodra het licht was geworden, ook was opgestaan, spreidde hij zijn vleugels uit en zocht hij zijn weg met prachtigen vleugelslag boven de bewogen zee. Toen hij nu halverwege gekomen was, ontdekte hij beneden zich het kolibrietje, dat met het water lag te worstelen. Het had er wel een dappere vaart achter gezet, maar had niet tegen den wind in verder kunnen gaan en was in de zee terecht gekomen. De kraan pikte de kolibri uit het water op en nam haar op den rug van zijn bij het vliegen achterwaarts gestrekte dijen. Maar haar lastdier, dat zich een weinig wilde verlichten, bevuilde daarbij het gezicht van de kolibri, zoodat deze genoodzaakt was, de vleugels weêr op te nemen, en ditmaal met succes, want zij bereikte Nioboe-yoeni het eerst, waar zij haar grooten vriend opwachtte, die kort na haar aankwam.

De kolibri verzocht nu den kraan niet verder te gaan en te wachten tot zij van het tabaksveld zou zijn teruggekeerd. De kolibri was immers klein, vloog snel, en niemand zou haar immers zien, als zij bezig was het tabakszaad te stelen. Terwijl nu de kolibri met haar werk bezig was, trachtte de vrouw, die het veld bewaakte, haar te schieten, maar het vogeltje was haar te vlug af, en van plant tot plant vliegende, verzamelde het kolibrietje zooveel zaad, als het dacht te kunnen meenemen. Bij vriend Kraan teruggekeerd, zei de kolibri: „Vriend! laten we nu huiswaarts gaan,” maar niet zoodra had zij deze woorden gesproken of het kleine schepsel vloog pijlsnel weg en zoo bereikte het, nu het den wind van achteren had, zonder ongelukken met zijn schat Kraan’s meester, wien zij het zaad overreikte. Deze gaf den voorraad aan zijn broeder, en vertelde hem hoe hij zaaien moest.

Nadat de nu overgelukkige vader het zaad, zooals was voorgedaan, in den grond gelegd had, sproten er spoedig plantjes uit op, die zóó merkwaardig hard groeiden, dat hij na korten tijd volwassen tabaksbladen had, zoodat hij nu door den broeder geleerd kon worden, hoe hij de bladen moest drogen. De broeder wees hem ook, hoe hij bast moest zoeken, die geschikt was, om er de tabak, voor het maken van een sigaret, in te rollen; hij bracht nl. winnamoroe* meê, d.i. juist datgene, wat er voor noodig is. Nu zond de broêr hem er op uit, om de heboe-mataro* te kunnen vervaardigen, en hij bracht kalebassen* van allerlei grootten meê—maar het waren nog niet de goede. Eindelijk keerde hij er met een terug, die hij van de oostzijde van een boom had afgeplukt, en deze was degene, die hij voor het doel noodig had.

Dit hoorende, haastte de bedroefde vader zich, om den raad op te volgen en de kalebas met steentjes en aarde, in tabakswater gedrenkt, te vullen—er een rammelaar van te maken. Verrukt greep hij den rammelaar beet en onmiddellijk, nadat hij al zingende het voorwerp eenige malen heen en weêr had geschud, gaven zijn zoon en zijn beide makkers antwoord, die dadelijk met hun drieën vóór hem stonden. Maar het waren geen menschelijke wezens, het waren drie Geesten. Deze geesten van de tabak* zijn het nu, Koeroesiwari, Matoe-wari en Káwai-wari, die altijd antwoorden, wanneer de rammelaar van den Piaiman roept; en het spreekt van zelf, dat de arme, bedroefde vader de eerste piaiman werd—dit alles tengevolge van zijn groot verdriet, zijn kind verloren te hebben en steeds verlangende, hem eindelijk eens weêr te zien.

NO. 31. HET ONTSTAAN DER VROUWENNATIES.

Penalo ame weipiompo. Eertijds, voor nog de grootvader van mijn grootmoeder geboren was, enz., leefden de Caraïben zeer ongelukkig met hunne vrouwen. Zij mishandelden haar en, als zij op jacht zijnde, wild schoten, aten zij het vleesch alleen op en gaven hunne vrouwen en dochters slechts het oneetbare overschot.

Ten laatste konden de vrouwen zulk een hondsch leven niet langer volhouden. Toen dan ook een oude vrouw voorstelde, hare mannen te verlaten en in het woud te vluchten, stemden allen van harte toe.

In stilte, wanneer de mannen op jacht waren, vervaardigden zij bogen, pijlen, knotsen enz., waarmede zij in dien tijd even goed konden omgaan als de mannen. Toen alles gereed was, verlieten zij op een goeden dag hare woonplaatsen. Oude vrouwen, meisjes, zuigelingen van het vrouwelijk geslacht, allen verlieten de plaats, waar zij zooveel leed hadden doorstaan. Alleen de zoontjes bleven in de kampen achter.

De mannen, die weldra van de jacht terugkeerden, ontstaken bij het zien der ledige hutten in hevige woede. Gewapend snelden zij de vluchtende vrouwen achterna en bereikten haar in een dicht woud. Doch ziet, instede van smeekende, onderdanige wezens vonden zij tijgerinnen. Van verre werd hen toegeroepen: „Gij hebt ons mishandeld en gemarteld; liever dan tot u terug te keeren, zullen wij ons laten dooden”.

De dreigende houding der vrouwen deed de mannen van taktiek veranderen. Zij begonnen te smeeken. „Wat zullen wij zonder vrouwen doen?” riepen zij uit. „Hoe zullen wij het geslacht voortplanten en den Dubbelgeest dienen?”

Dit geklaag der mannen trof het hart van enkele vrouwen en deze keerden tot hare echtgenooten terug. Maar de meesten weigerden en zeiden: „Wij zullen u toestaan ons te bezoeken; de zonen, die gij bij ons verwekt, kunt gij behouden, maar zoodra er een dochter geboren wordt, moet gij onmiddellijk vertrekken.”

De mannen, die gevoelden, dat het onrecht aan hunne zijde was, stemden gereedelijk toe, en zoo ontstond de natie der Amazonen (Mazwano) of man-vrouwen.

NO. 32. HET GEBROKEN EI.

Oeraima was eens in het bezit gekomen van een vogelei, dat hij in een kalebas naar zijn hut wilde brengen; hij wilde er erg voorzichtig meê zijn, totdat het zou uitkomen. Hij kwam nu op het boschpad twee meisjes tegen, die het ei bemerkten en hem vroegen, het te mogen hebben. „Neen”, zei hij, „dat gaat niet.” De meisjes lieten hem echter niet met rust en volgden hem, maar hij bleef bij zijn weigering. Zij pakten toen het ei weg en onder het handgemeen, dat nu volgde, brak het.