Mythen en sagen uit West-Indië
Part 20
Heer Spin durfde zich niet meer te vertoonen en sedert dien tijd heeft hij zijn intrek in reten en hoeken genomen.
NO. 3. HET HUWELIJK VAN HEER SPIN.
In zeker land regeerde een vorst, die een dochter had, schoon als de volle maan. Er kwamen vorstenzonen uit verre landen, om haar hand te vragen, maar zij weigerde allen.
Granman anansi [245], dit hoorende, liet zich naar dat land roeien in een twaalfriems tentboot, en nam zijn viool mede.
Toen Zijne Excellentie de landingsplaats naderde, riep de stuurman hem toe:
„Mi Granman, siengi joe fienjólo”. [246]
Heer Spin begon te spelen en zong er het volgende liedje bij:
„Mi jére, pikien misi No wanni man, ô ô ô ô!” [247]
Z. M. de Koning hoorde deze hemelsche muziek en zond een gedeelte zijner troepen ter plaatse, met bevel den muzikant naar het paleis te brengen.
De manschappen en hovelingen ijlden heen, en tot hun verwondering zagen zij, dat het Gouverneur Spin was. Hij werd op plechtige wijze begroet, waarna men hem het verlangen van Z. M. mededeelde.
„A boen, wakka, mi de kom!” [248]
Heer Spin logeerde een poos ten paleize, waar hij op de handen gedragen werd, doch na eenige dagen besloot Zijne Excellentie weêr naar zijn dorp terug te keeren.
„Ach! Papa”, riep het meisje, „kunt U Z. E. niet hier houden en tot rijksmuzikant of opperzanger benoemen?”
Granman anansi viel haar in de rede:
„Dat zal niet gaan, tenzij ik met U trouw!”
„Nu, dat is goed”, antwoordden vader en dochter tegelijk.
Spin was de gevierde in huis; hij mocht maken en breken wat hij wilde; hij was letterlijk heer en meester geworden.
Het jonge paar zou dan trouwen.
Schoonpapa stelde zijn schoonzoon voor, om versch vleesch te laten koopen.
„Dat behoeft niet; geef mij maar geld, dat U voor versch vleesch wilt besteden, ik zal er voor zorgen; maar, nog wat, laat voor mijn vrienden een flink huis bouwen met een ijzeren deur. U moet ook aan alle naburige vorsten mijn huwelijk bekend maken, want dan kunnen zij mij nog ’t een en ander ten geschenke geven. Laat U het niet weten, dan houden zij zich stil, en ben ik de lijdende persoon, niet waar, want dat zijn me anders geen gulle snappers!”
Aan Anansi’s verzoek werd voldaan en op den dag vóór de huwelijksvoltrekking waren alle vrienden en kennissen van het jonge paar verzameld.
Anansi’s vrienden kwamen ook en werden verzocht hun intrek in het ijzeren huis te nemen. Toen allen er in waren, sloot heer Spin de deur af.
Krekel, die reeds eenmaal werd beetgenomen, zong op den drempel van het huis:
„Dia, dia, sa’ joe dê wan dom méti!” [249]
De aanstaande bruidegom gaf nu bevel, rondom het gebouw een vuur aan te leggen; het werd gedaan en alle dieren verbrandden. Daarna noodigde hij alle gasten van den Koning beleefd uit, de dieren te helpen villen en schoonmaken.
„Hm! Hm!” zuchtten de prinsen en de andere edellieden.
„Heden mag geen verdriet zijn, daar het morgen mijn trouwdag is”, zei Spin.
Ik begrijp ze wel, dacht Anansi, ze willen niet helpen werken, maar wel helpen eten; ik ben dus eigenlijk hun slaaf. Neen, dat staat niet in de boeken geschreven, wel staat er: in het zweet uws aanschijns zult ge uw brood verdienen!
Eindelijk werd het werk verricht en den anderen dag trouwde hij het meisje.
Heer Spin bleef in het paleis wonen en zijn kinderen kwamen bij de naburige vorsten aan huis.
Door streken is de spin overal gekomen, tot zelfs in vorstenwoningen toe.
NO. 4. ANANSI, TIJGER EN DE DOODE KOE.
Heer Spin, die de kost verdienen moest voor zijn groot gezin, kreeg haast niets van hetgeen hij meêbracht; dikwijls moest hij met een leege maag naar bed, hetgeen hem in ’t geheel niet beviel.
„Dat gaat zoo niet langer”, dacht hij, „hard werken voor weinig loon, en niet eens je bekomst eten, dat gaat niet...!”
Na lange overpeinzingen ging hij vet stelen uit den buik van een koe. Waardoor hij zich toegang verschafte, zeg ik liever niet.
„Ze moeten die gulzigheid afleeren; ik ga nog niet naar huis; eerst zal ik zelf wat eten en meênemen hetgeen er overblijft”.
Heer Spin ging bij zijn vriend Tijger aankloppen en vroeg hem in zijn kippenhok te mogen overnachten.
„Ja”, antwoordde Tijger met een heel grove stem.
Heer Spin kroop in het hok en in het stille middernachtelijk uur steeg er rook omhoog, toen hij bezig was het vet te bakken.
Tijger werd wakker van den damp en trad op het kippenhok toe.
„Màti [250] Anansi, wat gebeurt hier? Ik had kunnen sterven van schrik. Ik heb een kleintje gedaan in mijn broek. Geef mij een gedeelte van dat vet, vriend, want ik heb honger gekregen, om je de waarheid te zeggen”.
„Eet maar naar hartelust vriend, ga je gang”.
Tijger vrat zijn bekomst en vroeg, waar hij dat vet had gehaald.
„Ik wil het je wel vertellen, vriend, en je meênemen ook, maar je laat me vangen en jij misschien er bij”.
„Wel neen, vriend, ik ben toch niet gek!”
„Nu goed! morgenavond neem ik je meê, hoor!”
Tijger geloofde het maar half; hij ging Spin halen en ze gingen te zamen naar den stal van het dorpshoofd. Heer Spin zei zijn formulieren op, de koe ging open en zij traden samen binnen.
Anansi vulde zijn jachttasch met vet, terwijl Tijger alles opat, wat heer Spin afsneed.
„Neem je geen stuk meê voor je vrouw? Snijdt vlug nog een stuk af, ik ga al vast naar buiten”. De woeste tijger sneed maar raak en trof het beest in het hart, zoodat het op hetzelfde oogenblik dood neêrviel.
„Heb ik het niet gezegd? Nu zijn wij gevangen”.
„Help me vriend Spin!”
„Kruip in de darmen, ik ga in de vocali-pens [251]”.
Zoo gezegd, zoo gedaan, de heeren namen hun intrek als voren genoemd.
De doode koe werd naar het slachthuis vervoerd, waar de veearts de sectie deed. De vocalipens werd weggegooid en opgepikt door eenige oude negers, die de tripa [252] graag lustten. Een der negers sneed de pens open en Spin sprong er uit, voordat iemand hem had gezien. Daarop begon hij te schreeuwen „Jelui bent allemaal gek. Nu is het voor jelui verantwoording. Mijn pak heb je vuil gemaakt; ik sta hier niet voor niemendal. De dokters weten er niets van; geen van hen kan den dood der koe diagnoseeren; is het niet ’s lands geld weggooien. Ik weet het veel beter dan al die heeren met hun geleerde koppen en lange namen”.
Het hoofd van het dorp hoorde dit en vroeg heer Spin of hij gek was, dan wel of er een streep door zijn hoofd liep.
„Wat belieft U mijnheer? Ik ben niet gek, maar gij zijt het, dat ge U zoo maar alles wijs laat maken”.
„Weet je niet tegen wien je spreekt? Ik ben het dorpshoofd”. De doktoren vroegen Spin zich in bijzijn van het Hoofd te verantwoorden over zijne woorden.
„Je verklaart je nader, of ik laat je gevangen nemen, vagebond!”
„Excellentie! Ik ben maar een arme spin, die op een armenschool geweest is. Ik heb niet veel geleerd, maar wel veel ondervinding opgedaan. Men zegt in den regel: droomen zijn bedrog, maar mijn hoofd bedriegt me niet. De koe is vermoord door Tijger, die nog in zijn buik moet zitten, volgens mijn droom. Als U de darmen laat opensnijden, zult U hem vinden met ap- en dependentie; maar U moet maatregelen nemen, om hem te vangen; want hij zal willen vluchten. Ik had hem een tijdje tot vriend, maar om zijn smerige streken heb ik hem laten loopen; ik wed, dat als hij mij hier ziet, hij durft zeggen, dat ik de koe gedood heb”.
De koe werd onderzocht en Tijger gevonden. Heer Spin kreeg een belooning van 25 gulden, zooals in de publicatie der kolonie vermeld staat.
NO. 5. ANANSI EN ZIJN KINDEREN.
Tijdens een hongersnood ging heer Spin gebukt onder kommer en verdriet. Zooals iedereen weet, slaat hij een flinke vork [253] en hij bezit bovendien een vrouw en twaalf kinderen.
Eens, toen ’Ma Akoeba [254] de kinderen te eten gaf, bemerkte zij, dat haar voorraad niet toereikend zou zijn en vroeg haren echtgenoot:
„Fa’ mi de go doe tidè [255]. Wie moet eten en wie niet? Mass’ra, fa’ joe denki mi sa doe? [256] Zal ik je twee bananen, en de kinderen elk één geven?”
„Wel neen, vrouwtje, geef die arme schapen hun portie, ik zal wel zien, hoe ik aan eten kom”.
„Wil je dan niet eten van daag, of heb je geen honger?”
„Zorg voor jezelf en de kinderen, heb ik je gezegd, bekommer je niet om mij”.
’Ma Akoeba gaf ieder kind twee bananen en behield er een voor zich.
„Ik ben klaar”.
Toen stond vader op, ging tusschen zijn kinderen staan en vroeg:
„Mi pikíen, mi pikíen, sóema foe óenoe lobi papa móro foeloe?” [257]
„Mi, mi, mi” [258] antwoordden de kinderen.
„Wel, dan moet ieder, die mij liefheeft, mij een banaan geven”.
Vader Spin deed de ronde en kreeg van ieder kind een banaan.
„Dat is niet eerlijk, mass’ra” [259] riep Akoeba.
„Dat is jouw zaak, vrouw. Ik heb je gezegd, voor je zelf te zorgen, jij hebt het eten verdeeld. Dat jij slechts één banaan genomen hebt, kan ik niet helpen”.
Moeder Spin zweeg en vader Spin at, als gewoonlijk, zijn bekomst.
NO. 6. HOE SPIN ZIJN SCHULDEISCHERS BETAALT.
Men vertelt, dat in den ouden tijd een hongersnood was uitgebroken, die menig huishouden te niet deed gaan.
Heer Spin daarentegen keek het ongeluk vlak in het gezicht en begaf zich daarna bij zijn buurman Kakkerlak* die den landbouw uitoefende en nam bij hem een groote hoeveelheid aardvruchten op crediet; daarna ging hij naar zijn vriendin Hen en vroeg haar wat rijst. Van vriend Vos leende hij wat groente, van Tijger wat vleesch en ten slotte van een jager wat geschoten wild.
Eenige weken daarna kwam Kakkerlak bij heer Spin, om het geld in ontvangst te nemen, daar deze zijn schuld nog niet had voldaan.
Heer Spin was in de keuken.
„Goeden dag, vriend Spin!”
„Goeden morgen! Je zult lang leven, vriend; ik had juist besloten, vandaag het geld op te zenden. Ga even naar binnen, want het is hier warm. Ik kom aanstonds bij je, als deze banaan geschild is. Neem je gemak, doe alsof je thuis waart”.
Heer Spin bezat echter geen cent en verzon een list, om van zijn schuldeischers af te komen.
Na verloop van een kwartier riep Kakkerlak verschrikt uit: „Vriend Spin, ik ben verloren!”
„Verloren!”
„Hoezoo?”
„Kijk daarginds in de verte komt mijn vijandin aan!”
„Wie dan toch?”
„Hen!”
„Is dat alles? Ga onder de canapé schuilen en blijf rustig zitten. Zij zal je niets doen; je kunt op mij rekenen!”
Kakkerlak liet het zich geen twee keer zeggen en kroop onder de canapé.
„Goeden dag, kapitein Spin!”
„Goeden dag, waarde vriendin!”
„Hoe is het met de kleintjes thuis? Ik kom bij U om de zaak....”
„Zaak? Welke zaak! O! Geld zeker, is het niet?”
„Ja kapitein!”
„Ga binnen, ik kom bij je, zoodra ik dit stukje bakkeljauw* geroosterd heb”.
Naar binnen gaande, schreeuwde Hen plotseling: „Kapitein, kapitein, ik ben weg!”
„Weg? Je moet niet weg, ik ben dadelijk klaar!”
„Neen, ik ga niet weg, maar ik ga dood!”
„Dood? Hoezoo?”
„Daarginds komt Vos aan, hij zal mij opeten!”
„Wel neen, vriendin, ga onder de canapé schuilen, maar beweeg je niet!”
Zoo gezegd, zoo gedaan. Hen kroop onder de canapé en at Kakkerlak op.
Vos naderde; kapitein Spin groette hem, en Vos verzocht hem om het verschuldigde geld.
„Wel vriend, ik verwachtte je; ik heb het reeds eenige dagen geleden voor je klaargelegd”.
„Kom binnen en neem je gemak; ik ben bezig voor den pot te zorgen”.
„Zoo, dan eet ik met je meê vandaag, want ik verga van den honger”.
„Met genoegen, waarde vriend, van harte welkom!”
Vos ging binnen en nam plaats op de canapé.
„Hm, het ruikt hier naar kip!”
Na eenigen tijd gewacht te hebben, riep Vos zijn gastheer toe, dat Tijger in aantocht was en dat deze hem zonder twijfel tot zijn prooi zou maken.
„Kom, vriend, Tijger is zoo slecht niet”.
„Maar ik wil liever niets met hem te maken hebben”.
„Wil je dan schuilen?”
„Ja, natuurlijk!”
„Tracht dan voorzichtig onder de canapé te komen, en beweeg je niet”.
„Ja, Kapitein!”
Vos kroop voorzichtig onder de canapé, bemerkte Hen en at haar op.
Tijger kwam bij heer Spin en maakte zijn opwachting.
„Goeden morgen, Gouverneur! ik kwam bij U om die kleinigheid!”
„Kleinigheid, wat bedoel je?”
„Wel, hebt U dan vergeten, wat U bij mij op crediet hebt genomen?”
„O ja! En je komt om het geld niet waar? Ja ik heb het reeds sedert een paar dagen in mijn valies. Ga naar binnen en neem je gemak; ik kom aanstonds”.
Tijger trad binnen, zette zich neêr en begon met een awari-bangi* te spelen. Plotseling riep hij verschrikt uit:
„Heer Spin, red mij! Ik ga sterven, daar komt de jager aan”.
„Wel, zie eens of je onder de canapé kunt schuilen. Gaat het niet, zeg het me dan.”
Tijger stak zijn kop onder de canapé, at Vos op en kwam daarna bij heer Spin terug, om hem te zeggen, dat hij onmogelijk daar kon schuilen.
„Weet je wat, vriend Tijger, klim in dezen mànja* en blijf er in, tot de jager weg is”.
Tijger klom in den boom.
Slimme Spin plaatste aan den voet een tobbe met helder water, waarin zijn beeld weêrkaatst werd.
De jager kwam nader en vroeg heer Spin om het verschuldigde geld. „Heer Jager, even wachten, ik ben dadelijk klaar; het is in orde. Wat voor nieuws?”
„Niets! Doe mij een plezier en help mij wat vlug”.
„Zeker vriend. Ga intusschen op dien stoel zitten onder den boom en schep een frisch luchtje”.
De jager ontdeed zich van zijn geweer en verzocht heer Spin hem wat water te geven, om zijn gezicht te wasschen.
„Doe alsof je thuis was; er is water in die tobbe.”
De jager boog zich over de ton, bemerkte het beeld, greep zijn geweer en velde Tijger neêr.
„Hemel! Ik ben verloren...! Mijn arme vrouw! Mijn kinderen! Hoe me te verdedigen!” Heer Spin schreeuwde luidkeels. De heele familie Spin kwam bij elkaar. De jager riep verschrikt:
„Wat! Wat is er gebeurd?”
„Wat er gebeurd is! Durft U dat te vragen? Wel, U hebt den tijger van den Gouverneur van het dorp gedood. Hij was bij mij in den kost gedaan, omdat ik hem moest leeren praten. Hij had het reeds ver in die kunst gebracht en nu....! Mijnheer, U zult U moeten verantwoorden over hetgeen hier is geschied. Ik ga onmiddellijk een patrouille halen, om U in arrest te nemen.”
„Rampzalige! Mijn vrouw! Mijn kinderen!”
„Dat kan mij niet schelen”.
„Wel heer Spin, help uw vriend”.
„Helpen! Dat woord ken ik niet. Wie zal mij helpen, als ik U help?”
„Geef me dan een raad, kameraad”.
„Ik ben uw kameraad niet!”
„Wel, heer Spin, U hoeft me niet te betalen”.
„O neen! ik wil geen gift van U, heer Jager. Ik moet den tijger levend terug hebben, dienzelfden tijger, die U gedood hebt. U komt hier niet vandaan, alvorens die tijger weêr levend is. Begrepen?”
De jager stelde Spin voor, de schuld kwijt te schelden en bovendien 100 gulden te betalen.
„Nu, dat is goed, dan kan ik tenminste trachten, een anderen tijger te koopen. Gaat dat niet, dan zal ik moeten liegen, waarvan ik een vijand ben, en vertellen, dat de tijger ziek was en gestorven is”.
„Juist, heer Spin”.
„Ja, maar eerst de kwitantie en de honderd gulden”.
Heer Spin verkreeg het gevraagde.
„U kunt gaan!”
De jager maakte zich zoo gauw mogelijk uit de voeten.
De heele familie Spin sprong op den dooden tijger, om hem schoon te maken en een gedeelte te drogen. Zoo hadden zij weêr vleesch voor geruimen tijd.
NO. 7. EEN FEEST BIJ DE WATERNIMF.
De watra-mama [260] was de beste vriendin van heer Spin. Wanneer zij haar maal gereed had, riep zij haar vriend met luide stem en onmiddellijk kwam heer Spin aan.
Ook wanneer heer Spin gekookt had, riep hij zijn vriendin, maar met zóó zachte stem, dat niemand het hooren kon.
Dit duurde zoo geruimen tijd, tot op zekeren dag de watra-mama een groot feest gaf op den rivierbodem. Alle boschbewoners waren uitgenoodigd en ook reeds aanwezig; heer Spin alleen liet op zich wachten.
Hij was immers te licht en bleef op de wateroppervlakte drijven, waarom zijn vriend hem aanried, een groote jas aan te trekken en in elken zak een zwaren steen te doen. Anansi volgde den raad en voegde zich bij de overige gasten.
„Goeden dag, heer Spin”, klonk het overal.
Een welvoorziene tafel deed Spin watertanden; lag het maar aan hem, hij zou dadelijk beginnen.
„Een bittertje, màti Anansi?” [261]
„Als het U blieft, dat geeft eetlust nietwaar?”
„Zeker”, antwoordde het konijn.
„Aan tafel, mijne heeren”, zei de watra-mama kort daarop.
„Maar màti Anansi, je maakt me beschaamd, trek toch die oude jas uit.”
„O wee!” dacht heer Spin, „nu is alles mis”.
„Kom, vlug wat, vriend”.
„Zuster, je weet toch, dat ik ziek ben, de dokter heeft me voorgeschreven, mij warm te kleeden, laat ik maar zóó aan tafel gaan”.
„Je komt niet aan tafel met die oude jas”.
Doch heer Spin wilde niet opstaan, om zijn jas uit te trekken.
„Komaan, wat vlugger, alle heeren zijn reeds aan tafel”.
Eindelijk trok heer Spin zijn jas uit, en onmiddellijk rees hij omhoog.
Zoo werd heer Spin voor zijn gulzigheid gestraft.
NO. 8. ANANSI EN KAT.
Heer Spin was bevriend met de ratten, zegt het verhaal. Dagelijks kwam hij hen bezoeken, om zijn koeroe-koeroe* te laten vullen met hetgeen zij gestolen hadden. Dit beviel hem uitermate en hij tapte dan ook geregeld moppen met zijn nieuwe vrienden.
Eens vertelde hij hen, dat hij een kennis had, Ba’ Pina [262] genoemd, die mooi zong en goed musiceerde. „O, ge moet hem hooren zingen, het is wel de moeite waard”.
Indien de heeren er niets tegen hebben, zal ik hem eens meebrengen, dan zal er gedanst moeten worden”.
De ratten keurden het goed.
„Wanneer komt hij dan?”
„Dat mag ik niet beslissen”.
„Breng hem dan meê, als je morgen komt; we zullen zorgen, dat er een paar dames zijn; wat zullen we een pret maken, jongens!”
Spin ging weg, om met Ba’ Pina te spreken; en deze wilde terstond meêgaan.
„Neen vriend, wacht tot morgen, dan gaan we samen; en, denk er aan, dat je dadelijk begint te zingen, als we daar zijn”.
„Zingen? Wat bedoel je daarmede?”
„Wel, miauwen, en een gunstig oogenblik afwachten om aan te vallen, we deelen eerlijk den buit natuurlijk!”
„Zonder twijfel, vriend”.
„Ze hebben me wel altijd goed onthaald, maar.... ik heb vleesch noodig”.
„Je neemt toch een korf mede?”
„Ja zeker, en ik zal er jou inzetten, als we aankomen”.
„Wat is dat? Moet ik in jouw korf”.
„Wel, zeker!”
„En waarom?”
„Dwaas, je begrijpt toch wel, dat ze allen wegloopen als zij je aan zien komen. Daarbij, je bent me veel te voorbarig. Luister naar mij, je zult er zelf de goede gevolgen van zien. Vragen ze naar je naam, dan zeg je: Ba’ Pina, niets anders. Dus opgepast”.
„Moet ik niet wat meenemen? Ik heb een moetitte*. Zou deze in je korf kunnen?” vroeg Ba’ Pina.
Den volgenden morgen ging heer Spin op het gewone uur weg, vond Ba’ Pina en liet hem plaats nemen in zijn koeroe-koeroe.
„Goeden morgen, dames en heeren!”
„Goeden morgen, broeder! Je hebt ons goed voor den gek gehouden, waar is jouw muzikant”.
„Hij wilde eerst niet meê komen, daar zijn voeten ziek zijn”.
„Hij maakt immers geen muziek met zijn voeten. Had hem maar meêgenomen”, riepen de ratten.
„Hij is ook gekomen”.
„Waar is hij, ik zie hem niet”, vroeg een jonge rat.
Spin haalde Ba’ Pina voorzichtig uit den korf. Hij begon te miauwen en alle ratten dansten om hem heen. Een oude rat, die zijn staart in een val verloren had, sprak:
„Ik vertrouw dien muzikant even weinig als Spin; hij is heden hier gekomen met een agasi* waarschijnlijk om er ons in te doen. Houdt hem in ’t oog, want hij maakt U allen van kant. Ik heb hem meermalen gezien; sluit hij zijn oogen, dan kunt ge op den dood rekenen”.
De andere ratten luisterden niet en voegden hem toe:
„Je spreekt zoo, omdat je niet meê kunt doen; het is onze schuld toch niet, dat jij aan jicht lijdt. Kan je niet dansen, ga dan weg!”
„Eén uur van onbedachtzaamheid kan maken, dat men jaren schreit! Weest voorzichtig met Ba’ Pina; hij zal jelui gauw genoeg opspelden!”
„Ga weg, oud wijf! alles wat je zegt, zeg je uit nijd; het is niets dan nijd!”
De oude rat ging weg. Ba’ Pina begon weêr te zingen en wachtte ongeduldig op een teeken van anansi, om een aanval te doen. Toen hij luider begon te miauwen, kwamen uit alle hoeken en gaten de ratten te voorschijn, om deel te nemen aan de danspartij.
Ba’ Pina hield het niet langer uit, sprong tusschen de aanwezige ratten en doodde het grootste deel.
„Goed zoo”, zei Spin, „dat heb je netjes gedaan!”
Heer Spin vulde zijn korf; Ba’ Pina at zich zat en vertrok. Waarheen wordt echter niet verteld.
Anansi bezweek haast onder den last en thuis gekomen, droogde hij de ratten, waardoor hij weêr voedsel had voor een heel jaar.
„Heb ik niet gelijk gehad?” vroeg de oude rat.
„Ja”, riepen de overgeblevenen, en voortaan gelooven zij wat hij zegt.
Heer Spin durfde nooit meer bij zijne vrienden terug te keeren.
NO. 9. SPIN EN KREKEL.
Heer Spin, gedrukt door de zorgen voor zijn groot gezin, kon niet langer rondkomen met zijn zuur verdiend geld. Hij nam zich voor, op de een of andere wijze nog wat voedsel machtig te worden en besloot derhalve te gaan stelen in het korenveld van zijn Opperhoofd.
Na verloop van weken evenwel bemerkte het Hoofd, dat hij bestolen werd. Vast besloten, niet te zullen rusten voor hij den dief ontdekt had, liet hij op raad van een zijner dienaren een pop maken van kleefstoffen, ter grootte van een mensch en deed hij haar plaatsen op het pad, waar de voetstappen gevonden waren.
Heer Spin, niets wetende, kwam als gewoonlijk met zijn koeroe-koeroe* op zijn rug.
„Ik groet U, vriend!” zei hij tot de pop.
„.....”
„U antwoordt niet, ga wat op zij en laat me door”.
Heer Spin kreeg nog geen antwoord en gaf toen de pop een slag in ’t gezicht, maar zijn hand bleef kleven.
„Laat me los, of ik geef je nog een slag!”
Hij gaf de pop een tweeden klap en nog verder kleefde hij vast.
Kort daarna kwam Krekel voorbij, wien heer Spin vriendelijk om hulp verzocht. Maar toen heer Spin bevrijd was, zat Krekel vast.
Bij het aanbreken van den dag werd hij van de pop afgenomen en duchtig afgeranseld, terwijl heer Spin zijn hoofd vast hield. Krekel schreeuwde:
„A no mi, ma no Anansi” [263] waarop heer Spin hem ook een slag gaf, zich verontschuldigende, dat Krekel zoo onfatsoenlijk aan het schelden was geweest.
Toen Krekel goed gestraft was, verwijderde heer Spin zich en voortaan ging hij nu iederen dag in diens korenveld stelen.
NO. 10. HEER SPIN ALS GEESTELIJKE.
Heer Spin zit vol listen en streken.
Gedurende een grooten hongersnood kreeg hij van verschillende vrienden een hoeveelheid aardvruchten, voldoende om hem en zijn gezin op de been te houden.
Meer en meer teisterde de plaag het dorp, waar heer Spin woonde. De dorpelingen wisten allen, dat hij een gestudeerde was, en verzochten hem een gebed aan den barmhartigen God op te zenden.
Heer Spin nam op zich, eenige formulieren naar boven te zenden, op voorwaarde, dat het volk hem iets zou geven voor de moeite.
Toen zei hij de gebeden op. Het volk was gerustgesteld en schonk hem tal van belooningen voor de bewezen diensten.
Toen de voorraad op was, dacht heer Spin na, hoe opnieuw aan voedsel te komen en besloot hij eindelijk, zich voor geestelijke uit te geven; ’Ma Akoe keurde het goed met lachende lippen.
„Kaptin, joe tjári héde jeri, joe na wan man!” [264]
Heer Spin trok een lange jas met verder toebehooren aan, en ging toen naar het dorp van het gevogelte, om er te preeken.
Een blinde eend, met zes kleintjes gezegend, hoorde van den nieuwen geestelijke spreken en zij liet hem tot zich komen, om hem haar leed te klagen.
Heer Spin kwam met een zwarten bril op en groette het gezin. Daar begonnen allen te weêklagen. Zij hadden den heelen dag niet gegeten, want er was niets.
„Het is immers hongersnood, ik ben toch wel gek, voor andermans genoegen mijn longen uit te schreeuwen”.
Moeder eend wist niet, wie de geestelijke was en had hem hoog opgenomen.
Heer Spin verging van honger; hij liet zich daarom door het oudste kind den waterput aanwijzen, doch doodde het onderweg, at een gedeelte op en nam de rest mede naar huis.
Zoo deed hij dag aan dag, tot het geheele gezin op deze wijze verdwenen was.
Heer Spin ging toen overal preeken, maar toen hij het al te bont maakte, werd hij afgeranseld en verminkt.