Mythen en sagen uit West-Indië
Part 18
Spin heeft ook in Suriname een onbegrensden eetlust en weet zich door allerlei listen en streken van het noodige voedsel te voorzien. Wanneer er gebrek is aan voedsel—dat in Suriname met den vruchtbaren bodem en visch-rijkdom der rivieren voor den Neger wel nimmer voorkomt—weet Anansi altijd wel wat machtig te worden. Ieder verlangen, dat bij hem opkomt, weet hij, dank zij zijn ongeëvenaarde vindingrijkheid, te bevredigen, al moet hij zich daartoe nu eens als Amerikaan verkleeden, om zich te goed te doen aan gebraden eend (No. 18, getiteld: „Anansi als Amerikaan verkleed”), dan weêr als loekoe-man* te verschijnen, om zijn vrouw, Ma Akoeba onmiddellijk bereid te vinden, een schapenbout voor hem gereed te maken (No. 24, getiteld: „Hoe Anansi aan schapenvleesch kwam”). In Anansi’s laatste streek handelt hij nog volkomen als zijn stamgenoot in Sierra Leone, die van het geloof van het volk in den Geestenbezweerder of den „Country fashion-man” partij trekt, om zijn doel te bereiken (Cr.).
Ook de Surinaamsche neger laat Anansi dikwijls door de neus spreken (No. 16, getiteld: „Spin wedt den tijger te berijden”) en laat hem dikwijls schreeuwen als hij liegt.
Het meerendeel der in Suriname bijeengebrachte dierenfabels, hetzij Anansi er in optreedt, (dus echte anansi-tori’s) (No. 1–24) of niet (No. 25–33), behoort tot de fabels, waarin de dieren, die er in optreden, doorgaans als menschelijke wezens worden voorgesteld, met hunne goede en slechte karaktereigenschappen, met hunne gewoonten en gebruiken. De tijger, met welk dier ook hier de jagoear wordt bedoeld, en die in niet minder dan acht vertellingen van dezen bundel optreedt, viert zijn verjaardag. (No. 14, getiteld: „Tijger’s verjaardag”) speelt tot tijdverdrijf een oud-Afrikaansch spel, met de zg. Awari-bángi* (in No. 6, getiteld: „Hoe Heer Spin zijn schuldeischers betaalt”) en doet zelfs „een kleintje in de broek”, (in No. 4, getiteld: „Spin, Tijger en de doode koe”); de dieren houden wedstrijden in hardloopen, en gaan daarbij weddenschappen aan, dingen naar de hand van Koningsdochters enz. enz. Evenals in de Afrikaansche negervertellingen worden de namen der dieren doorgaans voorafgegaan door Heer [171] of Broeder [172]. In Suriname is anansi doorgaans Heer, en brengt hij het somtijds tot Gouverneur.
Anansi’s vrouw, moeder Akoeba (naam van een meisje, op Woensdag geboren), spreekt haar man wel eens aan met „mi Kaptin” [173], in welk ambt zijne bedrevenheid in de Surinaamsche anansi-tori’s herhaaldelijk in het licht wordt gesteld (No. 1, getiteld: „Heer Spin, die een half dorp verovert”). Ook in Sierra Leone wordt door de negers gaarne verteld van de streken, die „Cappen Spider” [174] uithaalt.
Hoewel deze dierenfabels ongetwijfeld de meest oorspronkelijke, n.l. van Afrikaanschen oorsprong zijn, hebben zij in den loop der tijden blijkbaar belangrijke wijzigingen ondergaan door de vervanging van de vertegenwoordigers der Afrikaansche fauna door die der Surinaamsche wouden. [175]
De negers zijn buitengewoon vindingrijk en improviseeren en phantaseeren er maar op los—de meest typische staaltjes van dit talent heb ik op den tocht door de binnenlanden der Kolonie bij mijne negers kunnen opteekenen (C.b.). Als uitmuntende waarnemers houden zij er van, de gewoonten der dieren, van de grootsten tot de kleinsten, na te gaan en er hunne verklaring voor te geven, en het is begrijpelijk, dat er van eene herinnering aan de Afrikaansche dieren- en plantenwereld niet veel meer is overgebleven. Toch schijnt het in Afrika meest opvallende dier, dat op ieder mensch steeds een machtigen indruk maakt, in Suriname door den neger nog niet geheel vergeten te zijn, nl. de olifant, die wij in de vertelling No. 18, getiteld: „Verhaal uit het leven van vriend Spin” aantreffen en er nog steeds met het Afrikaansche woord Azau of Asaw wordt aangeduid. [176]
In den loop der tijden hebben Afrikaansche dieren voor verwante vormen der Surinaamsche fauna plaats gemaakt—zooals voor het luipaard: de tijger, die in Suriname niet voorkomt, doch waarmede daar steeds de jagoear bedoeld wordt; voor den aap in algemeenen zin: de brulaap; voor den vos: de kraboe dagoe* of krabbenhond enz.—en het behoeft geen verwondering te wekken, dat ook dieren, die in dat deel van Afrika, vanwaar de slaven naar Suriname werden overgebracht, geen verwanten hebben en om de een of andere reden de aandacht trokken, gaandeweg in hunne dierenfabels werden opgenomen. Als voorbeeld noem ik o.a. de awari*, de buidelrat (zie No. 29, getiteld: „Ondank is ’s werelds loon”), een tot Amerika beperkt geslacht der buideldieren, door de negers als kippendief zoozeer gehaat.
Welk dier de Surinaamsche neger op het oog heeft, als hij vertelt van de slimme streken van „het konijn”, is moeilijk te zeggen. Is dit nog dezelfde „cunnie [177] Rabbit”, waarover de inboorlingen van West-Afrika zoo gaarne opsnijden, en waarmede, zooals reeds werd opgemerkt [178], het dwergmuskusdier*, Hyomoschus aquaticus bedoeld wordt, een dier, dat in Suriname niet voorkomt, of is hiervoor in de plaats getreden de Agoeti*, door de Surinaamsche negers koni koni genoemd?
Het is duidelijk, dat waar de negers zich vrij gemakkelijk naar hunne nieuwe omgeving weten te schikken en er steeds behagen in scheppen, over zaken en toestanden te redeneeren en philosopheeren, de Europeesche invloed in hunne vertellingen zich meer en meer heeft doen gevoelen. Deze invloed moet reeds uitgegaan zijn van de eerste kolonisten, meer in het bijzonder van hunne kinderen, die de slaven ook met hunne sprookjes bekend wilden maken; en later, toen de slavernij werd afgeschaft en er een intiemere verhouding tusschen negers en blanken ontstond, moet de Europeesche invloed in de negervertellingen steeds meer op den voorgrond getreden zijn.
Zoo vindt de lezer in het reeds genoemde verhaal: „Uit het leven van vriend Spin” zelfs de herinnering aan Napoleon [179] en aan den slag bij Quatrebras in 1815 bewaard, en in No. 18, getiteld: „De Spin als Amerikaan verkleed” vindt hij een uiting van den haat der negers tegen Amerikanen, die in den laatsten tijd ten behoeve der goud-exploitatie en andere ontginningen van delfstoffen herhaaldelijk de kolonie bezoeken, terwijl wij in de vertelling No. 21, getiteld: „Heer Spin als landbouwer” zelfs melding gemaakt vinden van het uitgeven van perceelen tot uitbreiding van den kleinen landbouw, waarmede eerst geruimen tijd na de opheffing der slavernij een aanvang is gemaakt.
Niet minder dan tien van onze verzameling Surinaamsche negervertellingen eindigen met een moraal, waarmede de toehoorders hun voordeel kunnen doen, zooals No. 14, getiteld: „Tijger’s verjaardag”, No. 17, „Verhaal uit het leven van Vriend Spin”, No. 28, „Verhaal uit het land van Ma Soemba” en No. 32, „De boa in de gedaante van een schoonen jongeling” enz.
Een tweetal vertellingen, waarin anansi niet optreedt, (No. 26 en 27: Legende van Leisah I en II) leeren, hoe de strepen in menschenhanden zijn ontstaan.
De overigen geven een verklaring, hetzij van den lichaamsbouw der spin (No. 19, Heer Spin en de waternimf en No. 18, Anansi als Amerikaan verkleed), hetzij van hare leefwijze tusschen de reten van muren [180] (zg. beslagruimten) en in allerlei verborgen schuilhoeken (o.a. No. 1, getiteld: „Anansi, die een half dorp verovert”, No. 2, „Spin en de prinses”, en No. 5, „Anansi en zijn kinderen”); vertellen van Anansi’s formidabelen eetlust, waarvoor hij dikwijls gestraft wordt. (No. 7, „Een feest bij de Waternimf”); stellen het voortdurend streven van Heer Spin in het licht, om vijandschap onder de dieren te stichten, (No. 21, „Heer Spin als landbouwer”), of moeten leeren, op welke wijze de spin door allerlei streken overal, tot zelfs in vorstenwoningen gekomen is. (No. 3, „Het Huwelijk van Heer Spin”). No. 15, getiteld: „Spin voert den Dood in”, is hierom merkwaardig, omdat ook in verschillende negervertellingen, die in West-Afrika zijn opgeteekend, de Dood als een persoon voorkomt, evenals deze voorstelling voorkomt in „Brother Annancy and Brother Death” van den door Jekyll (Je) op Jamaica bijeengebrachten bundel.
Vreemd mag het schijnen, dat Anansi, die in de Negerfolk-lore voor onsterfelijk doorgaat, in No. 22 „Anansi en de bliksem” met zijn gansche familie vernietigd wordt.
Belangrijk zou het zijn, uit een veel grooter aantal vertellingen, dan waarover tot nu toe beschikt kan worden, aanknoopingspunten te zoeken met de vertellingen van de negers van West-Afrika. Hier mag de aandacht gevestigd worden op de groote overeenkomst van No. 16, „Spin wedt Tijger te berijden” met „Mr. Turtle makes a riding-horse of Mr. Leopard” uit de verzameling van Miss Cronise; op de merkwaardige overeenkomst van het „Verhaal uit het leven van Vriend Spin” (No. 17) met „Spider, Elephan’ en Pawpawtamus” van denzelfden oorsprong (Zie Bijvoegsel II „Avond op het water in Sierra Leone”), doch met dit verschil, dat het nijlpaard in Suriname vervangen is door „de walvisch, de grootste visch (?) van de Spaansche groene zee”; op „No. 4, Anansi, Tijger en de doode Koe”, die een variant is op „Mr. Spider pulls a supply of beef” in de verzameling van Miss Cronise en eindelijk op het voorkomen ook in onze verzameling van een bekende verschijning in de mondelinge litteratuur der negers, nl. de teerpop (No. 9, „Spin en de Krekel”) die wij in de bekende Uncle Remus serie, in Noord Amerika verzameld, als de „Tar Baby” aantreffen en in de verzameling uit Sierra Leone van Miss Cronise als „the Wax Girl” weêrvinden. Ook de oorzaak van den eigenaardigen lichaamsbouw der spin vinden wij in een der vertellingen van den door Miss Cronise bijeengebrachten bundel vermeld, nl. in de vertelling „Why Mr. Spider’s waist is small”, terwijl er ten slotte nog de aandacht op gevestigd wordt, dat een aantal vertellingen der Surinaamsche negers, evenals die van de negers der Goudkust en van Sierra Leone, van een hongersnood verhalen, die onder de dieren was uitgebroken. (Zie: „Spin, Olifant en Hippopotamus” in Bijvoegsel II). Daar de neger in weinige landen zóó gemakkelijk aan den kost kan komen als in Suriname en daar er dus wel nimmer voor hem van hongersnood sprake zal zijn geweest, blijkt hier wederom eene herinnering aan Afrika, waar tijden van groote voedselschaarschte herhaaldelijk voorkomen, niet alleen door veelvuldige oorlogen (in vroegere tijden) en vernieling door branden, doch ook door langdurige droogte en door gemis aan de noodige zorg voor de toekomst bij den aanplant van een voldoende hoeveelheid rijst.
Tot de categorie van vertellingen, die de groote liefhebberij van den neger illustreeren, om onwelvoegelijkheden te vertellen (zie blz. 234), behooren een tweetal, die ik in dezen herdruk van Nahar’s verzameling heb weggelaten, doch voor welke ik uit de nieuwe reeks Anansi-tori’s, door A. P. Penard onlangs in het licht gegeven, er een uit koos (getiteld: „Ieder volwassen man moet een rood zitvlak hebben”, No. 32), dat den kinderlijken aard van den neger, die in al zijne handelingen tot uiting komt, leert kennen.
Ten slotte mag er nogmaals aan herinnerd worden, dat evenals in West-Afrika, in Suriname langen tijd professioneele anansitori-vertellers hebben bestaan, die meer bepaaldelijk de sterfhuizen afliepen, om na de begrafenis den achterblijven den afleiding te bezorgen. [181] In den onlangs verschenen bundel Surinaamsche Anansitori’s, verzameld door A. P. Penard (P. c.) herdenkt de schrijver twee beroemde Surinaamsche sprookjesvertellers, beiden echte déde-hóso arátta (sterfhuisratten, zie blz. 248). De eerste was Abraham Negentien, aldus genoemd, omdat hij een grooten teen miste; de tweede was Swieti-ba-Wieliblo-a-faja-kiri so-woep (d.i. Zoete-broer-Willy, blaas het licht uit, zoo: woep!) Beiden waren groote humoristen, wier komisch voordragen hunne landgenooten zich nog herinneren zullen.
De litteratuur van een volk mag de beste uiting van diens zieleleven worden genoemd en daar de mondelinge litteratuur van den Surinaamschen neger nog weinig bekend is, en bij eene beoordeeling van de zwarte bevolking onzer kolonie de slechte eigenschappen doorgaans breed worden uitgemeten en van de vele goede karaktereigenschappen dikwijls gezwegen wordt [182], heb ik gemeend een goed werk te doen, om in de laatste mijner bijdragen tot de kennis van Suriname, die een uitvloeisel zijn van mijn reis in 1900, de aandacht te vestigen op de belangrijke neger-folklore, die evenals zoo veel oorspronkelijks bij de natuurvolken, bezig is te verdwijnen.
DE ANANSI-TORI EN HET BIJGELOOF. [183]
Eens op een Zondag,—den dag, waarop men zich nog al eens verveelt—wilde ik den tijd trachten te dooden door naar eene gelegenheid te zoeken, om eenige anansi-tori’s op te doen.
Ik noodigde daartoe eenige gasten ten mijnent uit en wachtte op een geschikt oogenblik, om het verzoek tot hen te richten, mij eenige anansi-tori’s te willen vertellen.
„Voor de mooisten heb ik wel eenige sigaren over”.
De heeren lachten uit volle borst:
„Wo! taki anansi-tori bigi-bigi dei, Kà!” [184]
„Wel, waarom niet?”
„Je weet toch, dat anansi-tori’s niet ieder oogenblik mogen verteld worden en vooral niet als het dag is; hij die er zich niet aan houdt, moet zich een ooghaar uittrekken”. [185]
„Och kom, je kent er een massa, dat weet ik”.
„Dat is waar, maar op dit oogenblik mag ik er U geen enkele vertellen, want kerki sidòn kabà. [186] Vandaag is het een dag om te zingen en vroolijk te zijn”.
„Wel man, wees toch niet zoo dom en vertel er mij eenigen, dan geef ik je sigaren”.
De man antwoordde mij niet en ging weg. Een der overigen zuchtte en sloeg zijn blikken naar boven. Ik vroeg hem wat dat beteekenen moest, waarop hij met neêrgeslagen oogen en zachte stem antwoordde:
„Máss’ra, joe a no wan pikíen, joe kánkan Sranam krioro, en joe sabi srefi sani anansi-tori wanni taki”. [187]
„Arnitri”. [188]
„En je bent nog zoo bijgeloovig en wilt geen anansi-tori’s vertellen? Foei man, schaam je wat!”
Ik vroeg hem daarop, om welke reden men geen anansi-tori’s bij dag wil vertellen en waarom, als er gevraagd wordt „vertel een anansi-tori”, men steeds ten antwoord krijgt „mi no sabi” [189].
Meneer de gouddelver stond op en vroeg mij op eenigszins heftigen toon of ik dan niet wist, dat de skietnis of de anansi-tori tooverij is?
Eenige mijner vrienden, die bij het gesprek tegenwoordig waren, konden zich niet inhouden, en schaterden het uit, waarop de gouddelver vertrekken wilde.
„Word toch niet boos, vriend, het is immers maar gekheid”.
„Ja, maar ik word door jelui uitgelachen, en jelui denkt, dat ik lieg; om U de waarheid te zeggen, anansi-tori’s zijn dingen, die niet maar zoo besproken worden en die in een sterfhuis thuis hooren, niet bij ons op dit oogenblik.
Je weet toch dat, als iemand begraven is, des avonds déde-hóso [190] gehouden wordt en er gezongen wordt en dat daarna eerst verteld wordt van de daden van Spin.
Om die zelfde anansi-tori’s heb ik een man eens een pak slaag gegeven. Luister:
„Ik was in een sterfhuis en begon eenige pittige anansi-tori’s te vertellen, toen een onverzochte gast mij telkens in de rede viel. Ik vertelde van anansi, die de bakroe* [191] genezen had, toen die snapper mij toeriep:
„Je liegt, vent”.
Ik deed alsof ik het niet hoorde, en ging verder. Doch al weêr viel de man mij in de rede:
„Joe no de taki na tori boen”. [192]
Ik kookte inwendig, meneer, en gaf hem geen antwoord, want dat was hij niet waard. U moet weten, hij behoorde tot de déde-hóso aratta. [193] Toen ik eindelijk zóóver met het verhaal gevorderd was, dat de bakroe door anansi genezen was, viel de vent me alweder in de rede, zeggende:
„Ik kan me niet begrijpen, hoe jelui je door dien man voor den gek kunt laten houden; weet je dan niet, dat hij u maar wat zit voor te liegen?” [194]
Toen ik het woord liegen hoorde, kon ik me niet meer inhouden; ik stond op en gaf hem een muilpeer, die zóó hard aankwam, dat hij onderste boven op den grond tuimelde. De overige gasten hadden er echter plezier in, dat die déde-hóso aratta mij eens aan de kaak stelde; ze waren niet tot bedaren te krijgen, totdat een hunner opmerkte:
„Je moet niet driftig worden, dat is juist de pret te a koti na tori”. [195]
De gasten trachtten de déde-hóso aratta te kalmeeren, waarop deze het woord nam en ook een anansi-tori begon te vertellen. Hem mocht echter niemand in de rede vallen. Ik keek hem strak aan, en raadt eens, wat hij mij durfde te zeggen:
„Jij mag naar mijn mond kijken, maar jou mondje moet je houden, vriend, want anansi-tori’s moet je nog gaan leeren”.
„Joe si, fa gajoe de soekoe mi nande trobi”. [196]
Hij vertelde verder en a de koti ado nomo na mi tappoe. [197]
„Weet je wat, als je hier gekomen bent om me weg te jagen, heb je het maar te zeggen, dan zal ik gaan”.
„Hari hoedoe! Hari hoedoe!” [198]
Toen sprong ik voor de tweede maal op, en gaf hem een zóó harden mep, dat hij met zijn koffie en beschuiten op den grond tuimelde. Voor de tweede maal sloeg ik een mal figuur, want de gasten hadden plezier en lachten mij uit.
Van dien dag af heb ik besloten nooit meer anansi-tori’s te vertellen, omdat zij mij een ongeluk zouden kunnen bezorgen. Is U het niet met mij eens?”
Ik zuchtte, gaf den man twee sigaren, en o, wonder! toen kwam hij los en begon hij mij door tal van voorbeelden op het gevaar te wijzen, waaraan men zich door het vertellen van anansi-tori’s blootstelt.
Hij vertelde mij o.a. dat hij, sedert hij die klappen in het sterfhuis had uitgedeeld, pijn aan zijn arm gekregen had en niet zoo goed meer werken kon.
„Die man moet bepaald een gevaarlijke inenting hebben gehad, want door hem ben ik ziek geworden en sukkel ik voortdurend. Daarom, meneer, geloof mij, waar ik ook ben, als er anansi-tori’s verteld worden, ga ik heen, want steeds mi han de kisi anansi; [199] en, pikien mass’ra [200] als ik U een raad mag geven, dan is het deze: hoor ze ook niet aan, want dat zijn dingen, die den mensch kwaad kunnen doen”.
Onder het gesprek kwam onze waschvrouw binnen, die ik als nog veel bijgelooviger dan den gouddelver had leeren kennen. Zij was ter kerke geweest, en na ons gegroet te hebben, kwam ze bij ons zitten. Doch niet zoodra had zij vernomen, over welk onderwerp wij het hadden, of ze wilde opstaan en weggaan.
Maar toen ze pogingen daartoe deed, schreeuwde zij: mi foetoe de kisi anansi [201] en mij met een woedenden blik aanziende, zeide zij:
„Ma pikien mass’ra, na Gado dei joe sa taki anansi-tori!” [202]
Mijn zuster, die ook tegenwoordig was, had schik in den angst harer oude waschvrouw en kon niet laten te zeggen:
„Mijn tijd! [203] Wasje, ik ben blij, dat anansi je te pakken heeft”.
Eenigen tijd daarna stond de vrouw op en ging zich verkleedden onder ’t zingen van een lied. De gouddelver scheen ook schik te hebben in het geval en begon haar uit te lachen.
„Jij kent Gods weg niet, anders zou jij, zoo’n oude man, den Zondag niet bederven met die dwaasheden”.
„Die vrouw is gek”.
Er volgde nu een algemeene scheldpartij, waarbij de vrouw den gouddelver voor Azéman*, Leba* en meer dergelijke lieflijkheden uitmaakte.
Ik weêrhield den gouddelver, die woedend was opgestoven, en Wasje, die boos naar boven was geloopen, kwam kort daarna even naar beneden, mij toeroepende, dat ik haar den Zondag bedorven had; doch ik had nog niet genoeg, want ook de gouddelver, angstig geworden door de op hem gerichte vurige blikken der vrouw, kwam mij weder die verwenschte anansi-tori’s verwijten, er bijvoegende, dat de vrouw een Azéman moest zijn, getuige hare roode oogen en hare naar den grond gerichte teenen.
De gouddelver was geheel van streek en vervolgde:
„Heb ik U straks niet het gebeurde met dien déde-hóso aratta verteld, en nu schijnt het zich te zullen repeteeren, maar Gode zij dank, dat Hij mijne driften heeft doen stillen, anders had ik de vrouw geslagen en na so soema de déde nanga leigi bere. [204] Heb ik nu geen gelijk, dat ik geen anansi-tori’s wil vertellen? U ziet er nu zelf de gevolgen van”.
„Je bent driftig”, zei ik, „anansi-tori’s zijn immers slechts sprookjes, die door de Afrikanen en hunne kinderen vervaardigd zijn en die hier al 2 à 300 jaar bestaan”.
„Ja, maar meneer, de Afrikanen waren ook niet gedoopt en er waren toen nog geen kerken. Ze wisten van niets en ze deden ook kwaad. Zij hebben de Bakróes, de Azémans, Afreketes of Lebas ingevoerd”.
„Zeg mij eens wat een Azéman is”, vroeg ik.
„Hm, meneer, een Azéman is een geest, die de gedaante van een neger kan aannemen”.
„Dat is het niet wat ik bedoel, je moet er mij eens een beschrijven”.
„Meneer, joe no moe haksi alla sanni so fini-fini en joe wanni go dipi nanga mi”. [205]
Doch toen hij zag, dat ik niet tevreden was, zei hij:
„De meeste oude menschen (negers), die roode oogen hebben en naar den grond gerichte teenen, behooren tot die klasse. Een Azéman voedt zich met menschenbloed. Hij of zij—want vrouwen zoowel als mannen doen het—bezit de kunst, om het lichaam van het vel te ontdoen en daardoor de macht van een joroka* te verkrijgen, gesloten huizen binnen te dringen en de menschen bloed uit te zuigen. Is het bloed bitter, dan braakt de Azéman het weêr uit, doch smaakt het, dan gaat hij voort met zuigen, totdat de persoon sterft.”
De waschvrouw stond op, met aandacht luisterend en toen ik vroeg, hoe men kan weten, dat er een Azéman in de buurt is, antwoordde de vrome waschvrouw:
„Hm, we a no de koti brau faja; mi ben si wan na srafoe tem na pranasi, a ben de kom driengi basia Kofi wefi.—Wè! datti a noti jete, bakra kondre, bakra srefi kan taki. [206] Ik ging het bosch in, en daar trok er een de rivier over vóór de plantage de Morgenstond; hij begon ons uit te schelden en wij hem ook. Die zelfde Azéman is toen gevangen genomen in de Boven-Commewijne door de Piai-iengis. [207] Ik kan me nog goed herinneren uit mijn jeugd, dat er een op plantage Brouwerslust gevangen genomen werd. Sanì de!” [208]
Ik vroeg toen op mijn beurt, hoe een Azéman gevangen genomen kan worden, als hij de gedaante van een geest kan aannemen, en de kunst bezit, een gesloten huis binnen te gaan, zonder een deur of raam te openen, dan de menschen uit te zuigen en weêr te vertrekken, zonder dat iemand er iets van merkt of voelt.
„Wel”, zei de vrouw, „de Azéman verdooft de plek met zijn lippen en zuigt daarna het bloed uit. De tong van zoo’n Azéman is als chloroform, meneer!”
„Maar ik wil weten, hoe men hem vangt”.
„Wel, die kunst bezitten de indianen, doch ook negers”, zei de gouddelver. „Ik heb gehoord, dat men hem vangt met rauwe rijst; daar waar hij gewoon is te komen, loert men op hem, nadat rijst of ook wel abónjera* (sesamzaad) achter de deur is neêrgelegd. De Azéman kan dan niet verder, en begint de korrels stuk voor stuk op te pikken. Doch door hetgeen men bij de korrels heeft neêrgelegd, zooals de nagels van de Man-gronuil, [209] vallen de korrels weêr neêr, zoodat de Azéman tot aan het aanbreken van den dag blijft doorpikken. Dan echter is zijn lot beslist, want zoodra het zonlicht op hem schijnt, valt hij dood neêr”.
„Op Brouwerslust hebben ze de Azéman op een andere wijze gevangen”, zei de waschvrouw.
Hij had zijn vel onder een matta-mátta [210] gelegd in de keuken. Twee rijpe mannen hebben het opgenomen en in pekel gelegd; daarna plaatsten zij het weêr onder de mat. Toen de Azéman terugkwam, kon hij zijn mantel niet meer aantrekken, daar hij in de pekel gekrompen was.
Men zeide, dat het de zwager was van den bastiaan Kofi”.
„Wat hebben ze toen met hem gedaan?”
„Met een prasára sisíbi [211] afgeranseld, en hij is gestorven ook. Ik herinner me nog goed, dat dien avond een soesà* werd gegeven en dat zijn jorokà bij de dansers kwam.
De waschvrouw wist nog andere manieren te vertellen, waarop men den Azéman in handen kan krijgen, allemaal herinneringen uit haar jeugd, toen zij als slavin op een plantage werkte en er rare dingen gebeurden.
Ik luisterde met aandacht en toen zij uitgesproken had, riep ik uit: „ben jij nu de waschvrouw, die geen anansi-tori’s wil vertellen!”