Mythen en sagen uit West-Indië
Part 23
En op een ernstigen toon antwoordde de wonderdokter: „Vrouwtje, aan Anansi’s verlangen is niet moeilijk te voldoen. Hij smacht naar schapenbout, vet schapenvleesch is ’t eenige, dat hem zeker en spoedig genezen kan. Zie daaraan te komen en uw man zal herstellen”.
Met eerbiedige dankbaarheid vervuld, keerde ’Ma Akoeba naar haar woning terug.
Maar de huichelachtige Anansi zorgde zijn vrouw voor te zijn. Hij ontdeed zich thuis haastig van zijn vermomming en kroop weêr in bed.
Zonder Anansi te waarschuwen, slachtte het vrouwtje haar lievelingsschaap. Ze braadde het zóó heerlijk, als ze maar kon en bracht het Anansi.
De gulzigaard at het geheel op en liet zelfs de kindertjes toekijken, die met hunkerende oogen den eenen hap na den anderen zagen verdwijnen. Toen het laatste stukje vleesch naar binnen ging, zei de huichelaar: „Lieve kinderen, neem een voorbeeld aan je goede ma, en wees als zij, nooit gierig” [303].
NO. 25. DE GESCHIEDENIS VAN FINI FOETOE, BIGI BERE EN BIGI HEDE.
Er leefde eens eene oude vrouw, die een grondje bezat, even buiten de stad. Zij voorzag in haar levensonderhoud door het verkoopen van de produkten, die haar grondje opleverde. Zij had er cassave*, napis*, tayers*, switi patata [304], bananen enz. op geplant en ging geregeld naar de markt, om de opbrengst te verkoopen. Hierdoor was zij in staat, niet alleen ruimschoots in haar onderhoud te voorzien, maar ook drie kleinkinderen groot te brengen.
Haar kleinkinderen heetten Fini foetoe (spillebeen), Bigi bere (dikbuik) en Bigi hede (groot hoofd).
De oude vrouw hield veel van haar kleinkinderen en deed alles, wat in haar vermogen was, om ze tot nuttige leden der maatschappij groot te brengen.
Zij had echter veel verdriet van hare lievelingen, daar zij onverbeterlijke snoepers en dieven waren, trots hun jeugdigen leeftijd.
Eens op een morgen moest de oude vrouw naar de markt gaan, om als gewoonlijk hare produkten te gaan verkoopen. Daar zij echter op haar grondje een prachtigen dokoen-boom had met overrijpe dokoens*, welke zij bestemd had, om als geschenk den granman aan te bieden, riep zij hare drie kleinkinderen, voor zij van huis ging, bij elkaar, waarschuwde hen ten strengste, om niet te snoepen van de dokoens, daar bij ongehoorzaamheid hun een ongeluk zou overkomen.
De kinderen beloofden plechtig, te zullen gehoorzamen, waarna de grootmoeder gerust ter markte ging.
Nauwelijks was de oude vrouw vertrokken, of de kleine bengels wierpen begeerige blikken naar de rijpe dokoens en na fluisterend met elkander gedelibereerd te hebben, besloot men, dat Bigi hede, die als een geoefend klimmer bij de broêrtjes bekend stond, in den boom zou klimmen en eenige prachtige dokoens zou plukken en voor de anderen naar beneden zou werpen.
Zoo gezegd, zoo gedaan: fluks beklom de kleine dikhoofdige rakkert den boom en begon hij, in plaats van de dokoens naar beneden te werpen, zich flink te goed te doen en de een na de andere op te peuzelen.
Nadat het smulpartijtje in den boom een poosje geduurd had, vroeg eensklaps Bigi bere aan Bigi hede of het goed smaakte.
Deze had echter zijn mond vol en daar hij niet kon antwoorden, schudde hij met zijn dikken kop zóó hard van ja, dat zijn hoofd van den romp viel en holder-de-bolder naar beneden viel.
Dit ziende, begon Bigi bere zóó hard te lachen, dat zijn buik, die al tamelijk dik was van het smullen, als een bom uiteenbarstte. Fini foetoe, dit ziende, schrok zóó hevig, dat hij het op een loopen zette, de dokoens vergetende. Aan een breede sloot gekomen, sprong hij er over, doch hij kwam daarbij zóó hard neêr, dat hij zijn beide spillebeentjes brak.
De grootmoeder, thuis komende, hoorde in de verte reeds het gekerm van Fini foetoe. Zij liet den jongen naar het hospitaal brengen, waar de beentjes werden afgezet. De doode lichamen van Bigi hede en Bigi bere werden zorgvuldig gekist, en, na mass’ra Krebs gewaarschuwd te hebben, werden zij begraven onder den dokoenboom op het grondje van hun grootmoeder.
Fini foetoe leefde nog jaren lang, maar hij moest op krukken loopen. Na den dood der grootmoeder liet hij den dokoenboom omhakken.
NO. 26. LEGENDE VAN LEISAH I.
Wie vindt het niet vervelend, ziek te zijn!
Ik ten minste vind het verschrikkelijk. Ja, ziek zijn, dat is wat. Maar geen ongeluk zoo groot of er is geluk bij. Mijn néne [305] komt mij dikwijls bezoeken en toen ze mij op zekeren dag ziek vond, was ze treurig gestemd en zeide „mi góedoe pikíen mass’ra, san’ doe joe agen”. [306] „Mi de síki, néne” [307] was dan het antwoord. Op verzoek van mijn moeder zou néne mij wat afleiding bezorgen, door mij een anansi-tori te vertellen. Eerst maakte zij eenige gebaren, haalde diep adem en toen begon zij:
Vroeger waren al onze vaders hanen.....
Nu, een moeder had drie dochters; en de vader van die meisjes was een haan, die in de struiken nabij het huis woonde. Wanneer Moeder voeder had voor Vader, zong ze driemaal:
Kakkadoedel, kakkadoedel! [308] Iffi joe biérti, kom mi da. [309]
Vader kwam dan te voorschijn en na den inwendigen mensch versterkt te hebben, verdween hij weder in het struikgewas.
Op zekeren dag zou Mama inkoopen gaan doen in de stad. Het oudste der meisjes, Mina geheeten, zou dien dag voor Vader zorgen. Het jongste kind werd naar school gezonden, en de twee anderen gingen lekkernijen koopen met het geld, dat de moeder had gegeven, om eten voor Vader te koopen.
Toen nu Vader vroeg, waar zijn middageten gebleven was, antwoordde Jet, de tweede dochter, dat Mina bezig was met koken. Vader verdween toen weêr in zijn struik.
De beide meisjes gingen nu beraadslagen, wat ze zouden doen. Eindelijk kwamen ze overeen, Vader te slachten en hem Moeder als spijs voor te zetten.
Zoo gezegd, zoo gedaan.
Mina zong driemaal:
Kakkadoedel, kakkadoedel! Iffi joe biérti, kom mi da!
Vader verscheen als gewoonlijk. Hij werd gevangen genomen en geslacht. Inmiddels kwam het jongste kind uit school en vond hare zusters druk bezig, in een kuil achter de keuken veêren te begraven. Zij mocht Moeder niets vertellen van hetgeen zij gezien had. Vader werd in de soep gekookt en de kinderen smulden naar hartelust.
Toen Moeder thuis kwam en naar Vader vroeg, antwoordde Mina:
„Eenige makkers zijn Vader komen halen, om te gaan kaarten”.
Toen was Moeder gerust. Ze kreeg haar aandeel van de soep, maar kon toch niet eten. Het was alsof ze een voorgevoel had, dat het Vaders vleesch was.
Het jongste dochtertje had evenwel verklaard, dat toen ze thuis kwam, Mina en Jet bezig waren veêren te begraven in een kuil achter de keuken.
Moeder vatte toen argwaan. Ze vroeg Mina of hetgeen ze haar als maal had voorgezet Vaders vleesch niet was. Mina antwoordde natuurlijk ontkennend.
Doch toen Vader weken wegbleef en maar niet terugkwam, werd Moeder boos op Mina.
Leisah, de jongste, ten einde raad, liep naar de rivier en zong:
Papà kári mi Leisah, [310] Mamà kári mi Leisah, Mina kári mi Skoema! [311]
Moeder liep haar na, maar zij kon haar kind nog slechts bij het haar grijpen. Leisah verdronk en Moeder behield eenige strepen in de palm harer hand.
Arme Leisah!
Sedert dien tijd hebben alle menschen strepen in de palm van de hand.
NO. 27. LEGENDE VAN LEISAH. II.
Er wordt verhaald, dat in zeker dorp twee echtelieden woonden, die dol waren op kinderen, maar er zelf geen hadden.
We moeten trachten, op welke wijze dan ook, aan een kind te komen, zeiden zij.
Eens kwam een oude vrouw bij hen aan huis, vroeg de vrouw naar haar welstand en naar dien van haren echtgenoot. De vrouw des huizes antwoordde met droevige stem:
„Wij zijn, met Godswil, wel”.
„Wat scheelt U dan, Mevrouw?” vroeg de oude.
De vrouw des huizes deelde hare grieven mede, waarna de oude vrouw haar een wees van acht dagen in handen gaf.
Het kind behoorde tot de vrouwelijke kunne en kreeg den naam van Jacoba. Zij werd opgevoed als kind des huizes. Toen zij twaalf jaar was, moest ze voor huishoudelijke bezigheden beginnen te zorgen, hetgeen zij met vlijt deed.
Eens wandelden de twee kinderliefhebbers langs het strand. Daar zagen ze een meisje onbeheerd liggen en zij vroegen haar het een en ander.
Het kind werd naar huis medegenomen en kreeg den naam van Leisah. Spoedig werd zij het troetelkindje, waarom Coba, hierover jaloersch, haar begon uit te schelden.
De vondelinge begon te kwijnen van verdriet, omdat Coba haar aanhoudend plaagde en treiterde.
Van dat alles vermoeid, zong zij het navolgende, waaruit haar voornemen bleek:
Papà kári mi Leisah, Mamà kári mi Leisah, Coba kári mi Skóema. Skoema mi na, Skóema mi sa tan! [312]
De arme Coba werd weggejaagd, maar Leisah hield niet op met treuren, en op zekeren dag keerde zij terug naar de plaats, waar zij gevonden werd.
Haar pleegmoeder liep haar na als een pijl uit den boog, maar kon haar niet inhalen.
Leisah was reeds in het water gesprongen, toen haar moeder aankwam. Wel werd zij nog bij het lange haar gegrepen, maar door de zwaarte zakte zij hoe langer hoe dieper en werd zij onder de golven begraven. Zoo was Leisah weêr naar haar land teruggekeerd, omdat zij uit schuim geboren was. De moeder, die haar troetelkind eindelijk had moeten loslaten, hield de striemen van het haar in de hand.
NO. 28. VERHAAL VAN HET LAND VAN „MOEDER SOEMBA”.
Er wordt verhaald, dat in een dorp een moeder met hare dochter woonde en dat zij tot buren een moeder en dochter hadden, die zeer wangunstig waren.
Het eerste meisje was allemansvriend; zij werd door iedereen bemind en heette Akoeba [313] (Jacoba).
Akoeba nam haar buurmeisje Afi [314] tot vriendin aan, maar deze benijdde haar in alles.
Eens kwam een oude vrouw bij Akoeba en gaf haar een kalebas ten geschenke, zeggende:
„Ik ben een arm mensch; ik bezit niets op aarde, dat waarde heeft om het U als geschenk aan te bieden; daarom hoop ik, dat ge deze kleinigheid aan zult nemen, alsof het een kostbaar geschenk van een rijk man was. Maar, mijn kind, deze kalebas moet gewasschen worden in het land van ’Ma Soemba, opdat hij U gehoorzame.
Dat land is niet ver van hier, maar de wegen, die daarheen leiden, zijn schier onbekend, daar er geen andere menschen wonen, dan ’Ma Soemba zelve, die den sleutel aller tooverformulieren in handen heeft.
Het is niet gemakkelijk, ’Ma Soemba te naderen, als men niet vooraf is ingelicht door betrouwbare personen.
Ge gaat van hieruit rechtdoor, tot daar, waar de weg zich in tweeën splitst: de eene kant is schoon, de andere vuil.
Beloop den vuilen weg; aan het einde zult gij ’Ma Soemba vinden. Zij zal U spreken en indien zij U iets vraagt, moet ge gehoorzamen, dan zal ze Uwe kalebas wasschen, hoor, jonge dame!
Wanneer ge vreemde dingen ziet onderweg, spot er niet mede, maar zing het lied, dat ik U zal leeren, nadat ge gevraagd zult hebben, om voorbij te mogen gaan”.
Na verloop van een week ondernam Akoeba de reis, naar de aanwijzingen der oude vrouw. Toen zij een eind op weg was, zag zij twee kankantries*, die aan het vechten waren.
Zij hielden op en het meisje ging voorbij, zingende:
Doegwèh a doegwèh, o! [315] Mi de bégi mi papà, mi passà [316] Doegwèh a doegwèh, o!
Zij liep door en zag twee voeten vechten. Ze verzocht en kreeg verlof, door te gaan, onder het zingen van haar lied.
Iets verder trof Akoeba twee mátta’s* vechtende aan. Zij vroeg om door te mogen gaan, hetgeen haar werd toegestaan, toen ze met haar lied een aanvang maakte.
Eindelijk kwam zij aan het punt, waar de weg zich in tweeën splitste; de eene zijweg was schoon, de andere vuil en onbegaanbaar.
Zij betrad den weg, die haar was aangewezen en zag vóór een huis een vrouw, ’Ma Soemba, vol wonden en schurft zitten.
„Wat kom je hier doen!” vroeg zij aan het meisje. „Wees zoo goed en wasch mij mijn rug af; er is water achter het huis”.
Akoeba waschte haar rug schoon, waardoor zij hare handen vol bloed kreeg van de vele open wonden.
„Wasch je handen af en geef mij je kalebas, dan zal ik haar voor je wasschen!” vervolgde de vrouw.
’Ma Soemba waschte de kalebas en gaf haar Akoeba terug.
„Keer nu naar huis terug en je zult je loon ontvangen. Bewaar je kalebas goed en vrede zij verder met U”.
Het meisje vertrok en was na eenige uren weder thuis.
Of haar onderweg, bij het naar huis gaan, iets overkwam, wordt niet verteld.
Haar moeder wachtte haar met ongeduld en vroeg, of zij succes had gehad.
„Ja!” antwoordde Akoeba.
Na eenige dagen kwam Afi haar vriendin bezoeken, terwijl deze juist bezig was, haar kalebas te probeeren, waaruit zij tot hare groote verbazing tal van gouden, zilveren en andere waardevolle voorwerpen zag te voorschijn komen.
Het wangunstige buurmeisje vroeg haar naar de herkomst, daar zij al dat moois ook wel graag zou willen hebben.
Akoeba vertelde hare vriendin alles en leerde haar ook het lied.
Den volgenden dag, reeds vóór zonsopgang, ondernam Afi den tocht.
Toen zij de verschillende karikaturen tegenkwam, dreef zij den spot er meê.
Deze vervloekten haar, zeggende:
„Loop en gij zult vinden!”
Zij bereikte de splitsing van den weg en daar begon zij hare vriendin op de onbehoorlijkste wijze uit te schelden.
„Zij dacht mij wat op de mouw te spelden, maar ik ben wijzer, dan ze denkt. Het is uit wangunst, dat ze mij heeft gezegd, dien vuilen weg te loopen. Zij wil niet, dat ik in haar geluk zal deelen. Ja! Zoo zijn de menschen!—Maar ik neem dien schoonen weg.”
Op het einde gekomen, trof zij ’Ma Soemba aan, bezig obia [317] te koken.
’Ma Soemba verzocht haar, haar te willen wasschen, maar de juffer begon haar uit te schelden.
„Geef me Uwe kalebas, dan zal ik haar uitwasschen; vrees niets”, zei de vrouw.
Doch juffer Afi bedankte haar niet eens, doch zei slechts: „Geef mij mijn kalebas terug, want je maakt haar weêr vuil met jou handen”.
Vol blijdschap kwam zij weêr thuis bij moeder, die haar dadelijk vroeg, of alles in orde was.
„Zeker, Mama, onze buurvrouw wilde mij misleiden, maar ik ben wijzer dan ze denkt.
Ik ben klaar gekomen en zal haar bewijzen, dat niet alleen zij in ’t bezit is van een wonderkalebas”.
Toen zij nog denzelfden dag het voorwerp raadpleegde, weigerde het; het gaf geen resultaat. Haar vriendin ried haar toen aan, de kalebas slechts in geval van nood te gebruiken. Doch Afi antwoordde, dat ze geld noodig had en begon andermaal haar kalebas te raadplegen. Toen kwam er allerlei ongedierte uit te voorschijn, dat haar doodde.
Zoo wordt het spreekwoord weêr bewaard:
Ba’ sóekoe, ba’ fínni, ba’ tjári. [318]
NO. 29. BOEN NO HABI TANGI.
Ondank is ’s werelds loon! Dat wil zeggen: boen no hábi tangì.
Er was eens een koning, die een zoon had, dien hij naar Holland had gezonden, om te gaan leeren.
Doch toen de jongen terugkeerde, zei hij op zekeren dag:
„Vader, ik wil gaan wandelen, maar liefst alleen”.
„Het is goed, mijn jongen, gij kunt gaan”.
Den volgenden dag vertrok de jongen, en toen hij achter in den tuin kwam, zag hij daar een dorren vijgeboom, die hem vroeg:
„Mijnheer, is het waar, dat ondank ’s werelds loon is?”
„Ik weet het niet”.
„Ja, het is waar, dat ondank ’s werelds loon is, want zie, ik heb aan uw vader vruchten gegeven; hij heeft mijne vruchten op brandewijn gezet en ze gestoofd. En nu ben ik oud geworden; ik kan niet meer bloeien en nu wil hij mij tot brandhout maken”.
De jongen erkende de waarheid dier woorden en antwoordde:
„Gij hebt gelijk”.
Toen trok de jongen verder en ontmoette een druivenboom, die den jongen dezelfde vraag deed, en toen hij zijn wandeling vervolgde, kwam hij langs een groot vuur met een slang er in, die blijkbaar in angst verkeerde. En ook de slang vroeg aan den jongen, of het waar is, dat ondank ’s werelds loon is. De jongen antwoordde niet, maar greep een stok en nam de slang uit het vuur; doch nauwelijks had hij het dier gered of het kroop tegen hem op en slingerde zich om zijn hals. De slang wilde hem dooden.
„Van daag”, riep de jongen uit, „zie ik toch, dat ondank ’s werelds loon is, want, kijk, ik heb u uit het vuur genomen en nu wilt ge mij dooden”.
Doch daar kwam juist een awari* voorbij, die dezelfde vraag tot den jongen richtte, waarop deze antwoordde:
„Ja, het is waar, ondank is ’s werelds loon, want zie, ik heb de slang uit het vuur genomen en nu wil ze mij dooden”.
„Ga mij wijzen”, hervatte Awari, „hoe gij de slang uit het vuur hebt weggenomen”.
De slang kronkelde zich weêr om den stok en Awari gooide hem in het vuur.
Daarop vervolgde Awari tegen den jongen:
„Laten wij heengaan en laat de slang in het vuur blijven”.
„Goed, doch dan moet gij met mij meê naar huis gaan; want ik wil mijn vader en moeder wijzen, wie mij van den dood gered heeft”.
„Neen, dat doe ik niet, ik ben geen mensch; ik ben maar een dier”.
Doch de jongen drong aan en zei: „ga meê”, waarop Awari medegegaan is.
Thuis gekomen bij zijn vader en moeder, sprak de jongen tot Awari:
„Wel, Awari, wat wilt gij nu tot belooning hebben?”
„Niets wil ik hebben, maar als gij mij elken morgen een kip wilt geven, dan ben ik tevreden”.
De koning zeide:
„Het is goed; kijk, hier heb ik een hok vol kippen; elken morgen kunt ge er een komen halen”.
Maar dat beviel de koningin in het geheel niet; zij riep haar kokkin en sprak tot haar:
„Morgen moet ge de awari dooden, want zoodoende raak ik al mijn kippen kwijt”.
Den volgenden morgen kwam Awari, om de beloofde kip te halen, toen de kokkin met een emmer water aankwam, die zij over de awari omkeerde. En natuurlijk was Awari dood.
Hevig ontsteld en met heftige gebaren kwam de jongen toesnellen en toen hij daar zijn redder dood zag liggen, riep hij uit:
„Het is toch een waar spreekwoord: boen no hábi tangì”.
NO. 30. GESCHIEDENIS VAN KOPRO KANON*.
Er was eens in een dorp een vrouw, die drie zoons had, waarvan de oudste Mininimi heette, de tweede Krimintaria en de jongste Kopro Kanon.
Zij had Mininimi en Krimintaria lief, maar Kopro Kanon niet; daarom werd hij verwaarloosd en zat hij vol schurft [319] en jaws*. Als het etenstijd was, riep de moeder alleen de twee ouden, zingende:
Mininimi kom njam! Krimintaria kom njam! Kopro Kanon tan de! [320]
Arme Kopro Kanon was stokmager en stonk van vuil. Zijn moeder wilde niets van hem weten. Ach! Arme Kopro Kanon!
De twee oudste knapen zagen er rond uit van dikte.
De duivel, die menschenvleesch lust, had zijn oogen op hen gericht en wachtte met ongeduld een gunstig oogenblik af, om hen te vangen.
Hij was juist op wacht, toen hij hoorde, op welke wijze de knapen geroepen werden. Den volgenden dag kwam hij ter plaatse terug en zong het lied met een heel grove stem.
Kopro Kanon had zijn broeders lief en zei hun:
„Gaat niet, want dat is de stem uwer moeder niet. Het komt mij voor, de duivel te zijn”.
Zij waren hem gehoorzaam.
De duivel, die begreep, dat zijn zware stem de oorzaak was, dat de jongens niet tot hem kwamen, ging toen bij een smid, om zijn tong te laten vijlen.
De smid verbood zijn cliënt, bakoven* te eten, als zijn tong gevijld was, daar zijn stem anders weêr grover zou worden.
„Ik zal aan Uw bevel voldoen”, antwoordde Joost hem.
Doch geen tien minuten van de smederij zijnde, ontmoette hij een vrouw, die bakoven rondventte. De gulzigaard kon zijn lust niet bedwingen en vroeg haar:
„Joe no séri mi toe sensi bakóeba?” [321]
De bakove ging in één hap naar binnen.
Satan ging toen weêr de wacht houden en zong het lied met donderende stem.
De ongelukkige Kopro Kanon waarschuwde zijn broeders weêr om niet te gaan, daar het slechts des duivels stem kon zijn, die zoo dreunend en dof klonk.
De verdelger der wereld ging terug naar den smid, zonder eenig succes te hebben gehad. Zijn stem was veranderd, daar zijn tong door bakove vergiftigd was. De smid zei hem:
„Als iemand onder behandeling van een dokter is, moet hij diens voorschriften opvolgen; anders loopt hij gevaar. Denk niet, dat een patiënt den dokter kan foppen, neen, hij fopt zich zelf!”
„Maar, waarom zijt gij zoo hatelijk tegen mij?” vroeg Satan.
„Omdat ge vol leugens zit, vent. Ge spreekt tegen uw geweten.”
„Ben ik dan een leugenaar?”
„Een gevaarlijke ook. Denkt ge soms, dat ik niets anders te doen heb, dan ieder oogenblik te zitten hameren en vijlen in uw bek?”
Na een flinke bestraffing begon de smid weêr te vijlen.
„Zing het lied nog eens, opdat ik U keure.”
De duivel zong.
„Hoe is het nu, goed niet waar?”
„Dank U vriendelijk, tot wederdienst”.
Satan ging naar zijn bestemming en begon met een altstem te zingen, waardoor de twee knapen zijn slachtoffer werden. Toen de moeder hun riep, antwoordde Kopro Kanon met droevige stem:
Mininimi no de, Krimintaria no de, Kopro Kanon wawán de. [322]
De moeder ging toen naar Kopro Kanon, voedde hem van toen af en verzorgde hem goed. Zij kwam te sterven en Kopro Kanon begroef haar.
Wie kinderen heeft, mag het eene niet boven het andere voortrekken, maar moet van allen evenveel houden.
NO. 31. DE MEERMIN OF WATRAMAMA.
Er wordt verteld, dat het water beheerscht wordt door de Watramama. [323]
De Watramama is half mensch, half visch; zij heeft een zacht-gele tint als een Indiaansche, een schoon gezicht, prachtige donkere oogen en lang zwart haar.
De Watramama houdt verblijf in kreken. Zij komt nooit anders te voorschijn dan om hare kleinen te zoogen of om zich het haar te kammen met den wonderkam, en wel altijd met jongvloed [324]. De menschen, die het geluk hadden, haar te zien, vertellen dat het eene Madonna is. Djokarto, van plantage „Pieterszorg”, zegt er een te hebben gezien in een kreek van plantage „de Resolutie”. Zij zetelt onder in de rivieren en vermag veel op de golven. Zij doet booten zinken en eigent zich den inhoud toe. Nergens, bij niemand ter wereld, vindt men zooveel rijkdommen als bij haar.
Men zegt, dat er menschen zijn, die de kunst verstaan, haar kam te stelen, terwijl zij bezig is zich te kammen. Als de Watramama den dief gevonden heeft, eischt zij haar kam terug en belooft in ruil een aanzienlijke waarde aan geld. De dief echter paait haar met allerlei beloften, en gebruikt haar om zoo te zeggen als een melkkoetje. Telkens komt de Watramama terug en zij brengt steeds meer geld mede, tot zij eindelijk het geluk heeft, haar kam terug te krijgen. Wil de dief den kam niet teruggeven, dan is hij verloren. Want de eerste keer, dat hij over het water gaat, slaat zijn vaartuig om.
Er was eens iemand die, door een kreek varende, gekerm hoorde. Toen hij voortparelde, bemerkte hij de Watramama, die in gevaar verkeerde en hij verschafte haar hulp. De meermin zegende hem en beloofde hem ten allen tijde haar bijstand. De man was visscher van beroep en deed van toen af goede vangsten. Ook raadde zij hem aan, zijn pagala [325] open te laten, wanneer hij stadswaarts ging, en dagelijks vond hij er geld in.
De Watramama had hem verboden met iemand hierover te spreken; anders zou zij hem moeten straffen. [326] Maar ach! het zwakke geslacht, dat de mannen zoo dikwijls in het verderf stort, bracht ook hem in het ongeluk.
De man had vrouw en kinderen en toen de vrouw hem steeds met geld thuis zag komen, vroeg zij naar de herkomst. Hij liet zich niet uit, doch toen zij sterker aandrong en hij het, om de waarheid zeggen, niet meer kon uithouden, vertelde hij haar alles en ook wat de gevolgen hiervan zouden zijn.
Eens op een dag begaf de visscher zich naar een plantage, maar nog eer hij op de plaats zijner bestemming was aangekomen, was hij verdwenen.
Men zegt, dat het gevaarlijk is, de albino’s die nog al eens onder de negers voorkomen, en Watramama-pikien [327] genoemd worden, veel over het water te laten gaan, wanneer ze groot worden, daar de Watramama ze dan wel eens tot zich neemt.
In den slaventijd was er een jonge neger-albino, Skroero-ki [328] genaamd, die dikwijls op den rivierbodem neêrdaalde, om allerlei voorwerpen te halen. De Watramama was zijn vriendin. Hij ging bij haar eten en bleef soms dagen onder water.