Mythen en sagen uit West-Indië
Part 19
Des avonds kwam de gouddelver ons weêr bezoeken. Het gesprek kwam alweder op de geheimzinnige wereld, want nauwelijks gezeten, begon de man te vertellen van de bakróe, een gevaarlijk element, op een mensch gelijkend.
„De bakróe wordt door menschenhanden gemaakt. De wintiman [212] vormt hem eerst uit plantenslijm; daarna brengt hij hem naar huis en plaatst hem onder een banaan; nadat hij dan eenige formulieren heeft opgezegd, gelijkt hij op een jongen van drie jaar.
Hij bezit een bovennatuurlijke kracht, gooit de sterkst gespierde mannen omver, is gehoorzaam en voldoet aan zijn’s meester’s opdracht.
De bakróe bezit de macht, om zich in het binnenste van het mensch te nestelen. Is hij eenmaal binnengedrongen, dan is er geen professor of arts ter wereld, die hem er uit weet te krijgen; alleen de dátra [213] of wintiman* kan het doen.
De dátra behandelt zijn patiënt op een zeer vreemde wijze; deze moet in een tobbe water zitten en ondergaat een bad, daarna wordt hij door de assistenten met een prasára-sisíbi afgeranseld. De wintiman geraakt dan in een abnormalen toestand, spreekt indiaansch, afrikaansch en de taal der boozen. Is de patiënt genezen, dan moeten nog enkele formaliteiten plaats vinden, zooals het betalen van wegen en paden (offeren).
„Maar”, zoo viel de waschvrouw in de rede, „ik heb wel eens gehoord, dat er ook kópro bakróe [214] bestaan, die niet zoo gemakkelijk te verwijderen zijn, daar deze listiger zijn dan de dátra zelf. Alleen een Indiaansche piaiman kan hem wegkrijgen.
„Er komen ook onbeheerde bakróes voor; deze houden verblijf in trenzen* of ook wel in groote boomen, die op spaan-hoekoe [215] staan, zoodat ik bang ben ’s avonds alleen te loopen”.
„Tot dezelfde familie”, begon de gouddelver weêr, „behoort ook de léba. Meneer, maar daar kan ik U niet veel van vertellen, want deze schijnt uit te sterven, hetgeen met de bakróe niet het geval is”.
„De léba is een mensch, die vol schurft en ongedierte zit en in lompen gehuld is; U zoudt hem niet kunnen herkennen, hoewel hij op een mensch gelijkt”.
„Dat kan niet zijn”, merkte de waschvrouw op, „de léba is een soort joroká; des nachts om twaalf uur zijn er te vinden op spaan-hoekoe. Raakt de léba iemand aan, dan gaat diens ziekte op hem over. Máss’ra, ’sanì de! [216] De blanken weten het heel goed, maar ze spreken het tegen, om de menschen er niet aan te doen gelooven.
Later vroeg ik aan verschillende inboorlingen naar deze dingen en zij verklaarden gehoord te hebben, dat ze bestaan. Doch de gouddelver en de waschvrouw hielden vol, ze gezien te hebben.
„Máss’ra”, zeide de vrouw, „U bent pas komen kijken, en we leven nu in een verlichten tijd; wat U niet weet of niet gezien hebt, behoeft U niet te ondervinden. Vraagt U eens aan oude menschen, dan zult U hooren, wat er alzoo in den slaventijd gebeurde. Er werden verschillende feesten gegeven, zooals de Doe*, de Banjà*, de Soesà*”, zeide zij, terwijl zij de tong tegen haar verhemelte sloeg; „ik deed niet onder voor de beste dansers, bája [217], het is zoo aangenaam de kwakwà [218] te hooren spelen! Als ik aan dien tijd denk, komt alles mij nog als den dag van gisteren voor oogen.
„Bij alles wat heilig is”, zoo ging zij met zachte stem voort, „zoo verzeker ik U, dat alles wat ik nu vertellen zal, waarheid is, omdat blanken er niet aan gelooven willen, en maar steeds volhouden, dat het bijgeloof is.
„Welnu dan, ik heb bijgewoond, toen men winti* danste, dat een man een gloeiend kapmes, dat een half uur in het vuur was geweest, heeft afgelikt, totdat het ijzer geheel bekoeld was. De man kreeg niet het minste letsel. Daarna nam de wintiman een scheermes en sneed verschillende anderen de tong af. Van een vrouw sneed hij die geheel af, en legde haar op een wit bord met spiritus, om haar daarna weêr aan het stuk, dat nog in den mond was blijven zitten, vast te lijmen. Geen mensch die zien kon, waar de tong afgesneden was geweest!
„De vroegere negers—Máss’ra, no plei fóeloe nánga dem [219]—deden een heele boel!
„Er was een bekend weglooperskamp, genaamd no méri mi [220]; daar werd op de schildpad gekeken (voorspeld), zeggen de oude menschen en alles kwam uit; zij verstonden de ware zwarte kunsten. Máss’ra, U zult me niet gelooven, maar er zijn nog van die soort geweren, wier kogels niet raken, al mikt men nog zoo juist”.
„O ja, dat is een feit,” merkte de gouddelver op, „ma’ a de dàngra soema hede.” [221]
„Hm,” zuchtte de vrome waschvrouw, „ge moogt er niet aan gelooven, maar die dingen bestaan, dat weet men zelfs tot in bakrà kóndre.” [222]
„Mass’ra, u gelooft zeker ook niet aan wísi [223] maar het bestaat hoor! Ze hebben moeite gedaan, om mij van kant te maken, maar mi akrâ [224] is sterker dan het hunne”.
„Mijnheer er zijn verborgenheden, geloof mij” verzekerde de gouddelver. „Op de voormalige plantage Groot-Meerzorg kon de rietmolen geen dienst doen, alvorens hij een menschenlever of een menschenhart ten geschenke had gekregen”.
„A móro bétre wi kiri tàki” [225] merkte de waschvrouw op, „sribi de kíli mi”. [226]
De gouddelver stond op en ging heen.
Wasje ging naar boven en alvorens haar slaapkamer binnen te gaan, strooide zij rijstkorrels voor de deur.
Gran tàngi foe dem bakrà di opo dem sóema hai di men’ tàpoe [227] dacht ik, en teleurgesteld, dat ik heden geen anansi-tori’s had mogen hooren, zocht ook ik mijn legerstede op.
VERTELLINGEN DER SURINAAMSCHE STADSNEGERS.
In Suriname laat de verteller dikwijls de volgende toespraak aan zijn anansi-tori voorafgaan:
Heeren en dames luistert! Maar alvorens U in Uwe gemakkelijke stoelen neêr te zetten, begint Broeders en Zusters eenige wimpers uit te trekken, want oogen en ooren moeten helder zijn, deels om niet te slapen, deels om het aangename van het verhaal op te vangen.
Broeders, zoo moet het zijn en zoo moet het worden!
Kameraden, luistert!
NO. 1. ANANSI, DIE EEN HALF DORP VEROVERT.
In overoude tijden had Spin aan den Gouverneur gevraagd, of hij nog een half dorp meer onder zijn gezag wilde hebben.
De Gouverneur, de streken van Spin kennende, antwoordde:
„Denk je soms, dat je me voor den mal kan komen houden?”
„Excellentie, indien U het maar aan mij wilt overlaten, antwoord dan ja, dan zal ik U toonen, dat ik een half dorp voor U zal machtig worden, mits Uwe Excellentie mij een oude uniformjas, een steek, een sabel en twee haantjes geeft”.
De Gouverneur keurde het voorstel goed en stond het gevraagde aan Heer Spin toe, doch onder voorwaarde, dat hij hem het hoofd zou laten afhouwen, als hij onverrichterzake terugkeerde.
Spin trok de uniformjas aan, zette den steek op, hing den sabel om en vertrok, doch vooraf ging hij van moeder de vrouw, ’Ma Akoeba [228], afscheid nemen, haar op het hart drukkend, vooral aan niemand te vertellen, waar hij heen ging, uit vrees dat anderen zich met zijn zaken zouden gaan bemoeien.
„Dus, ’Ma Akoeba, ik ga voor eenige dagen op reis; heb je me begrepen?”
„Ja Kaptin, adjósi”. [229]
Spin nam zijn parel (pagaai), sprong in een tjoewa-tjoewa [230], zette de twee haantjes in de boot en zong al voortpagaaiende:
„Ik ben toch een slimme Spin, ga vlug; Pagaai naar voren, ga vlug; Pagaai naar achteren, ga vlug; Ik ben toch een slimme Spin, ga vlug”.
Heer Spin, die onvermoeid voortpagaaide, kwam na een paar uren aan een dorp, waar hij de gansche bevolking aan den oever vergaderd vond, om heer Spin te begroeten en hem naar het stadhuis te begeleiden.
„Gouverneur Spin, kom aan wal”, riep men hem van alle kanten toe, waarop Spin antwoordde:
„In geen geval. Ik ben door den Gouverneur uitgezonden met de gewichtige opdracht, twee haantjes voor hem elders te brengen”.
Doch het volk bleef aanhouden en heer Spin liet zich overhalen, even aan wal te gaan.
Dadelijk begon hij te spreken over de twee haantjes, die, zooals hij den man, die ze van hem aannam, toevoegde, niet bij kippen, doch wel bij ganzen willen blijven.
Nadat aan zijn wensch voldaan was en de haantjes bij de ganzen waren gebracht, werd Spin door alle ingezetenen, voorafgegaan door den Gouverneur, met muziek naar het stadhuis geleid, waar te zijner eere een groot feest werd gegeven.
Plakkaten werden rondgestrooid, om de komst van Gouverneur Spin bekend te maken; van alle woningen wapperden vlaggen, in één woord: het was feest in het dorp.
Des avonds werd er een bal gegeven, waaraan Spin tot laat in den nacht deelnam.
Tegen drie uur in den morgen verwijderde heer Spin zich, trad heimelijk het ganzenhok in, draaide de beide haantjes den nek om en keerde daarna weder naar de balzaal terug.
Vroeg in den morgen, reeds te zes uur, maakte Spin zich tot het vertrek gereed, daar het gunstig getij juist was ingetreden. Hij vroeg om de haantjes en tot groote ontsteltenis van alle dorpelingen werden ze door een der officieren dood naar boven gebracht.
Onmiddellijk liet de Gouverneur den oppasser voorkomen, teneinde zich te verantwoorden over dit feit.
Spin begon te huilen, te gillen, te razen en zette de handen op het hoofd, uitroepende:
„Ik moet sterven, ik word vermoord, er is geen kruid voor gewassen, de dag mijns oordeels is aangebroken”.
Heer Spin rolde in zijn uniformjas over den grond.
„Ik had wel een voorgevoel, toen ik zei, niet aan wal te willen gaan; men heeft mij misleid.
Ja, sâbi diri”. [231] De omstanders waren dood verlegen, men sprak heer Spin vertroostend aan, doctoren werden gehaald, Spin werd nat gemaakt en eindelijk kwam hij tot bedaren.
„Mijn waarde heer Spin”, zoo sprak de Gouverneur, „wees toch niet zoo droevig; U kunt van mij twee andere haantjes krijgen”.
„O neen, dat kan ik onmogelijk aannemen; geen haantjes wil ik meer hebben, wel twee ganzen”.
Onmiddellijk werden twee ganzen voor hem gehaald; hij nam ze norsch aan en bracht ze in zijn tjoewa tjoewa en vertrok.
Weêr hief hij zijn lied aan:
Mi Anansì mi kóni, ó grinja en terwijl hij stevig doorparelde, kwam hij weder aan een dorp, welks bevolking hem op gelijke wijze opwachtte.
„Kom toch aan wal!” riep men van alle kanten.
„Ik wil graag, maar ik kan onmogelijk”.
„O neen, heer Spin, willen of niet, gij moet”.
Spin liet zich ten slotte overhalen en trad in zijn uniform met de twee ganzen aan wal, zeggende:
„Odi mi granmán [232] ik heb twee ganzen, die niet bij ganzen, doch wel bij varkens willen blijven en die bestemd zijn voor een vriend van mijn Gouverneur”.
Een der adjudanten nam de ganzen van Spin over en bracht ze in het varkenshok. Alweder was het feest te zijner eere. Op allerlei wijze werd zijn komst bekend gemaakt; de grond dreunde van de schoten der kanonnen.
Des avonds was het stadhuis verlicht met Chineesche lantaarns en lampions; al weder was het groot bal.
En, hm!... weder verwijderde heer Spin zich in het middernachtelijk uur uit de balzaal, sloop hij heimelijk in het varkenshok, om de beide ganzen te dooden.
Met het aanbreken van den dag, toen Spin wilde vertrekken, vroeg hij om de beide ganzen, die hem onmiddellijk werden gebracht; doch toen hij zag, dat zij dood waren, begon hij nog erger dan de vorige maal te schreeuwen en schandaal te maken.
„Wákkaman si jorokà. [233] Is het niet mijn eigen schuld wat mij overkomen is? Was ik maar doorgegaan! Ja, sabi diri. In vredesnaam, ten gelieve der bevolking moet mijn hoofd zonder uitstel van den romp”.
Maar het dorpshoofd trad op heer Spin toe, hem verzoekende twee andere ganzen in de plaats te willen aannemen. Hij antwoordde:
„Geen idee, geen denken aan! Varkens moet ik in de plaats hebben; anders komt de heele zaak op uw hoofd neêr; mijn handen wasch ik in onschuld. Ik ben misleid”.
Een algemeene stilte volgde, totdat men met twee varkens voor heer Spin kwam aandragen, die hij in zijn tjoewa tjoewa plaatste.
Hij greep zijn parel en vertrok, in zich zelf mompelend „een ezel stoot zich geen tweemaal aan denzelfden steen”. Zoo geruimen tijd voortparelend, kwam hij alweder aan een dorp, waar men nog meer moeite moest doen, om Spin aan wal te krijgen. Het gelukte den inwoners eindelijk, en met nog grooter praal werd hij ontvangen.
Heer Spin kwam met de twee varkens aandragen, die, naar hij hem, die ze overnam, mededeelde, niet bij varkens wilden blijven, doch wel bij koeien.
De varkens werden naar de koeien gebracht en heer Spin leidde men in triumf naar de woning van het dorpshoofd.
Voor het dorpsbestuur was het een dag van groote vreugde; een groot feest werd gegeven; al weder werd des avonds gedanst, heer Spin deed flink zijn best, doch vergat de varkens niet.
In het stille middernachtelijk uur ging hij naar beneden, om de varkens te dooden en keerde daarna in de balzaal terug.
Toen de morgen aanbrak, wilde heer Spin zijn reis voortzetten en vroeg hij om de twee varkens, doch de knecht keerde terug en deelde hem mede, dat zij vermoord waren.
Al weder ving heer Spin een akelig geschreeuw aan, dat de omstanders door merg en been ging; hij verwenschte zich zelf en overlaadde de dorpelingen met verwijten.
Doch het dorpshoofd sprak:
„Och treur niet. Je kunt immers twee andere varkens in de plaats krijgen”.
Maar heer Spin schudde het hoofd en antwoordde:
„O, neen, daar moet ik niets van hebben; een flinke koe, dat zou nog gaan, maar anders niet”.
Aan het verzoek werd voldaan en Spin kreeg de verlangde koe en trok in zijn tjoewa-tjoewa verder.
Omstreeks vier uur was hij weder bij een dorp aangekomen, waar juist de lijkstatie van een kind voorbij ging. Heer Spin, die met aandacht het droevige tooneel volgde, vergat de koe, die te water raakte en verdronk.
Wat moest hij doen? Naar een nieuwe drijfveer zoeken, om den tocht voort te zetten.
Hij bedacht zich een oogenblik, ging aan wal, dolf het kinderlijk op, nam het uit de kist, plaatste het vooraan in zijn tjoewa-tjoewa en parelde verder.
Vroeg in den morgen van den anderen dag landde hij aan een groot dorp, waar hij op hartelijke wijze ontvangen werd.
Doch de feestvreugde verstomde, toen heer Spin verzocht, geen lawaai te maken, omdat hij een ziek kind medebracht, waarmede hij naar den dokter moest gaan.
Als gewoonlijk nam heer Spin zijn intrek bij het dorpshoofd, wien hij om stilte verzocht, zeggende, dat het kind hevige koorts had.
De vrouw van het dorpshoofd kwam dadelijk met een groote kom met gongotè-páppa [234] voor het kind aandragen en liet Spin met de zieke alleen.
Nauwelijks was mevrouw verdwenen of Spin, die geduchten honger had, zette zich neêr en liet zich de pap goed smaken.
Toen hij gereed was, bracht hij de kom terug en zeide, dat het kind mevrouw liet bedanken.
Na een uur klopte de vrouw van het hoofd weêr aan de deur en zei, op Spin toetredend:
„Granman denki pikien sa man swari brafoe”. [235]
„O, zeker, dat moet wel, want het kind moet toch eten”.
De vrouw ging weg en bracht na eenigen tijd een bord met tája brafoe [236] voor het kind.
„Dank U, het kind slaapt op het oogenblik, maar als het wakker wordt, zal ik het geven”.
De vrouw ging weg en Spin at zijn bekomst, doch toen hij gereed was, begon hij hevig te gillen.
„O hemel, kijk wat mij overkomen is. De vrouw van het dorpshoofd heeft het kind krassi taja brafoe [237] gegeven en het kind is overleden. Ik rampzalige!” waarna heer Spin in onmacht viel.
Op het erbarmelijk geschreeuw kwam het volk, met den Gouverneur aan het hoofd aanloopen, doch Spin was niet tot bedaren te brengen.
„Mijn waarde Spin”, sprak de Gouverneur, „schreeuw toch niet zoo; mijn’ vrouw kan het heusch niet helpen, maak toch zoo’n lawaai niet, ik zal u twee slaven in de plaats geven”.
„Slaven?”
„Ja, twee stuks”.
„Geen denken aan, als je nooit voor den rechter bent geweest, dan zullen jij en je vrouw nu voorgebracht worden en wegens moord zullen jelui beiden de gerechte straf ondergaan”.
De Gouverneur beefde van schrik en toen de dorpelingen zijn angst en hevige ontroering zagen, begonnen zij heer Spin te smeeken de zaak te sussen.
Spin wilde er echter eerst niets van weten, doch toen de Gouverneur riep:
„Vraag wat U wilt, U kunt desnoods een half dorp krijgen” spitste anansi de ooren en vroeg:
„Is het waar?”
„Ja, granman anansi!”
„Mi papíera wanni”. [238]
De Gouverneur stemde toe en Spin kreeg dus een half dorp, in plaats van het kind.
Maar ik moet ook een karta [239] hebben, voegde heer Spin er haastig bij. En toen hij ook dit gekregen had, werd het kind met militaire eer begraven. Heer Spin had nu zijn doel bereikt en keerde weder in zijn tjoewa tjoewa naar huis terug.
Dadelijk begaf hij zich naar de woning van den Gouverneur, met wien hij de weddenschap had aangegaan. Deze ontving hem vrij koel en sprak norsch:
„Waar is nu het halve dorp?”
„Welnu, maak geen drukte, op een bedaarden toon als ’t U belieft, hier zijn de eigendomsbewijzen.” De Gouverneur veranderde dadelijk van toon, gaf Spin de hand en zeide:
„Ik dank U, ik zal U beloonen; in mijn huis zult ge wonen en Uwe kinderen zullen met mijn volk ook in huizen wonen”.
„Waar dan?”
„Wel in beslagruimten”. [240]
Doch heer Spin verkoos dat niet, en toen hij den beul zag komen, waarmede de Gouverneur hem gedreigd had, liep hij hard weg en sprong zelf in een reet van den muur.
En van dien dag af heeft heer Spin in hoeken en gaten der huizen zijn intrek genomen.
NO. 2. SPIN EN DE PRINSES.
Langen tijd bewoonde Spin een rijk, dat geheel omringd was door onderhoorige dorpen. Hij was er erg bemind en bijna ieder meisje schonk hem haar hart, want hij was buitengewoon schoon.
Na tal van jaren vestigde heer Spin zich in een ander rijk, dat aan de hel grensde. De koning van dat land had drie dochters, die hij wenschte uit te huwelijken.
Kapitein Spin vatte het plan op, een harer te gaan vragen. Hij liep verschillende dorpen af om kleedingstukken te leenen, want hij bezat niets; daarna begaf hij zich naar het paleis en deed aanzoek om de hand der jongste dochter, die hij ook kreeg. Drie maanden bracht heer Spin in het paleis door, maar niet één keer verkleedde hij zich.
Toen de dag van vertrek aanbrak, werd een 1ste klasse-stoomer voor het jonge paar in gereedheid gebracht. Heer Spin sprak:
„Indien het U onverschillig is, zou ik de reis liever per rijtuig doen, dan per stoomboot, daar mijn gezondheid er niet tegen kan”.
„Goed, zooals ge wilt, hoeveel paarden zal ik laten voorspannen?”
„Een stuk of tien”.
Aan het verzoek werd voldaan en heer Spin vertrok met zijn vrouw.
Aan het eerste dorp gekomen stapte hij uit en kwam hij na een kwartier zonder hoed terug. Zijn vrouw durfde hem niet te vragen, waar hij gebleven was, want heer Spin had haar onder bedreiging van den doodstraf verboden te spreken of te schreeuwen.
Aan het volgende dorp gekomen, stapte hij weder uit en kwam hij na een kwartier zonder regenscherm terug, Zijn vrouw schrok, maar durfde niets te zeggen.
Kort daarop verwijderde heer Spin zich weder en nu kwam hij zonder jas terug. Zijn vrouw werd angstig, toen zij hem op deze wijze van gedaante zag veranderen.
Zoo ging het door van dorp tot dorp, tot hij eindelijk geheel naakt terugkwam. Onderweg had hij achtereenvolgens teruggegeven, wat hij vóór zijn huwelijk geleend had.
Thuis gekomen ging Meneer rusten. ’s Middags ging hij uit, zijn vrouw, die aanhoudend weende, achterlatend. Hij ging toen naar zijn buurman, den duivel, en vroeg hem, of hij iets wilde koopen. Samen kwamen zij terug en anansi verkocht hem ’s vorsten dochter. Didibri [241] nam haar mede, liet haar in kettingen slaan en onder aan een boom binden.
De Koning, die gehoord had van het droevig lot van zijn dochter, snelde haar te hulp. Hij trof heer Spin thuis en sprak:
„Ellendige, waar is mijn dochter?”
„Jouw dochter?”
„Ja, mijn dochter?”
„Dat gaat je niet aan; ik ben toch met haar getrouwd, je hebt niets meer met haar te maken”.
„Wat zeg je daar, vent!”
„Ben je doof?”
„Pakt dien ellendeling op!”.
„Een oogenblik. Je dochter is bij mijn vriend. Je kunt haar gaan halen”.
De vorst, die zijn plichten als vader wilde vervullen, begaf zich op aanwijzing van heer Spin naar het naburige dorp, de hel. Hij schrok hevig, want zijn dochter stond op korten afstand van een grooten ketel, die minstens wel vijf man kon bevatten.
„Kind, wat is er gebeurd?”
„Heer Spin heeft mij aan den duivel verkocht. Heden word ik geslacht. De duivel heeft tal van vrienden uitgenoodigd, om aan het feestmaal deel te nemen. Spin komt mij binnen het uur slachten. Papa ga weg, anders ondergaat U hetzelfde lot als ik”.
De duivel kwam thuis en anansi zong:
Mi séri mi azéman [242]
Didibri antwoordde:
Doendoe ka, ka doendoe! [243]
en doodde daarop den vorst. Hij begroef hem achter zijn woning en stelde den dood der prinses uit, daar hij niet meer dan één persoon per dag mocht doen sterven.
Heer Spin stelde voor, den koning op te eten, maar de duivel wilde er niet van hooren.
Het meisje had een broêr, van wien zij niets hield en dien zij zooveel mogelijk vermeed. Deze jonge man leed aan framboesia tropica* en onttrok zich aan ieders oogen. Hij was zeer ervaren in het tooveren en bezat formulieren, die elke menschelijke kunst te boven gingen. Toen hij vernam, dat zijn vader door zijn schoonzoon gedood was, dacht hij bij zich zelf:
„Bloed moet door bloed gewroken worden; oog om oog, tand om tand”, en hij zocht dadelijk Spin op.
„Waarde zwager, waar is mijn vader?”
„Wie is jouw vader?”
„Jouw schoonvader!”
„Schoonvader?” Spin haalde de schouders op.
„Houd me niet voor den gek, want ik vermoord je!”
„Ga naar het naburige huis, je vader is er op bezoek”.
„Goed”.
„De jongeman kwam in de hel. In de verte zag hij den duivel aankomen, waarop hij zich achter zijn zuster verschool.
Didibri kwam thuis. Anansi zong hem toe:
Foenkete! Foenkete! [244]
„Er is niemand hier,” zei de duivel.
„Ben ik dan niemand?” vroeg het jonge meisje.
„Ja, ik ben hier,” antwoordde de jongeling.
„Wat doe je hier?”
„Ik kom mijn vader halen”.
De duivel slikte hem in, maar hij kwam weêr ongedeerd te voorschijn. Zoo deed hij verschillende malen, maar zonder gevolg. Toen nam hij een langen ijzeren staaf, maakte hem gloeiend heet, en stak hem daarna in het lichaam van den jongeling, maar ook nu stierf hij niet.
De duivel vroeg hem:
„Slaap je?”
„Neen”.
„Waarom niet?”
„Die pokken doen pijn, ik kan niet slapen”.
Heer Spin, de medewerker des duivels, gaf hem den raad, den jongeling een slaapmiddel te geven. „Maar, wees voorzichtig”, vermaande hij, „want, als het lichaam slaapt, waakt de ziel”.
„Heb jij dan een ziel, anansi?”
Didibri vroeg toen den jongen man: „Wat zal ik je geven?”
„Mijne moeder gaf mij soep van keisteenen, dat was het eenige middel”.
De duivel ging toen voor kok spelen, maar de keisteenen wilden niet zacht worden.
„Ga naar het strand,” beval heer Spin zijn schoonbroêr, „ik zal je wel daarheen brengen”.
„Jij hem brengen?” vroeg de duivel.
„Ik zal er voor zorgen”.
„Goed, ik reken er op”.
Den volgenden morgen ried anansi zijn schoonbroêr aan, in het belang van zijn gezondheid een bad te gaan nemen, daar hij anders wel nooit zou genezen.
Spin ging met list te werk, daar hij, noch de duivel er in slaagde, den jongeman te dooden.
„Goed, zwager, maar wees voorzichtig met mij, denk niet, dat ik je vrouw ben, en dat je me zal kunnen dooden”.
„Maar, zwager, je kent me toch”.
„Nu, en of ik je ken”.
Zij gingen naar het water en heer Spin begon te zingen:
Foenkete! Foenkete!
De duivel kwam uit het water, slikte den jongeling in, maar hij kwam er weêr levend uit.
„Nu vermoord ik jelui beiden, jou en Spin”.
„Neen, Mijnheer! Ik heb toch niets gedaan. Heer Spin heeft mij een nimf aangeboden, en ik heb haar gekocht”.
„Waar is mijn vader?”
„Hij is dood”.
„Daarom zal ik je dooden”.
„Ik zal je vader het leven teruggeven”.
„Ik zal het zelf doen”.
Heer Spin beefde van angst.
De duivel slikte den jongeling weêr in, maar deze doorstak hem met een speer.
Heer Spin zweefde over het water en zette zich op een boom. De jongeling vervolgde hem; maar Spin sprong naar beneden en maakte zich uit de voeten.
Toen ging de jongeman zijn zuster bevrijden en zijn vader het leven teruggeven, waarna zij samen in hun land terugkeerden.