Mythen en sagen uit West-Indië
Part 12
Oeraima sprak toen tot de meisjes: „Van dit oogenblik af, dat jelui dat gedaan hebt, zal de vrouw allerlei zorg en ongemak hebben. Tot nu toe behoorde het ei aan den man. In het vervolg zal het van de vrouw zijn, en zij zal het tot ontwikkeling moeten brengen.”
Tegenwoordig is het nu het vrouwelijk geslacht, dat eieren voortbrengt.
NO. 33. DE GEEST VAN DEN PASGEBORENE.
De geest van het kind is ten nauwste met den vader verbonden; hij tuurt op hem, volgt hem, waar hij ook gaat, en gedurende den eersten tijd is hij even innig met den vader vereenigd als hij het met zijn eigen kinderlichaam is, waarin hij kortelings is binnengedrongen. Hoe kan dan de vader naar het bosch en naar den kostgrond gaan, om bijl en kapmes te gebruiken, wanneer de geest van het kind, die hem overal volgt, zich als een tweede schim tusschen deze werktuigen en het hout of de veldvruchten plaatst? Hoe kan hij in een boom klimmen, wanneer de geest van het kind dit eveneens probeert te doen, en dan natuurlijk zal vallen, zoodat dan het kind in zijn hangmat kwaad zal overkomen? Hoe kan hij jagen, wanneer de pijl misschien den hem vergezellende geest van het kind zal doorboren, wat ongetwijfeld de dood van het kind in zijn hangmat tengevolge zou hebben? Wanneer de vader, door bosch en akker dwalend, een tairoe*-blad ziet, dat volkomen gelijkt op een korjaal, varende op de rivier en voorzien van een heel kleine zitbank en daarin een miniatuur-pagaai, of wanneer hij over een omgevallen boom klautert... zal hij het kind dan niet verstoren? Want, wanneer de vader door het water waadt, zal de geest van zijn kind dan niet de kleine tairoeblad-korjaal moeten voort pagaaien, of wanneer hij over den boom tracht te komen, zullen dan de dunne stammetjes, die er tegen aan zijn komen te liggen, den geest van het kind niet in staat stellen, om te probeeren hem te volgen?... Niettegenstaande de grootste waakzaamheid, zal de kleine Geest verloren kunnen gaan, zoodat het lichaam in het hangmatje dan zal gaan kwijnen en sterven, indien ten minste de piaiman niet zoo gelukkig is, het terug te winnen.
NO. 34. DE HUID VAN DEN REUZENSLANG OF HOE DE VOGELS HUN TEGENWOORDIG GEVEDERTE KREGEN.
Er leefde lang geleden een reusachtige water-camoedi* met een zeldzaam mooi gevlekte schubbenhuid: rood, geel, groen, zwart en wit kwam er in de mooiste patronen op voor. Het dier werd zulk een schrik voor alle levende schepsels, dat menschen en vogels, die in die dagen groote vrienden waren, zich eindelijk vereenigden, om het monster te vernietigen. De huid van het ondier zou aan den eersten te beurt vallen, wien het gelukken zou, het gevaarte uit het water te krijgen.
Iedereen was echter bevreesd het aan te grijpen, maar ten slotte durfde de kormorant* het aan; deze stormde op den waterkant los, waaruit het monster een eind kaarsrecht omhoog rees, en schoot een pijl op zijn nek af—maar geen gewone pijl, doch een, die met een lijn aan een overhangenden boom was vastgemaakt—en met dit wapen werd het beest ten slotte aan land getrokken, waar het nu gevild werd.
Kormorant eischte nu de huid op, maar de andere strijders, die niet dachten, dat hij ooit in staat zou zijn, nu ook de zware huid weg te dragen, zeiden: „je kunt haar hebben”.
Kormorant knikte nu de andere vogels toe, alsof hij zeggen wilde: „jullie moet me helpen”, en toen zij allen het nu, ieder een deel van het vel vastgrijpend, klaarspeelden, de huid van den grond te lichten en naar een afgelegen plaats te dragen, zei Kormorant: „jelui kunt nu de huid zóó verdeelen, dat ieder dat deel krijgt, dat hij bij het wegdragen heeft beet gehad”.
Iedere vogel droeg nu zijn last op den rug weg, en sedert dien tijd is iedere vogel gemerkt met de tint van dat deel der slangenhuid, dat hij bij het dragen heeft vastgehouden: de Ara’s met rood en blauw of groen en geel enz ... maar Kormorant kreeg als zijn aandeel de sombere tint van den slangenkop. Maar hij was er meê tevreden.
NO. 35. EEN WAARSCHUWING VOOR DE VROUWEN. (A.)
Jelui moeten bedenken, dat wij Arowakken in vroeger dagen nimmer een man aan onze dochters zouden geven, wanneer hij niet te voren proeven zijner bekwaamheid op de jacht had afgelegd, en daardoor het bewijs had geleverd, in staat te zijn, een vrouw te kunnen onderhouden [73].
Tot deze proeven behoorde o.a. het schieten van een pijl in het nest van een specht van uit een korjaal op de rivier, het vullen van een zeker aantal korven met een hoeveelheid zelf gevangen krabben*, in den loop van slechts één getij, en het schoonkappen van een stuk land binnen een vastgestelden termijn.
De eerste proef was buitengewoon moeilijk [74] en geraakte dan ook langzamerhand bij ons in onbruik, maar de beide anderen worden nog steeds in eere gehouden [75].
Het was juist in de dagen, dat de eerste proef bij ons werd afgeschaft, dat een jongen man, die aan een meisje het hof maakte, beweerde geen moeielijkheden te zullen hebben, om in het bezit van zijn geliefde te kunnen geraken, en meende, dat hij niets anders te doen had, dan eenige krabben voor zijn a.s. schoonvader te vangen en een stuk land schoon te kappen.
Toen hij zich nu naar den ouden man begaf, om de hand van zijn dochter te vragen, kreeg hij ten antwoord, dat hij er geen bezwaar tegen had; dat hij bij hem zijn intrek kon nemen, totdat hij hem zijne bekwaamheden zou hebben getoond.
Er waren nu zoo wat twee of drie weken van de wittebroodsweken verstreken, toen de oude man zijn aanstaanden schoonzoon zijn verlangen te kennen gaf, zijn korven gereed te maken, om ermede op den vastgestelden dag naar de zeekust* te kunnen gaan. De jongeling toog nu met zijn kornuiten op weg, om den noodigen voorraad Itiriti* te halen en in de hut teruggekeerd, begon hij het ijverig te snijden en tot bundels samen te binden. Maar verder kwam hij niet, want het mandenvlechten had hij niet geleerd.
Toen nu zijn kameraden, die reeds druk bezig waren, hunne korven te vlechten, zagen, dat hij zijn werk had neêrgelegd, vroegen zij hem, waarom hij niet verder ging. „Wel, ik wacht er meê, totdat ik voor de vangst vertrek”, was zijn antwoord, beschaamd als hij was voor zijn onbekwaamheid. „Je moet wat haast maken”, riepen zij hem toe. „Niet noodig”, antwoordde hij, „ik heb er in het minst geen moeite meê. Ik zal mijn manden wel maken, en krabben vangen, terwijl jelui bezig zijt, jelui korven te vullen. Jelui zult er versteld van staan. Ik zal jelui wel verslaan”.
Een heel gezelschap was het, dat den anderen dag den tocht naar de kust ondernam; in de korjaal zaten de toekomstige echtgenoot, de vrouw, die hij zich nu voor altijd zou hebben te veroveren, de oude schoonvader en een zestal jongelieden. Toen zij eindelijk de zee hadden bereikt, legden zij op korten afstand van de kust de boot vast, en voorzien van hun korven, begaven allen, uitgezonderd het jonge paar, zich op het modderige land.
Toen nu het paar alleen was, verzocht de jonge man zijn bruid de korjaal uit te gaan, en al de kleine kassoeroe-xoewa (door andere schrijvers kassaroa*) naar de boot te drijven. Terwijl hij nu gehurkt in de boot bleef zitten, met de bundels wariembo-riet in zijn hand, en probeerde een korf [76] te vlechten, zwommen de door zijn bruid opgedreven vischjes hem voorbij. Zooals wel te voorzien was, maakte hij geen vorderingen, en hij liet zijn bruid ten tweeden male de school vischjes insluiten, waardoor zij teruggedreven werden en hij er dus een ander gezicht op had. De vrouw ging er maar steeds meê voort, de visch nu eens vooruit, dan weêr achteruit te drijven—maar het hielp hem niets, want hij maakte geen vorderingen. De jonge vrouw begon nu angstig te worden, en terwijl zij uit de korjaal een mand nam, baggerde zij door het water naar de kust. Haar aanstaande man riep haar echter terug; maar zij sloeg geen acht op zijn herhaald roepen. Men moet weten, dat de korf, die zij had meêgenomen, heel toevallig (?) aan een der jonge mannen van het gezelschap behoorde, waarmede zij vroeger een liefde had gehad. Toen de vrouw nu den man in kwestie aan het strand met de krabbenvangst bezig vond, voegde zij zich bij hem en vroeg zij hem te mogen helpen. Wanneer hij de krabben uit de gaten haalde, dan zou er wel eens een, dacht zij, naast haar vallen, en zou zij zoo haar korf geleidelijk kunnen vullen.
Maar de bruidegom, het zaakje niet vertrouwend, had nu ook het strand opgezocht, waar hij zijn bruid een van het gezelschap zag helpen. Hij wilde nu meehelpen, maar hoe hij ook ijverig zijn handen in de gaten stak en de gevangen dieren zijn bruid toewierp, zij deed alsof zij het niet merkte. Hoe hij haar ook telkens toeriep: „Kijk dan toch! Zij zal wegloopen. Doe haar toch in je korf!” zij zag niet eens op.
Met haar gezelschap, haar vroegeren beminde, deed zij geheel anders. Zij hielp hem ijverig zijn korven te vullen, en toen zij ze allen vol hadden, keerden zij samen naar de boot terug, om nog twee korven te halen, die nu ook spoedig gevuld waren.
Toen nu de bruigom had moeten aanzien, dat de anderen zooveel krabben hadden gevangen, als de korven maar konden bergen, werd hij wanhopig en terwijl hij zijn hangmat nam, wikkelde hij er in de plooien nog zooveel krabben in, als hij maar kon grijpen.
Het was nu tijd voor de terugreis, en toen de bruid plaats moest nemen, ging zij, zoowaar, in plaats van naast haar bruigom, naast haar vroegeren beminde zitten. En hoe de bruigom ook riep: „Kom hier, je zit op een verkeerde plaats”, noch de bruid, noch haar oude vader wilden er naar luisteren, ja, ze snauwden hem nog toe ook.
Toen nu het gezelschap van den tocht in het dorp teruggekeerd was, zochten de mannen hun hangmatten op, terwijl de bruid voor den pot ging zorgen. Veel werk gaf dit niet, want de krabben waren spoedig geroosterd. Toen zij opgedischt konden worden riep de vrouw: „Vader! het is klaar.” De oude man verliet daarop zijn hangmat en riep een voor een de jonge mannen, ieder bij hun naam. Het laatst riep hij Satchi! Toen nu de bruigom deze uitdrukking van teederheid hoorde, meende hij, dat hij bedoeld was en antwoordde dus: „Wangj” (d.i. ja, dank U). „Neen neen,” zei de vader, „ik bedoel mijn schoonzoon, dien ik van daag op de terugreis bij mij in de boot had zitten. Hij kan korven vlechten en jij niet.”
Beschaamd droop nu de bruigom af en zijn hangmat met het handjevol krabben meênemend, zocht hij de hut van zijn moeder op. Deze was, wat men noemt, een goede ziel, die dadelijk de krabben begon gereed te maken, haar jongen een goed maal cassavepap gaf, hem troostende, zooals alleen een moeder kan doen. Zij ried hem, nog wat geduld te oefenen, omdat ze er zeker van was, dat het meisje ten slotte tot hem zou terugkeeren.
Enkele dagen later nam de oude vrouw haar troostelooze zoon meê voor een bezoek aan een harer oude vrienden, een man, die in liefdeszaken een goed inzicht had, en daarbij zeer bedreven was in alles, wat een Indiaan in zijn leven te pas kan komen. Zij vertelde haar vriend van de zorg, waarin haar jongen verkeerde en verzocht hem, haar zoon te willen onderwijzen in alles, wat de jacht betrof, maar ook in het vlechten van koeroekoeroes*, het vervaardigen van matapis*, manaris*, pagalen* en waaiers*—want het was immers aan zijn onkunde te danken, dat hij zijn bruid had moeten verliezen.
De oude man wilde het uit oude vriendschap graag doen en zoo bleven moeder en zoon meer dan een jaar bij hem inwonen, toen de leerling eindelijk evenzeer bedreven was in al de kundigheden als zijn leermeester.
Toen nu moeder en zoon van den ouden man dankbaar afscheid namen en weder naar de kleine hut terugkeerden, die zij zoo lang geleden verlaten hadden, brak er een gelukkige tijd voor beiden aan. Want nooit hadden zij meer over gebrek aan eten te klagen. Iederen dag bracht de zoon iets thuis en de barbakot kraakte voortdurend onder het gewicht van het te roosteren vleesch. Eens gebeurde het nu, dat een vrouw, die voorbij kwam, nieuwsgierig naar al die heerlijkheden keek, en dat de oude moeder haar er wat van aanbood. Zij nam het gretig aan, en nauwelijks was zij uit het gezicht verdwenen, of zij holde er mede naar de hut, waar de bruid van een jaar geleden woonde, en waar zij aan ieder, die het hooren wilde, vertelde van het verkeerde oordeel over haar vroegeren bruidegom geveld. Had zij niet zelf, met haar eigen oogen, al het wild gezien, dat hij geschoten had, en al de koeroekoeroes, matapis, manaris enz., door hem zelf gevlochten.
Er ontspon zich nu een langdurig twistgesprek over het geval, dat het verlangen bij haar opwekte den man te bezoeken, die zij en haar vader ten onrechte versmaad hadden. Voor haar was daar ook wel aanleiding voor. Want de ervaring van een jaar lang was voor haar een zeer droevige geweest: te laat had zij immers ontdekt, dat haar tegenwoordige man niet alleen niets waard was, maar daarbij zeldzaam lui, en dat het eenige wat hij deed, was in zijn hangmat te liggen, terwijl zij voor hem kon zwoegen.
Den volgenden morgen trok zij de stoute schoenen aan en toog zij met haar moeder op weg, de richting naar de hut inslaand, waar de meester woonde, wiens ijver, moed en bekwaamheid zij den vorigen dag zoozeer had hooren prijzen. Toen zij in zijn hut aankwamen, lag de man in zijn hangmat, zoodat zijn moeder de bezoeksters ontving. De oude vrouw zette bankjes voor ze neêr en bracht wel wat cassave met pepers aan, maar zocht zich te verontschuldigen, dat zij niets anders had om haar aan te bieden. De bezoeksters zagen elkander echter ongeloovig aan, toen zij den barbakot met het gewicht van geroosterd vleesch gewaar werden, en toen zij ook een vollen peperpot zagen staan, konden zij hare verlegenheid haast niet verbergen bij de gedachte, den man, van wien toch dit alles afkomstig was, zóó slecht behandeld te hebben. De beide vrouwen durfden niets van het aangebodene aan te raken, en wat meer is, zij vroegen zelfs de vrouw den peperpot te verwijderen [77].
De moeder der bruid van een jaar geleden hield het niet langer uit; zij stond op, gereed om te vertrekken, en probeerde ook haar dochter te bewegen, zich van deze plaats te verwijderen, maar deze sprak: „Neen, ik wil hier blijven; ik blijf bij mijn eersten man; of hij mij zal slaan of niet, het zal mijn zorg zijn. Hij heeft immers getoond, veel beter te zijn dan mijn tegenwoordige man.” Nauwelijks had zij dit gezegd en was haar moeder reeds de hut uitgeloopen, of zij rende naar de hangmat, waarin de jonge man van zijn werk lag uit te rusten en klom er in, uitroepende: „Ik ben weêr bij je teruggekomen, mijn schat.” Maar de man pakte haar beet, en wierp haar er uit, zeggende: „Ik heb je niet noodig. Ik ben immers de luie, onwetende, onwaardige man, dien je een jaar geleden versmaad hebt.” Maar zij gaf het niet op en probeerde voor de tweede maal in de hangmat te klimmen. De man hield echter vol, en of zij hem al „lekkere bek” noemde, hij deed of hij het niet hoorde.
Terneêrgeslagen en beschaamd droop ook zij af, en keerde zij naar haar tweeden man terug. Haar eerste man liet zij met zijn moeder achter, gelukkig als hij was, haar te hebben hooren heengaan.
NO. 36. HOE EEN MAN VAN ZIJN LUIHEID GENEZEN WERD. (W.)
Ik vertel hier nog een andere krabbengeschiedenis, waarvan de held niet van zijn onbekwaamheid, doch van zijn luiheid schade ondervond.
Een groot gezelschap toog in een groote korjaal op reis, om krabben te vangen; elk van hen had twintig korven meêgenomen, en als zij ergens aan land gingen uitrusten, hielden zij zich met hunne afwerking onledig. Zij hadden immers niets, wat hen afleidde, want zij hadden hunne vrouwen thuis gelaten, die zouden zorgen de paiwarri bij hun terugkeer gereed te hebben.
Langs een der kreekjes, die zij voor rustplaats hadden uitgekozen, zagen zij een kleine Maripa-palm*, die een grooten tros rijpe vruchten droeg. Nadat zij den tros hadden afgeplukt, begaven zij zich er mede in de boot, en begonnen zij zich aan het smakelijke vruchtvleesch te goed te doen. De held van dit verhaal vroeg zijn reisgenooten, de zaden voor hem te willen bewaren. Zij voldeden aan zijn verzoek, en des nachts vóór de aankomst aan het uitgekozen krabbenoord, vulde hij er zijn korven mede. Den volgenden morgen begaf het gezelschap zich aan land voor de krabbenvangst, uitgezonderd onze luie vriend, die in de boot bleef zitten, en geen voet in het water zette. Hij was niet onbedreven in de krabbenvangst, doch was te lui, en rekende er op, dat de anderen hem wel zouden voorzien. Maar dit gebeurde niet, want zij waren onderling overeengekomen, hem geen krab te geven. Alzoo gebeurde het, dat, toen zij de terugreis aanvaarden, de luiaard zijn manden slechts met palmpitten gevuld had.
In den nacht bereikte het gezelschap het dorp en allen zochten dadelijk hunne hangmatten op. Den volgenden morgen droegen zij hun vrouwen op, de korven met krabben te gaan halen, die zij aan den waterkant hadden achter gelaten [78]. De vrouw van den luiaard, die de mand met palmpitten had gehaald, vroeg haar man, waar zijn krabben waren, en ontving ten antwoord, dat zij ze zou vinden op den bodem der manden en dat zij had te wachten, totdat de andere vrouwen de korven geledigd zouden hebben. Zij deed dit, maar toen zij geen krabben zag, ging zij met de korven naar haar moeder en liet haar zien, welk soort krabben haar man had thuis gebracht. De oude vrouw was daar weinig over gesticht en zei tot haar dochter: „Gooi het zoodje in een grooten pot, en kook het net zoo lang, tot de harde schillen barsten.” Alle vrouwen echter deelden van haar voorraad aan de teleurgestelde ieder een mand met krabben uit, maar op voorwaarde, dat zij er niets van aan haar man zou geven.
Allen, behalve een, vergastte zich nu aan een heerlijk maal, met de inmiddels gereed gemaakte paiwarri opgediend. De oude moeder nam een kalebas, gevuld met de gekookte palmpitten en zette deze voor haar nietswaardigen schoonzoon neêr. Deze was wel genoodzaakt er van te eten, al was het niet, omdat hij honger had, dan vooral, omdat hij zijn schaamte wilde verbergen, toen geen van allen hem wat van hun krabben meedeelde.
Deze straf genas hem van zijn luiheid, want bij de eerstvolgende gelegenheid, dat men weêr op krabbenvangst uitging, bracht hij voor zijn vrouw geen palmzaden, maar krabben mede.
NO. 37. ZWARTE TIJGER, WAU-OETA EN DE GEBROKEN BOOG. (W.)
Er leefde eens een man, die twee schoonbroêrs had. Terwijl hij de ongelukkigste van alle stervelingen was, kwamen zij tegen den avond geregeld met een goede hoeveelheid wild huiswaarts, en daarom zeiden zij tot elkaar: „Daar hij geen geluk heeft, zullen wij hem zien kwijt te raken”. Zij namen hem op een goeden dag meê naar het bosch. Zij waren er al een eind in, toen zij hun verlangen meêdeelden, afzonderlijk te gaan jagen. Zij zouden één kant uitgaan, hij een anderen, terwijl zij elkander op een bepaalde plek zouden ontmoeten. De weg, dien de beide broêrs hem hadden aangewezen, leidde naar het leger van Tobe-horoanna*, maar hij, wien zij het slachtoffer wilden laten worden, wist dat niet.
Hij begon nu te dwalen en kwam eindelijk aan een breed pad, wat hem deed uitroepen: „Waar ga ik heen?” Zoo in zich zelf sprekend, trof een hard geruisch zijn oor. Wat het was, wist hij niet. Op een antwoord behoefde hij echter niet lang te wachten, want spoedig daarna zag hij Tobe-horoanna naderen. Zoo gauw hij kon rende hij naar een enormen boom, achtervolgd door Zwarte Tijger. Beiden begonnen nu achter elkaar om den boom heen te loopen en toen het de man eindelijk gelukt was, vlak achter het beest te komen, sneed hij het de hielpezen door. Tijger zat nu neêr, want hij kon niet meer loopen en de man had nu gelegenheid, het dier een pijl in zijn nek te schieten en met een mes den doodsteek te geven. Daarop begaf hij zich naar huis terug.
De schoonbroêrs, wetende, welk een slecht jager hij was, waren niet eens naar de afgesproken plaats gegaan, overtuigd, dat hij er niet meer zou zijn. Maar toen hij de hut binnentrad, waren zij hoogst verrast en maakten zij hun verontschuldigingen, teneinde hun misdadige bedoelingen te verbergen, zeggende: „Wij waren op de plek, waar wij je zouden ontmoeten, maar je waart er niet. Wij riepen je, maar we kregen geen antwoord. Wij dachten natuurlijk, dat je dood was en wij gingen weg. Maar we keerden terug, om nog eens te zien of je niet kwaamt”, en dergelijke verontschuldigingen meer. Dat was alles maar gelogen.
Toen de man nu vertelde, dat hij Tobe-horoanna had gedood, konden zijn schoonbroêrs, evenmin als hun oude vader, dit gelooven en drongen er op aan, zelf te gaan kijken. Zij gingen er toen heen, en toen zij op een afstand Zwarte Tijger op den grond zagen liggen, durfden zij niet naderbij te komen, totdat de jager, uitroepende: „alles bij hem is dood, dood, dood!” en willende toonen, dat hij de waarheid sprak, op het doode lichaam sprong en zegevierend er op heen en weêr begon te dansen. Alleen de oude man durfde dichtbij komen; zijn twee zoons bleven bang.
Het gezelschap keerde nu huiswaarts. En daar was de oude man zóó verrukt over hetgeen zijn schoonzoon gedaan had, dat hij hem ook zijn andere dochter tot vrouw gaf, zoodat de nu gevierde jager in het vervolg twee vrouwen had. Zijn schoonbroêrs bouwden nu een grootere hut voor hem en hij werd de Ai-ja’mo (hoofdman) van het dorp.
Onze vriend voelde zich echter niet op zijn gemak, nu den naam te hebben, ook bij de jacht op alle andere dieren steeds geluk te hebben, omdat hij Tobe-horo-anna had weten te bemachtigen. „Wie zou hij beter kunnen raadplegen in deze moeilijkheid”, dacht hij, „dan Wau-oeta, de Regenkikvorsch*” [79]. Hij ging op weg en vond een boom, waarin zij woonde; hij posteerde zich onder aan den boom en begon te roepen, haar vragend, hem te willen helpen. Maar hij kreeg geen antwoord, en hij bleef roepen en weeklagen, totdat het donker werd. Telkens herhaalde hij zijn vraag, of zij hem de dingen wilde zeggen, die hij zoo graag wilde weten. De nacht viel in, en nog had hij geen antwoord. Maar hij hield aan, want hij dacht, dat Wau-oeta wel zou komen, zooals de meeste vrouwen doen, die eindelijk toegeven, wanneer zij ten slotte medelijden met den man krijgen, als zij hem zoo hooren schreien [80] aan den boom.
Toen hij nu zoo lang beneden aan den boom stond te wachten, zag hij een lange rij vogels naar hem toe komen, allen in geregelde volgorde naar de grootte. De kleine Doroquara [81] liep voorop en pikte even op zijn voet met den snavel, om hem bekwaam te maken in het schieten van haar soortgenooten; en dit ging met alle vogels tot de grootste toe zoo voort.
Ge ziet, dat Wau-oeta medelijden met hem begon te krijgen; maar hij wist dat natuurlijk niet. Nadat alle vogels met hem gereed waren, kwamen alle ratten in de volgorde hunner grootte, gevolgd door de Acouri, de Labba*, het Hert, het Boschvarken tot aan den Tapir toe.
Toen al deze dieren hem voorbij waren gegaan, en met de tong zijn voet even gelikt hadden, opdat hij op jacht naar hun soortgenooten geluk mocht hebben, kwamen ook de tijgers, die van de kleine tot de groote hetzelfde deden en ... eindelijk de slangen, die, na ook met haar tong haar plicht gedaan te hebben, langzaam wegkropen. Met dit alles ging geruimen tijd voorbij, en eerst met het aanbreken van den dag was aan den optocht een einde gekomen, zoodat de man met zijn geweeklaag kon ophouden.
Toen het goed dag was geworden, zag hij een vreemde gestalte naar zich toekomen. Het was Wau-oeta, die een vreemdsoortigen pijl in de hand had. „Zoo, waart gij het”, zei ze, „die al dat lawaai van nacht maakte en mij uit den slaap hield?” „Ja”, antwoordde de man, „ik was het”. „Wel”, zei Wau-oeta, „kijk eens langs je arm, van je schouder tot je hand”. Hij keek, en zag dat hij met een soort schimmel [82] bedekt was. Hij keek ook naar zijn anderen arm en zag precies hetzelfde. Toen hij van Wau-oeta gehoord had, dat het deze schimmel was, die hem zoo ongelukkig op de jacht maakte, wreef hij zijn armen goed af.