Mythen en sagen uit West-Indië
Part 14
Alle Indianen in het Paradijs verzamelden zich nu om Tamoesi. Zij verzekerden Hem, dat het niet hun schuld was, maar dat de Blanken hen den drank hadden geschonken. „Dat is niet waar”, zei Hij, „want nog nooit heb Ik hier in den hemel een dronken Pater of Blanke gezien”.
Tamoesi gaf nu bevel, alle sodawater, limonade, kassiri enz. bij Hem te brengen. Van alles dronk hij een kalebas vol, maar, daar Hij geen verstand van zulke dingen had, verklaarde Hij, dat alles in orde was, en dat de ververschingen zeer goed smaakten! En toch, zoowel het sodawater als de limonade en de kassiri waren even rijk aan alkohol als zuivere jenever. Geen wonder dan ook, dat de Roodhuiden zich bedronken; de verleiding was te groot voor hen. De Priesters en andere Blanken dronken met mate, zoodat zij nooit dronken werden.
Tamoesi gebood daarom den Roodhuiden, dat zij onmiddellijk den Hemel moesten verlaten. Alle Caraïben, Arowakken, Warrau’s enz. vertrokken, en aan de poort riep Tamoesi hen nog na: „Door uw dronkenschap hebt gij het Paradijs verloren; thans zult ge werken en het zweet, dat uit uw lichaam stroomt, zal wegwasschen de koesoewé*, waarmeê ge u besmet. Maar, als ge niet meer drinkt, zal de poort weêr voor u geopend worden.”
Alle Indianen keerden nu ontmoedigd tot hunne stamgenooten terug, aan wien zij hunne ondervinding vertelden, en menigmaal verschijnt in hun droom het Paradijs der Priesters en Blanken aan de verrukte blikken van den Roodhuid, vooral als hij bezig is boomen te kappen en het werk zoo nu en dan door een dutje onderbreekt. Bij zijn ontwaken zucht hij dan luide. Maar niemand verschijnt weêr, om hem den weg te wijzen naar het voor hem onbereikbare Paradijs. En klagend neemt hij weêr zijn bijl op en hakt woedend in den stam der omliggende boomen, totdat het zweet hem uit de poriën vloeit en de koesoewé, waarmeê hij zijn lichaam insmeert, wegwascht, zooals Tamoesi voorspeld had.
NO. 42. BEZOEK VAN CARAÏBEN AAN MACOESILAND. (C.)
In oude tijden kwamen de Indianen veel talrijker voor dan thans. Zij leefden tevens gelukkiger, want er was overvloed van wild, terwijl het in de rivieren en kreken krioelde van visschen.
Van de Indianenstammen, met welke de Caraïben in die tijden in betrekking stonden, werden vooral de Macoesi’s als goede vrienden beschouwd. Deze stam woonde ver over de Corantijn naar den kant der Orinoco.
Om hun land te bereiken, moesten de Caraïben van Suriname weken lang reizen en allerlei gevaren doorstaan. Dit hield de treklustigen niet terug, en toen nu eens een aantal Macoesi’s een Surinaamsch Caraïben-dorp hadden bezocht, besloten een twintigtal Kalienja’s* aan Macoesiland een tegenbezoek te brengen.
De piaiman riep den Dubbelgeest op en deze voorspelde, dat de tocht goed zou afloopen. Vroolijk vertrokken onze jongelieden dan ook en na een voorspoedige reis bereikten zij de plaats hunner bestemming.
Zij vonden daar alles in rep en roer, daar Kenaima’s* zich in den omtrek vertoond hadden.
De Macoesi’s ontvingen hunne vrienden met open armen en stonden hun zelfs de beste en grootste hut van het dorp af. Zij waarschuwden hen echter niet te gaan slapen, daar het zou kunnen gebeuren, dat de Kenaima’s nog dien zelfden nacht een aanval op het dorp zouden doen.
Maar de Caraïben, vermoeid van hun langen tocht, hadden rust noodig en de piaiman gelastte, dat, terwijl tien man sliepen, de overigen zouden waken. Daartoe moesten zij langwerpige kijkgaten in de wanden der hut maken.
Om negen uur des avonds verschenen werkelijk de Kenaima’s [105]. Onhoorbaar als slangen kropen ze over den grond. Het gelukte hen echter niet, de Kalienja’s te verrassen. Integendeel, toen zij de hut genaderd waren, werden zij van uit de kijkgaten door een hagelbui van pijlen begroet, zoodat zij genoodzaakt waren, zich in allerijl in het bosch terug te trekken. De Caraïben achtervolgden hen en slaagden er in, velen te dooden.
De piaiman, die onmiddellijk geraadpleegd werd, vond evenwel, dat, hoe goede vrienden de Macoesi’s ook waren, hun land veel te gevaarlijk voor een Kalienja was, zoodat tot den terugtocht besloten werd.
Maar nauwelijks op weg, bleek het, dat de Kalienja’s door talrijke Kenaima’s achtervolgd werden. De piaiman gelastte onmiddellijk, dat allen zouden beginnen te zingen, te lachen en pijlen af te schieten, om de vervolgers in den waan te brengen, dat zij met een groot leger te doen hadden. Deze list gelukte uitstekend en zingende en lachende bereikten de Kalienja’s de Corantijn. Toen eerst konden zij uitrusten, want de Kenaima’s waren niet in staat—waarom weet men niet—de Corantijn over te steken [106], en nu nog, zoo besluit de legende, kunnen deze Kenaima’s het hollandsche grondgebied niet binnendringen, omdat allen ongedoopte heidenen zijn!
NO. 43. LEGENDE VAN PARAMARIBO.
Penalo ame weipiompo. Eertijds, voor nog de grootvader van mijn grootmoeder geboren was, werden de oevers der Suriname-rivier door talrijke Caraïben bewoond, die gelukkig en tevreden met elkander leefden tot op een goeden dag een schip de rivier binnenzeilde en het anker liet vallen vóór de plaats, waar thans het fort Zeelandia staat. De kapitein kwam aan wal en werd vriendelijk door de Indianen ontvangen. „Ik ben door mijn Koning gezonden”, zei hij, „om U in zijn naam om dit land te verzoeken”. „Neen”, antwoordde de hoofdman, „laat hem zelf komen, want wij onderhandelen niet met ondergeschikten”.
Wat de kapitein ook deed, het Indiaansche opperhoofd liet zich niet bepraten. Hij vertrok dan ook en keerde na eenigen tijd met den koning terug. Deze begon niet terstond met de Indianen te onderhandelen, doch liet hen eerst flink drinken. Toen allen dan ook smoordronken waren, vroeg hij hun: „geef mij dit land ten geschenke”. En zij antwoordden: „Neem het vriend, maar geef ons drank”.
Toen de Roodhuiden, na hun roes te hebben uitgeslapen, beseften, wat ze hadden gedaan, kregen zij berouw. Maar het was te laat, het eenmaal gegeven woord mocht niet verbroken worden.
De koning bouwde nu een huis naast de plaats, waar thans de Sommelsdijksche kreek, die bij de Caraïben Paramoeloe heet, in de Suriname-rivier uitloopt. Later kwamen er meer blanken en zoo ontstond de stad Paramaribo. [107]
NO. 44. DE LEGENDE VAN POST SOMMELSDIJK.
Eertijds werden de negerslaven door de blanken gruwelijk mishandeld, zoodat zij in menigte naar de bosschen vluchtten, waar zij de bescherming inriepen van Konokokoeja*, de Geestmoeder der wouden. Deze verhoorde hunne smeekbeden en kwam tot hen in de gedaante van een Indiaanschen piaiman. „Ik zal u uit de handen der blanken redden,” sprak zij, „maar gij moet mijne bevelen trouw opvolgen.”
De negers stemden toe. De geestenbezweerder piaaide toen den omtrek op zoodanige wijze, dat er overal vergiftige pijlen te voorschijn kwamen, die allen met hunne punten naar ééne richting toewezen. Vervolgens trok zij naar de plantage Asati en bevrijdde veertig negers.
De blanken waren woedend. Onder commando van een kapitein zonden zij soldaten, om de weggeloopen slaven te achterhalen, die echter door den Piaiman veilig voorbij de vergiftigde pijlen waren geleid. Toen nu de soldaten verschenen, trad deze te voorschijn en schoot met een swaroedaroe* den kapitein dood.
Onder de blanken ontstond nu een hevige paniek. Zij vluchtten naar alle richtingen; overal floten onzichtbare pijlen [108], door onzichtbare strijders afgeschoten, door de lucht, waardoor vele soldaten gedood werden.
De negers en hunne bondgenooten namen nu alles wat de blanken hadden achtergelaten, mede, en daaronder bevond zich ook een groote pot. Onmiddellijk togen piaiman en obiaman* nu gezamenlijk aan het werk en bereidden uit de lichamen der gevallen blanken een obiapiaai* van zulk een sterkte als nog nooit te voren was bereid. Met dit toovermiddel vulden zij den pot, die vooraf met den naam Konoko-dakodwada* gedoopt was.
Negers en Indianen trokken nu naar Saloewa, een arm der Mapanakreek, en zetten daar den pot zóó neêr, dat de opening naar de monding der kreek wees, zoodat al de tooverij den blanken zou toestroomen, wanneer zij het zouden wagen, hier binnen te dringen.
Het gebeurde werkelijk zoo, want toen de blanken, vol woede over den dood hunner kameraden, de kreek wilden opvaren, werden hunne oogen verduisterd door het toovermiddel, zoodat zij de monding van het kreekje niet konden zien.
Konokokoeja leidde daarop de negers naar Pramaka, waar de blanken hen nimmer hebben kunnen bereiken, maar alvorens zich weêr in het bosch terug te trekken, zei de Geestmoeder der wouden tot de Indianen, die de slaven zoo goed geholpen hadden: „Alle menschen, die in huizen wonen, van den Gouverneur tot den laagsten neger, zijn slaven. Alleen zij, die in kampen in het woud en op de savanne* wonen, zijn vrije, onafhankelijke menschen.” [109]
Dit is de reden, waarom de Indianen nimmer huizen hebben gebouwd, maar zich met eenvoudige hutten vergenoegen.
NO. 45. EINDE VAN DEN INDIAANSCHEN BROEDEROORLOG. (A.)
Wij, Arowakken hebben in den strijd met de Kalienja’s het laatste woord gehad. Eens was het, dat wij onze vijanden in een hinderlaag wisten te lokken. Boven een waterval hadden wij drijvende boomstammen geplaatst, waarachter een deel onzer strijders verborgen was, terwijl de overigen zich langs den oever verscholen hadden.
Toen nu de Caraïben, na met veel moeite hunne booten langs den waterval naar boven te hebben gesleept, de vaartuigen weêr te water lieten, zagen zij opeens tot hunne verbazing boomstammen aandrijven, en wel met zulk een geweld, dat de booten zonken. Woeste kreten weerklonken op hetzelfde oogenblik van den oever, gevolgd door een hagelbui van vergiftige pijlen. Wie niet getroffen werd, geraakte in den bruisenden waterval.
Slechts een gewonde jongeling ontsnapte. Tot zijn stamgenooten teruggekeerd, gaf hij hun den raad, den strijd op te geven. Den volgenden dag trokken de overgebleven Caraïben met omhoog gehouden pijlen den Arowakken tegemoet, en er werd vrede gesloten. En zoo eindigde de laatste der Indiaansche broederoorlogen. [110]
NO. 46. DE GROOTE BLOEDZUIGENDE VLEERMUIS. (A.)
Op een lange reis naar het land der steenen bijlen* kwam een groote boot, geheel gevuld met Indianen, van een landingsplaats. Deze bevond zich in het gebied van den vleermuizenstam, zoodat de oude man, die het gezelschap leidde, zijn bende op het hart drukte, hunne hangmatten niet tusschen de boomen op te hangen (zooals de Indianen in den drogen tijd gewoon zijn te doen), omdat de vleermuizen er buitengewoon groot waren. Hij ried den mannen daarom aan, een gesloten tijdelijke hut te bouwen, dus een aan alle kanten gesloten banab*. Een der jongeren, die wat vadsig was uitgevallen, had er geen lust in, de anderen met den bouw van de schuilplaats te helpen. Hij beweerde, dat hij het niet geloofde, dat de vleermuizen, al waren zij ook nog zoo groot, hem vóór het aanbreken van den dag iets zouden doen. Tegen de redeneeringen van den ouden man in, weigerde hij in de hut te kruipen, en nadat hij zijn hangmat tusschen twee boomen had gehangen, bleef hij buiten slapen. Het was reeds laat in den nacht, toen men binnen in de hut den buiten gebleven tochtgenoot hoorde roepen en smeeken, binnen te mogen. Maar zij antwoordden: „Neen, nu kunnen wij niet open doen. Je moet de gevolgen van je weigering maar dragen!”
Toen zij nu des morgens buiten kwamen, zagen zij, dat er van hun metgezel niets anders dan de beenderen was overgebleven. De vleermuizen hadden hem inderdaad geheel droog gezogen. [111]
NO. 47. LEGENDE VAN MAPAJAWARI OF DE UITROEIING DER MENSCHENETERS. (C.)
Penalo ame weipiompo. Eertijds, voor nog de grootvader van mijn grootmoeder geboren was, leefden er talrijke Indianen langs de oevers der Coppename. Zij waren gelukkig, want overal kwam het wild talrijk voor en in de kreken en rivieren krioelde het van visschen.
Omstreeks dezen tijd leefden aan de Coppename een Kalienja, Mapajawari geheeten en zijn vierjarig zoontje Kenaime. Mapajawari was een visscher, die vooral uitmuntte in het zetten van springmanden* voor Anjoemara’s*.
Eens op een dag nam Mapajawari zijn zoontje mede, om hem deze manier van visschen te leeren. De manden had hij geledigd en, tevreden over de vangst, had hij zich aan den oever te slapen gelegd, terwijl Kenaime zich met zwemmen vermaakte.
Het begon langzamerhand laat te worden, en toen de kleine jongen, verlangend terug te gaan, zijn vader riep, kreeg hij geen antwoord. De vader bleef doorslapen.
Toen Kenaime nu den pot, waarin de Anjoemara’s gekookt moesten worden, met water vulde, zag hij, toen hij het oog over de rivier liet gaan, tot zijne verbazing een korjaal met Roodhuiden naderen. „Vader”, riep hij verschrikt, „daar komen Itioto’s*”. Maar Mapajawari stoorde zich niet aan het geroep en bleef doorslapen, en Kenaime, bevreesd voor het ongewone, klom in een boom, ook om beter naar de Itioto’s te kunnen kijken. Kort daarna waren zij nabij en landden zij op de plaats, waar Mapajawari lag te slapen, en nog voor Kenaime goed begreep, wat er gebeurde, lag zijn vader zielloos neêr.
De Itioto’s sneden daarop het hoofd van Mapajawari af en hingen het op aan een tak, slechts eenige schreden verwijderd van de plaats, waar Kenaime zich verscholen hield. Het lichaam van den verslagene sneden zij in stukken en deze wierpen zij in den pot, die bestemd was voor de Anjoemara’s.
Sprakeloos van ontzetting zag Kenaime dit vreeselijke schouwspel aan. Hij zag, hoe de Itioto’s het gekookte en op den barbakot geroosterde vleesch van zijn vaders lichaam aten en hoe zij zich, verzadigd, voor den nacht begonnen in te richten, en eindelijk, na schildwachten te hebben uitgezet, zich ter ruste begaven.
Den geheelen nacht bleef Kenaime, bibberend van angst en koude, in den boom verborgen, en toen het licht werd, staarde hij vol ontzetting in de gebroken oogen, die hem uit het hangende hoofd van zijn vader tegenblikten.
Den volgenden dag verlieten de Itioto’s de plaats, en toen zij uit het oog van Kenaime verdwenen waren, daalde hij van den boom af, zette het hoofd van zijn vader in een pasrie* en toog hij er mede op weg naar zijn moeder. Deze weende, wrong zich de handen, maar het hielp niets. De vrienden van den verslagene trokken er onmiddellijk op uit om hem te wreken, maar de moordenaars waren verdwenen, en op de plaats vonden zij slechts gebroken en afgekloven beenderen.
Kenaime begroef het hoofd van zijn vader in het woud en bedekte de plek met een grooten steen.
De vierjarige zoon van Mapajawari was van dien dag af geheel veranderd. Hij lachte niet meer, en wanneer zijn makkertjes vroolijk oelana* speelden, zat hij in een hoek der hut droomerig te staren naar den kant van waar de Itioto’s gekomen waren.
Jaren verliepen er, gedurende welke Kenaime tot een schoonen jongeling opgroeide. Geen zijner stamgenooten overtrof hem in het zwaaien met den apoetoe* of in het verduren van pijnen [112]. Zijn pijlen misten nimmer het doel, terwijl hij zich op meesterlijke wijze wist te dekken tegen de pijlen der vijanden.
De oude moeder van Kenaime had nu sedert eenigen tijd groote hoeveelheden cassave verzameld, om paiwarri te bereiden, want er zou feest gevierd worden. Uitnoodigingen daarvoor waren overal rondgezonden in den vorm van touwtjes met knoopen [113], zoodat op den dag van het feest een menigte Roodhuiden zich in het dorp van Kenaime ophielden.
Lustig werd er op los gedronken. De kalebassen met drank gingen onophoudelijk van hand tot hand. Men juichte, men braakte, men zong, tot opeens te midden der algemeene feestvreugde Kenaime verscheen, den pas opgegraven schedel van Mapajawari omhoog houdend. Te midden der feestvierenden zette hij hem op den grond neêr, en den strijdknots opheffende, brulde en hitste hij den strijdzang en danste hij den strijddans.
„Jakono”* riep hij, „wie helpt mij thans mijn vader te wreken?” Alle aanwezige jongelingen sprongen op, en het voorbeeld van hun vriend volgende, zwoeren zij den dood aan de moordenaars van Mapajawari. Allen dansten nu den knotsdans en zongen den zang; er werd gebruld, gehitst, gesist, gekropen, evenals Tijgers en Worgslangen. De jongelingen waren in Kenaima’s* veranderd.
De piaimannen togen onmiddellijk aan het werk en spoedig was ook de verzekering gekregen van den Dubbelgeest, dat de strijd goed zou afloopen.
In twee groote Kanoa’s* verlieten de strijders, allen gewapend met vergiftige pijlen en voorzien van knotsen ter dikte van kleine boomstammen, de plaats, waar de moord op Mapajawari geschied was. Elke drie dagen ging een berichtgever naar het dorp terug, zoodat men daar steeds op de hoogte bleef van wat er onderweg gebeurde. Geen vuur werd op den tocht ontstoken en steeds stonden schildwachten op den uitkijk.
De strijders hadden nu de dorpen der Itioto’s, de zoogenaamde Pawana*’s, bereikt. Deze waren echter van hun komst verwittigd en liepen hen tegemoet, uitroepende: „Wij hebben Mapajawari niet gedood, wij waarschuwden zelfs tegen den moord, zoodat wij bijna zelf zijn opgegeten. Zij, die den vader van Kenaime hebben opgegeten, moeten jelui zoeken in de dorpen der Jawa-Konejenje*. Maar deze menscheneters beschouwen ons als vrienden, zoodat we u als vrienden tot hen zullen leiden.”
Zoo gezegd zoo gedaan. Te zamen met de Pawana’s bereikten de wrekers na een maan* de dorpen der Itioto’s. Reeds van verre hielden allen de knotsen omhoog, uitroepende: „Vrede, vrienden!”
De Itioto’s niet wetende, wie de vreemde krijgslieden waren, ontvingen hen met open armen. Zelfs werd ter hunner eere een feest gevierd.
Kenaime echter gaf zijn vrienden last, op het feest niet te drinken, en te wachten op het sein, dat hij hen te middernacht zou toeroepen. Dan moesten zij opspringen en den strijd beginnen.
De Itioto’s dronken lustig door, tot ze allen smoordronken waren, maar de Caraïben en Pawana’s waren nuchter gebleven, daar zij den drank ongemerkt uit de kalebassen op den grond hadden uitgegoten. Zij hielden zich echter of ook zij beneveld waren en, zoodra de Itioto’s hunne hangmatten hadden opgezocht, wisten de gasten van hen gedaan te krijgen, dat ieder een Caraïb of een Pawana bij zich nam, nadat deze voorgewend hadden, naar warmte te verlangen in den koelen nacht. Zoo lag aan het einde van het feest een nuchtere Caraïb of Pawana naast een dronken menscheneter, wachtende op het afgesproken sein van hun aanvoerder.
Eensklaps weerklonk een vreeselijk gebrul en een holle stem riep donderend de woorden:
„Mapajawari joepoebombo toetoeroetoe”.
Het was Kenaime, die in den hollen schedel van zijn vader den aanval blies. Alle Caraïben en Pawana’s sprongen op. De dronken Itioto’s trachtten te vluchten, doch van alle kanten klonk het brullend en hitsend: Sla dood, verworg, mik op den neus; geen genade; spaar vrouwen, noch kinderen, noch grijsaards. En te midden van het verschrikkelijke bloedbad toeterde Kenaime voortdurend in den schedel van zijn vader.
Slechts enkele, ik geloof zes, Itioto’s ontsnapten, om de tijding der nederlaag naar de verder gelegen dorpen over te brengen. Mapajawari was gewroken. De overwinnaars sneden de hoofden der verslagen Itioto’s af en hingen ze op aan de takken der omliggende boomen. In het midden zetten zij den schedel van Mapajawari op een staak, opdat hij zou kunnen oordeelen over de wraak van zijn zoon.
Zonder verdere ongevallen bereikten de strijders weder hunne dorpen, waar zij met vreugde ontvangen werden. Feesten volgden elkander op. Jonge meisjes bezongen hun moed en ouden van dagen prezen hun list.
En sedert dien tijd hebben de kannibalen zich nooit meer aan de Coppename vertoond. [114]
NO. 48. MIGRATIE-LEGENDE VAN DEN KASI’HTA-STAM DER CREEK-INDIANEN,
verteld door Chekilli, Keizer der Roven- en Beneden Creek-Indianen, te Savannah in Georgia in het jaar 1735, in tegenwoordigheid van den Gouverneur Oglethorpe, van Koning Antichi, Hoogste opperhoofd van de stad der Cowetaws, van andere Koningen en van dertig krijgers.
Op zekeren dag opende de Aarde zich in het Westen, waar haar mond is. De Aarde brak open en de Cussitaws traden uit haar mond te voorschijn [115], en vestigden zich in de nabijheid. Maar de Aarde begon angstig te worden en haar kinderen op te eten. Dientengevolge begaven de Cussitaws zich westwaarts. Eenigen van hen keerden echter terug en kwamen weder op de plaats, waar zij geweest waren, en zetten zich daar neêr. De meesten bleven echter achter, daar zij zagen, dat het zoo het beste was. Hunne kinderen werden echter door de Aarde opgegeten, zoodat ook zij, geheel ontmoedigd, den kant uitgingen, waar de Zon uit de Aarde opstijgt.
Op hun tocht kwamen zij aan een modderige, dicht begroeide, vuile rivier, kampeerden er en bleven er één nacht over. Den volgenden dag zetten zij hun reis voort en kwamen zij reeds den anderen dag aan een roode, als bloed uitziende rivier. Zij bleven aan deze rivier en leefden gedurende twee jaar van haar visschen; maar er waren daar lage rivierstanden, wat hen niet beviel, en waarom zij er niet wilden blijven. Zij gingen toen naar het einde van die bloedige rivier en hoorden toen een geluid als van den donder. Zij begaven zich vervolgens naar de plek, van waar het geluid kwam. In het eerst zagen zij een rooden damp en daarna een berg, die donderde; en op dien berg hoorden zij een geluid, alsof hij aan het zingen was. Zij zonden er toen menschen heen, om te zien wat dat was; het bleek een groot vuur te zijn, dat in de hoogte spoot en dat een zingend geluid maakte. Deze berg noemden zij Koning der Bergen. Hij dondert nog tot op dezen dag en de menschen zijn er bang voor.
Hier ontmoetten zij toen menschen van drie verschillende stammen. Zij hadden iets genomen en gered van het vuur van den berg en op dezelfde plaats leerden zij ook planten en vele andere dingen kennen.
Uit het Oosten kwam toen een wit vuur naar hen toe, dat zij echter niet wilden gebruiken.
Van Wahalle kwam toen een vuur, dat blauw was; maar ook dit wilden zij niet gebruiken.
Uit het Westen kwam daarna een vuur, dat zwart was; en ook dit beviel hen niet.
Ten laatste kwam er een vuur uit het Noorden [116], dat rood en geel was. Dit mengden zij met het vuur, dat zij van den berg hadden genomen en dit is het vuur, dat zij nog dagelijks gebruiken; ook dit zingt somtijds.
Op den berg was een paal, die voortdurend heen en weêr ging en een geluid gaf; maar zij konden de manier niet vinden, om hem tot rust te brengen. Ten slotte namen zij een moederloos kind en sloegen het tegen den paal, totdat het dood was. Zij namen nu den paal op en steeds dragen zij dien nog met zich, als zij ten strijde trekken. Deze paal was gelijk een houten tomahawk*, die zij nu nog in den strijd gebruiken en nog altijd van hetzelfde hout gemaakt wordt.
Zij vonden hier ook vier [117] planten of wortels, die voor hen hunne deugden bezongen en openbaarden. Ten eerste: Pasaw, de ratelslangwortel; ten tweede: Micoweanochaw, de roode wortel; ten derde: Sowatchko, die als wilde venkel groeit en ten vierde: Eschalapootchke, kleine tabak.
Deze planten, vooral de Ratelslangwortel en de Kleine Tabak, gebruiken zij als de beste medicijn voor reinigingsdoeleinden op hunne púskita*. Gedurende deze pustika vasten zij en brengen zij offers aan de eerste vruchten.
Sedert zij de weldaden van deze planten leerden kennen, hebben hunne vrouwen op bepaalde tijden een apart vuur en zonderen deze zich dan voor de zuivering van de mannen af. Als zij dit nalaten, zal de kracht der vier planten verloren gaan en zullen de vrouwen niet gezond blijven.
In die tijden ontstond er nu een strijd over de vraag, wie de oudste der stammen was en wie van hen alles regelen zou. Zij kwamen ten slotte overeen, dat, daar zij tot vier stammen behoorden, zij vier palen zouden planten en deze met een soort klei rood zouden kleuren, die eerst geel is en door branden rood wordt. Zij zouden daarna ten strijde trekken en de oudste zou die zijn, welke zijn paal met de scalpen der vijanden het eerst van onderen tot boven zou hebben bedekt.