Mythen en sagen uit West-Indië
Part 21
De dieren hebben hem weggejaagd uit hun midden, waarom hij zijn intrek heeft genomen onder de menschen.
De kippen hebben wraak genomen, want zij eten iederen spin op, die zij tegen komen.
NO. 11. HEER SPIN ALS ROEIER.
Heer Spin ging in dienst bij een dorpshoofd als roeier op een boot, waarvan de bemanning uit 4 roeiers en een stuurman bestond.
Het Hoofd zei:
„Zoo gaat het niet, ik moet jelui namen weten”.
Heer Spin zei „Tjari gi dem soema”. [265]
Vleermuis riep: „Kot-kóti mofo”. [266]
Kikvorsch zei: „Tódo”. [267]
Hond antwoordde: „San mi sa taki”. [268]
Elken dag zond het dorpshoofd een schotel met lekkere spijzen voor de bemanning van zijn boot.
Wanneer de bode aankwam, zei hij tot Spin:
„Tjari gi dem soema” dezelfde woorden, die zijn meester hem had gezegd.
Heer Spin nam geregeld het eten aan, daar de bode zijn naam noemde; hij at dan alles zelf op en zag er welvarend uit.
Eens op een dag wilde het dorpshoofd een reisje maken. Hij keek de uitgehongerde roeiers aan en zei:
„Hoe komt het, dat jelui niet roeien?”
„We zijn te zwak”.
„Zwak! Eten jelui dan niet?”
„Neen”, antwoordden drie der roeiers.
„En ik zend iederen dag voedsel!”
„Dat is zoo, maar anansi ontvangt het”.
„Is dat waar?”
„Ja, patron”. [269]
„Eten jelui dan niet samen?”
„Neen, ik eet alleen, want U zendt het aan mij alleen”.
„Volstrekt niet! Ik zeg aan den bode: tjari gi dem soema”.
„Dat doet hij ook”.
„En je beweert, dat het voor jou alleen is”.
„Natuurlijk, voor wie anders?”
„Voor jelui allen”.
„Dat wist ik niet”.
„Wat wist je niet?”
„Dat de andere drie zoo heeten”.
„Wat?.... Wat?.... Ik begrijp je niet?”
„Ik heet immers: tjári gi dem soema, niet waar?”
„Ik heb me het voedsel niet toegeëigend! Uwe Excellentie heeft het aan mij alleen gezonden. U moet voortaan duidelijker instructies geven en zeggen, dat hetgeen U zendt bestemd is voor ons vieren of vijven, en niet tjári gi dem soema, want dat ben ik! Indien U het weêr doet, neem ik het ook weêr aan! Hebt U me verstaan?”
De drie roeiers en de stuurman gaven heer Spin een geducht pak slaag. Hij vluchtte en liet zijn kleedingstukken achter. Toen is hij gaan schuilen in hoeken en gaten en durft zich thans niet meer te vertoonen te midden der andere dieren.
De kakkerlak en zelfs de vliegen spotten met hem.
„Ik zal me wreken”, dacht heer Spin. Hij hing overal netten op, op eenigen afstand van den grond, om zijn vijanden te vangen.
Sedert dien tijd maakt de spin ijverig jacht op kakkerlakken en vliegen, en doodt ze, waar zij ze maar vinden kan.
NO. 12. SPIN NEEMT TIJGER GEVANGEN.
Brutale Spin ging op zekeren dag vriend Tijger bezoeken.
„Wat voor nieuws?”
„Niets”.
„Zeg mij toch, Spin, zou jij in staat zijn den tijger te berijden?”
„Of ik in staat ben een tijger te berijden? Wel natuurlijk! Ik zal jou berijden, zoodra je me maar de gelegenheid geeft”.
„Dat lieg je, kwast”.
„En ik zeg je, dat ik je op stal zal brengen en je gevangen zal nemen.—Neem je de weddenschap aan?”
„Zeker”.
„Wel, morgen ochtend om acht uur rijd ik je, zonder uitstel”.
Den volgenden morgen, omstreeks half acht, stond Heer Spin in Gouverneurs-uniform gereed en zette zich in het gras naast den weg, waar Tijger voorbij moest gaan. Toen hij hem aan zag komen, begon hij in het gras te rollen en te roepen, dat hij buikpijn had.
Tijger sprak hem aan:
„Jij zoudt me immers op dit uur berijden, niet?”
„Dat heb ik gezegd, dat is zoo, maar zonder na te denken. Jij kent mij toch met mijn bluffen. Hoe zou ik dat kunnen, ik arm, krachteloos dier, jou als rijdier gebruiken! Wees wijzer, heb medelijden met mij, ik verga van pijn, mijn aars* is heelemaal uitgekomen”.
De Spin had een rijstzak bij zich met hoofdstel, leidsels, zadel, enz. er in.
„Bekijk dezen zak, ik kan hem niet eens dragen, hoe zou ik jou kunnen berijden?”
Spin lag bewusteloos neêr.
„Vriend Tijger, kijk niet naar mij, luister niet naar mijne woorden, maar heb medelijden met mij, anders ga ik hier sterven; laat me op je rug gaan zitten”.
Tijger, die medelijden kreeg met hem, stond het hem toe.
Spin had veel moeite, om er op te komen.
„Mijn aars”, schreeuwde hij, „mijn anus doet me zoo’n pijn! Sta me toe, vriend, iets zachts op je rug te leggen, anders loop ik gevaar, dat mijn darmen geheel uitkomen”.
„Zooals je wilt”.
Spin zadelde Tijger, dat het de moeite waard was. „Men kan niet zitten zonder steun, niet waar vriend?”
„Houd dit priemetje in je bek. Vlug wat, wil je soms de baas gaan spelen voor mijn goedheid?”
„Welneen, vriend”.
„Gauw dan, want ik moet weg”.
Spin besteeg Tijger, die in galop wegholde.
Hij had zijn zin gekregen; hij zweepte Tijger, sloeg hem met de sporen, bracht hem voor het huis van het dorpshoofd en zei tegen den knecht:
„Neem mijn paard en breng het op stal”.
Men deed, wat hij vroeg, en Tijger werd in den stal opgesloten.
„Heb ik je niet gezegd, dat ik je zou berijden en gevangen nemen? Nu zit je in de kooi en je hebt er je zelf ingebracht, ezel die je bent” en heer Spin ging heen.
Boen no habi tangi. [270]
NO. 13. HEER SPIN EN HOND.
Zeker dorpshoofd, heel goed met heer Spin bekend, nam zich voor, hem eens aan de kaak te stellen.
Hij liet twee koeien, een vette en een magere, in een stal plaatsen, die geheel gesloten was. De magere koe werd met trommelkoord, de andere met naaigaren vastgebonden; de twee uiteinden werden door een gaatje, dat in een der planken geboord was, heengestoken.
Heer Spin en vriend Hond werden daarop door het Hoofd uitgenoodigd.
„Ik heb twee koeien op stal”, zei deze, „een vette en een magere: de eene is vastgebonden met trommelkoord, de andere met naaigaren; neemt elk een van de uiteinden en ge moogt de koe, die er aan vastgebonden is, hebben”.
Heer Spin vloog naar den stal en nam het trommelkoord; Hond, die later kwam, moest zich met het naaigaren tevreden stellen.
Anansi meende, dat een flink beest niet met naaigaren vastgebonden kan worden en verheugde zich een goeden slag geslagen te hebben; doch toen de stal geopend werd, moest aan hem de magere en aan Hond de vette koe gegeven worden.
Heer Spin was daarmeê echter niet tevreden en stelde Hond voor, te verwisselen.
„Vriend, wees tevreden met je lot, ik voor mij ruil niet.”
„Goed, laat het dan zoo blijven; ik wil ook niet meer ruilen, ik ga mijn koe slachten”.
Heer Spin gaf aan Hond de lever en een stukje vleesch. Daarna togen zij samen op weg.
„Mati dagoe [271] geef me de lever terug”, zei anansi en Hond deed het.
„Jij bent toch een onverdraagzame kerel, men kan met jou nooit eens een mop tappen”.
Hond liet zich dit niet zeggen en nam de lever weêr in zijn bek.
Eenige oogenblikken later begon heer Spin weêr:
„Geef me de lever terug”.
Hond deed andermaal wat hem gevraagd werd.
„Ik zal van mijn leven nooit meer een grap met jou hebben. Wat ben je dom!” zei Anansi.
Weder nam Hond de lever terug, ging toen wat drinken en slikte de lever in. Spin bemerkte het.
„Vriend, tot dusverre heb ik geschertst, maar nu is het ernst; geef me de lever terug, anders krijgen we ruzie”.
Doch Hond kon niet spreken, en knorde:
„Ik heb haar bij vergissing ingeslikt”.
„Bij vergissing ingeslikt! Ik moet die lever terug hebben, al zou je je eigen koe moeten slachten; ik moet haar terug hebben”.
Hond slachtte daarop zijn koe en gaf Anansi het gevraagde stuk. Daarop liep hij weg en maakte hij een groot gat, waarin hij zich verschool, om heer Spin zijn onhebbelijkheid betaald te zetten.
Toen Anansi aankwam, begon hij te knorren en liet hij de tanden zien. Heer Spin dacht, dat het de aarde was, die lachte; zette zijn koeroe-koeroe* neêr en sprak:
„Ik verzoek mijn vader, mij door te laten”.
Hond begon dof te blaffen.
„Gij verlangt zeker een stuk vleesch, niet?”
Heer Spin gooide een stuk vleesch naar beneden, doch Hond begon nog harder te blaffen. Anansi werd doodsbang.
„Wil je nog een stuk?”
Heer Spin wierp weêr een stuk, hetgeen hij herhaalde tot hij niets meer had. Toen liep hij naar het dorpshoofd, deelde hem het voorgevallene mede. Het hoofd wist, dat Anansi een leugenaar was, en geloofde het verhaal niet.
„Indien ik lieg, wil ik mijn hoofd verliezen”, riep Anansi.
Twintig soldaten gingen daarop met hem mede, maar ze zagen slechts een grooten kuil.
Toen men heer Spin gevangen wilde nemen, vluchtte hij in een reet en kwam er nooit meer uit.
Al is men nog zoo slim, toch kan men nog wel eens beetgenomen worden. Het spreekwoord zegt:
„Boontje komt om zijn loontje”.
NO. 14. TIJGER’S VERJAARDAG.
Toen de verjaardag van den woudkoning naderde, werden alle dieren door hem uitgenoodigd, om dien dag met hem te komen doorbrengen.
Heer Spin, de huisvriend van Tijger, verzuimde niet, aan het feest deel te nemen; wel is waar was hij dien dag niet goed geluimd, daar Kakkerlak* hem het leven moeilijk maakte. Hij kon krakáko [272] nl. niet meer onder de oogen zien en meende, dat het oogenblik van zijn dood gekomen was.
Om twaalf uur zetten de dames en heeren zich aan tafel. Anansi stond op en nam het woord:
„De plaatsen zijn niet goed geregeld; het is niet zooals het zijn moet”.
„Hoezoo?” zei Tijger.
„De zaak, waarop ik U wijzen wilde, is deze. Kakkerlak gaat eenvoudigweg zitten, waar het hem belieft, en wel tusschen Hert en onzen vriend djiendja-makkà. [273] Hij hoort thuis onder de gevleugelde dieren, daar is zijn plaats, maar niet tusschen de heeren, waar hij is gaan zitten”.
„Dat is niets, dat kan gemakkelijk hersteld worden”, zei Tijger.
„Ga hier zitten, naast je vriend Haan; er is nog een plaats open”.
„Dank je, dank je wel”, antwoordde Kakkerlak.
„Gaat nu niet twisten”, vermaande Tijger. „Indien gij reden hebt om te vechten, vecht dan, maar niet hier, en wees gerust, vriend Kakkerlak; de haan zal je niets doen; hij heeft geen enkele reden. Kijk me niet aan als een woedende stier; ik heb hem niets gezegd”.
„Hm!” zuchtte Kakkerlak.
„Denk je misschien, dat ik hem verteld heb, hoe je steeds kwaadspreekt van hem, welke blaam je op zijn naam hebt geworpen, of dat je een deuntje op hem hebt gemaakt, dat je steeds achter zijn rug zingt: Kákka na mi ningre! reh! reh! reh! [274] Denk je, dat ik hem zijn gedrag tegenover dames heb verweten? Neen, vriend”.
„Prosit! heeren, op de gezondheid van Tijger”, begon heer Spin zijn rede, waarin hij alle goede hoedanigheden van zijn vriend deed uitkomen.
Daarna begon hij te eten en hitste hij den haan net zoo lang op, tot deze Kakkerlak oppikte.
Dit is de oorsprong van de vijandschap tusschen de kippen en de kakkerlakken. Anansi is er de oorzaak van. Toen de kippen hem echter leerden kennen, onderging hij hetzelfde lot.
Iffi joe díki wan hólo gi wan trà, joe srefi de fadòn na ini. [275]
NO. 15. SPIN VOERT DEN DOOD IN.
In vroeger tijden leefde de Dood niet onder de menschen, maar heer Spin lokte hem uit het bosch.
Op zekeren morgen ging Anansi als gewoonlijk naar het woud met zijn koeroe-koeroe* op zijn rug en ging den Dood opzoeken:
„Odi mâti Déde!” [276]
„.....”
„Ik groet U vriend!”
„.....”
„Hm!” dacht heer Spin, die een brabakóto [277] met gedroogd vleesch zag staan, „dat is een goed teeken. Vriend, kan ik wat van dat gedroogde vleesch nemen?”
„.....”
„Ik heb een mooie dochter, vriend, ik zal ze je tot vrouw geven!”
„.....”
Heer Spin vulde zijn koeroe-koeroe* en vertrok. Thuis gekomen, vertelde hij zijn vrouw, dat hij een vriend had gevonden, die alles voor hem over had, en dat hij hem zijn dochter Akoeba tot vrouw wilde geven.
Den volgenden dag herhaalde heer Spin zijn bezoek.
„Ik groet je, vriend Dood!”
„.....”
„Akoeba laat je groeten!”
„.....”
Heer Spin vulde weêr zijn koeroe-koeroe en ging weêr heen. Zoo kwam hij iederen dag terug, tot al het gedroogde vleesch op was. Den dag daarop kwam hij met zijn dochter Akoeba, die hij zijn vriend wilde voorstellen. Ook nu weêr had hij zijn korf meêgenomen.
„Dag vriend!”
„.....”
„Akoeba is je komen bezoeken!”
„.....”
„Akoeba groet je!”
„.....”
„Wil je haar dan niet hebben?”
De Dood stond op en velde haar met één slag neêr; daarna achtervolgde hij heer Spin, dien hij ook tot zich wilde nemen. Deze echter liep veel vlugger, en bereikte zijn huis schreeuwende:
„Schuilt! Daar komt de Dood!”
Niemand begreep hem, want de Dood was destijds niet bekend. Heer Spin verschool zich in een beslagruimte, en de Dood trad zijn woning binnen, waar hij zijn gansche gezin neêrvelde.
Toen de Dood weêr vertrokken was, kwam heer Spin uit zijn schuilplaats te voorschijn en zong hij:
Héli kóndre sa sóengoe! Alla soema sa déde! Anansi wawán sa tan! [278]
NO. 16. SPIN WEDT, TIJGER TE BERIJDEN.
Men vertelt, dat op zekeren dag het dorpshoofd aan heer Spin gevraagd zou hebben of hij Tijger zou kunnen berijden.
„Wel zeker!”
„Waarlijk?” vroeg het Hoofd, niet kunnende begrijpen, dat Spin slim genoeg zou zijn, om Tijger te bemeesteren.
„Wacht een oogenblik”.
Spin ging naar huis en vroeg zijn vrouw:
„Heb jij soms die bedorven eieren, die niet zijn uitgebroed, weggegooid?”
„Neen!”
„Waar zijn ze dan? Ik zoek me dood en vind ze niet”.
„Nooit kan je iets zoeken of je moet me uitschelden!”
„Haal ze dan!”
’Ma Akoe’ [279] bracht haar man drie bedorven eieren.
„Liever had je me alle bedorven eieren meêgebracht! Ik vraag er één en je brengt er een half dozijn mede”.
„Hm! ik versta me niet met den kapitein. [280] Hij heeft zeker weêr de eene of andere weddenschap aangegaan, en nu komt hij me zoo maar uitschelden”.
Spin nam een ei en begaf zich naar de woning van vriend Tijger. Toen hij het huis naderde, stak hij het ei in den mond tegen zijn wang en hield zich ziek.
„Odi màti tígri” [281] sprak Spin door den neus en met gesloten tanden.
„Goeden morgen, vriend, wat scheelt jou? Ben je ziek?”
Toen bemerkende, dat zijn mond rook, vroeg Tijger:
„Wat scheelt er toch aan, vriend Spin, je mond stinkt”.
„Dat geloof ik graag, want ik heb hier iets in den hals; precies weet ik niet, wat het is, maar het moet een abces zijn”.
Anansi zuchtte en zakte ineen. Tijger hielp hem opstaan en liet hem plaats nemen op een bank.
„Vriend Tijger, gaat ge naar de stad?”
„Ja, maar voorloopig nog niet”.
„Hm.....”
„Had je mij misschien iets te vragen?”
„Ja”.
„Wat dan, mijn vriend”.
„Ik wilde je vragen, of je het misschien zou willen doen”.
„Zeg het gerust; ik wil je graag van dienst zijn, want ik beklaag je in dezen toestand”.
„Wel, ik wou je verzoeken, als je naar de stad ging, me op je rug te nemen, want ik kan niet loopen. Ik ben niet zwaar, dat weet je”.
„Met genoegen, vriend. Laten we dan dadelijk gaan; misschien tref je den dokter nog thuis op dit uur”.
Heer Spin was zóó zwak, dat Tijger hem buitenshuis moest leiden en hem op zijn rug plaatsen.
„Zit je goed?”
„Ja, maar je ruggegraat doet me pijn; zou ik er een kussentje op mogen leggen?”
„Zeker”.
Spin zette het zadel vast.
„Zit je nu goed?”
„Ik schommel een beetje. Ik vrees, dat ik zal vallen, als je begint te loopen. Zou je dit touwtje niet in je mond kunnen houden? Het is ook niet alles voor een zieke, om te zitten zonder steun”.
„Zeer zeker niet, vriend”.
Spin hield de leidsels vast, toen Tijger begon te loopen.
„Wacht nog even; geef me eerst een zweep om de vliegen weg te jagen”.
Tijger begon te draven, Spin stuurde hem recht op de woning van het dorpshoofd aan, zweepte Tijger, dat hij ervan kraakte en iedereen klapte in de handen.
Zoo heeft heer Spin zijn weddenschap gewonnen. Daarom: lóekoe boen, Anansi kóli joe. [282]
NO. 17. VERHAAL UIT HET LEVEN VAN VRIEND SPIN.
Alvorens het verhaal te beginnen zal ik U een raadsel opgeven:
De deur van het kantoor was gesloten, er werd uit het kantoor geld vermist; zoo niet de bediende, dan is mevrouw een schurk....
Broeders, laat ons het hierbij laten.
„Maar man, begin dan toch, de avond gaat geheel verloren”.
Eertijds, d.i. sedert onheugelijke tijden, toen de dieren nog spraken....
Nu ga ik U een verhaal doen van vriend Spin en vriend Olifant.
Wij weten allen, dat vriend Olifant niet iemand is om meê te spotten, en dat hij een krachtig en sterk dier is.
Op zekeren morgen kwam vriend Spin, verregaand onbeschaamdweg vriend Olifant voorstellen, om met hem een weddenschap aan te gaan, wie van hen beiden de sterkste zou blijken te zijn.
Olifant dacht er niet verder over na, of hem misschien ook een strik gespannen werd. Hij sprong op, stak zijn langen snuit in de lucht en lachte zóó hartelijk, dat de kleine tandjes, die God de Heer hem gaf, om zijn oogen en ooren schoon te maken, te zien kwamen.
Vriend Spin draaide zijn knevels op, streek zijn baard, likte zich de lippen en ging heen, om de list, die hij zou aanwenden, Olifant het af te winnen, te overpeinzen. Tienmaal sloeg hij zich voor het hoofd en stampte hij met zijn grooten zwaren schoen tegen den grond, om een middel te bedenken, om dezen grooten woudbewoner beet te nemen. Toen het schemerde, ging vriend Spin aan het strand en floot hij, om de grootste visch van de Spaansche groene zee tot zich te roepen; deze visch heet Walvisch.
Een kwartiertje daarna begon de zee onstuimig te worden en schoten de golven als bergen omhoog, terwijl deze opspoten als een vulkaan, die uit zijn kraters lava en asch werpt.
Walvisch kwam aan wal.
Vriend Spin schrikte vreeselijk en beefde van zijn hoofd tot zijn teenen; een rilling ging door zijn leden, en met tranen in de oogen verzocht hij Walvisch, hem aldus aansprekende: „Ik ben een arm klein ding te midden van alle andere schepselen en ben toch in een bittere verzoeking gevallen. Ach, moeder der zee, gij alleen kunt mij helpen en niemand anders ter wereld”.
„Spin, jou kwajongen, je zanikt; sedert je me aan wal geroepen hebt, doe je niets dan smeeken en tot nu toe heb je niets gezegd”.
„Eerwaardige, ontferm u over mij, rampzalige! Ach, daar God het wil, zal ik beginnen:
Vriend Olifant ontmoette mij op een hoek van Quatre-Bras, juist op de plek, waar de slag het hevigst was, die daar door vriend Napoleon werd geleverd.
Wij spraken over dien slag en hij verdiepte zich in herinneringen, toen, omdat vriend Olifant Engelschman is, hij plotseling woest en driftig werd. Hij wilde mij slaan, maar gelukkig voor mij, dat ik klein ben, want ik maakte me uit de voeten en verborg me. In mijne verontwaardiging heb ik gescholden op alle grooten der aarde en der zee”.
„Jou kwajongen, voor mij hebt gij geen eerbied; ik zal je dat betaald zetten”.
Wij allen weten, hoe slim Spin is.
Hij ging toen ook met Walvisch een weddenschap aan, zeggende: „Wel groote bewoner der zee; ik ga een lang en sterk kabeltouw leenen; daarvan zult gij het eene eind om uw middel slaan en het andere zal ik, aan wal blijvende, om mijn middel binden; dan zullen wij op een gegeven teeken aan het trekken gaan; brengt gij mij in zee, dan.... doch breng ik je aan land dan... is hij, die het wint de sterkste van ons beiden.
Maar vóór alles, sta mij toe, van mijn vrouw en kinderen afscheid te gaan nemen”.
Moeder Walvisch dacht er ook niet verder over na en zei: „ja, het is goed.
„Twee dagen na heden zullen wij den strijd aanbinden te omstreeks drie uur, drie minuten en eenige seconden”.
Hierdoor vond Spin tijd en gelegenheid, om naar Olifant toe te gaan en dezen onbeschaamdweg uit te dagen.
Olifant, ofschoon geen onbeduidende, sprong op en zei: „het is goed, jou vagebond van een kleinen kwajongen, ik zal je doen zien, wie sterker is”.
Olifant vroeg: „op welke wijze zullen wij de weddenschap aangaan?”
„Olifant, ik zal een kabeltouw om uw middel binden en gij zult midden in het bosch blijven, terwijl ik aan het strand zal gaan staan, met het andere eind van het touw om mijn middel gebonden, en dan zullen wij op een te geven teeken naar elkander toe gaan trekken en hij, die den ander naar zich toetrekt, zal overwinnaar zijn en het recht hebben te eischen, wat hem gelieft”.
Welnu, Broeders en Zusters, wat denkt ge, dat Spin gedaan heeft? Hij wacht af tot op het oogenblik, dat met Walvisch was overeengekomen. Toen gaat hij met een tros kabeltouw van 100 meter lengte naar Walvisch toe en bindt dit om diens middel, keert terug en bindt het aan het andere eind om Olifant’s middel, plaatst zijn broeder, overeenkomstig een met hem gemaakte afspraak, in het midden, om het sein tot den strijd te geven en verwijdert zich in de richting van het strand, zijn broeder toeroepende, dat hij alleen te roepen had: „het is tijd”.
Toen het uur van den strijd gekomen was, riep de broeder van Spin: „het is tijd”.
Olifant en Walvisch begonnen nu, in tegenovergestelde richting zich bewegende, te trekken: Walvisch in zee en Olifant op land, zoodat geen van beiden den andere kon zien. Dit heen en weêr trekken duurde geruimen tijd, zonder dat deze twee gevaarten elkander konden zien of op elkander iets winnen.
Olifant was hierover verbaasd en kon er zich geen denkbeeld van vormen. Tot zijn geluk kwam zijn jonge zuster daar langs, die zag, dat het kabeltouw van het water uit getrokken werd en dat de zee zeer onstuimig was.
Spin, die ook geen gek was, bemerkte hoe het zusje van Olifant dit alles gadesloeg, en, uit vrees dat zij dit haar broeder zou gaan mededeelen, maakte hij zich onmiddellijk uit de voeten. Hij vluchtte het bosch in en ging zich verbergen in het skelet van een olifant; want hij voorzag, wat hem te wachten stond.
Het zusje van Olifant ging naar haar broeder toe en zei tot dezen: „Jou gek, het is niet Spin, maar Walvisch in de zee, die aan het touw trekt en daardoor is voor jou de kans op winnen verkeken”. Onmiddellijk daarop zond Olifant aan Walvisch een boodschap, hem daarbij alles mededeelende. Onmiddellijk ontdeden zij zich beiden van het kabeltouw.
Zij dienden een klacht in tegen Spin bij het Boschgerecht; maar Spin, slimmer dan beiden te zamen, had zich den tijd benuttigd, om een huwelijk aan te gaan met de Prinses van het land, zoodat hij niet meer voor het Boschgerecht kon worden betrokken.
Welnu, Broeders en Zusters, leert hieruit, dat het niet aangaat dat grooten der aarde zich met hun minderen inlaten.
Vriend, nu de beurt aan jou!
NO. 18. ANANSI ALS AMERIKAAN VERKLEED.
Heer Spin was getrouwd met ’Ma Akoeba. Hij werd gezegend met een twaalftal kinderen en moest hard werken, om zijn gezin te kunnen onderhouden. Moeder de vrouw, die een liefhebster was van pluimvee, hield er een heele fokkerij op na.
Spin, door zorgen ter neêr gedrukt, stelde alles in het werk, om er wat van machtig te worden. Het mocht hem echter niet lukken. Toen bedacht hij de volgende list.
Heer Spin wist, dat zijn echtgenoote bang was voor blanken, voornamelijk voor Amerikanen, die zij voor gevaarlijke menschen hield.
Hij deelde haar nu mede, dat een Amerikaansch kapitein ’s avonds om zeven uur zou komen soupeeren, en zei haar, dat alles dan klaar moest zijn.
Even over zessen ging heer Spin uit om te wandelen, en klokslag zeven kwam hij als Amerikaan verkleed terug.
„Good evening”.
„Nàvoen kaptin”. [283]
’Ma Akoeba maakte een kósi [284] en zond haar dochter naar binnen om het licht aan te steken.
„No, no, no, me git sore hai,” [285] schreeuwde de kapitein.
De kapitein at naar hartelust; en toen hij klaar was, zei hij op woesten toon tegen ’Ma Akoeba:
„Zeg tegen Anansi als hij thuis komt, dat ik op hem ben blijven wachten, maar dat ik eindelijk ben weggegaan, toen hij niet kwam opdagen; morgen kom ik weêr en dan hoop ik hem aan te treffen. Bedank hem vast voor het goede onthaal.”
’Ma Akoeba, niet beter wetende, groette hem vriendelijk, waarna hij vertrok.
Heer Spin ontdeed zich van zijn Amerikaansch kostuum, en kwam na een half uur weêr thuis.
’Ma Akoeba, nog niet bekomen van den schrik, deelde haar echtgenoot het voorgevallene mede en verzocht hem, den volgenden dag niet uit te gaan, uit vrees voor den Amerikaan.
„Waarom bang te zijn, kind, hij is toch een mensch als jij.
„Je hebt hem toch goed onthaald, hoop ik?”
„Ja zeker en hij heeft goed gegeten ook. Er is niets overgebleven dan de beentjes van de gebraden dóksi. [286] Hij komt me voor, een gulzigaard te zijn”.
„Mensch, je kent je wereld niet, anders had je je wel duizendmaal bedacht, voor je zoo iets zei”.