Mythen en sagen uit West-Indië

Part 22

Chapter 224,173 wordsPublic domain

„Hoe? Ken ik mijn wereld niet”, antwoordde Akoeba bits, die niet op haar mondje gevallen was.

„Je begrijpt toch wel, dat hij niet zooveel gegeten zou hebben, als het hem niet gesmaakt had, dat is juist een aanbeveling voor je, moedertje! Hij is een echte Amerikaan; het spijt me geducht, dat ik niet thuis was. Heeft hij niet naar whisky gevraagd?” voegde Spin er bij.

„Neen, maar doe me een genoegen en breng dien man niet meer in huis”.

Heer Spin zette de list voort en verscheen elken avond als Amerikaan verkleed, tot hij op een zekeren dag met een tamarinde-zweep werd afgeranseld.

Anansi, die geen pijn kon verdragen, schreeuwde het uit en riep „’Ma Akoeba, sla me niet, ik ben immers maar Anansi, je echtgenoot”.

’Ma Akoeba geloofde hem niet en sloeg maar door. Als iemand het tooneel gezien had, zou hij medelijden gehad hebben met heer Spin; want op het laatst kreeg hij een zóó harden zweepslag over het middenlijf, dat hij haast in tweeën gesneden werd. Van dit oogenblik moest de spin met een in tweeën gekloofd lichaam loopen.

NO. 19. HEER SPIN EN DE WATERNIMF.

Heer Spin was de beste vriend van de waternimf.

Eens ging hij haar in de rivier opzoeken op het oogenblik, dat zij bezig was haar maal klaar te maken.

„Ga voort met koken, ik eet bij U van daag”.

„Dat kan wel; deze korrel rijst is genoeg voor ons beiden. Maar, een oogenblik, heer Spin, ik ga bij den slager wat vleesch halen”.

Nauwelijks was de waternimf vertrokken, of heer Spin deed er nog twee rijstkorrels bij; en ziet, de inhoud van den pot begon te koken en vermenigvuldigde zich zoodanig, dat de rijst over den rand heen liep.

Heer Spin begon te eten tot hij niet meer kon.

Toen zette hij den pot op zijn hoofd en liep hij weg.

Onderweg kwam hij de watra-mama [287] tegen, die hem vervloekte, zeggende:

„Die pot zal op je hoofd blijven zitten, tot de smid hem er afslaat”.

Toen heer Spin weêr honger kreeg, trachtte hij te vergeefs den pot van zijn hoofd te krijgen. Eindelijk liep hij tegen een boom, de pot sprong in tweeën, maar de bodem bleef vastzitten. Men kan dit thans nog zien, wanneer men den kop der spin bekijkt.

NO. 20. ANANSI, HERT EN KIKVORSCH.

Hert en Kikvorsch waren vrienden. Zij gingen wel eens samen uit, doch niet dikwijls.

Eens toen Hert in een weelderig woud aan het eten was, kwam vriend Kikvorsch uit zijn poel, groette zijn vriend, vroeg naar zijn gezondheid en waar hij heen ging.

„Waarom vraag je me dat?”

„Wel, ik verga van honger en wilde eens gaan uitzien; misschien zouden we samen wat versch vleesch kunnen vinden”.

„Hm!”

„Kijk.... kijk.... daar.... een.... ee.... een.... sch..... schaap,” stotterde Kikvorsch en stelde zijn vriend voor, het te slachten.

„Ik wil niets met jou te maken hebben, je mond kan nooit stilstaan”.

„Wat.... wat.... zeg je?”

„Wat of ik zeg. Heb je me niet gehoord? Zit er nog water in je ooren?”

„Ik ben toch niet gek! Denk je soms, dat ik me zou verraden en jou er bij? Neen, hoor, dan ken je me niet”.

Kikvorsch haalde Hert over en samen slachtten zij het schaap.

„Nu opgepast, hoor”.

„Ja”, antwoordde tódo. [288]

Zij liepen samen verder en ontmoetten heer Spin.

Deze was zeer verheugd, zijn vrienden te zien en noodigde hen uit, om de wijd en zijd bekende ’Ma Akoeba [289] te gaan begroeten.

In de woning van heer Spin gekomen, verzocht Kikvorsch hem om wat water.

„Wat ruiken jullie lekker; het schijnt, dat de heeren gesmuld hebben”, zei Spin.

„Wel neen, màti Anansi” [290] antwoordde Hert.

Kikvorsch keek zijn vriend aan, terwijl zijn mond slechts open en dicht ging volgens gewoonte.

„Wat scheelt je, vriend?”

Spin viel hem in de rede met:

„Misschien wil hij wat zeggen”.

„Neen hij heeft dorst, daarom slaat zijn mond zoo”.

Zoo trachtte vriend Hert het te plooien.

„Neen, neen, hij heeft wat op het geweten, ik zie het aan zijn gezicht... Kijk, hij wordt bleek!”

Hert begreep, dat alles nu verloren was.

„Man, wat scheelt je toch, ben je gek? Waarom sla je je bek als een dolle gans?”

„Waarom word je toch kwaad? Ik sla mijn bek, pah.... pah.... pah.... maar ik zeg immers niet, dat we het schaap geslacht hebben”.

„Heb ik het niet gezegd”, riep Spin uit.

Hij gaf Kikvorsch wat water en joeg hem op staanden voet weg.

Tódo vluchtte naar een afgelegen plek. Van dien tijd af houdt hij zich steeds schuil, uit angst voor heer Spin. Heeft hij honger, dan kwaakt hij, doch vinden kan men hem niet.

Hert wilde ook wegloopen, maar helaas! Zijn gewei bleef in het web vastzitten. Hij werd gevangen genomen en in een hok gezet. En van toen af is dia [291] zoo bang voor de dieren en voor de menschen.

Dit alles is de schuld van heer Spin.

NO. 21. HEER SPIN ALS LANDBOUWER.

In het dorp, waar heer Spin woonde, werden perceelen uitgegeven tot uitbreiding van den kleinen landbouw.

Tijger was als hoofd van dat dorp aangesteld geworden; hij gaf elk dier, tot zelfs Konijn en Spin, zijn stuk land, op voorwaarde echter, dat ieder eenige uren aan de bebouwing van zijn akker zou besteden.

Heer Spin stond ’s morgens om vijf uur op, bewerkte zijn perceel tot zeven uur, en begaf zich daarna naar het land van zijn granmàn. [292]

Daar ontmoette hij Konijn en Tijger; en na zich te hebben neêrgezet, begon hij op een oud houweel te slaan, al zingende:

Timekoe, timekoe! Mi a no joe boi! [293]

Tijger, Konijn en alle andere dieren dansten dan tot ze er bij neêrvielen, doch op het laatst werd het zóó slim, dat velen wegbleven, ook Konijn.

Doch Tijger bemoeide zich met de zaak. Eenige dagen daarna kwam Konijn hem mededeelen, dat hij een abces in den mond had. Er verliepen zoo eenige dagen, zonder dat Konijn kwam opdagen, tot Tijger, het wachten moede, besloot, zelf Konijn te gaan halen. Onderweg ontmoette hij een oude vrouw, die hem vertelde, dat Konijn niet ziek was, maar een ei in den mond hield, op aanraden van heer Spin.

Tijger trad de woning van Konijn binnen, groette hem en vroeg hem, wanneer hij zijn arbeid dacht te hervatten.

„De dokter komt mij morgen opereeren!” antwoordde Konijn.

Maar Tijger, wel beter wetende, gaf hem zulk een slag, dat het ei uit zijn mond viel. Konijn maakte zich uit de voeten en kroop in een hollen boom. Tijger nam toen een langen bamboestok, waaraan hij een haak bevestigde, en trachtte zich op deze wijze van Konijn meester te maken.

Trof de haak Konijn, dan schreeuwde hij:

„Doe je best, haal op!”

Trof de haak het hout, dan klonk het jammerlijk van uit den boom:

„Je doet me pijn, ach! ik ga dood!”

Eindelijk slaagde Tijger er in, Konijn te vangen.

„Nu ga je sterven!” brulde Tijger.

„Vergiffenis meester, erbarmen!”

„Ik zal je in ’t vuur gooien!”

„O dank! dank! dan vind ik mijn geheele familie terug! Dank, dank, ja, gooi me in ’t vuur!”

„Neen, ik wil je geen genoegen doen, ik zal je in de kapoewéri [294] gooien”.

„Dan ga ik dood! Neen, liever in het vuur”.

Tijger nam Konijn op, en wierp hem in de kapoewéri.

„Dom dier”, snauwde Konijn Tijger toe, „weet je dan niet, dat ik zou sterven in het vuur, ezel!”

Tijger droop beschaamd af en ontmoette heer Spin.

„Schaam je je niet, dat je je hebt laten beetnemen door een konijn? Ik heb het nooit willen gelooven, maar nu weet ik, dat je een ezel bent”, zei Spin.

Sedert dien dag zijn Tijger en Konijn geslagen vijanden en Heer Spin is de oorzaak van hun tweedracht.

NO. 22. ANANSI EN DE BLIKSEM.

Spin en Bliksem waren goede vrienden; zij bezochten elkaar dikwijls.

Eens, toen zij elkaar ontmoetten, ving heer Spin met deze woorden aan:

„Waarde vriend, ik weet dat Gij het goed meent met mij, evenals ik met U. Ik heb een klein verzoek, en vreesde dat Gij het mij kwalijk genomen zoudet hebben, indien ik aan een andermans deur was gaan aankloppen. Daarom wil ik U niet voorbijgaan en het verzoek eerst tot U richten”.

„Spreek, ik houd niet van dralen! Wat ik doe, moet heel gauw geschieden, dat weet Ge zelf het best”.

„Wel, ik heb wat geld noodig”.

„Hoeveel?”

„Ongeveer 10,000 gulden”.

„Wanneer krijg ik het terug, als ik het U leen?”

„Na verloop van een jaar”.

„Goed. Hier zijn 10,000 gulden. Als ik ze vandaag over een jaar niet terug heb, verpletter ik je”.

„Ge krijgt het vast terug, misschien eerder nog”.

„Dus, Anansi, vandaag over een jaar?”

„Uiterlijk, ja misschien vroeger”.

Toen het jaar op een dag na verstreken was, haalde heer Spin een groote hoeveelheid aardvruchten op zijn veld, bracht ze ’Ma Akoeba en gelastte haar, een flinke hoeveelheid er van klaar te maken.

„Ik ga even naar het bosch, ik kom aanstonds terug”, zei Anansi.

De twee vrienden bezochten elkaar gewoonlijk te middernacht. Heer Spin wist dus, dat Bliksem des nachts zou komen en daar hij geen geld had, bedacht hij een list.

Door het bosch gaande, zag hij een haas*, die bezig was aardvruchten uit te graven.

„Joe boi hei [295], wil jij je heele leven doorbrengen met stelen? Weet je niet, dat ik je oom ben?”

„Odi mi Om!” [296]

„Jongen, dat beetje geld, dat je vader je nagelaten heeft, heb je ook al door de vingers gemaakt; moet je nu je verdere leven doorbrengen met stelen? Je maakt me beschaamd. Als je honger hebt, kom dan meê naar huis. Je oude heer zal je toch zeker wel eens over mij gesproken hebben?”

„Nooit, Oom. Wel heeft hij ons verteld van dien Spin, die de menschen zoo weet beet te nemen”.

„Ja, dat is een gladde kerel; ik wil ook niets meer met hem te maken hebben. Ik ben verplicht geweest, hem de deur te wijzen; hij zou iemand in het verderf kunnen storten. Er bestaan geen twee zooals hij op aarde”.

Heer Spin bracht zijn nieuwen neef thuis en zei tegen ’Ma Akoeba:

„Hier is de zoon van wijlen mijn broeder, geef hem een bord eten”.

Het uur van de terugbetaling naderde met rassche schreden. Om kwart voor twaalf ging Anansi de haas, die op de galerij was blijven slapen, wakker maken.

„Aanstonds komt iemand mij iets brengen. Het is een mijner buitenvrouwen. Antwoord jij dan, als ze: Anansi roept, maar zorg er voor, dat je tante niets merkt.”

Toen het twaalf uur sloeg, naderde Bliksem het huis van Anansi. Hij klopte: kokoko! en riep:

„Anansi!”

Het arme haasje, dat niet wist wat gaande was, zei:

„Ja”.

„Het geld!”

„Welk geld?”

En met één flikkering werd de onschuldige gedood.

Den volgenden dag vernam Bliksem van zijn zoon, dat Anansi nog levend was.

„Wat! Anansi nog levend! En ik heb hem gisteren avond zoo’n zwaren slag toegebracht. Ik zal van nacht teruggaan en hem toonen wie ik ben”.

Heer Spin vernam dit alles. Muren en deuren hebben immers ooren en de spin leeft in beslagruimten!

Hij ging weêr naar het woud en ontmoette Hert.

„Jij doet niet anders dan stelen, schaam je je niet? Ga met me meê naar huis, en eet met mij”. Hert ging mee.

Toen zij thuis waren gekomen, zei Spin:

„Blijf hier slapen, je kunt dan morgen weggaan, je bent hier toch bij bloedverwanten, niet waar?”

Even vóór twaalf uur ging Spin Hert wakker maken en verzocht hem voor hem te willen antwoorden, indien iemand kwam en „Anansi” riep.

Vijf minuten vóór twaalf kwam Bliksem met flikkerende stralen aan de deur kloppen, terwijl Spin en zijn vrouwtje rustig in Morpheus’ armen lagen.

„Anansi!”

„Ja”.

Bliksem sloeg het edel hertje met zijn harde hand verpletterd neêr.

Den volgenden dag sprak Bliksem tot zijn zoon:

„Nu, heb ik hem goed getroffen?”

„Wel neen, Papa, het was Anansi niet”.

„Wie dan?”

„Hert”.

„Ik zal van nacht weêr naar hem toegaan”, antwoordde Bliksem opgewonden, vol verbittering, dat hij Anansi maar niet kon treffen.

Dit hoorende, begaf heer Spin zich op weg, om Schildpad te bezoeken, die hij in het water aantrof.

„Vriend, pas op, je krijgt nog buikpijn, kom aan wal! Heb je het niet koud?”

„Ja”.

„Kom dan met me meê naar huis en breng een paar dagen bij ons door. Ware vriendschap vergaat niet en de eene hand moet de andere afwasschen, niet waar?”

Na deze toespraak kon Schildpad onmogelijk weigeren. Hij vergezelde zijn vriend naar huis, at, en begaf zich daarna op de galerij, om er de nacht door te brengen.

Heer Spin had echter niet verzuimd, zijn gast te vragen, voor hem te willen antwoorden, in geval dat iemand hem kwam roepen. Sekrepattoe [297]* beloofde het en zijn gastheer verdween.

Arme Schildpad, van den keizer geen kwaad wetende, antwoordde „ja” op de vraag van Bliksem en werd oogenblikkelijk zijn slachtoffer.

Maanden achtereen liet Spin deze list duren.

Toen echter geen enkel dier zich meer bij hem aan huis dorst te wagen, ging hij zijn neef Vos opzoeken.

„Dag, beste neef, hoe gaat het jou, jongen?”

„Ik ben wel, Oom”.

„Sedert den dood van je vrouw, mijn nicht, heb je blijkbaar de heele familie den rug toegekeerd”.

„Wel neen, waarde Oom”.

Tante Akoeba [298] laat je groeten en vraagt, wanneer je eens bij ons komt zitten”.

„Dat is moeilijk vooruit te bepalen. Ik heb vrouw en kinderen.....”

„Heb je een vrouw en kinderen! Hm! je bent door en door gemeen! Je hebt mij niet eens als familielid gerekend, niets laten weten, noch van je huwelijk, noch van de dooppartij der kinderen.

Vos dacht: op een trouwpartij valt veel lekkers te eten; bij een dooppartij ook; zoo’n gulzigaard! Maar hij krijgt me niet! Gelukkig heb ik alles gehoord, ik ga niet met hem meê—hij zal zelf antwoorden, als Bliksem komt.

„Mati kraboe-dâgoe*, joe no wani loekoe joe tanta?” [299]

„Neen, dank U, slimme Oom”.

„Wat! Slimme Oom! Had jij zoo durven spreken tegen wijlen je vader? Ik ben de eenigste in uw midden, die zorgen kan en zorgen moet, dat de familie blijft bestaan”.

„Nu, goed, ik ga meê, maar ik ga niet naar binnen”.

Zij begaven zich op weg, maar oom Spin wist neef toch over te halen naar binnen te gaan en ook den nacht bij hem door te brengen.

Om half twaalf kwam Spin zijn neef verzoeken, voor hem te willen antwoordden, indien men hem kwam roepen.

„Wel neen, Oom, dat doe ik niet, ik ben toch niet gek. Als men mij roept, dan eerst antwoord ik, anders niet.”

Heer Spin kon hem niet overtuigen.

Vos groef haastig een gat onder het huis, om zich daarin te kunnen verschuilen.

Bliksem kwam:

„Anansi! Anansi!”

„Antwoord toch, Oom!”

„Neen, jij moet antwoorden; ik kan niet—ik ben zoo schor.”

„Dat is wel heel plotseling gekomen”.

„Treuzel niet, antwoord maar...ja”.

„Neen, dat doe ik niet”.

Vos krop in het hol. Bliksem barstte los, aan donder gepaard en vernietigde de gansche familie Spin.

NO. 23. IEDER VOLWASSEN MAN MOET EEN ROOD ZITVLAK HEBBEN.

Eer tien tien [300]. De Koning wilde zijn reine, onschuldige dochter alleen ten huwelijk geven aan den man, die zonder dat het hem kwaad deed, een mand vol pepers* kon opeten. De pepereter mocht zelfs geen lucht happen, om den mond af te koelen, als de pepers hem brandden. Aan alle mannen van zijn gansche rijk stond de Koning toe, te trachten op die wijze de prinses tot vrouw te krijgen, maar zij, wier pogingen mislukten, zouden onmiddellijk ter dood gebracht worden. En deze gevaarlijke voorwaarde schrikte iedereen af, waarom men algemeen geloofde, dat de prinses haar leven lang ongehuwd zou blijven.

Toch was er één, die moedig de peperproef wilde doorstaan, teneinde met de prinses te kunnen trouwen. Deze was Ba’ [301] Anansi.

Hij ging naar het paleis, teneinde den Koning zijn voornemen mede te deelen.

Maar vóór de poort van het paleis gekomen, begon hij met den mond een zuigende beweging te maken, net als iemand doet, die door het gebruik van pepers den mond gebrand heeft. Ook in bijzijn van den Koning bleef Anansi deze beweging herhalen, waarmeê hij wou doen uitkomen, dat dit zoo een gewoonte van hem was.

Toen de Koning vernam, waarvoor Ba’ Anansi gekomen was, zei hij minachtend: „nu al sta je zoo „sssh”, „sssh” te maken, wat zal je straks doen, als je pepers eet?”

Ba’ Anansi verklaarde hierop: „daar moet U niet op letten, mijn Koning, want het is een oude gewoonte van mij, die ik door het vele peper eten aangeleerd heb”.

De Koning gebood daarna zijn ondergeschikten, een groote mand met pepers te brengen, waarna hij Ba’ Anansi verlof gaf, met de proef te beginnen. Ba’ Anansi zette zich ook naast de mand neêr en het gelukte hem, al de pepers daarin op te eten. Natuurlijk brandden de pepers hevig en koelde hij ook voortdurend den mond af met frissche lucht, zoo „sssh, sssh”. Maar telkens als de Koning dit opmerkte, beweerde Ba’ Anansi, dat het zijn oude gewoonte was, gelijk hij reeds gezegd had. Ook werkten de pepers slecht op Ba’ Anansi’s spijsvertering, zoodat hij zich dikwijls moest verwijderen. Het gevolg van al dat pepereten was, dat Anansi een hevige darmontsteking kreeg en de endeldarm voor een deel uit zijn lichaam trad en veel geleek op een groot, rood gezwel.

Ba’ Anansi liet den Koning niets van dit alles merken. Hij zei slechts, dat de peperproef hem zijn gewoonte om zoo „sssh, sssh” te maken, geheel had afgeleerd, en dat hij er ook een grooten afkeer van pepers door had gekregen, waarom hij ze nooit meer zou eten. De Koning vond dit zeer begrijpelijk; hij prees Ba’ Anansi als den moedigsten man van het land. Hij gaf hem met pleizier zijn dochter ten huwelijk en een rijken bruidschat.

Na het huwelijk bracht Ba’ Anansi de prinses naar zijn woning, die hij met ’s Konings geld zoo weelderig mogelijk had ingericht. En daar deed hij al wat zijn koninklijk vrouwtje maar verlangde. Zij leefden dan ook geruimen tijd gelukkig met elkander.

Doch Ba’ Anansi ging elken morgen vóór zonsopgang uit en keerde niet eerder weêr, dan wanneer de zon reeds hoog aan den hemel stond.

Als de prinses informeerde, waar hij was geweest, antwoordde Ba’ Anansi steeds ontwijkend en gaf hij tevens te kennen, dat hij niet wou nagegaan worden.

Door nieuwsgierigheid gedreven, volgde de prinses op zekeren morgen Ba’ Anansi ongemerkt op diens geheimzinnigen tocht, ten einde hem te bespieden. Ba’ Anansi liep regelrecht naar het zeestrand en beklom daar een hoogen rots, waar hij zich uitkleedde en zijn zitvlak naar de opkomende zon toekeerde, ten einde de verzwering zoo te kunnen genezen.

Nauwelijks had de prinses het groote, roode gezwel in de zon zien schitteren, of zij riep van schrik: „Mijn Jezus [302], Ba’ Anansi, wat is er met je gebeurd?”—Op het hooren hiervan schrok Ba’ Anansi hevig, want hij dacht, dat de prinses met haar gegil zijn gebrek zou bekend maken en men zou gaan zoeken, hoe hij er aan gekomen was.

Haastig kleedde Anansi zich weêr aan, klom van den rots en voegde zich schijnbaar kalm bij de prinses, zeggende: „Wat doe je zoo doen, mijn prinsesje, wil je voor niemendal de geheele buurt in opschudding brengen met je gegil?”

De prinses verklaarde toen, dat zij bij het zien van het groote, roode gezwel hevig geschrokken was en dacht, dat hem een ongeluk was overkomen. Anansi antwoordde: „maar mijn schat, als een man groot is, moet zijn zitvlak er zoo uitzien; vraag het maar aan je vader, als je me niet gelooft”. Hij bezat intusschen de zekerheid, dat Zijne Majesteit op reis was.

De prinses, die niet wist, dat de Koning afwezig was, begaf zich naar het paleis, ten einde haar vader te vragen, of Anansi wel de waarheid had gesproken.

Nauwelijks was zij verdwenen, of Ba’ Anansi nam een korteren weg door het bosch naar ’s Konings woning, waar hij vóór zijn vrouw aankwam.

Als schoonzoon van den Koning liet men Ba’ Anansi overal in het paleis toe, zoodat hij zonder moeite in ’s Konings slaapkamer kwam. Daar ging hij op het bed liggen en bedekte zijn geheele lichaam met dekens, behalve de roode plek in kwestie, die duidelijk te zien was.

Toen begon hij het gesnork van den Koning na te bootsen. Anansi wist, dat de Koning er een hekel aan had, in den slaap gestoord te worden en dat zijn vrouw dit, uit eerbied voor haar vader, ook niet zou doen.

Zoo wachtte Ba’ Anansi op de prinses. Deze trad even later ook de kamer binnen, waar zij hardop tot zich zelf sprak, zóó dat Ba’ Anansi het duidelijk verstond: „Ach, mijn vader slaapt, maar kijk, hij heeft net zulk een roode plek als Ba’ Anansi. Ik behoef hem niet wakker te maken. Anansi had dus gelijk en ik zal hem verontschuldiging moeten vragen voor mijn wangedrag”.—Zoodra de prinses zich verwijderd had, sprong Ba’ Anansi het bed uit, kleedde zich aan en snelde langs den korteren weg naar huis terug, waar hij voor het venster plaats nam.

Na een poosje kwam de prinses aanzetten en vroeg hem weenend om vergiffenis. „Vergeef mij, mijn schat Ba’ Anansi, dat ik je gewantrouwd heb, ik zal het nooit meer doen, maar in mijn onschuld heb ik niet kunnen gelooven, dat dit zoo bij alle mannen was.”

Daarop beloofde Ba’ Anansi zijn prinses te zullen vergeven, mits zij den Koning niets van het voorgevallene vertelde. Het paste een dochter niet, met den vader over zulke dingen te spreken. De prinses zwoer daarop, dat zij geen woord meer over het gebeurde zou reppen.

Toen omhelsde Ba’ Anansi zijn prinses en het geschil werd zoo in der minne opgelost.

NO. 24. HOE ANANSI AAN SCHAPENVLEESCH WIST TE KOMEN.

’Ma Akoeba, de vrouw van Spin, was eigenares van verscheidene eenden en kippen, die ze trouw verzorgde. Maar de trots van haar kweekerij was een groot schaap, vet als een varken en met een vacht, zoo wit als een ijsbeer. Ieder, die ’Ma Akoeba een bezoek bracht, bewonderde het mooie dier.

Doch de gulzige Anansi, die graag zich te goed had gedaan aan de vette schapenbouten, schold steeds op het dier.

„Zoo’n schreeuwleelijk heb ik nog nooit gezien”, zei hij. „Het schaap blert den ganschen dag als een baby, die geen melk genoeg krijgt. Als ik jou was, vrouw, slachtte ik het schaap”.

Maar ’Ma Akoeba wilde daarvan niets weten.

Al maanden pijnigde Anansi zijn hersens er meê, op welke manier hij het schapenvleesch toch zou kunnen bemachtigen.

Eindelijk, na een zeer onrustigen nacht, had hij zijn plan gemaakt.

Hij stond ’s morgens niet op en kreunde in zijn bed als een oude zieke man. Hij liet zijn lichaam trillen, zoodat zijn vrouw dacht, dat hij koorts had.

„Wat scheelt je toch?” vroeg ze. „Je doet zoo vreemd. Heb je koorts?”

„Neen”, antwoordde Anansi, „maar ik voel me verschrikkelijk ellendig. Ik ben zenuwachtig en benauwd en deed den heelen nacht geen oog dicht”.

„Wat kan ik voor je doen”, vroeg ’Ma Akoeba.

„’t Beste zal zijn, dat je den Loekoe-man* raadpleegt. In het bosch, onder den grooten Kankantrie*, zal je dien aantreffen.”

Anansi’s vrouw beloofde te gaan. Nog nooit had ze den wonderdokter gezien, maar wel kende ze vele verhalen over wonderbaarlijke genezingen, die hij had verricht.

Vóór ’Ma Akoeba vertrok, vroeg Anansi haar nog of ze zoo goed wilde zijn, de kinderen meê te nemen. „Ze zijn zoo druk, en ze zouden me nog meer van streek brengen, als ze hier zonder toezicht bleven”. Ook dat beloofde ze.

Pas was de familie Spin vertrokken of Anansi sprong uit bed en kleedde zich als een oude wonderdokter.

Den ouden hoogen hoed trok hij tot diep over de oogen, en de lange jas hing tot bijna op den grond.

Zoo snel hij kon, nam hij den kortsten weg naar den heiligen boom en zette zich daar in peinzende houding neêr.

Een oogenblik later kwamen ’Ma Akoeba en de kinderen er aan. Eerbiedig bogen ze voor den wijzen man en het Spinvrouwtje zei klagend: „Och Heer, geef me raad. Gij weet alles en ik in mijn domheid weet niet, wat ik aanvangen moet. Anansi is doodziek. Zijn heele lichaam schokt en van benauwdheid kan hij niet slapen. Wilt gij mij het middel noemen, dat mijn man herstellen kan?”

De wonderdokter sprak eerst geen woord. Hij bleef zitten in dezelfde peinzende houding, waarin hij ’Ma Akoeba had aangehoord.

Dan eindelijk antwoordde hij: „Ja vrouwtje, de toovergoden hebben mij bekend gemaakt met de ziekte van uw man. Wees niet ongerust, Anansi is eigenlijk niet ziek. Een sterk verlangen is het, dat hem pijnigt. Kunt ge daaraan voldoen, dan wordt hij spoedig de levenslustige slimmerd, die hij zijn heele leven is geweest”.

Aandachtig had ’Ma Akoeba geluisterd en pas was de wonderdokter uitgesproken, of ze vroeg bijna smeekend: „O, wijze Heer, noem mij dat, waarnaar mijn man verlangt, opdat ik spoedig aan zijn wensch kan voldoen, als ’t me ten minste mogelijk is”.