Mythen en sagen uit West-Indië
Part 16
Beter in dit opzicht is het verhaal uit de geschiedenis van Vriend Spin, dat de Heer A. G. Fernandes te Paramaribo mij verschafte, en waarop ik later nog de bijzondere aandacht moet vestigen.
Waar het allerminst mijne bedoeling is, door deze opmerking op den arbeid van Nahar kritiek uit te oefenen, meende ik haar den lezer toch niet te mogen onthouden, opdat hij wete, welke waarde uit een zuiver folkloristisch oogpunt aan Nahar’s bundel mag worden toegekend. Deze woorden gelden natuurlijk niet voor het meerendeel der lezers van dezen bundel, wien het meer om den inhoud, dan op den juisten vorm van de vertelling te doen is.
De woorden van vreemde afkomst, zooals repeteeren, diagnoseeren enz. heb ik in Nahar’s tekst niet door Nederlandsche woorden vervangen, omdat het met voorliefde gebruiken van deftige woorden mij onder de gesprekken met den Surinaamschen Neger als een eigenaardigheid was opgevallen.
Nahar had bij het verzamelen van negervertellingen nog met een andere moeilijkheid te kampen, waarop hij niet gerekend had, nl. met het bij den Neger ingewortelde bijgeloof, waardoor hij telkens teleurgesteld werd, wanneer hij wilde trachten, op Zondag, den voor hem geschiktsten dag, nieuwe vertellingen machtig te worden.
Het innerlijke leven van den Neger wordt, evenals dat van den Indiaan, zoozeer beïnvloed door zijn bijgeloof, dat om het goed te kunnen begrijpen, eene kennis van het uitgebreide netwerk van bijgeloovigheden, waarvan hij zich steeds omringd gevoelt, zoo niet noodzakelijk, dan toch zeer nuttig zou zijn. Het is daarom, dat ik aan den bundel Surinaamsche Anansi-tori’s laat voorafgaan een door M. H. Nahar mij toegezonden opstel, getiteld: „De Anansi-tori en het Bijgeloof”. De lezers, die meer over dit onderwerp willen vernemen, verwijs ik naar het opstel van de Gebroeders Penard, (P. b.).
Vooral van oude negerinnen, van wie Nahar kon verwachten, de meest oorspronkelijke vertellingen te zullen hooren, kreeg hij steeds een weigering, op Zondag aan het vertellen te gaan, want „kerki teki habra wi kisi dopoe [131] en mi wan kerki soema moe taki anansitori?” [132], waren de antwoorden, die een oude negerin, eertijds slavin op de plantage Brouwerslust (Brouroe) en nu lidmaat van de Moravische broedergemeente, Nahar gaf, terwijl zij hem met argusoogen aanzag, diep ademhaalde en de tong tegen haar verhemelte sloeg.
De volharding, waarmede Nahar zich van zijn taak gekweten heeft [133], mag daarom op hoogen prijs worden gesteld, omdat zijne verzameling negervertellingen den grondslag vormt, waarop anderen zullen kunnen voortbouwen [134].
Met nadruk mag hier zeker wel gewezen worden op den steeds toenemenden Europeeschen invloed, die ook de neger-folklore van Suriname bezig is te ondergaan, en die reeds zóó groot is, dat het zeer moeielijk is, onder de jongeren van het zwarte deel van Suriname’s bevolking oorspronkelijke anansi-tori’s machtig te worden. Terecht drukt Nahar dan ook in een zijner minder voor publicatie geschikte aanteekeningen over het bijgeloof zijne teleurstelling er over uit, dat de voormalige slavin op Brouwerslust er niet toe te brengen was, anansi-tori’s te vertellen, „daar stellig zeer typische voor den dag zouden zijn gekomen”.
Alvorens nu op de verschillende vertellingen een korte toelichting te geven, in den zelfden geest, als ik bij de mondelinge overleveringen der Indianen heb getracht te doen, zal het nuttig zijn, enkele regels te wijden aan de vermoedelijke herkomst der Surinaamsche negervertellingen, waarbij de Geschiedenis van den Surinaamschen Neger ons zal moeten leiden.
In Suriname, met zijne uit zooveel verschillende elementen samengestelde bevolking, hebben alleen de Negers hunne spinverhalen of anansi-tori’s, waaruit blijkt, dat deze vertellingen van Afrikaanschen oorsprong zijn. Iedereen weet dit ook in de kolonie. Werd niet de gouddelver, die zoo bang was op Zondag anansi-tori’s te vertellen of aan te hooren [135] door den tolk Nahar dadelijk gerustgesteld met de woorden: „anansi-tori’s zijn immers slechts sprookjes, die door de Afrikanen en hunne kinderen vervaardigd zijn en die hier al sedert 2 à 300 jaar bestaan”.
Onze nasporingen betreffende den oorsprong dezer vertellingen zullen wij dus in de eerste plaats daarheen moeten richten, vanwaar indertijd de negerslaven zijn weggehaald.
Terwijl door meerdere schrijvers de Goudkust en aangrenzende kuststreken, de Congo en ook wel Soedan als de streken van herkomst worden vermeld, schijnt het toch wel vast te staan, dat verreweg het grootste deel der slaven van de Goudkust afkomstig is, waarheen de Hollanders reeds in 1595 hun eerste handelsreis maakten, en wel meer in het bijzonder van St. George del Mina, dat, evenals Brazilië, door den dapperen Maurits van Nassau voor Nederland veroverd werd en dat van 1637 tot 1872 een Nederlandsche kolonie was [136].
Behalve St. George del Mina bouwden de Hollanders aan de Goudkust nog 16 andere forten en deze bezitting met het aangrenzende achterland kon ruimschoots voorzien in de behoeften aan negerslaven, toen de Hollanders ook in Guyana nederzettingen gingen vormen, in Essequibo in 1616, in Berbice in 1624 en in Suriname, dat Engeland bij den vrede van Breda in 1667 aan Nederland afstond, welk bezit aan het einde van den derden Engelschen oorlog, bij den vrede van Westminster in 1674, ten volle bevestigd werd.
Het was vooral in de belangrijke periode van 1660–1840, ook wel het suikertijdperk genoemd [137], dat de Hollanders zich voor hunne ondernemingen in Guyana aan de Goudkust van de noodige slaven voorzagen en dit aantal zal zeker niet gering geweest zijn, vooral in het tijdperk, waarin ook Engelsch Guyana eene Nederlandsche bezitting was.
Waarom nu zouden de Hollandsche kolonisten elders in Afrika gezocht hebben, wat in hun eigen kolonie ruimschoots te krijgen was?
Naar het Hollandsche fort Kormantijn of Koromanti, nabij het fort Elmina, werden deze kustslaven Koromantijnen genoemd, of ook wel eens met den naam Koffies aangeduid, naar den algemeen bij de Ashantijnen voorkomenden naam Kofi (zie blz. 213). Want deze Koromantijnen waren de aan de Goudkust wonende Fantijnen en de aan deze vijandig gezinde Ashantijnen van het achterland—stammen, die in hunne lichamelijke eigenschappen en in hunne gebruiken de stamverwantschap met den Surinaamschen neger nog duidelijk verraden.
Doch ook van uit de Engelsche slavendepôts moeten meermalen negerslaven in Suriname zijn ingevoerd, vooral toen vele Engelsche kolonisten zich sedert de komst van Parham in 1652 in Suriname kwamen vestigen, om zich op de winstgevende suikerrietcultuur toe te leggen, niet het minst in het tijdperk tusschen de jaren 1799 en 1802 en de jaren 1804 en 1816, toen Suriname in Engelsche handen was.
Vóór het midden der 17e eeuw kochten de Engelsche kolonisten echter meestal slaven van de Hollanders, totdat ook zij in staat waren, blijvende slavendepôts in West-Afrika te vestigen. Zoo richtten zij depôts op in 1618 en 1664 aan de Gambia-rivier en in 1618, 1626, 1668 aan de Goudkust. Ook met Sierra Leone, West-Liberia en het achterland en met de landen aan den Boven-Niger ontwikkelde zich een levendige slavenhandel, die in het laatst der 14e eeuw in verband met de hooge vlucht, die de suikerriet-cultuur had genomen, het toppunt bereikte.
Ook de Joden, die—gelijk bekend van Portugeeschen afkomst—een belangrijke rol hebben gespeeld in de kolonisatie van Suriname, hebben zeer belangrijk bijgedragen tot den invoer van negerslaven uit de laatstgenoemde streken, want tot aan de afschaffing der slavernij hadden zij vertegenwoordigers aan de Gambia-rivier, in Sierra Leone en elders aan de West-Afrikaansche kust en vormden zij als het ware de tusschenpersonen in den slavenhandel.
Wanneer dus, zooals uit dit onvolledig overzicht mag gebleken zijn, verreweg het grootste deel der tegenwoordige negerbevolking van Suriname mag teruggevoerd worden tot de verschillende negerstammen van de Goudkust en het achterland, van Sierra Leone, van West-Liberia met het achterland, van de landen aan den Boven-Niger en van het stroomgebied der Gambia-rivier, dan dringt van zelf de vraag aan ons op, of, hetgeen verwacht mag worden, deze afkomst nog in de taal, in de godsdienstige gebruiken en in de folk-lore der Surinaamsche negerbevolking sporen heeft achtergelaten.
Hoewel deze bundel uitsluitend gewijd is aan de folk-lore, mag toch op enkele merkwaardige overeenkomsten worden gewezen, die de eerstgenoemde uitingen van het geestelijk leven betreffen.
De Neger-Engelsche taal, door de Surinaamsche negers gesproken, is een merkwaardig samenvoegsel van uit verschillende talen afkomstige woorden. De slaven, die op de eerste vestigingsplaatsen met de Blanken, nl. met Engelschen, nl. in het deel der kolonie, waar later Paramaribo ontstond, en met Portugeesche Joden aan de Boven-Suriname-rivier (Jodensavanne) in aanraking waren, trachtten de taal hunner meesters te spreken en aldus ontstonden twee verschillende dialecten: het eene, het Neger-Engelsch, het tweede het Neger-Portugeesch, die beide rijk waren aan Afrikaansche woorden en uitdrukkingen, terwijl in het eene het Engelsch, in het andere het Portugeesch overheerschte. Later loste zich het laatste in het eerste op, toen de Joden naar de Hoofdstad gingen verhuizen, maar het Neger-Portugeesch bleef toch een bijzonderen stempel drukken op de taal der negers, waartoe o.a. behoort de neiging, om evenals bij aanverwante Zuid-Europeesche talen, de woorden te doen eindigen met een klinker, waardoor het Neger-Engelsch een zekere zoetvloeiendheid eigen is, die het, evenals het Italiaansch, zoo uitermate voor den zang geschikt maakt.
Nadat Suriname voorgoed een Nederlandsche kolonie geworden was, en vooral ook, nadat ongeveer 46 jaar geleden het Nederlandsch de algemeene voertaal van het Onderwijs was geworden, is de invloed van de Nederlandsche taal op de Negertaal in onze kolonie steeds toegenomen, zoodat men deze tegenwoordig beter Neger-Hollandsch, dan Neger-Engelsch zou kunnen noemen.
Onder de woorden nu van Afrikaanschen oorsprong in de Neger-Engelsche taal—want men is de negertaal in Suriname nog altijd zoo blijven noemen—zijn er, die afgeleid moeten worden van de Tshi-taal, gesproken door de negerstammen aan de Goudkust (meer in het bijzonder de Ashantijnen en de Fantijnen). Spin is in de Tshi-taal anansi* [138]. Duidelijker is deze verwantschap gebleken uit eene studie van het West-Indische eiland Jamaica, dat het meerendeel der slaven eveneens van de Goudkust heeft gekregen (zie later). Hier heet de spin unnahncy waarbij de klemtoon op de middelste lettergreep valt. (Je).
Op ondubbelzinnige wijze wordt de afkomst van ten minste een groot deel der Surinaamsche negerslaven uit de Negers der Goudkust (Ashantijnen en Fantijnen en andere de Tsji-taal sprekende stammen) aangetoond door de namen, die in den slaventijd en ook nog lang daarna, aan de negerkinderen werden gegeven.
Nahar, die veel onder negers verkeerd heeft, en er gekend heeft, die den slaventijd hebben meêgemaakt, schrijft mij: „Vroeger gaven de negers hunnen kinderen den naam van den dag hunner geboorte, voor jongens en meisjes verschillend”.
Zoo heette een kind geboren op:
Jongen: Meisje:
Zondag Kwasi Kwasiba Maandag Kodjo Adjoeba Dinsdag Kwamina Abeni (Abeniba) Woensdag Kwakoe Akoeba Donderdag Jaoe of Jau Jaba Vrijdag Kovi of Kofi Afi of Affiba Zaterdag Kwami Amba (Amimba)
Dezelfde gewoonte bestaat volgens A. B. Ellis (El.) bij de Ashantijnen, Fantijnen en andere, de Tshi-taal sprekende stammen en de afleiding van de namen der Surinaamsche negerslaven van de bij de laatstgenoemde stammen gebruikelijke namen zal voor ieder, die het onderstaand, aan Ellis ontleende lijstje met de opgaven van Nahar vergelijkt, ontwijfelbaar vaststaan: [139]
Jongen: Meisje:
Zondag Kwasi Akosua, Akwasibah, Aysi Maandag Kwadjo Adua Dinsdag Kobina, Kwabina Abbena, Arabak Woensdag Kwaku Ekua Donderdag Know, Yow, Akkor Abbak, Yabbah, Yawah Vrijdag Kwoffi Effua, Yah Zaterdag Kwami, Kwamina Amma, Ameminiwah
Ook met betrekking tot de godsdienstige begrippen en de gewoonten en gebruiken zou het niet moeilijk vallen, door nauwkeurige vergelijking in menig opzicht groote verwantschap te vinden tusschen de Surinaamsche negers (meer in het bijzonder de Boschnegers, die nog in volmaakt heidendom leven en buiten de aanraking met de blanken weinig of niet veranderd zijn) [140] en de negers der Goudkust.
Beide gelooven aan een Hoofdgod (Grangado of Groote God der Boschnegers). Deze godheid is echter te groot en te verheven, om zich met de aardsche stervelingen in te laten. De tusschengeesten of ondergodheden zijn daar, om zich met het lot der menschen te bemoeien en hen goed of kwaad te doen, naarmate deze Geesten goed of kwaad gezind zijn.
Bij de Goudkust-negers, die de Tshi-taal spreken, heet de Opperste God Bodowissi, in de zuidelijke deelen later vervangen door een nog hoogeren God, die Nyankupon genoemd wordt (Ba. bl. 23), en bij de Ashantijnen Tando heet. Evenals bij de Indianen mogen aan deze Godheden niet de beteekenis worden toegeschreven, die de Christelijke leer aan God hecht, want de Opperste Godheden der genoemde primitieve negerstammen zijn stoffelijke, tastbare wezens, die de gedaante en eigenschappen van menschen hebben. Bodowissi wordt bijv. door personen aangeroepen, die een langen tocht ondernemen, als: „Nana Bodowissi, jeh hyen miankor jeh hyen miombah yi”, d.i. „Grootvader Bodowissi, laat ons veilig terug keeren”.
Volgens de opvatting van de Goudkustnegers en der Surinaamsche Boschnegers dwalen eene menigte booze geesten rond, om allerlei onheilen te stichten. Bijna alle kwade geesten hebben, volgens hun geloof, ook meer bepaalde verblijfplaatsen, doorgaans dieren en planten.
De Boschnegers van Suriname vereeren den Zijdekatoenboom of de Kankantrie*, terwijl het aan de Goudkust verschillende op dezen woudreus gelijkende boomsoorten zijn, die in het leven der negers een evengroote rol spelen, doch er botanisch niet mede verwant zijn. Alles wordt gedaan, om de kwade geesten, die in den boom verblijf houden en als de oorzaak van allerlei ziekten worden beschouwd, door het brengen van offers gunstig te stemmen, die in Ashanti oorspronkelijk uit menschen, later uit dieren bestonden en die zich later, evenals nu nog bij de Boschnegers, gingen bepalen tot allerlei aftreksels van kruiden, dranken, spijzen enz. (C. e.)
Het geloof aan een Geest, die den mensch zelven bemachtigt, hem als het ware bezielt, treffen wij, zoowel bij de negers der Goudkust als bij de Surinaamsche negers aan. Deze Geest heet bij de eersten kra, bij de laatsten kra of akrá. Hij mag niet verward worden met hetgeen wij de ziel noemen, want de kra is slechts een geest, die over den mensch waakt, zoolang hij leeft, die zijne handelingen beheerscht en wiens verband met het lichaam bij den dood ophoudt.
Volgens de Penards (P. b.) kan de mensch zijn kra, die zij levensgeest van den mensch noemen, naar willekeur van zich scheiden en weêr oproepen, en kan ook een vreemde, die er verstand van heeft, de kra van een verwijderd persoon oproepen, ten einde hem om raad te vragen. Iemand, die van zijn kra beroofd is, spreekt wartaal, wordt lusteloos of ziek en sterft dikwijls.
De Tshi-taal sprekende negers der Goudkust kennen aan ieder natuurprodukt eene kra toe en de redeneeringen, die hen, volgens Ellis, tot dit geloof hebben geleid, komen uit een logischen gedachtengang voort. Iemand valt op zekeren dag in de rivier, zegt deze schrijver (El. a) van de negers, die de Tshi-taal spreken. Hij verdrinkt; het lichaam wordt uit het water gehaald en blijkt geen teekenen van geweld te vertoonen, die den dood hadden kunnen veroorzaken. Welke was dan de oorzaak van den dood? vraagt de neger [141]. Water alleen doet geen kwaad; hij drinkt het immers dagelijks; hij wascht zich er mede en gebruikt het voor een menigte doeleinden. Hij trekt dus het besluit, dat het water den dood van den man niet kan hebben veroorzaakt; en daar hij een geestelijk wezen bij de hand heeft, waaraan hij het ongeluk toeschrijft, neemt hij aan, dat de kra van de rivier, m.a.w. de in de rivier huizende geest den man heeft gedood. Dit maakt hem bang, want als de man, die in het water is gevallen, door den riviergeest gedood is kunnen worden, waarom ook niet een ander—waarom niet hij zelf misschien?
Hij tracht daarom op alle mogelijke manieren dien machtigen geest zachter te stemmen: hij gaat hem vereeren enz.
Door de negerstammen van de slavenkust (El. a), het deel van de West-kust van Afrika, dat zich ten Oosten van de Goudkust uitstrekt, worden krokodillen d.w.z. bepaalde soorten daarom vereerd, omdat zij de verblijfplaats zijn van een Geest, ook door hen kra genoemd, die bij gebrek aan een menschelijke woning, bij den dood van een persoon in het lichaam van een krokodil zijn verblijf heeft opgeslagen. Zulke Kra’s, die van den mensch in lagere diersoorten zijn overgegaan en dus achteruitgegaan zijn, worden algemeen als kwaadgezind beschouwd. Deze achteruitgegane geesten zoeken bij voorkeur dieren tot verblijfplaats op, die op menschen loeren. De bedoelde negers gelooven dan ook, dat iedere krokodil, die een mensch doodt, handelt door een kwaadgezinden geest, die in hem woont—op dezelfde wijze dus, als waarop de Surinaamsche neger, zooals werd opgemerkt, dikwijls zijn eigen handelingen verklaart.
Zeer merkwaardig is in dit verband de zang op het water, door den hoofdman in een kano aangeheven, met de bedoeling, de kra van den krokodil te vleien. De zang vangt aan met een koor, door alle bootslieden gezongen:
Koor: Jalodeh [142], goede Geest! Leid ons, bescherm ons tegen kwaad.
Solo: Gij zijt groot; gij zijt sterk! O, Jalodeh. Wanneer Ge het verkoos, zoudt Gij in macht met Shango [143] kunnen wedijveren. Maar Gij beschouwt het als onwaardig, om wreed en bloeddorstig te zijn, en Gij geeft er liever de voorkeur aan, U zelf beroemd te maken, door ons de weldaden van Uw vrijgeleide te laten genieten.
Wij vertrouwen op U, O, Jalodeh! Wees onzer genadig!
Koor: Jalodeh, goede Geest; geleid ons, bescherm ons tegen het kwade.
Solo: Gij zijt zóó sterk, dat het volk U evenzeer vreest als het U bemint. Maar Gij, wat hebt Gij te vreezen? De speer kan Uw huid niet doorboren; de geweerkogel ketst op U af en is verloren. Niemand kan iets tegen U doen. Niets kan U weêrstaan. Hij, dien Gij beschermt, heeft geen waakzaamheid noodig; hij slaapt, wanneer Uw oog op hem rust.
Wij vertrouwen op U, O, Jalodeh! Wees onzer genadig!
Koor: Jalodeh, goede Geest; geleid ons, bescherm ons tegen kwaad.
Solo: Zie, in deze kano komen reizigers uit het land der Blanken. Laat er geen kwaad met hen gebeuren in uwe wateren, anders zoudt Gij even boosaardig zijn als Legba [144]. Wanneer zij mochten komen te sterven, zou het volk kunnen gelooven, dat wij ons niet voldoende tegenover U hadden in acht genomen en geprezen. Toon den Blanken, dat Gij menschen beschermt. Geleid ons zonder ongevallen verder.
Koor: Jalodeh, goede Geest! Geleid ons, bescherm ons tegen ongelukken.
Solo: Ik herinner mij nog, dat ik nog een kind was, toen mijn moeder mij naar Uwe wateren heenbracht, en mij in het water onderdompelde. Ik wist nog niet, dat er eenig gevaar voor mij was. Gij waart vlak bij mij, en mijn moeder was zeer bang. Maar Gij hebt mijn kleine leden geliefkoosd en hebt gezorgd, dat ik naar een veilige plaats kon gaan.
Jalodeh, o, beste aller goden, geleid ons. Ik zal U altijd eeren, en zoo mogelijk steeds meer.
Koor: Jalodeh! O, beste aller goden, geleid ons. Altijd zullen we U eeren, ja altijd meer!....
Een overblijfsel van de vereering van de geesten der natuurvoortbrengselen, van natuuraanbidding, heb ik op onzen tocht door Suriname’s wildernissen (C. b.) bij onzen kok aangetroffen, wiens vader slaaf was geweest. Vooral, als wij diep in het oerwoud gekampeerd lagen, werd hij overmeesterd door de machtige grootheid der natuur. „Weet u wel”, zoo zei hij mij eens, „dat alles in de natuur een Geest heeft, zijn God, tot zelfs de steenen in de rivier, die zoo dikwijls boot-ongelukken veroorzaken? Laten we zorgen, dat de Geesten ons gunstig gezind zijn”.
Ook bij de Surinaamsche negers treft men nog sporen van het geloof aan een in den mensch verblijf houdende kra of akrá aan. Wanneer een neger nl. iets verkeerds heeft gedaan, waarvoor hij zich niet verdedigen kan, verontschuldigt hij zich dikwijls met: „A no mi, na mi akra”. [145]
Dat, na een zóó langdurige inwerking van vreemde invloeden, bij de negerbevolking van Suriname nog zooveel oorspronkelijks is overgebleven, en dat bij een intiemeren omgang met dit deel der Surinaamsche bevolking steeds meer oude herinneringen aan Afrika en den slaventijd te ontdekken vallen, mag ons zeker niet verwonderen, als wij aan de ruwe, dikwijls onmenschelijke behandeling denken, waaraan de negerslaven herhaaldelijk van de zijde der kolonisten hebben blootgestaan (Joh. blz. 113) [146] en waardoor een vurig verlangen naar en herinneringen aan het land, waarvan zij eertijds zoo wreedelijk waren ontrukt, bij het volk als een heiligen schat bewaard bleef.
Nog geen twee weken was ik in de kolonie, toen een negerinnetje, een onzer dienstboden gedurende ons verblijf te Paramaribo, mijn aandacht vroeg voor het land waaruit haar grootvader eertijds als slaaf was weggevoerd, want toen haar gevraagd werd, voor onze phonographische opnamen een typische negerliedje te willen zingen, hief zij met sympathieken stem, het later door mij meermalen gehoorde, „mooi Afrika mi lobi di”. [147]
De afkeer, die zoovelen onzer rasgenooten, helaas! ook nog in onze dagen, jegens al wat neger is aan den dag leggen, waardoor zij het veelal beneden hunne waardigheid achten, tot zijn innerlijk leven af te dalen, heeft er ongetwijfeld veel toe bijgedragen, dat de Surinaamsche neger in zijn denkwijze, zijn gewoonten en gebruiken betrekkelijk nog zoo weinig veranderd is, en het is zeker te betreuren, dat nog niemand van zijn verblijf in de kolonie gebruik heeft gemaakt, om die herinneringen aan Afrika en den slaventijd op te sporen en te boek te stellen.
Het is ook weêr aan M. H. Nahar te danken, dat ik te dezer plaatse enkele dier oude herinneringen kan vermelden.
In een zijner mij toegezonden opstellen wordt de voorstelling verhaald, die nog bij oude negers en ook bij de Boschnegers aangaande den heiligen Kankantrie*, den Boesi-granman of Boesi-mama [148] wordt aangetroffen.
De Boesi-mama is onder de beheerschers der bosschen de meest bekende. Zij komt overeen met een mensch, alleen met dit verschil, dat hare voeten van achteren zitten en dat zij een vreemd hoofd met lang haar draagt. Zij kent alle geneeskrachtige kruiden, doch voor den mensch schijnt zij er weinig gebruik van te maken, want met de menschen, die in hare nabijheid komen, vangt zij den strijd aan, waarin zij bijna altijd overwint. Vandaar dat hij, die in het bosch verdwaalt, er nimmer meer uitkomt. Door Indiaansche priesters (Piai Ingies) en door droomen is men er achter gekomen, dat het de Boesimama is, die de menschen wegvoert.
Wanneer een man in den strijd met de Boesimama overwint, hetgeen maar zelden voorkomt, wordt hij haar minnaar en door haar onderwezen in alle mogelijke kunsten, die de wetenschappen ver te boven gaan.
Haar bestaan schijnt niet meer te zijn van dezen tijd, zoo eindigen Nahar’s mededeelingen, daar er heel weinig meer over haar gesproken wordt.