Mythen en sagen uit West-Indië
Part 17
Dit bijgeloof moet uit de Goudkust zijn overgebracht, waar in alle districten twee godheden of Geesten bekend zijn, die in, onder of te midden van den Zijdekatoenboom huizen en den naam hebben gekregen van Srahmantin (Srahman = geest, tin = afkorting van tsintsin = slank, hoog) en Sasabonsum (abonsum = kwaadaardigheid, betoovering). De eerste leeft er te midden van den hoogen Zijdekatoenboom, wiens enorme stammen ver boven de omringende boomen van het bosch uitsteken; de tweede wordt nu eens te midden, dan weêr onder den Zijdekatoenboom aangetroffen, nl. daar, waar de aarde een roode kleur heeft. Hij is de vriend van toovenaars en heksen. Hij is een monsterlijk wezen in menschengedaante, met lang haar en een roode huidskleur. Hij heeft een voorliefde voor menschenvleesch en belaagt en verslindt eenzame voorbijtrekkers. Men gelooft, dat de roode kleur van de aarde van het bloed der slachtoffers, die hij doodt, afkomstig is.
Srahmantin is een vrouwelijke Geest, eveneens van monsterlijke gedaante, met lang haar en lange hangende borsten. Zij wordt alleen in of te midden van de Zijdekatoenboomen aangetroffen. Zij grijpt eveneens eenzame voorbijtrekkers aan, doch zij verslindt hen nimmer. Zij houdt hen 4 of 5 maanden bij zich, en doet hen naar de dorpen gaan, waar zij hare priesters of priesteressen worden, die door haar zijn ingelicht omtrent alle geheimen, haar betreffende.
De meeningen omtrent deze Geesten loopen bij de verschillende stammen nog al uiteen. De plaatselijke Srahmantin van een verwijderd dorp werd gezegd twaalf hoofden te hebben. (El.)
Vooral de laatste mededeeling is van gewicht in verband met hetgeen zooeven gezegd is omtrent den oorsprong van het bijgeloof, dat bij oude Surinaamsche negers nog heerscht ten opzichte van den Kankantrie, en dat vermoedelijk is voortgekomen uit de voorstelling, die de Goudkust-negers zich van Srahmantin maken.
Dat de slaven ook het eigenaardig bootgezang, als begeleiding hunner gelijkmatige roeibewegingen, uit Afrika naar Suriname, met zijne talrijke rivieren, zouden overbrengen, sprak van zelf.
Werd niet meermalen de poëzie beschreven, die een tocht op een der Afrikaansche stroomen den reiziger schenkt (zie: Bijvoegsel II), wanneer de negerroeiers hunne eentonige roeiliederen over het water laten klinken, en brengen zulke beschrijvingen niet levendig een boottocht op een der Surinaamsche rivieren voor den geest, als de zwarte roeiers hun rank vaartuig aan den voet van het machtige oerwoud zachtkens voortbewegen en zij hunne eindelooze roeiliederen met trillende stem uitgalmen?
Ruimschoots heb ik op den tocht door Suriname’s wildernissen gelegenheid gehad, de poëzie van dit boto siengi der negers te leeren waardeeren, wanneer zij, niet afgeleid door hindernissen in het stroombed, als steengevaarten, watervallen en stroomversnellingen, hunne stemmen den vrijen loop lieten en zij hunne korte melodieën, doch tallooze malen herhaald, in de stilte van den vroegen morgen over water lieten klinken.
Daar deze negerzangen, ter begeleiding der eentonige roeibewegingen, in Suriname aan een tocht op het water even onafscheidelijk verbonden zijn geworden, als zij zulks oorspronkelijk aan een reis op een der Afrikaansche stroomen waren (zie: het bijvoegsel: „Avond op het water in Sierra Leone”), zullen enkele staaltjes, die, ook ter karakteriseering van het negergemoed, belangstelling verdienen, hier ter plaatse evenmin mogen ontbreken, als in het verhaal, dat ik aan den tocht gewijd heb. (C.b.)
De lezer oordeele:
No. 1.
[Muzieknotatie]
No. 2. Social dansa.
[Muzieknotatie]
A - lex - - - an - der, A - lex - an - der come and see . . . . . . . . The watsch-man thief my gol-den ring. Coo - - lie - - man a, hal - la! Chi - ne- man a, hal - la! for the ring . . . . . . . . .
Het laatste lied is door negers uit de Britsche bezitting Barbados, het meest oostelijk gelegen eiland der Kleine Antillen, medegebracht, en wordt daar op de plantage gedurende een gemeenschappelijken dans (Social dansa) gezongen, waarbij de dansenden, elkander de hand houdende, een kring vormen en telkens van plaats verwisselen. Het luidt vertaald: Alexander, kom eens zien, de wachter heeft mijn gouden ring gestolen. Koelieman, Chinees... Gij, hallo! Zoekt de ring!
Het bootgezang, dat op onze terugreis uit de Binnenlanden van Suriname in 1900 door een onzer negerroeiers werd aangeheven (C.b. blz. 218), mag ook in dezen bundel niet ontbreken, omdat de neger hierin weder van zijn buitengewoon improvisatie-talent en dichterlijke phantasie blijk heeft gegeven, daar woorden en muziek, al naar het hem inviel, werden voorgedragen en hij daarin op zijn wijze de geschiedenis van den tocht heeft trachten te bezingen. Al bracht ik slechts het eerste couplet van den merkwaardigen zang, aan de hand van Mr. Focke’s Neger-Engelsch woordenboek, op schrift, is het niettemin zeer de aandacht waard, omdat het de meening van Bücher helpt bevestigen, in zijn „Arbeit und Rythmus” verkondigd, dat het gedicht zijn oorsprong dankt aan de behoefte der natuurvolken, om hunne eentonige bewegingen door gezang te begeleiden.
Zie hiernaast het couplet [149], waarin zelfs niet tegen den klemtoon gezondigd wordt:
[Muzieknotatie]
O, Ni - cké rie! Mi lo - bi di, Ma dem ber-gi de hei - - - so te. Ka - per - ka Ki - ri mi, tja’ fracht na ki - lo - me - ter sik - si, ma dem ber - gi de hei - - - so te.
Refrein.
Wro - ko foe joe mo - ni, Wro - ko foe joe mo - ni, te wi de na Fal-la-wa-tra da so wi de wro-ko wi mo-ni.
Omtrent den oorsprong van dit bootgezang, Boto-siengi genoemd, bestaat bij de negers onzer kolonie eene overlevering, die door Nahar als volgt wordt verteld:
LEGENDE VAN HET BOTO-SIENGI.
„Wie van U allen”, vroeg ik aan eenige negers, die bij elkander waren, „kan mij toch uitleggen, om welke reden gedurende het roeien moet gezongen worden, en wel met zulke lange tonen, die het lied haast onverstaanbaar maken”.
Geen hunner kon mij hierop antwoorden, toen een oude neger binnenkwam, die het raadsel wist op te lossen.
„Wel vriend”, vertelde hij, „in den slavenstand heerschte er discipline, zoo U weet; zelfs vrouwen moesten de riemen aanpakken en dit ging onder een doodelijke stilte, zoodat men wel een speld kon hooren vallen”.
„Je weet toch, dat er plantages zijn, die 3 tot 4 watra’s [150] van de stad verwijderd zijn”.
„De blanken verveelden zich op zoo’n reis, doch de slaven niet minder. Deze begonnen toen heel zachtjes, binnensmonds op een zingenden toon met elkander te spreken, waarop de aangesprokene op den zelfden zingenden toon antwoord gaf. De blanken vonden dit heel aardig en luisterden graag naar het steeds luider wordende gezang, daar het de reis bekortte”.
„Van toen af werd er door het volk gezongen, en zoo is het melancholische bootgezang onafscheidelijk verbonden aan een tocht op de Surinaamsche rivieren”.
Evenals de negers der Goudkust bezitten de Surinaamsche negers een schat van zinrijke spreekwoorden, die voor ieder voorval, voor iedere omstandigheid des levens kunnen dienen en die blijk geven van een hooge levensphilosophie.
Daar deze spreekwoorden er, evenzeer als de anansi-tori’s, toe kunnen bijdragen, om het zieleleven van den neger beter te kunnen begrijpen en te waardeeren, heb ik een aantal dezer spreekwoorden als aanhangsel aan den bundel Surinaamsche negervertellingen toegevoegd. [151] (Zie Bijvoegsel I).
Ellis (El. a en b) deelt niet minder dan 120 aphorismen in zijne meermalen aangehaalde werken mede, van welke ik de merkwaardigsten, na de Surinaamschen, in het Bijvoegsel I heb overgenomen.
Hierbij moge worden opgemerkt, dat de Yoruba’s de wijsheid van een persoon beoordeelen naar het aantal spreekwoorden, die hij kent.
Op expeditie in Suriname schepte ik er meermalen behagen in, met de negers alleen zijnde, nu en dan een spreekwoord te zeggen, hetgeen een algemeene verbazing wekte, want niemand wilde gelooven, dat ik ze in bakrà kóndre [152] geleerd had.
Welke van de spreekwoorden der Surinaamsche negers uit Afrika zijn medegebracht, welke in onze kolonie ontstaan zijn, is niet gemakkelijk te beantwoorden. Door zijn groote verbeeldingskracht en vindingrijkheid, door zijn aanleg tot wijsgeerige bespiegelingen kost het den neger, nimmer verlegen, het rechte woord op het geschikte oogenblik te pas te brengen, weinig moeite, steeds nieuwe spreekwoorden te bedenken. Met zijn kritischen geest weet hij toestanden in de kolonie zeer juist te beoordeelen en zoo moet in lateren tijd het spreekwoord: Sranam-kóndre da hassi-tére: tidè a wai so, tamára a wai so [153], ontstaan zijn.
Deze weinige voorbeelden mogen voldoende zijn, om aan te toonen, dat in de uitingen van het geestelijk leven van den Surinaamschen neger nog tal van herinneringen voorkomen aan zijn afkomst van de negers der Goudkust.
Tot de belangrijkste dezer herinneringen behooren zeker wel de spinverhalen, de anansi-tori’s, die door de negers der Goudkust, die de Tshi-taal spreken—en ook in Sierra Leone—overal verteld worden. Doorgaans is het in dit gebied Anansi of Annancy, de spin, die als held in de vertellingen optreedt. Volgens eene overlevering aan de Goudkust stamt het geheele menschdom van een groote spin af [154] en de vereering, die dit dier daardoor geniet, de belangrijke plaats, die dit bij ons zoozeer verafschuwde dier in de gedachten der Goudkust-negers inneemt, heeft anansi tot den hoofdpersoon hunner talrijke vertellingen gemaakt.
Bij andere meer oostelijk en zuidelijk wonende stammen, o.a. bij de Yoruba’s, die de oostelijke helft der slavenkust bevolken [155] is het echter de schildpad, die als de stamvader van het menschdom wordt beschouwd, en die dan ook de hoofdpersoon in hunne vertellingen is geworden. Zulk eene vertelling heet bij hen alo, hetgeen beteekent: iets wat verzonnen is.
Beide dieren hebben deze vereering te danken aan de merkwaardige eigenschappen, die zij zoowel in lichaamsbouw als in leefwijze vertoonen. Ten opzichte van de spin is het, zooals reeds werd opgemerkt, de kunstvaardigheid en het geduld, waarmede zij haar web maakt en de slimme wijze, waarop zij aan voedsel weet te komen, die voor de negers de aanleiding zijn geweest, haar dikwijls in menschengedaante, doch altijd met menschelijk denkvermogen voor te stellen.
Dat bij de Yoruba’s van de slavenkust, doch evenzeer bij de Bantoe-negers van Aequatoriaal West-Afrika (N.), de schildpad in de verhalen de plaats van de spin inneemt, mag hieruit verklaard worden, dat de schildpad [156] voor het volk een niet minder geheimzinnig dier is dan de spin. De schildpad doet immers geen enkel dier kwaad; hij maakt op geen enkel dier jacht, zelfs niet op het kleinste insekt, doch leeft slechts van de vruchten, die in het bosch naar beneden vallen [157] of van paddestoelen.
De Inboorlingen zeggen, dat de schildpad slechts twee vijanden heeft, tegen wie hij zich niet verdedigen kan, nl. den mensch, die het dier voor heilige ceremoniën wil hebben en de reuzenslangen (in Afrika de Pythons), die in staat zijn, het dier kapot te drukken en het met pantser en al inslikken. Volgens hen is dus de schildpad haast immuun tegen de aanvallen en dus tegen de vernietiging, zoodat zij voor hen het zinnebeeld werd van een lang leven. Ook is zij in staat, lang te vasten; zij is stil, langzaam en zeer voorzichtig in hare bewegingen; zij weet zich op ongewone wijze aan het oog te onttrekken—kortom dit dier vereenigt in zich alle eigenschappen, die voor het volk synoniem zijn geworden met kracht en list. In het Niger-delta wordt de schildpad dan ook als de heerscher onder de dieren beschouwd, evenals bij de Bantoe-stammen (N.) [158], en hier niet alleen om hare zooeven genoemde eigenschappen, doch vooral ook, omdat schildpadden overal in Aequatoriaal West-Afrika voorkomen, zelfs op plaatsen, waar andere dieren ontbreken.
Belangrijk is het, waar eenzelfde vertelling op verschillende, soms ver van elkander verwijderde plaatsen wordt aangetroffen—te verklaren, hetzij door overbrenging van de plaats van oorsprong, hetzij door een onafhankelijk ontstaan van dezelfde denkbeelden en phantasieën op verschillende plaatsen (Ba. blz. 20)—de veranderingen vast te stellen, die de helden der verhalen hebben ondergaan.
Terwijl het in de vertellingen der negers van Sierra Leone (Cr.) en van de Goudkust (Ba.), waar de Tshi-taal gesproken wordt, doorgaans de spin is, hier Mr. Spider genoemd, over wiens heldendaden verteld wordt, bij de Yoruba’s van de oostelijke deelen der Slavenkust en bij de Bantoe-stammen van Aequatoriaal West-Afrika daarentegen de schildpad, die als Trorkey of Mr. Turtle ook in vele Sierra Leone-vertellingen optreedt, hebben de negers van Zuid-Afrika als nationale held een dier, dat zij Cunnie [159] Rabbit noemen en dat ook herhaaldelijk in de verhalen de Goudkust-negers optreedt.
Miss Cronise en H. W. Ward, meenen, volgens de determinatie van een bevoegd dierkundige, dat wij hier allerminst met een „rabbit”, een konijn te doen hebben, doch dat de neger het dwergmuskusdier* (Hyomoschus aquaticus) op het oog heeft, een klein eenigzins op een konijn gelijkend tweehoevig zoogdier, dat in slimheid weinig voor de spin onderdoet en daarom eveneens door de inboorlingen wordt vereerd. In de vertellingen van de negers van Sierra Leone gaan Mr Spider en Cunnie Rabbit steeds als vrienden met elkander om, ten minste wanneer hunne belangen niet te zeer uiteenloopen. Dit blijkt uit een meermalen voorkomenden aanhef in de vertellingen: „Two cunnie meet up, de one cunnie, de odder cunnie” [160] enz. Vermelding verdient, dat deze rabbit in de bijgevoegde illustraties der Sierra Leone-verzameling steeds met kleine horens wordt afgebeeld, en meer gelijkt op een kleine Antilopensoort, hetgeen ten eenenmale onjuist is. (Zie het verklarend register).
In deze verhalen, evenals in die van zoovele andere Negerstammen, blijkt de neger behoefte te gevoelen, om in deze uitingen van het zieleleven de zwakke onschuld te laten zegevieren over de ruwe kracht, een verschijnsel, dat ik reeds uit de geschiedenis van het negerras verklaard heb (zie blz. 204).
Dat sluwheid het meestal boven kracht wint, hiervan is de neger overal in Afrika doordrongen (zie o.a. in „Avond op het water”, Bijvoegsel II). Wij treffen deze waarheid ook aan in de reeds aangehaalde vertellingen, door inboorlingen aan Stanley gedaan (zie blz. 203), en waarin nu eens door een aardig bedrog of sluwe krijgslist de loeiende buffel het onderspit moest delven voor het scherpe vernuft van het konijntje, dan weêr de hond het won van zijn forschen meester, het luipaard.
In de spinvertellingen van de Goudkustnegers, die de Tshi-taal spreken (in de zg. Anansi-sem, afgeleid van Anansi-asem) wordt de spin Aiya Anansi (= vader Spin) genoemd, toebedeeld met groote slimheid en behebt gedacht met veel streken; evenals de lagere goden laat men hem doorgaans door de neus spreken.
Aan de Goudkust heeft men speciale vertellers—evenals bij de Yoruba’s, die over de slimheid van de schildpad [161] vertellen. Zulke personen (bij de Yoruba’s akpalo of kpa alo genoemd) maken hun ambt van het vertellen van dierenfabels en sprookjes en gaan van de eene plaats naar de andere. Behalve deze heeft elk negerdorp een of meer talentvolle vertellers. Wanneer het volk weet, dat er zich iemand onder hen bevindt, die deze gave in bijzondere mate bezit, vragen zij hem, als de omstandigheden er zich voor leenen (meestal in rusttijden, vaak zelfs des nachts), een vertelling te doen en bieden hem tabak, kolanoten* en kauris* aan.
Wanneer de verteller een voldoend aantal toehoorders om zich heen verzameld heeft, zegt hij: mijn verhaal is ongeveer zoo en zoo, terwijl hij den naam van den held noemt; of: mijn verhaal handelt over een man (vrouw), die dit of dat gedaan heeft. Wanneer dan het auditorium heeft geantwoord: wij luisteren, begint de verteller.
Welk een belangrijke plaats de vertellingen in het leven van den West-Afrikaanschen neger innemen, blijkt wel uit de slotregels eener pakkende vertelling in het belangwekkende werkje van Florence Cronise en Henry Ward—niet alleen voor Sierra Leone, doch ook voor het verder oostwaarts liggende gebied (Ivoorkust, Goudkust en Slavenkust) geldend.—„Bijna den ganschen nacht was met vertellen in een der hutten doorgebracht en nog waren sommigen wakker genoeg, om naar meer te verlangen. Sorpee was juist bezig, om zich voor te bereiden voor een volgende vertelling, toen allen een vogel hoorden schreeuwen. „Dah fowl craze”, [162] riep Oleemah uit, die juist zijn vertelling geëindigd had, en niet kunnende gelooven, dat de morgen reeds aanbrak, stond hij op, om zijn hoofd buiten de hut te steken.
„Nar true word dah fowl duh talk”, [163] zei hij, toen hij de eerste teekenen van den naderenden dag had gezien. De wolken hingen zwaar, de regen had opgehouden, en de dampen begonnen op te trekken”.
„Oleemah, door deze teekenen er aan herinnerd, dat het leven niet uitsluitend verdichtsel [164] is, liep naar buiten en begaf zich naar zijn hut. En, toen hij het sein aan de anderen had gegeven, om op te staan en huiswaarts te keeren, voelde iedereen, dat de nacht goed besteed was geweest”.
Ook in Sierra Leone is de Spin (Mr. Spider) de nationale held, de personificatie van den volksaard, en worden de op den voorgrond tredende eigenschappen van het Zwarte Ras en die, naar welke het streeft, aan de spin toegeschreven. Ook daar is Spin buitengewoon slim, heeft hij [165] een lichten slaap, een onverzadiglijken eetlust, en bezit hij een ongeëvenaard talent om aan voedsel te komen. Als het te pas komt, weigert hij ook maar den lichtsten last te dragen, doch als er iets te eten valt, is hij je man, om zelfs een olifant te tillen.
In verschillende dorpen zijn zg. „story-tellers” (sprookjesvertellers) zeer in aanzien, omdat zij beter dan anderen van de volkslegenden op de hoogte zijn en in het vertellen uitmunten. In Sierra Leone maken zelfs negers van het vertellen van sprookjes een broodwinning en reizen van het eene dorp naar het andere, waar zij steeds welkom zijn.
Niet zelden worden de verhalen met een bepaalde bedoeling verteld en de Neger is slim genoeg om te begrijpen, tot wien in het bijzonder de leerrijke vertelling gericht is. Dat de dierenfabels of sprookjes, die in Sierra Leone en in de overige deelen der Goudkust verteld worden, vooral de bedoeling hebben, de toehoorders beter te maken, blijkt o.a. hieruit, dat, wanneer de verteller bemerkt, dat de moraal aan de aandacht van den persoon, die men in het bijzonder op het oog heeft, door een of anderen reden ontsnapt is, hij dikwijls onmiddellijk met een andere vertelling begint, dat met dezelfde moraal eindigt.
Overal waar deze mondelinge overleveringen op de plaats, waar zij ontstonden, zijn opgeteekend, blijken zij een haast nog belangrijker plaats in het geestelijk leven van het volk in te nemen, dan de litteratuurvoortbrengselen bij de volken der moderne cultuur.
Daar de onuitputtelijke schat van legenden en sprookjes, die de mondelinge litteratuur der negers bevat, het gansche leven van den Neger weêrgeeft, mag een uitgebreide, folkloristische studie, ook uit een ethnologisch oogpunt, van belang geacht worden.
De meeste verzamelingen geven echter alleen het goede in den Neger weêr. Hij vertelt echter ook graag verhalen, die uit een wetenschappelijk oogpunt niet zonder beteekenis zijn, doch die voor een lezerskring, voor welken deze bundel bestemd is, afgekeurd moesten worden.
Jammer genoeg, is op de belangwekkende negerfolklore eerst de aandacht gevestigd, nadat een lange inwerking van Europeesche invloeden reeds veel van het oorspronkelijke had weggenomen.
LIJST DER NEGERVERTELLINGEN. [166]
SURINAME.
a. Vertellingen, waarin de Spin als held optreedt, dus eigenlijke Anansi-tori’s.
1. Anansi, die een half dorp verovert. 2. Spin en de prinses. 3. Het huwelijk van Heer Spin. 4. Anansi, Tijger en de doode koe. 5. Anansi en zijn kinderen. 6. Hoe Spin zijn schuldeischers betaalt. 7. Een feest bij de Waternimf. 8. Spin en kat. 9. Spin en krekel. 10. Heer Spin als Geestelijke. 11. Heer Spin als roeier. 12. Spin neemt Tijger gevangen. 13. Heer Spin en Hond. 14. Tijger’s verjaardag. 15. Spin voert de Dood in. 16. Spin wedt, Tijger te berijden. 17. Verhaal uit het leven van vriend Spin.
18. Anansi als Amerikaan verkleed. 19. Heer Spin en de Waternimf. 20. Anansi, Hert en Kikvorsch. 21. Heer Spin als landbouwer. 22. Anansi en de Bliksem. 23. Ieder volwassen man moet een rood zitvlak hebben. 24. Hoe Anansi aan schapenvleesch wist te komen.
b. Vertellingen, waarin Anansi niet optreedt.
25. De geschiedenis van Fini Foetoe, Bigi bere en Bigi hede. 26. Legende van Leisah I. 27. ,, ,, ,, II. 28. Verhaal van het land van „Moeder Soemba”. 29. Boen no habi tangi, of: ondank is ’s werelds loon. 30. Geschiedenis van Kopro Kanon. 31. De Meermin of Watra-mama. 32. De Boa in de gedaante van een schoonen jongeling. 33. Het huwelijk van Aap.
De Anansi-tori der Surinaamsche Boschnegers. [167]
1. Hoe Heer Spin, door zijn bekwaamheid als geneesheer, de mooie dochter van den landvoogd wist te krijgen.
SPINVERTELLINGEN VAN CURAÇAO. [168] (Cuenta di nansi).
1. Nansi en de bonte koe. 2. Nansi en Temekóe-Temebè.
JAMAICAANSCHE NEGER-VERTELLINGEN. [169] (Annancy-stories).
1. Annancy in Krabbenland (met muziek). 2. Reiger (met muziek). 3. Annancy, Poes en Rat (met muziek).
INHOUD DER SURINAAMSCHE NEGERVERTELLINGEN.
Wenden wij ons nu in de eerste plaats tot de Surinaamsche negervertellingen of anansi-tori’s.
Evenals in de mondelinge litteratuur der Goudkustnegers treedt ook in de meeste Surinaamsche negervertellingen de spin als hoofdpersoon op. Mr. Spider in de vertellingen uit Sierra Leone is hier, evenals bij de Goudkustnegers Anansi. Vreemde invloeden, gedeeltelijk Nederlandsche, gedeeltelijk Engelsche, die sedert de overbrenging der slaven op West-Indischen bodem op de folklore der negers hebben ingewerkt, hebben blijkbaar op hun geliefden held niet den minsten vat gehad, want in de Surinaamsche vertellingen vinden wij volkomen denzelfden Spin terug, van welken zoo dikwijls door de Negers van de Goudkust en aanverwante stammen wordt verteld. [170]
Daar, zooals ik reeds heb opgemerkt, de spin als de personificatie van het zwarte ras wordt beschouwd, van zijne vele deugden, maar ook van zijne ondeugden, en de meest op den voorgrond tredende karaktereigenschappen van den Neger door eeuwen heen dezelfde zijn gebleven, mag de onveranderlijkheid van zijn Held, hoewel met hem naar elders overgebracht, in het minst niet verwonderen.
Door Anansi’s buitengewone slimheid en geslepenheid en zijn lichten slaap ontsnapt hij aan alle listen en lagen, die tegen hem gespannen worden, en is hij als het ware onsterfelijk. Telkens weet hij nog juist bijtijds te ontsnappen en aan den dood te ontkomen.
Vreemd mag het daarom schijnen, dat Anansi in No. 22, getiteld: „Heer Spin en de Bliksem”, met zijn gansche familie vernietigd wordt.