Mythen en sagen uit West-Indië
Part 24
Zij had hem gewaarschuwd met niemand te spreken over hetgeen hij bij haar hoorde of zag, maar Skroero-ki voldeed niet aan dat verzoek, en toen hij weêr op den rivierbodem daalde, kwam hij niet meer aan de oppervlakte terug.
Visschers, die hun bedrijf uitoefenen, vangen de Watramama wel eens in hun netten.
Doch ze laten haar dan weêr gaan, daar ze anders gevaar zouden loopen, om met boot en al in de diepte te verdwijnen!
NO. 32. DE BOA IN DE GEDAANTE VAN EEN SCHOONEN JONGELING.
In zeer ouden tijd leefde een zeer mooi meisje. Haar schoonheid was even beroemd, als haar trotschheid bekend was.
Van heinde en verre kwamen voorname jongelingen haar ten huwelijk vragen, maar geen hunner keurde zij waardig genoeg, om haar echtgenoot te worden.
Hare schatrijke ouders hadden daarover veel verdriet en zij spoorden haar aanhoudend aan, om toch een dezer jongelingen te kiezen, daar zij haar gaarne gehuwd wilden zien.
Maar het meisje hield staande, dat zij niet anders zou trouwen dan met den man, dien zij lief had en dat zij er tot dusverre geen gezien had, die hare liefde waardig was.
Op zekeren dag nam een reuzenslang, een boa*, een menschelijke gedaante aan, kleedde zich als een schoone jongeling aan en begaf zich naar de woning van het meisje.
Nauwelijks hief zij hare oogen op hem of zij werd zoodanig bekoord door zijn schoonheid, dat zij bijna flauw viel. Zij riep: „Vader, moeder, hier is de man, dien ik bemin; en met hem wil ik trouwen”.
De ouders waren natuurlijk zeer verheugd, dat hun schoone dochter eindelijk iemand naar haar zin gevonden had en alles werd zoo spoedig mogelijk in gereedheid gebracht. Niets was kostbaar genoeg, om het jonge paar te verschaffen.
De huwelijksfeesten duurden acht dagen lang. Zoo’n pracht was te voren nooit gezien geweest.
Eindelijk moesten de jonggehuwden naar hunne nieuwe woning trekken, die zoo prachtig mogelijk ingericht was.
Bij het afscheid nemen beloofden de ouders, dat zij den volgenden morgen naar den welstand van het echtpaar zouden komen informeeren.
Zeer vroeg begaven zij zich daarheen, maar hoe ontstelden zij, toen zij, bij het huis komende, een zwakke stem hoorden kermen: „Pa!! Ma!! een zeker ding is bezig, mij in te slikken”.
Hierop werd met een grove zware basstem geantwoord: „Wij zijn aan het spelen”.
De ouders klopten toen aan deuren en vensters, maar er werd niet opengedaan... het angstig gekerm: Pa! Ma! ik word ingeslikt” hield niet op, gevolgd door het ruwe antwoord: „Wij zijn aan het spelen”.
Eindelijk zei de Vader: „Er is wat met ons kind gebeurd, want zij roept om hulp”,... en met alle kracht trapte hij de deur open, en, door zijne vrouw gevolgd, vloog hij naar de slaapkamer, waar de Boa, die zijn ware gedaante weêr aangenomen had, bezig was, het meisje in te slikken.
De Vader greep naar een grooten stok, verbrijzelde de ruggegraat van de slang, en trok zoo snel mogelijk zijne dochter, die reeds half verslonden was, uit den wijden mond van het dier, terwijl hij daarna met een houwer zijn kop afhakte.
Het meisje, dat langen tijd lam bleef door de persing van het monster, herstelde zeer langzaam, maar trouwde nimmer, want zij was huiverig geworden en vreesde, dat in elken knappen man een boa verscholen was.
Vandaar het spreekwoord:
„Abóma wéri krósi” [329]. Wanneer een meisje vele huwelijksaanzoeken afslaat, kan zij wel eens in handen vallen van een nietswaardige, die door mooie woordjes, fraai uitgedoscht, zich weet bemind te maken, om na het huwelijk zich in zijne ware gedaante, als een slecht mensch, te openbaren.
NO. 33. HET HUWELIJK VAN AAP.
Er heerschte opschudding in de dierenwereld. Alle wouddieren waren opgeroepen, om een dag na volle maan op de groote savanne* te verschijnen, waar bígi króetoe [330] zou worden gehouden, om te beslissen over het lot van Ba’ Tigri [331], die zich had schuldig gemaakt aan het zwaarste misdrijf, dat een dier kan worden ten laste gelegd, nl. grove beleediging zijner moeder.
De aanklaagster, de verdachte en de getuigen ondergingen een scherp verhoor, waardoor wettig en overtuigend kwam vast te staan, dat Ba’ Tigri zich had schuldig gemaakt aan een doodzonde en daarom den verschrikkelijksten dood behoorde te sterven, welke het dierenbrein maar kon bedenken.
Poema* stelde voor, hem den hongerdood te laten sterven, Tapir* wilde hem eerst radbraken, daarna ophangen, Sneki [332] voelde er meer voor, hem op een zacht vuur te roosteren of hem met een gloeiende tang vleesch uit het lijf te nijpen tot de dood er op zou volgen—een in den slaventijd zeer gebruikelijke strafoefening op weerspannige negers. Een ander weêr wilde den veroordeelde levend villen en zoo ging het voort, maar de vrouwelijke dieren vonden die straffen niet verschrikkelijk genoeg, verlangden in deze nog het oordeel te hooren van Kees-Keesi* [333], den rechtsgeleerden raadsman van de Kroetoe; maar hoe men ook riep, Kees-Keesi kwam niet te voorschijn, en eerst nu bleek het, dat hij niet ter vergadering verschenen was.
Eindelijk stond er een dier op, dat beweerde, hem een paar dagen te voren te hebben ontmoet, keurig aangekleed, en in een zelfs voor zijn doen buitengewoon vroolijke stemming. Kees-Keesi had aan spreker verteld, dat hij verloofd was en op weg was naar Apenstad, waar hij het mooiste, liefste en zachtzinnigste apinnetje zou gaan trouwen, dat ooit den huwbaren leeftijd had bereikt. Sedert had niemand meer iets van hem gehoord of gezien.
Eensklaps echter hoorde men Sabakoe*, de schildwacht [334], roepen: „daar komt Kees-Keesi aan”, en werkelijk, enkele minuten later trad hij de vergadering binnen en stond hij voor den stoel van den voorzitter. Met stomme verbazing sloegen allen Aap gade, en geen wonder, want zijn voorkomen gaf er wel aanleiding toe. De anders zoo in de puntjes gekleede en gekapte Kees-Keesi zag er verfomfaaid, ja, haast ontoonbaar uit; zijn hoedje was ingedeukt, en het lint hing er aan flarden bij; zijn das was hij kwijt, zijn boord was losgerukt, zijn jasje en broek waren gescheurd, zijn gezicht droeg sporen van in aanraking te zijn geweest met scherpe nagels. Uit alles bleek ten duidelijkste, dat hij gevochten had en daarbij met een tegenpartij te doen had gehad, die niet voor de poes was.
Op de vraag van Poema, waar hij van daan kwam en hoe hij in dien toestand was geraakt, antwoordde Kees-Keesi opgewonden, en terwijl de woorden hem haast in de keel bleven steken: „Van mijn bruiloft. Ik ben, moet jullie weten, sedert gisteren getrouwd, en mijn vrouw, die beweerde, dat ik te veel naar de bruidsmeisjes keek, heeft mij in dien toestand gebracht, waarin jelui mij nu ziet”.
De vrouwelijke dieren glimlachten om het verhaal van Kees-Keesi, beweerden medelijden met hem te hebben; de mannelijke noemden hem botweg een stommeling, omdat hij zich louter uit ijdelheid, zonder de gevaren te overdenken, in altijd durende slavernij had begeven.
De zaak tegen Tígri zou nu verder voortgang kunnen hebben. Kees-Keesi werd op de hoogte gebracht der beraadslagingen en ten slotte uitgenoodigd een straf te bedenken, evenredig aan de door Ba’ Tígri gepleegde misdaad. Kees-Keesi bedacht zich niet lang, want nauwelijks waren de tot hem gesproken woorden geuit, of hij sprak deze gedenkwaardige woorden: „Geachte vergadering, laat Ba’ Tígri trouwen”.
En aldus werd besloten.
DE ANANSI-TORI DER SURINAAMSCHE BOSCHNEGERS.
Dat bij de nakomelingen der eertijds naar de bosschen gevluchte plantageslaven, de Boschnegers, die met de Indianen het schaarsch bevolkte binnenland van het Nederlandsche deel van Guyana bewonen, een duidelijker uitkomende Afrikaansche volkstraditie zal worden aangetroffen, dan bij de West-Indische stads- en plantage-negers, behoeft den lezer na de inleidende beschouwingen betreffende de Surinaamsche neger-folk-lore niet meer duidelijk te worden gemaakt.
In ieder opzicht is de Boschneger nog een echte Afrikaan, hoe hij ook zijn oorspronkelijke taal verloren heeft. Door de eeuwen lange afzondering te midden der oerwouden, waarin de Boschnegers in hunne kampen (dorpen) langs de rivieren hebben geleefd, wordt echter niet alleen het veel grooter aantal woorden verklaard, die nog in de Boschneger-taal zijn overgebleven en die deels van de Goud- en Slavenkust-talen, de Ewe-, de Tsji- en de Yoruba-talen kunnen worden afgeleid, deels van de Kongo-talen zijn overgebleven, maar is ook het grooter aantal van het Engelsch en het Portugeesch afgeleide woorden begrijpelijk.
Dat ook de Boschnegers hunne anansi-tori’s, als herinneringen aan hunne Afrikaansche afkomst, zouden bewaard hebben, en dat deze mondelinge overleveringen eene grootere oorspronkelijkheid zouden vertoonen, dan die der stads- en plantagenegers, wier vertellingen zich met een steeds grooter wordend Europeesch element vermengd hebben, lag voor de hand. Juist om deze grootere oorspronkelijkheid, die van de mondelinge litteratuur der Boschnegers verwacht mocht worden, is het zeker te betreuren, dat van de folk-lore dezer van de Indianen in elk opzicht zoozeer afwijkende boschbewoners (Ph. en C. a.) zoo weinig bekend is geworden.
De meermalen genoemde missionaris, Pater C. van Coll vertelt ons (Co. a.) slechts, dat bij een sterfgeval de verwanten en vrienden, wanneer de overledene een man was, op drie achtereenvolgende Zaterdagen [335] bijeenkwamen, om anansi-tori’s te vertellen en dat voor een vrouw twee Zaterdagen daartoe voldoende waren; doch hij heeft ons uit zijn lange loopbaan als missionaris geen enkele anansi-tori nagelaten.
Het eenige, wat, voorzoover mij bekend is, over dit onderwerp in het licht is gegeven, zijn een negental dierenfabels, allen eigenlijke anansi-tori’s, die de Bisschop der Hernhutter-missie in Suriname, F. Stähelin, door een zijner negerhelpers heeft laten opteekenen en die verschenen zijn in de Hessische Blätter für Volkskunde (Jaargangen 1908 en 1909).
In deze vertellingen legt de Neger wederom getuigenis af van zijn zeldzaam improvisatie-talent, zijn groot waarnemings- en combinatievermogen, van zijn degelijke menschenkennis, zijn kinderlijk-naïven aard en van zijn buitengewonen zin voor humor.
Zelfs in den slaventijd, toen de negers door wreede plantage-directeuren en opzichters, doch ook door Nederlandsche soldaten, niet zelden onverdiend, de afschuwelijkste pijnigingen en mishandelingen moesten verduren, en soms op de meest wreedaardige wijze ter dood werden gebracht, schijnt de scherts en de zin voor humor den neger niet te hebben verlaten.
Wanneer, om een paar voorbeelden te noemen, de slaven besloten hadden, hun wreede meesters te ontvluchten en in de bosschen een veilige schuilplaats te zoeken, werd den vorigen avond bij de uitvoering van een dans het volgende gezongen:
Máss’ra, tamára joe no sa si wi móro, miauw. [336]
Den volgenden morgen was de gansche slavenmacht gevlucht (Ph.).
Dr. W. R. van Hoëvell vertelt nog een ander typisch voorbeeld van den fijnen geest van den Neger, wanneer hij in zijn reeds aangehaald boek (zie: blz. 219) van een doe* [337] gewaagt, die ter eere van Prins Hendrik, Broeder van Willem III, werd gegeven, teneinde den Hoogen Bezoeker in den waan te brengen, de gelukkigste menschen voor zich te zien.
Prins Hendrik, zegt de schrijver, door den Gouverneur begeleid, vatte natuurlijk den zin van het lied niet, dat de negerslaven bij den dans zongen en hij verkeerde in dit opzicht in het geval der meeste Blanken, die zulke feesten bijwoonden. Bijna niemand stelde zooveel belang in de scherts en den geest der slaven, dat zij moeite deden, uit hunne geïmproviseerde zangen te begrijpen, wat er in hun gemoed omging. En de Gouverneur zal het toen ook wel niet begrepen hebben wat de negers zongen. Maar al had hij het begrepen, dan nog zou hij het den Prins niet hebben uitgelegd, toen zij zongen:
Joe sóri hem da boen Joe móesoe sori hem da ógri toe! [338]
Eindelooze malen herhaald, moest dit lied Prins Hendrik duidelijk maken, dat de Gouverneur eenzijdig was in zijn voorstelling. Konden de negerslaven aan hun verkropt gemoed op ironischer en beschaafder wijze lucht geven, dan zij het in dezen zang deden?
Om nu tot de Boschneger-anansi-tori’s terug te keeren, zoo heb ik voor dezen bundel een spinvertelling gekozen, waarin de herinnering aan Afrika nog het duidelijkst uitkomt, omdat een der hoofdpersonen in de vertelling de Olifant is, het grootste landzoogdier der Afrikaansche fauna (zie: blz. 240) en die de Afrikaansche neger zoo gaarne in zijn dierenfabels laat optreden (Ba. en Cr. [339]). Het verhaal toont ons tevens de groote voorliefde van den neger, om over dingen, die men in fatsoenlijk gezelschap tegenwoordig niet aanroert, platweg te spreken (Zie No. 23 der Stadsneger-vertellingen).
De vertelling, die in den oorspronkelijk uit de Boschneger-taal overgebrachte Duitschen tekst geen opschrift draagt, heb ik betiteld:
HOE HEER SPIN DOOR ZIJN BEKWAAMHEID ALS GENEESHEER DE MOOIE DOCHTER VAN DEN LANDVOOGD WIST TE KRIJGEN.
Er leefde eens een wonderschoon, lieftallig meisje, de eenige dochter van den Gouverneur. Vooral om haar schoonheid had zij tal van bewonderaars, die haar tot vrouw wenschten. Het waren niet alleen menschen, die om haar hand dongen, maar ook allerlei dieren, visschen en vogels. Spin behoorde natuurlijk ook tot de partij!
Alle mededingers zouden zoo gelukkig zijn, het mooie meisje hun vrouw te mogen noemen, maar geen van allen was het nog gelukt, aan den eisch harer ouders te voldoen. Alleen hij, zoo hadden deze bepaald, zal onze dochter tot vrouw hebben, die ons den tand van een olifant ten geschenke geeft. Ook aan Heer Spin was deze voorwaarde gesteld, maar hij, listiger dan de andere vrijers, liet zich er niet door afschrikken en moedeloos maken, doch begon dadelijk bij zichzelf te overleggen, hoe hij in het bezit van een olifantstand zou kunnen komen. Slimme Spin had spoedig zijn plan gemaakt, en zette zich dadelijk aan den arbeid, om het uit te voeren. Hij zocht een schop en een lang, dik touw te krijgen, en begaf zich daarna met zijn gereedschap op een hoogen berg. Hier aangekomen, legde hij het touw neêr, en begon hij met zijn schop tot aan den voet van den berg een weg aan te leggen, dien hij zóó breed maakte, als hij dacht, dat de Olifant lang was. Toen hij er mede gereed was, trok hij er op uit, op zoek naar een olifant.
Al heel gauw ontmoette hij er een, die op de wandeling was. „Vriend Olifant”, begon Spin dadelijk, „hoe is het? Willen we samen niet wat gaan spelen—je weet wel, ons oud spel boven op den berg?” Hoewel Olifant zich niet herinneren kon, ooit met Spin gespeeld te hebben, vond hij het toch wel prettig, en antwoordde hij: „Goed, laten we wat gaan spelen”.
Boven gekomen, nam nu Spin het touw en zei tot Olifant: „Hier, neem dit touw, en bind het stevig om mijn lichaam heen; dan moet je mij een duwtje geven, en laat je mij op den weg, dien ik heb gegraven, den berg afrollen. Als ik beneden ben aangekomen, moet je hard naar beneden hollen, en zoo gauw mogelijk het touw losmaken”. Zoo gezegd zoo gedaan. Olifant verheugde zich koninklijk, toen hij Spin den berg zag afrollen. Toen Olifant beneden was aangekomen en zijn speelkameraad bevrijd had, zei deze: „Dit spelletje vind ik kostelijk, jij ook niet, vriend Olifant? Nu ben jij aan de beurt, dus laten we samen weêr naar boven gaan!” Zoo deden ze, en toen ze weêr boven op den berg waren aangekomen, zei Spin: „Zoo vriend, ga nu op den grond liggen, dan bind ik jou”. Olifant deed wat Spin hem bevolen had, en toen snoerde Spin het touw zóó stevig om zijn vier pooten, dat hij er niet een van bewegen kon. Daarna liep Spin, zoo snel hij kon, nog eens den weg heen en weêr, om te zien of de weg in orde was. Maar slimme Spin deed het, om op verschillende afstanden groote steenen langs den weg te kunnen rollen, waar de kop van Olifant zou moeten passeeren.
Toen Spin er meê klaar was, zei hij tot Olifant: „Ziezoo, mijn beste vriend, nu kan jij er op losgaan”, en op het zelfde oogenblik gaf hij hem een zóó krachtigen stoot, dat hij dadelijk in beweging kwam. Toen Olifant echter aan het rollen was, stootte hij telkens zóó hard tegen een der langs den weg liggende steenen, dat ten slotte een zijner groote tanden afbrak. Haastig liep nu Spin naar beneden, en pakte den afgebroken tand.
Intusschen was Olifant beneden aangekomen en woedend riep hij in zijn benarden toestand Spin toe, dadelijk naar beneden te komen en hem te bevrijden. Maar Spin schreeuwde hem toe: „Neen, vriend Olifant, dat zal ik wel laten; ik verlang er heusch niet naar, om me door jou te laten vermoorden; want dat zou je stellig doen; je begrijpt immers heel goed, dat ik het spelletje maar verzonnen heb, om in het bezit van een van je mooie tanden te kunnen komen!”
Spin nam nu een dikken stok, en sloeg net zoo lang op Olifant los, tot de dood volgde. Nu pas nam Spin den tand op, verpakte hem goed in een hoop gras, en begaf hij zich met zijn kostbaren last op weg naar den vader van het mooie meisje. Eindelijk zag hij, vermoeid en wel, diens woning vóór zich liggen—en na een kwartier zwoegens was zijn doel bereikt. Wat klopte zijn hart van vreugde bij de gedachte, dat hij het schoone meisje nu spoedig de zijne zou mogen noemen!
Voordat Spin echter op de woning toetrad, zag hij zich genoodzaakt, even in het struikgewas ter zijde van den weg te gaan en het kostbare pak zoolang neêr te leggen. Juist kwam toen een man, „Blindeman” bijgenaamd, voorbij, die, toen hij het pak zag liggen, en er een olifantstand uit te voorschijn haalde, zijn schat op nam, en er, zoo snel hij kon, mede op de woning van den Gouverneur toeliep. Hij immers behoorde ook onder de vrijers van zijn dochter. Toen hij binnentrad en den mooien tand aan de ouders liet zien, gaven zij dadelijk hunne toestemming tot het huwelijk.
Kort daarna kwam ook Spin aan de woning, maar niettegenstaande zijn woede en zijn volhouden, dat Blindeman hem had bestolen, en dat de tand zijn rechtmatig eigendom was, het hielp hem niet, en hij moest, verdrietig, voor Blindeman het veld ruimen. Men schold hem op den koop toe nog voor leugenaar en bedrieger uit.
Eenige dagen daarna werd de Gouverneur ziek, en slimme Spin wist van zijn toestand gebruik te maken, om toch zijn doel te bereiken. Des nachts, toen de zieke in een diepen slaap lag, sloop hij heimelijk in de zieke-kamer, en maakte hij met een geldstuk zijn aars* dicht, zoodat zijn stoelgang moest ophouden. De toestand van den zieke verergerde hierdoor snel. De omstanders deden alles wat in hun vermogen was, om den stoelgang te bevorderen, maar alles was vergeefs, en de zieke werd hoe langer hoe zwakker.
Toen de nood het toppunt had bereikt, en niemand meer raad wist, verscheen plotseling Heer Spin, die aanbood den zieke te genezen, onder voorwaarde, dat men alles wat hij verlangde, blindelings zou toestaan, en dat men beloven zou, hem tot loon alles te zullen schenken, wat hij maar vragen zou.
Nadat de verontruste verwanten zijn verlangen hadden goedgekeurd, liet hij dadelijk een vuur aanleggen, vroeg toen om een groote tobbe met water en twee steenen, om de tobbe er te kunnen opzetten. Daarna nam hij allerlei kruiden en wierp die in het water. Bij de pogingen, om de tobbe op de twee steenen te zetten, kon ze maar niet blijven staan. Spin echter wist raad en riep, dat hij, als derde steunpunt voor de tobbe, het hoofd van Blindeman wilde hebben.
Hoe vreeselijk het ook was, de eenmaal gedane belofte moest gehouden worden en men sloeg het hoofd van „Blindeman” af, en bracht het aan Spin. Toen nu de tobbe vast boven het vuur stond, liet Spin den zieke er boven plaatsen, en terwijl hij hem met den inhoud van de tobbe goed waschte, viel eindelijk het geldstuk door de hitte naar beneden—en onmiddellijk trad de zoo lang uitgebleven stoelgang op, hetgeen den zieke in korten tijd deed herstellen.
De vreugde over Spins succes was zóó groot, dat Spin, toen hij als loon de dochter tot vrouw vroeg, zij ook met vreugde aan hem gegeven werd.
Moraal: Wie een ander besteelt, krijgt vroeg of laat de verdiende straf.
NEGER-VERTELLINGEN UIT HET WEST-INDISCHE EILANDENGEBIED.
Begeven wij ons in gedachte naar het West-Indische eilandengebied en zoeken wij er naar voorbeelden uit de op schrift gebrachte mondelinge overleveringen der overeenkomstige bevolking, dan zal ik mij—eensdeels om den omvang van dezen bundel niet al te zeer te overschrijden, anderdeels, omdat wij aangaande de Neger-folk-lore van dit gebied zeer schaarsch zijn ingelicht—slechts moeten bepalen tot een drietal eilanden, nl. tot Curaçao, de voornaamste Nederlandsche bezitting van de groep der zg. Benedenwindsche eilanden, tot de Kleine Antillen behoorend; in de tweede plaats tot het eveneens aan Nederland toebehoorend eiland St.-Eustatius [340] van de groep der Bovenwindsche eilanden, eveneens tot de kleine Antillen gerekend; en in de derde plaats tot Jamaica, de belangrijke Engelsche bezitting van de groep der groote Antillen.
CURAÇAOSCHE NEGERVERTELLINGEN.
Cuenta di Nansi.
In vier dagen varens bereikt men per stoomschip uit Paramaribo het vóór de Venezuelaansche kust liggende eiland Curaçao [341], dat èn door deze gunstige ligging voor den handel èn door zijn droog klimaat geheel andere economische toestanden in het leven heeft geroepen, dan die, welke wij in het tropische regenwoud-gebied van Zuid-Amerika, waartoe Guyana behoort, hebben aangetroffen.
Ook op de physische en geestelijke eigenschappen der bewoners hebben beide factoren, na eeuwenlange inwerking, een belangrijken invloed uitgeoefend.
De oorspronkelijke bevolking van Curaçao en andere eilanden zal hier buiten beschouwing moeten blijven, daar reeds in 1634, toen de Nederlanders zich van het eiland meester maakten, nadat het sedert 1527 een Spaansche bezitting was geweest, er slechts 1415 Indianen over waren gebleven, die er ten slotte, evenals op de meeste West-Indische eilanden, geen nakomelingen van zuiver ras hebben achtergelaten.
De negers, tot welke wij ons hier dus zullen moeten bepalen, en die er na den vrede van Munster als slaven zijn ingevoerd, hebben zich na hunne vrijverklaring op veel uitgebreider schaal met de overige bewoners vermengd, zoodat kleurlingen er de onvervalschte negers ver overtreffen, welke laatsten grootendeels buiten Willemstad, de hoofdstad van het eiland, worden aangetroffen.
De Curaçaosche negers zijn tengevolge van het droge klimaat en door de grootere inspanning, die van hen vereischt wordt, om aan den kost te komen, tot krachtig gebouwde, taaie, voor zwaren arbeid geschikte menschen geworden. De, hoewel niet onvruchtbare, doch dorre bodemgesteldheid dwingt hen tot werken en door den werkzamen aard van den Curaçaoschen neger en door zijn gewilligheid, ook buiten de slavernij plantage-arbeid te verrichten—in tegenstelling van den Surinaamschen neger, die weinig behoeft te doen, om te eten te hebben en die plantage-arbeid, vroeger in slavernij verricht, een schande vindt—zou het eiland bij behoorlijke watervoorziening tot hoogere welvaart gebracht kunnen worden, waar onder hen nu veelal armoede moet heerschen (Ko).
Is dus aan den eenen kant de oorspronkelijke werkzame aard van den neger op Curaçao veel minder verloren gegaan dan in Suriname, aan den andere kant heeft zijn langdurige aanraking met Spaansch sprekende naburen in zijn doen en laten wijzigingen tot stand gebracht, die ook op zijn uit Afrika medegebrachte mondelinge overleveringen hunnen invloed hebben doen gelden.
Wanneer ik hier nu nog bijvoeg, dat zoo goed als alle negers en kleurlingen van het eiland tot de katholieke kerk zijn overgegaan, mag het niet bevreemden, dat de dierenfabel nog meer dan in Suriname onder vreemden invloed verbasterd is.