Mythen en sagen uit West-Indië

Part 13

Chapter 133,800 wordsPublic domain

De pijl van Wau-oeta zag er, zooals ik zei, zeer vreemd uit. Hij was in drie of vier stukken gebroken [83] en ieder stuk was gespleten. Wau-oeta ruilde dezen pijl voor den zijnen en verzocht hem, den hare te willen probeeren om naar een lange liaan te schieten, die op grooten afstand naar beneden hing, en .... ja, de pijl trof doel. Toen hij weêr den pijl op den boog zette, vroeg Wau-oeta hem in de lucht te willen schieten, en .... onbegrijpelijk, in welke richting hij ook zijn pijl wegschoot, telkens als hij de aarde bereikte, raakte hij een dier: eerst een Doroquara, en zoo voort in dezelfde volgorde, als waarin de vogels hem aan zijn voet hadden gepikt, tot den powies* toe. En het vreemde was, dat als hij schoot, hij zelf den pijl niet kon zien.

Toen hij nu met schieten op den grond begon, raakte de pijl achtereenvolgens een rat, een Acouri enz. tot hij eindelijk een prachtigen tapir schoot. Eindelijk kwamen de tijgers en de slangen aan de beurt, in de volgorde waarin zij hem gelikt hadden.

Toen al dit wild bijeen was, schonk Wau-oeta hem voor goed den merkwaardigen pijl, in ruil voor den zijne, doch op uitdrukkelijke voorwaarde, dat hij tegen niemand zou zeggen, wie hem een zóó zeldzamen pijl had gegeven. Ze zei hem daarop vaarwel en vertrok.

Onze vriend keerde nu naar zijn twee vrouwen terug, en natuurlijk werd nu zijn naam, dien hij reeds wegens het dooden van Tobe-horo-anna had, nog veel grooter. Iedereen werd echter nieuwsgierig, om te weten, waar hij die kennis vandaan had gekregen en probeerde hem uit te hooren, maar hij weigerde, trouw aan zijn gegeven woord, iets te zeggen. Zijn schoonbroêrs dachten: laten wij onzen tijd afwachten, en toen er een groot paiwarri-feest zou plaats hebben, haalden zij hem over, dit bij te wonen; en ... het is al weêr dezelfde geschiedenis: drank werd zijn verderf. Zijn tong kwam los en hij vertelde alles wat er gebeurd was. Den volgenden morgen, toen hij weêr geheel was bijgekomen, wilde hij, als gewoonlijk, zijn pijl grijpen, die Wau-oeta hem gegeven had, maar zijn vroegere pijl lag er weêr voor in de plaats—en van dat oogenblik was hij al zijn geluk weêr kwijt.

NO. 38. DE LEGENDE VAN LETTERHOUTSTOMP.

Penalo ame weipiompo. Eertijds, voor nog de grootvader van mijn grootmoeder geboren was, kwamen de Indianen veel talrijker voor dan thans. Zij leefden tevens gelukkiger, wijl de macht der toenmalige piaimannen de booze Geesten overal in bedwang hield. Paiwarri ontbrak nooit; kinderen gehoorzaamden hunnen ouders; nimmer doofden de barbakot-vuren uit, wijl het wild altijd in overvloed voorhanden was en de visschen in de kreken krioelden.

Maar dit aardsche paradijs veranderde, toen aan onze kusten schepen vol strijders verschenen, aan wier hoofd stond een man, genaamd Paira-oende of Paira-oendepo, d.w.z. Letterhoutstomp. Hij was een blanke, die de algemeene opmerkzaamheid tot zich trok door zijn vreemd uiterlijk; zijn mond bevond zich nl. ter plaatse, waar bij gewone menschen de borst moet zijn. [84]

Letterhoutstomp was een menscheneter. Moordend en roovend trok hij langs onze kusten. Wee! den Indianen, die in zijne handen vielen, want levend werden ze verbrand of gevild en opgegeten!

Overal waar Paira-oende verscheen, vluchtten de roodhuiden naar alle richtingen, doch hij vervolgde hen onmeêdoogend, tot zij ten einde raad besloten zich te vereenigen, om aan het geweld een einde te maken.

Bij de beraadslagingen, die volgden, voerden de verschillende piaimannen het hoogste woord. En nadat zij door hunne bezweringen den slangengeest bekoord hadden, gaven zij te kennen, dat de Geest van Twee Lichamen [85] bevolen had, dat alle Indianen zich moesten terugtrekken op een bepaald tabbertje* (of tabbetje) in de nabijheid eener groote savanne*. Daar herhaalden de gezamenlijke piaimannen hunne bezweringen, met het gevolg, dat toen Stomp, die, het gebeurde hoorende, in kokende woede naderde, het tabbertje begon te bewegen [86] en acht dagen lang zich niet liet zien.

Paira-oendepo zocht overal naar de verdwenen Indianen, doch hen niet vindende, kon hij hen ook niet dooden, integendeel was hij verplicht tot den terugtocht, waarna de Roodhuiden weder uit het tabbertje te voorschijn kwamen. Maar nauwelijks had Letterhoutstomp dit vernomen, of hij vervaardigde een vreeselijken kaaiman als vaartuig, om daarmede met één slag de Roodhuiden uit te roeien. Deze gingen toen kampen maken in de nabijheid van een rots, genaamd Kaiwiri-oendepo, of Skroertjes stomp [87]. Daar hielden de gezamenlijke piaimannen weêr een geweldige bezwering, ten einde den Dubbelgeest te bekoren en van hem te verkrijgen, dat hij den Kaaiman [88] zou inslikken. Dagen lang duurden de ceremoniën en van zulk een invloed waren de smeekbeden op het hart van den Slangegeest, dat deze beloofde alles te zullen doen, wat zijne roode kinderen verlangden.

Letterhoutstomp naderde Kwaloe (Akaloe der Franschen?), het riviertje, waar de Indianen zich verzameld hadden, van uit de plaats waar thans de Fransche gevangenen verblijven (St. Laurent). Trotsch stevende hij in zijn vreemd vaartuig de Marowijne op, ten einde de Roodhuiden onverhoeds op het lijf te vallen. Maar ziet, eensklaps verhief zich een Geest van Bekoring uit het water op, en Paira-oendepo werd met huid en haar ingeslokt, terwijl zijn vaartuig van den oever (van de Kwaloe) dreef tot een plaats, waar het nog te zien is als een steenen kaaiman, die op een anderen steen rust.

Een verschrikkelijk gejubel weerklonk van alle zijden. Duizenden met veeren versierde Caraïben dansten den overwinningsdans en te midden der algemeene feestvreugde werd de gebeurtenis vereeuwigd op den Temere-rots [89], die thans nog in de Marowijne staat....

In ’t stroomgebied der Marowijne, Bezongen door het golfgeklots, Staat, prijkende in al haar glorie, D’wijd vermaarde Temere-rots, Die eeuwen lang reeds heeft gedragen Het teeken van den zwaren strijd, Toen Paira-oende werd verslagen Door Piai van den ouden tijd.

Die blanke in zijn Kaaiman-vaartuig, Had aan zijn borst een grooten mond, Waarmede hij in koelen bloede Rood menschenvleesch als prooi verslond. Maar ziet, het water rees verbolgen, De Worgslang der Piai verscheen, En Houten Stomp, hij werd verzwolgen; Zijn Kaaiman werd een dubb’le steen.

Victorie! juichten duizend kelen, Alom weerklonk de zegezang: Ons bloed is weêr in bloed gewroken Aan U de eer, o, Geest der Slang! Toen naderde een oude Piaiman En grifte in het hard graniet, Paira-oende en zijn Kaaiman, Zooals gij dien nog heden ziet.

NO. 39. DE LEGENDE VAN ARIMORIBO EN JOROBODIE. (C.)

Lang geleden, voor nog Paramaribo was gesticht [90], bevond zich ter plaatse, waar nu het Fort Zeelandia ligt, de hoofdplaats der Arowakken [91]. Een zekere Arimoribo was hun opperhoofd; hij woonde op de plaats van het tegenwoordige Gouvernementshuis. Een in de nabijheid in de Suriname-rivier mondende kreek werd Parimoribo genoemd (d.i. kreek van Arimoribo [92]).

Het ontbrak Arimoribo niet aan krijgsvolk. Op zijn wenk greep heel de stam naar de wapenen. Dit mocht echter niet gebeuren, wanneer niet de piaiman was geraadpleegd en de beschermgeesten goed gestemd schenen. Tijdens een groot feest nu begon onder de bedwelming der feestvreugde de gebruikelijke schildwacht, een op een staak gestoken houten raaf [93], eensklaps te weeklagen, welk onheilspellend teeken de vreugde voor een onbeschrijfelijk misbaar deed plaats maken. Allen sprongen op en ziet .... op de rivier naderden schepen met zeilen van ongekende grootte. Zulke dingen hadden de Indianen nog nooit gezien. Meer verbaasd dan bevreesd vroegen zij zich af, wat voor wezens dat wel konden zijn, die met zulke reusachtige vleugels zich over het water heen bewogen. Het moesten reusachtige vleermuizen zijn, besloten ten slotte de wijzen onder hen. Maar die vleermuizen naderden en spoedig bleek het, dat zij soldaten en ook vuurwapenen met zich meevoerden. Voor de eerste maal maakten de Indianen met blanke menschen kennis.

Het sprak van zelf, dat de piaimannen onmiddellijk aan het werk gingen, want er was immers geen krachtiger middel van tegenweer dan de piai-kunst. Vóór alles moest deze worden aangewend; en zóó krachtig slaagde deze, dat drie schepen tot zinken werden gebracht. Hoewel de Indianen ook van hun pijlen gebruik maakten, moesten zij zich, toen hun voorraad verschoten was, in de bosschen terugtrekken. Van dien tijd dagteekent het, dat de Indianen zich in onderaardsche woningen gingen verschuilen, zooals er nog heden ten dage te Onoribo en Topibo aan de Para [94] bestaan. Deze woningen bestonden echter reeds in oude tijden, toen de vaderen hunner vaderen het land bewoonden [95] en de seizoenen niet waren zooals zij thans zijn [96]. Want telkens als de droge tijd intrad, heerschte er een zóó ontzettende koude over de wereld, dat iedereen er van bibberde en de voorvaderen der Arowakken zich genoodzaakt zagen, bedoelde holen te graven, teneinde zich tegen de koude te beschermen [97]. Wat kwamen deze nu aan het nageslacht als kostbare schuilplaatsen te stade!

Omtrent dezen tijd werd de zoo beroemde Jorobodie geboren, een Arowak, die zich zou onderscheiden door zijn onverzoenlijken haat tegen de blanken, en wiens beeltenis, zooals zijn nazaten beweren, nog boven het Gouvernementshuis in Paramaribo [98] prijkt.

Jorobodie was een dracht van niet meer dan drie weken, die zich wonderbaarlijk snel ontwikkelde, en wiens optreden algemeen ontzag inboezemde. Hij toog ten strijde tegen de blanken, die niets tegen hem vermochten, en versloeg hen. Geen vuur deerde hem, geen staal trof hem, geen gewicht was zwaar genoeg, om hem te doen zinken. Alle banden werden door hem verbroken en toen de blanken hem eindelijk in een vat hadden gesloten, en hem aan het water hadden prijsgegeven, deed hij een tijger tot zich naderen, stak hem door een gaatje zijn staart toe en zoo werd hij overal heengesleept, waar hij maar wilde. Nooit werd een zonderlinger vaartuig door zulk een dier, en nog wel onbeteugeld, voortgetrokken.

Zooals het mannen betaamt, wien men een buitengewone roeping toedicht, was ook Jorobodie in ieder opzicht een wonder van kracht en slimheid [99]. Zijn voedsel bestond uitsluitend uit krabben, en dit sober voedsel maakte hem tot den man van kracht, den trots zijner natie. Wee! den Caraïb, die hem aandurfde! Wie slechts de hand uitstak, was een man des doods! Zijn groote verdienste voor de Arowakken bestond echter hierin, dat hij de schrik der blanken was. Deze toch waren toenmaals hunne grootste vijanden [100], die hen niet alleen tot slaven maakten, maar hen ook naar zee voerden, waar zij, na met teer bestreken te zijn, levend verbrand werden.

Maar deze wreedheden zouden niet ongewroken blijven. Tot nu toe hadden de Indianen steeds een rustige zee gekend. De booten voeren zonder roeiriemen of parels* door eigen kracht op zee en rivier. De Boa constrictor* diende als ankertouw en loopplank tevens. Zelfs meerde deze de boot aan strand en oever vast.

Dit alles hield echter op, toen de menschen slecht werden. Geen kwaad toch kan ongestraft blijven. Toen bijv. eens een Indiaan van den kapitein een boot had geleend en deze niet terug bracht, werd hij gestraft. Hij veranderde n.l. in een duizendpoot*, en werd vader van die millioenen veelbeenige stekelige dieren, die nu door iedereen zoozeer gevreesd worden.

Op hetzelfde oogenblik veranderde alles in de natuur. Tot nu toe hadden de rivieren, evenals de zee, onveranderlijke stroomingen. Eb en vloed kende men te voren niet. Nadat de ongehoorzaamheid in de wereld was gekomen, kwam er eb en vloed; de bruisende baren kwamen opzetten, waartegen de booten niet langer bestand waren.

De vaartuigen moesten verbeterd worden en het varen vorderde voortaan stuurmanskunst. De toestanden waren dus sedert Jorobodie’s leven wel heel erg veranderd. Nochthans waarborgden verschillende onthoudingen [101] de Indianen voor verdere onheilen. Wanneer zij bijv. maar zorgden, op zee niet den naam te noemen der dingen, wier daarin huizende geest zij hadden te vreezen, zouden zij steeds voor stormweer gevrijwaard blijven. Het woord „krab” mocht o.a. volstrekt niet genoemd worden, want anders zou de Geest opeens duizenden krabben uitbraken.

Het ergste van alles voor de Indianen was wel, dat die ellendige blanken zich aan dit alles niet storen wilden, zoodat zij het laatste overblijfsel van den gelukstaat verloren deden gaan. Welk een schat was voor hen in die omstandigheden een man van zulk een overwicht als Jorobodie was!

Maar helaas! hij kwam ten val en wel door een vrouw, die hij geschaakt had [102] en waardoor hij den haat zijner natie op den hals haalde. Het aannemen van een spin, hem door zijn vrouw aangeboden, richtte Jorobodie ten gronde, want nauwelijks had hij deze met de woorden „zoek uwen weg”, door haar uitgesproken, aangenomen of Jorobodie was niet meer.

De held was gevallen [103].

NO. 40. UITDRIJVEN VAN EEN PRIESTER UIT DEN INDIAANSCHEN HEMEL.

Penalo ame weipiompo. Eertijds enz. voor nog de grootvader van mijn grootmoeder geboren was, werden de oevers der Boven-Marowijne door talrijke Indianen bewoond. Maar hun aantal slonk bij den dag, wijl zij veel te lijden hadden van allerlei booze geesten, die zich niet door piaien lieten verdrijven. Vele Roodhuiden verlieten dan ook de behekste streken, ten einde zich te begeven naar Mazwano, een plaats, die zij reeds menigmaal in hunne droomen hadden bezocht. Ontelbare Roodhuiden woonden daar in kampen, die elken morgen schitterend verlicht werden door de morgenzon.

In het midden stond het wonderkamp van Tamoesi*. De grond was wit als het glinsterende witte kwartszand der savanne. Wit was ook de kleur van de wateren, die door dit aardsche Paradijs vloeiden.

De Indiaansche God zag er geweldig uit. Zijn huid had, zooals van zelf spreekt, een roode kleur. Hij was versierd met vederen, franjes en kralen. In zijn hand hield Hij een ongehoord groote malaka*, waarin zich de geesten bevonden van alle wezens; de steel was als een Boa bewerkt.

Wanneer Tamoesi aan het piaien was, kon het geluid dagreizen ver gehoord worden. Priesters en andere Booze Geesten vluchtten dan ijlings naar de duistere wateren, zoodat de omtrek der Mazwano steeds rein en wit bleef. Daar toch heerschte slechts gelukzaligheid. Men dronk en danste er den geheelen dag. Overal liepen beeldschoone vrouwen den mannen achterna. Ziekten en sterfgevallen kwamen er nooit voor, terwijl Tamoesi van tijd tot tijd nederdaalde, ten einde met zijn geliefde, roode kinderen feest te vieren. Geen wonder, dat de Indianen, die na het doorstaan van vele duistere gevaren dit lustoord wisten te bereiken, geen lust gevoelden tot hun familie terug te keeren.

Door de piaimannen werd het losbreken der Booze Geesten toegeschreven aan een Pater, aan wien het gelukt was, vele Indianen tot het Christendom te bekeeren. En, zeiden zij, zoo dit niet ophield, zou de Marowijne geheel ontvolkt worden, wijl alle Indianen zich naar het Paradijs zouden begeven.

De Priester, die van zijn volgelingen vernomen had, wat de Roodhuiden tot de Mazwano aantrok, besloot een bezoek aan de plaats te brengen. Zulk een stoutmoedig plan verbaasde den Indianen ten zeerste. Ga niet, waarschuwden zij, want Paters worden niet in de Mazwano toegelaten. De Priester luisterde echter niet, doch vertrok, vergezeld van eenige zijner bekeerlingen, in een boot. De reis duurde drie weken.

De piaimannen in de Mazwano waren door den Dubbelgeest in kennis gesteld, dat er gevaar naderde in den vorm van een Pater. Tamoesi was juist afwezig, en men besloot eens te probeeren, den stoutmoedige zedenprediker te bekeeren tot een piaiman. Alle slangenpriesters togen aan het werk. Zij piaiden de wateren, zoodat het vaartuig met groote snelheid naar de Mazwano werd aangetrokken. Nauwelijks hadden echter de Priester en zijn volgelingen voet aan wal gezet, of de wateren liepen terug, het vaartuig met zich sleurende.

In het Paradijs der Roodhuiden werd lustig feestgevierd. De lucht daverde van het geroffel der samboela’s* en het eentonig geluid der kwama’s*. Het aantal vrouwen was zóó groot, dat de Indianen, die in hunne hangmatten lagen, slechts de hand behoefden uit te strekken, om een wonderschoon meisje te grijpen. Niemand voelde ooit honger, doch slechts een voortdurenden dorst naar paiwarri*.

Bij het aanschouwen van dit, in zijn oogen zoo vreeselijk Paradijs, kon de Priester niet nalaten een zucht te slaken. De piaimannen lieten hem evenwel geen tijd tot bedenken. „Welkom vriend, in de Mazwano”, riepen zij hem toe, „gij zult hier een heerlijk leventje hebben”.

Verscheidene beeldschoone meisjes naderden thans met kalebassen vol drank. De Priester weigerde echter. „Wat”, riepen de piaimannen uit, „drinkt gij niet?” „Ja”, antwoordde de Pater, „maar slechts met mate”. „Danst gij?” „Neen”. „Hebt gij geen vrouwen?” „O! Neen”.

„Dan”, schreeuwden de piaimannen gebelgd, „moet gij nog de genoegens van het leven leeren kennen”. Zij wierpen zich nu op den weerloozen Pater, rukten hem de kleeren van het lijf, besmeerden zijn leelijk, wit lichaam met mooie, roode koesoewé*, trokken hem een kamisa* aan en versierden hem met vederen, koralen en franjes. Toen werden hem opnieuw kalebassen met drank aangeboden.

„Drink”, riepen de piaimannen. De Priester weigerde echter, doch toen hij de dreigende aangezichten en de opgeheven apoetoe’s* om zich heen zag, dronk hij achtereenvolgens drie kalebassen leeg. „Braak”, werd hem toegebulderd. En hij braakte, waarna hem wederom drank werd aangeboden. Toen moest hij dansen en zingen, totdat hij van uitputting neêrviel en in een hangmat werd gelegd, om zijn roes uit te slapen.

Toen hij den volgenden morgen wakker werd, voelde de Pater iets naast zich in de hangmat. Hij keek en daar lag een beeldschoon Indiaansch meisje. Vlug (volgens de verteller uiterst vlug) sprong hij op en wilde hij wegvluchten. Maar de piaimannen grepen hem aan, en riepen hem toe: „Nu kent gij de genoegens van het Paradijs; wilt gij hier blijven?”

„Neen”, antwoordde de Pater.

Weder togen nu de piaimannen aan het werk; de wateren stroomden nu opwaarts en brachten de boot van den Pater met zich mede. Maar toen de Priester instapte, zag hij slechts één zijner volgelingen, een blanke, aan het roer staan. De overigen, alle Roodhuiden, waren voor de verleiding bezweken en hadden zich voor goed in de Mazwano gevestigd.

Weder keerde nu de koers van het water. Het vaartuig schoot stroomafwaarts, en eerst na een langen vermoeienden tocht gelukte het beide mannen het dorp der bevriende Indianen aan de Marowijne te bereiken.

Eenige vrouwen waren er juist bezig, cassave-brood te bakken, toen een harer toevallig opkeek en een gil van ontzetting slaakte. „In de verte komen witte Indianen”, riep zij. Allen vluchtten dadelijk in de hutten, waar zij door de paloeloe*-bedekking heen naar de komenden gluurden.

De mannen van het dorp liepen hen echter tegemoet, en den Pater herkennende, riepen zij uit: „Wij hebben U wel gewaarschuwd, niet naar de Mazwano te gaan; maar gij hebt ons niet willen gelooven”.

„Gij hebt gelijk”, antwoordde de Priester, en hij vertelde alles wat hem daar was overkomen; toen hij eindelijk was gekomen aan het Indiaansche meisje, dat hij bij zijn ontwaken in de hangmat gevonden had, barstten zij allen in een schaterlach uit. Hun verstand ging het te boven, dat iemand zoo iets kon weigeren.

De verteller begreep echter zeer goed, dat in een dergelijk Paradijs de Paters, die juist matigheid en kuischheid prediken, niet kunnen geduld worden.

NO. 41. UITDRIJVING DER INDIANEN UIT DEN HEMEL DER PATERS.

Penalo ame weipiompo. Eertijds, voor nog mijn grootvader geboren was enz. was een Roodhuid bezig, boomen om te hakken, teneinde een kostgrond aan te leggen. Het werk vermoeide hem, zoodat het zweet hem langs het lichaam liep, en de mooie roode koesoewe*, waarmede hij zich had ingesmeerd, geheel werd weggewasschen. Hij zuchtte luide en verwenschte zijn ongelukkig lot. Doch ziet, als uit de lucht verschenen twee mannen, die hem medelijdend aanzagen. „Waarom zucht gij zoo”, vroegen zij hem. „Ach”, luidde het antwoord, „ziet gij niet, hoe hard ik moet werken? En als ik des nachts wil uitrusten, gonzen de muskieten mij om de ooren; ik ben de ongelukkigste Indiaan van mijn stam.”

„Wel”, zeiden de vreemdelingen, „we zijn met uw lot begaan, kom met ons meê; want we zijn juist op weg naar een plaats, waar niemand behoeft te werken.”

De Roodhuid stemde toe en vertrok met zijn beide geleiders. Maanden duurde de reis. Vele gevaren hadden zij te overwinnen, maar eindelijk stonden de drie reizigers voor een groote poort. Zij klopten aan. „Wie daar?” klonk het van binnen. „Roodhuiden, goede menschen, zonder toelala.” [104]

De poort werd ontsloten door een grooten, krachtigen Pater, die de Indianen welkom heette in het paradijs der Blanken.

De drie Roodhuiden traden schoorvoetend binnen en keken om zich heen. Voor zoover het oog reikte, zagen zij niets dan zwartgerokte Priesters, die hen toeriepen, dat elke Indiaan maar één vrouw mocht hebben, en dat er geen jenever, brandewijn enz. te drinken viel.

Zij werden gedoopt en herdoopt. Eindelijk bereikten zij den zetel van den Tamoesi der Blanken. Hij was zóó oud als de Roodhuiden nog nooit een mensch hadden gezien. Een lange, witte baard hing tot aan zijn voeten, maar Zijn hoofd was kaal. Hij zat op een soort van hobbelstoel, prachtig versierd met tijger-, boa- en stinkvogelkoppen. Aan Zijn zijde lag een groot kruisbeeld. Zijn lichaam was gehuld in een langen rok, zooals de Paters ze thans dragen.

De Indianen traden eerbiedig nader. Tamoesi glimlachte en zei: „Welkom, mijne roode kinderen, gij zijt zeker vermoeid van den langen tocht, laten we ververschingen gaan gebruiken”. Hij stond op en den Roodhuiden bij de hand nemende, leidde Hij hen rond in het Paradijs. Overal langs de straten waren prachtige kerken, waar den geheelen dag psalmen werden gezongen. Slechts hier en daar liep een blanke met zijn vrouw. Toch was hun aantal zeer gering, in aanmerking genomen de ontelbare Paters, die overal, waar Tamoesi zich vertoonde, voor Hem nederknielden.

Tusschen de kerken in zagen de Indianen eenige herbergen, waar limonade, sodawater, kassiri enz. gratis werd geschonken aan een ieder, die er om vroeg. Een dezer plaatsen traden zij binnen, en toen zij er weêr uitkwamen glommen hunne aangezichten van genoegen. Vol vreugde zeiden zij tot Tamoesi: „Wij willen altijd bij U blijven”.

Zij gingen verder. Langs den weg lagen eenige Indianen te slapen. De Roodhuiden knikten elkander veelbeteekenend toe, doch zwegen. Zij kwamen vervolgens bij plaatsen, waar visschen van zelf uit de masoewa’s* aan de barbakot gingen hangen. Pijlen, door niemand afgeschoten, snorden door de lucht en troffen wegvluchtende Tapirs en Agoeti’s, die, na hun eigen vleesch in stukken te hebben gesneden, zich zelf kookten en roosterden. Enkele Indiaansche vrouwen lagen naast de matapi’s*, maar de cassave-wortels schrapten zich zelf, persten zich zelf uit, en sprongen dan in de pannen, om gebakken te worden.

De Indianen waren verrukt; en dat vooral, toen Tamoesi aan elk een mooie vrouw schonk, en hij op staanden voet een huwelijk voltrok. Af en toe gingen zij herbergen binnen; en elken keer kwamen zij er vroolijk weêr uit. Eindelijk begon een der Roodhuiden met onvaste schreden te loopen, daarbij onbetamelijke liedjes zingende en probeerende, Tamoesi op heel familiare wijze te omhelzen.

Tamoesi keek den slingerenden Indiaan achterdochtig aan. Maar, toen bij den tweeden en derden zich dezelfde verschijnselen begonnen te vertoonen, begreep hij alles. Bulderend riep hij uit: „Dronken Indianen in het Paradijs; dat is iets ongehoords.” En de Roodhuiden, die zoo zalig langs den weg lagen uit te rusten, sliepen inderdaad hun roes uit!