Mythen en sagen uit West-Indië
Part 15
Allen probeerden het nu en de Cussitaws waren de eersten, die hun paal bedekten en wel zóó dik, dat van het hout niets te zien was. Daarom werden de Cussitaws door allen als de oudste stam beschouwd. Den Chickasaws gelukte het, ook hun paal te bedekken en daarna ook den Atilamas; maar de Obikaws konden hun paal slechts tot kniehoogte bedekken.
In dien tijd leefde er nu een groote vogel, blauw van kleur, met een lange staart en vlugger dan de arend. Deze vogel verscheen iederen dag en doodde en at een van het Indianenvolk op. Daarom besloten zij, een beeld te maken in den vorm eener vrouw, en dit zetten zij op den weg van den vogel neêr. De vogel kwam terug, droeg het beeld weg, en behield het langen tijd, tot hij het eindelijk terugbracht. Zij lieten toen het beeld alleen, in de hoop, dat het iets zou voortbrengen. Na langen tijd kwam er een roode rat [118] uit te voorschijn en daarom gelooven zij, dat de vogel de vader van de rat is.
Er werd toen raad met de rat gehouden, ten einde te beslissen, hoe zij haren vader zouden kunnen dooden. De vogel had boog en pijlen en er werd besloten, dat de rat de boogpees zou doorknagen, zoodat de vogel zich niet meer zou kunnen verdedigen. Zoo gezegd zoo gedaan, en het volk kon toen den vogel dooden. Deze vogel noemen zij Koning der vogels. Zij denken, dat ook de arend een koning is, en zij dragen daarom zijn veeren, als zij ten strijde trekken of vrede sluiten. Wanneer hun vijand met witte veeren en een witten mond nadert en als een arend schreeuwt, mogen zij hem niet dooden.
Zij verlieten nu deze plaats en kwamen aan een wit voetpad. Het gras en alles in het rond was wit, en zij waren vast overtuigd, dat hier menschen moesten geweest zijn. Zij kruisten nu het pad en sliepen in de nabijheid. Daarna keerden zij terug, om te zien welk soort pad en welk volk het was, dat hier was geweest, daar zij geloofden, dat het voor hen beter zou zijn, het pad te volgen. Zij volgden het pad en kwamen aan een kreek, Coloosehutche genoemd (Coloose-kreek), omdat het hier rotsachtig was en er dampen opstegen.
Zij kruisten het pad nu in de richting der zonopkomst en kwamen bij een volk en aan een stad, Coosaw geheeten. Hier bleven zij vier jaar. De Coosaws klaagden, dat een wild beest op hen aasde, dat zij menscheneter noemden of leeuw [119] en dat het in een rotsspelonk verblijf hield. De Cussitaws zeiden, dat zij het beest zouden zien te dooden. Zij groeven een kuil en legden er een net van hickory-bast naast. Daarna bedekten zij den kuil met kruislings er over heen gelegde takken, zoodat de leeuw hen niet zou kunnen volgen; en, naar de plaats gaande, waar hij zijn leger had, wierpen zij een tooverrammelaar in het hol. De leeuw kwam toen in grooten angst te voorschijn en vervolgde hen door het struikgewas heen. Zij vonden het toen beter, dat er een zou sterven en namen daarom een moederloos kind en wierpen het voor het beest, toen het nabij den kuil kwam. De leeuw besprong het slachtoffer en viel in den kuil, waarover zij nu het net heenwierpen, en waarna zij het beest met vlammend hout konden dooden. Zijn beenderen bewaren zij tot heden toe; aan één zijde zijn zij rood, aan de andere blauw.
Daar de leeuw gewoon was, om de zeven dagen een uit het volk te dooden, bleven zij, nadat zij het beest hadden gedood, nog zeven dagen op deze plaats. Ter herinnering aan zijn dood vasten zij, wanneer zij zich tot den oorlog voorbereiden, zes dagen lang [120] en trekken er den zevenden dag op uit. Als zij de beenderen meenamen, zouden zij geluk hebben.
Na vier jaar verlieten zij de Coosaws en kwamen zij aan een rivier, die zij Nowhawpe noemen (nu Callisihutche). Zij bleven er twee jaar en daar zij geen koren* hadden, leefden zij van wortels en visch; zij maakten bogen, en pijlpunten vervaardigden zij van bevertanden en steen. Gespleten riet gebruikten zij als messen.
Zij kwamen toen, steeds verder trekkend, aan een kreek, die zij Wattoohawka- (Whooping-) kreek noemden, om het geschreeuw van kraanvogels*, die daar in menigte waren. Hier sliepen zij één nacht.
Den volgenden dag bereikten zij een rivier, waarin een waterval was, die zij Aphoosa pheeskaw noemden. Zij trokken de rivier over en kwamen aan een hoogen berg, waar menschen woonden, die zij voor de makers van het witte pad hielden. Zij maakten nu witte pijlen, waarmeê zij hen beschoten, om te zien of het goede menschen waren. Maar het volk nam hunne witte pijlen, verfde die rood en schoot op hen, om te zien of zij goede menschen waren.
Toen zij deze aan hun Hoofdman toonden, zei deze, dat dit geen goed teeken was; wanneer de pijlen, die zij terugschoten, wit waren geweest, hadden zij er heen moeten gaan en eten aan hun kinderen moeten brengen; maar nu zij rood waren, deden zij beter te vertrekken. Doch enkelen hunner togen op weg, om te zien wat voor menschen zij waren. Zij vonden er echter ledige hutten en zagen een spoor, dat naar de rivier leidde; daar zij echter geen spoor aan de overzijde zagen, geloofden zij, dat het volk in de rivier gegaan was en niet weêr te voorschijn zou komen.
Op deze plaats is een berg, Moterell geheeten, die een geluid maakt als een trom [121]. Zij denken, dat het volk daar nu woont. Aan alle kanten hooren zij het geluid, als zij ten strijde trekken.
Zij volgden de rivier, tot zij aan een waterval kwamen, waar zij hooge rotsen zagen; en op de rotsen vonden zij bogen. Nu geloofden zij, dat het volk, waarvan het witte pad afkomstig was, daar woonde.
Op hunne tochten hadden zij steeds twee verkenners, die zij vóór de hoofdmacht vooruit lieten gaan. Deze verkenners bestegen een hoogen berg en zagen van daar een stad. Zij schoten toen witte pijlen in de stad, maar het volk schoot weêr roode terug.
Toen begonnen de Cussitaws angstig te worden en besloten zij de stad aan te vallen, zoodat zij dan allen een woning zouden hebben, als zij haar genomen zouden hebben.
Zij wierpen steenen in de rivier om haar te kunnen overgaan, namen de stad, waarvan de bewoners platte hoofden hadden, en doodden allen op twee na. Toen zij deze, die gevlucht waren, achtervolgden, troffen zij een witten hond aan, die zij neêrsloegen. Daarna zetten zij de vervolging voort, maar de vluchtelingen ontkwamen. Zij hadden toen een wit pad bereikt, en zagen de rook van een stad. Nu dachten zij, het volk gevonden te hebben, dat zij zoo lang gezocht hadden. Dit is de plek, waar nu de stam der Palachucolas woont, van welke Tomochichi [122] afkomstig is.
De Cussitaws naderden met bloedige voornemens, maar de Palachucolas gaven hun zwarten drank, als een teeken van vriendschap en zeiden tot hen: „Onze harten zijn wit, en de uwen moeten ook wit zijn en jelui moeten de bloedige tomahawk* neêrleggen en je lichamen toonen als een bewijs, dat zij altijd wit zullen zijn.” Maar niettemin bleven zij voor den tomahawk gestemd; de Palachucolas wisten hen echter te overreden en begroeven het wapen onder hun slaapplaatsen. De Palachucolas gaven hun ook witte veeren en stelden hun voor, een gemeenschappelijk Hoofd te kiezen.
Sedert dien tijd leven beide stammen eendrachtig samen. Één deel vestigde zich aan de eene oever der rivier, een ander deel aan de andere. De Indianen aan de eene oever zijn de Cussitaws, die aan de andere de Cowetas. Zij vormen nu één volk, dat de voornaamste steden der Boven- en Beneden Creek-Indianen bewoont [123].
Toch kunnen de Cussitaws, die eerst den rooden rook en het roode vuur zagen en bloedige steden maakten, hun roode harten niet verlaten, die echter nu aan de eene zijde wit, aan de andere zijde rood zijn.
Zij weten nu, dat het witte pad het beste is geweest. Want hoewel Tomochichi een vreemdeling was, zien zij nu in, dat hij hen goed heeft gedaan. Want hij kwam om den grooten Koning te zien met gouverneur Oglethorpe en hem te hooren vertellen, en zij hadden geluisterd en geloofden het verhaal.
II. WEST-INDISCHE NEGER-FOLKLORE.
INLEIDENDE BESCHOUWINGEN.
Tot de opgaven, die ik mij gedurende mijne onderzoekingsreis door de binnenlanden van het Suriname-district Nickérie in September en October van het jaar 1900 (C.b.) gesteld had, behoorde ook het bijeenbrengen eener verzameling dieren.
Van deze en gene zijde waren mij wenken medegegeven en wenschen kenbaar gemaakt, die ik, al naar de omstandigheden zulks gedoogden, zou trachten te bevredigen. Onder de diergroepen, die tot de wenschen onzer zoölogen behoorden, was mij ook een groep van spinnen genoemd, waarvan de kennis, ook uit een dierengeographisch oogpunt, van belang werd geacht.
Reeds op den tweeden dag van onzen tocht bleek mij echter, dat op mijne negers, die als roeiers en als dragers dienst deden, en wien ik voor het verzamelen van dieren premiën had uitgeloofd, voor zoover het spinnen gold, niet veel te rekenen zou vallen, want „een spin, [124] het verstandigste en slimste dier, mag niet gedood worden”, voegden mijne roeiers mij toe, mij verwijtend aanziende, toen ik tegen de tent van mijn boot een jacht op een snelloopende, langpootige soort wilde beginnen, na reeds een der voor deze brooze wezens medegenomen reageerbuisjes met spiritus te hebben gevuld.
Enkele mijner zwarte roeiers, niet bestand tegen de macht van het aardsche slijk, beloofden mij wel tegen een verhoogde premie in het verzamelen van spinnen behulpzaam te willen zijn, doch tegenover het meerendeel was ik genoodzaakt, door negeroogen onbespied, mijn wreede jacht uit te voeren.
De groote eerbied, dien de negers voor een spin koesteren, is zeker bij de wreedheid, waaraan zij zich vaak tegenover andere dieren schuldig maken, opvallend, en geen wonder is het dan ook, dat in de scheppingen der rijke negerphantasie de spin schering en inslag is; want ik overdrijf zeker niet, wanneer ik zeg, dat in de vertellingen der Surinaamsche negers de spin tien tegen één de heldenrol speelt.
Het mag zeker bevreemding wekken, dat waar in den laatsten tijd zooveel studie wordt gemaakt van de mondelinge overleveringen der natuurvolken, en waar men tracht het oorspronkelijke in hunne vertellingen van het door vreemden invloed bijgevoegde te onderscheiden, nog zoo weinig aan de spinverhalen, de anansi-tori’s der Surinaamsche negers, gedacht is. Men moet al zeer weinig opmerkingsgave en weinig zin tot onderzoek hebben, om niet spoedig bij eene kennismaking met het zwarte deel der Surinaamsche bevolking tot de ontdekking te komen, welk een belangrijke plaats de anansi-tori in het leven van den neger inneemt.
Waar bij alle gebeurtenissen des levens, die voor den geest afleiding vragen, boeiende lectuur of inspannende arbeid en studie onze gedachten een andere richting kunnen geven, daar heeft de Neger zijn lange anansi-tori’s, die hem na volbrachten arbeid aangenaam bezig houden, die hem in oogenblikken van droefheid tot troost zijn, en die hem gedurende de kwellingen van het lastige insektenheir in de oerwouden verlichting geven.
Herinnert zich niet menig oud-Surinamer nog zeer goed de langdurige anansi-tori’s, waarmede de nène [125], voor zijn bed gezeten, hem in slaap trachtte te brengen? (zie No. 26 van dezen bundel). Ook in Suriname deed de anansi-tori in déde-hóso [126] nog niet lang geleden opgeld, zóó zelfs dat in Paramaribo anansi-tori-vertellers waren, die van het eene sterfhuis naar het andere gingen en er steeds welkom waren.
Voor een neger-arbeider op expeditie door de oerwouden is de anansi-tori eveneens een ware uitkomst. Wanneer op onzen tocht door de eindelooze wildernissen de muskieten ons plaagden of de kleine patatten-luizen* het lichaam met brandend jeukende bulten overdekt hadden en aan slapen niet te denken viel, zochten onze negers vaak afleiding door hunne anansi-tori’s.
Meermalen schepte ik er genoegen in, het primitief kampement onzer negers, die hunne hangmatten tusschen de boomen, op korten afstand van onze tent, hadden opgehangen, te gaan bezoeken, wanneer zij na het nuttigen van hun eenvoudig, doch overvloedig maal aan het vertellen waren. Bij de flikkerende vlammen van het kampvuur vond ik een onzer arbeiders, in zijn hangmat gezeten, omringd door een aantal toehoorders, op wier gelaat de grootste aandacht en een innig genoegen te lezen waren.
De verteller sprak gemakkelijk, met mooie accentuatie en met bewonderenswaardige stembuiging—soms fluisterend, om daarna met langzame stemverheffing zijn woorden met kracht uit te stooten. Nu eens sprak hij vermanend, dan weêr vragend en al kon ik wegens onvoldoende kennis der Neger-Engelsche taal het verhaal niet volgen, toch liet de uitnemende verteller niet na, indruk op mij te maken, en wist hij het verlangen bij mij op te wekken, met den inhoud dier negervertellingen kennis te maken.
Toen wij te Paramaribo verblijf hielden, deed ik een poging daartoe, toen een der tochtgenooten, H. van Cappelle Jr., een aantal phonographische opnamen van negerliederen wilde machtig worden, waartoe een onzer bedienden ons in de gelegenheid stelde. Op de bijeenkomst, die in diens nederige woning, aan een zijstraat van de Saramaccastraat, plaats had, had hij nl. een aantal negers, negerinnen en kleurlingen uitgenoodigd, die zich bereid hadden verklaard, liederen ten beste te geven.
Aan het einde van den avond verzocht ik een der aanwezigen, ook eens een anansi-tori te willen vertellen, waarop een 15-jarig negerinnetje naar voren trad, zich zonder eenigen schroom voor de horen van de phonograaf [127] neêrzette en met mooie zeggingskracht, die bij ons allen bewondering wekte, zonder haperen haar „Boen no habi tangi” [128] ten beste gaf.
Ik vroeg de vertelster, mij de Nederlandsche vertaling van den dierenfabel te willen ter hand stellen, waaraan zij den volgenden dag voldeed, doch waaruit tot mijn teleurstelling bleek, dat zij geen typische anansi-tori had gekozen, omdat anansi, de spin, er niet als held in optreedt.
Toch heeft de eenvoudige vertelling niet nagelaten, indruk op mij te maken, omdat een ieder, die met de „onbeschaafde” volken of met de eenvoudige bewoners van het platteland heeft omgegaan, zal moeten erkennen, dat de waarheid der daarin verkondigde moraal steeds meer aan het licht komt, naarmate men de groote centra der „beschaving” nadert.
Dat de Neger, wiens karaktereigenschap, voor zoover het den door den omgang met den „beschaafden” blanke nog weinig bedorven neger geldt, getrouwheid, onbaatzuchtigheid, innige verknochtheid en dankbaarheid is, deze treurige waarheid door de dieren laat verkondigen, is niet te verwonderen. Wij zien immers, hoe zorgvuldig hij, evenals alle natuurvolken, de dieren om hem heen in hun doen en laten bespiedt, en hoe hij daardoor in staat wordt gesteld, bij hen, nevens vele hoogere gaven, die wij met ons zooveel beperkter waarnemingsvermogen over het hoofd zien, dikwijls een grooter mate van welwillendheid en onbaatzuchtigheid jegens soortgenooten op te merken, dan wij in de „beschaafde” wereld de menschen veelal jegens elkander aan den dag zien leggen.
De jeugdige Creoolsche had met hare eenvoudige vertelling mijne belangstelling in de Surinaamsche negerfolklore nog meer geprikkeld en het verlangen bij mij opgewekt, in het bezit te komen van eene verzameling Surinaamsche negervertellingen, die wellicht voldoende stof voor eene studie over dit onderwerp zouden kunnen opleveren.
Daar weinigen het Nederlandsch voldoende machtig zijn, om een anansi-tori in onze taal over te zetten, of den lust hebben, de dikwijls langdradige vertellingen op schrift te brengen, had ik weinig verwachting dat mijne pogingen, om meerdere negervertellingen bijeen te brengen, slagen zouden.
Toch was het weder mijn ijverige tochtgenoot en goede kenner van den Surinaamschen neger, C. van Drimmelen, die mijn wenschen bevredigde en die in den Javaansch-Maleischen tolk M. H. Nahar te Paramaribo den man vond met genoeg belangstelling voor negerfolklore om, geheel belangeloos, zijn tijd en zijn krachten aan dit onderwerp te wijden.
Het meerendeel der vertellingen, die Nahar bijeen bracht, verdienen den naam anansi-tori’s, omdat de spin er de heldenrol in speelt, en zijn daarom zeer leerrijk, omdat, hoezeer het sprookje ook gewijzigd moge zijn, dit ook bij de negers der Goudkust zoozeer vereerde dier, zooals nader zal blijken, door de overbrenging der vertellingen naar West-Indië hoegenaamd niets van zijn karaktereigenschappen verloren heeft.
Doch hoe belangwekkend deze naïve vertellingen voor een studie van het volksleven ook mogen zijn, het moet erkend worden, dat zij in een beschaafde taal overgebracht, veel van hare pittigheid en oorspronkelijkheid verliezen. Want slechts dan kan men ze ten volle genieten, wanneer men de Neger-Engelsche taal machtig is, en men ze zelf hoort vertellen. Want datgene, wat deze vertellingen der negers juist zoo smakelijk en belangwekkend maakt, nl. de krachtige uitdrukkingen, met stemverheffing uitgesproken, het plotselinge gedempte gefluister, de herhaalde uitroepen, de gesticulaties, de klank- en spraaknabootsingen en niet het minst de korte liedjes, die er tusschen door worden gezongen—dit alles is zeer moeielijk op schrift weêr te geven.
Wanneer de Neger met zijne rijke phantasie en zijn kinderlijken aard, die zich in velen zijner handelingen uit, uren achtereen geboeid kan worden door vertellingen van koningen, prinsen en prinsessen, van feesten onder de waterdieren, van spinnen, die ongezadeld op tijgers rijden enz., zullen ook onze kinderen, die gaarne droomen van een wonderland, waar de dieren als menschen handelen en spreken kunnen, in die eenvoudige sprookjes een rijke bron van genot vinden. Maar ook voor hen, die gaarne willen doordringen in het zieleleven van een menschenras, dat in elk opzicht de antipode mag genoemd worden van het Roode of Indiaansche ras, dat vóór de komst der blanke en zwarte bevolking, heer en meester van het land was, zullen de in dezen bundel bijeengebrachte voortbrengselen der negerphantasie, hoop ik, welkom zijn, omdat zij er ongetwijfeld den Neger van een betere zijde in leeren kennen, dan men gewoon is, dit zoo lang verdrukte ras af te schilderen.
Mogen de sprookjes en dierenfabels, waarmede nu ook het groote, lezend publiek kennis zal kunnen maken, wel niet de waarde bezitten van de vertellingen, die Stanley, te midden der Afrikaansche wouden, in de stille avonduren om het kampvuur door zijne zwarte metgezellen gedaan werden [129] en die de groote ontdekkingsreiziger slechts dan opteekende, wanneer een echte inboorling uit het binnenland aan het woord was, toch zullen ze niet nalaten, een blik te leeren slaan in de diepste roerselen der negerziel en de overtuiging kunnen schenken, dat in de toekomst van het Negerras veel verwacht zal kunnen worden.
Mij heeft de lijvige bundel anansi-tori’s, door Nahar bijeengebracht, aangename oogenblikken verschaft. Ik zag weêr vóór mij het in duisternis gehulde machtige oerwoud, hier en daar phantastisch verlicht door de flikkeringen van de vuurtjes onzer negers; ik hoorde de forsche heldere stem van den verteller, afgewisseld door den schaterlach der toehoorders; het was weêr alsof ik, liggende in de hangmat, de doordringende negerstemmen langzaam hoorde wegsterven en of de vreemdsoortige, elke minuut vermeerderende geluiden van het nachtelijk dierenconcert weder uit het machtige oerwoud tot mij kwamen.
DE SURINAAMSCHE ANANSI-TORI’S EN HARE OORSPRONG.
De vertellingen der Surinaamsche negers zijn bijna uitsluitend dierenfabels of sprookjes, waarin aan de verschillende dieren menschelijke hoedanigheden, zoowel lichamelijke als geestelijke, worden toegeschreven. Evenals in de Indianenverhalen kunnen de dieren willekeurig van dier in mensch of omgekeerd veranderen. Het aantal vertellingen, waarin de spin, anansi, als held optreedt, is verreweg in de meerderheid. De spin is bij den Surinaamschen neger de nationale held, en tevens de personificatie van het negerras. Aan de spin nl. worden de eigenschappen toegeschreven, die ook bij den neger het meest op den voorgrond treden of die hij zoo gaarne zou willen bezitten.
De spin is buitengewoon listig, lijdt aan slapeloosheid, heeft een taaiheid, die aan onsterfelijkheid grenst, bezit een formidabelen eetlust en een bewonderenswaardig talent, om zich van het noodige voedsel te voorzien. De spin toont door het spinnen van haar kunstig web, dat zij buitengewoon knap is en „heeft de draad van haar persoonlijkheid met het nationale leven als het ware samengeweven.” De spin houdt er van lui te zijn, weigert de lichtste last te dragen, als het in haar kraam te pas komt, maar kan ook, als er iets te eten valt, met het grootste gemak het lichaam van een dooden olifant optillen.
Om anansi heen groepeeren zich talrijke andere dieren, die voor het meerendeel tot de inheemsche fauna van Guyana behooren en na de overbrenging der vertellingen door de negerslaven gaandeweg voor Afrikaansche dieren in de plaats zijn getreden, terwijl er ook nog nu en dan dieren in voorkomen, die in de herinnering hunner afstammelingen aan het oude vaderland zijn blijven voortleven, zooals bijv. de Olifant, die in Amerika niet voorkomt, en toch in de Surinaamsche negervertellingen enkele malen optreedt.
Iedere diersoort wordt in de verschillende dierenfabels steeds met dezelfde eigenschappen uitgebeeld, zoowel lichamelijke als geestelijke en in hunne karakterschetsen der dieren toonen ook de negers uitmuntende natuurwaarnemers te zijn.
In het algemeen kan gezegd worden, dat de neger er, evenals andere natuurvolken, van houdt, in het licht te stellen, dat de zwakke en hulpelooze schepselen geschapen zijn, om over de sterkere te zegevieren—niet door kracht, maar door knapheid en listigheid. De neger acht deze eigenschappen hooger dan brute kracht. Kleine en nietige dieren winnen het in zijn eenvoudige vertellingen steeds van de groote en sterke, en dat hij dit motief zoo gaarne in zijne mondelinge overleveringen behandelt, mag hieraan worden toegeschreven, dat het Zwarte Ras, dat steeds onderdrukt is geweest, dat zoo lang als minderwaardig tegenover het blanke werd beschouwd, en in de Afrikaansche wildernis tegen zoovele wilde en gevaarlijke dieren heeft moeten strijden, geleerd heeft, dat kundigheden en list eigenschappen zijn, waarmede hij het in zijn strijd tegen zijn medemensch en tegen de omringende dierenwereld het verst kan brengen.
Dat de neger licht geneigd is, in dit opzicht sterk te overdrijven, dat er een tikje verdorvenheid in zijne streken schuilt, en dat hij geveinsdheid als een schoone eigenschap heeft leeren kennen en listigheid als een onschatbaar middel in zijn strijd tegenover de dieren en tegen de hebzucht van zijn blanke overheerschers heeft leeren waardeeren, is zeker niet te verwonderen.
Het was zeker geen gemakkelijke taak, die M. H. Nahar op zich had genomen, om het noodige materiaal voor de kennis van de Surinaamsche neger-folklore bijeen te brengen. Terwijl het reeds zeer moeielijk is, om uit den vloed van woorden, nu eens zacht gefluisterd, dan weêr met kracht uitgestooten, overal den zin goed te begrijpen, het vereischt bovendien een ongewoon taalgevoel, om in een Nederlandsche vertaling den eigenaardigen verhaaltrant der negers behoorlijk weêr te geven [130].
In dit opzicht hebben de door Nahar mij toegezonden vertellingen mij wel wat teleurgesteld, want na de allernoodzakelijkste verbeteringen verkreeg ik een tekst, die niet juist de wijze weêrgeeft, waarop de neger zich pleegt uit te drukken, als hij aan het vertellen is. De korte zinnen, het gebruik van den tegenwoordigen tijd, het weglaten van het lidwoord vóór de dierennamen, ziedaar enkele eigenaardigheden, die mij in de Surinaamsche oerwouden reeds waren opgevallen, als een neger, omringd door aandachtige toehoorders, bij het flikkerende vuurtje aan het vertellen was, en die ik later terugvond bij den nog te bespreken bundel vertellingen, verzameld door Florence Cronise bij de negers van Sierra Leone en ook in de belangwekkende verzameling, door Walter Jekyll bij de negerbevolking van het West-Indische eiland Jamaica bijeengebracht.