Mythen en sagen uit West-Indië

Part 3

Chapter 33,839 wordsPublic domain

De Maipoeres, een nu uitgestorven stam aan de Boven-Orinoco, geloofden volgens Von Humboldt, dat in oude tijden de geheele aarde onder water geraakt is, dat er een groote vloed* is geweest en dat slechts één man en één vrouw zich gered hebben op den top van den berg Tamanacoe; dat het paar, wanhopig over het verlies hunner verwanten en vrienden, om den berg heenwandelend, plotseling een stem hoorde, die den raad gaf, vruchten van den Itapalm* achter zich over het hoofd te werpen en dat, toen het dien raad opvolgde, uit de vruchten, die de man wierp, mannen voortkwamen, en uit die der vrouw vrouwen ontstonden.

Ook een ontstaan uit steenen vinden wij bij meerdere Indianenstammen als mythe verhaald. Bij de Makoesi-Indianen van Engelsch Guyana komt de traditie voor, dat Makoenaima een watervloed over de aarde zond en dat slechts één man zich heeft weten te redden, die daarna steenen achter zich wierp en dat op deze wijze de aarde weêr bevolkt werd. Deze traditie is hierom merkwaardig, omdat zij ook bij de Oude Grieken wordt aangetroffen. Bij hen was het Deucalion, die steenen achter zich wierp.

In No. 5 van dezen bundel, getiteld: „Hoe de Caraïben gekweekte planten leerden kennen”, vinden wij een der vele voorstellingen geschetst van de wijze, waarop het menschdom zijne cultuurgewassen verkreeg. Deze zijn volgens de Caraïben van een wonderboom gekomen, waarop zij groeiden, en terwijl het in No. 2 de Agoeti* was, die de menschen in het bezit van de maïs stelde, is het hier de Buniavogel*, een giersoort, die hen zelfs alles omtrent de cultuurplanten heeft medegedeeld.

Bij vele Indianenstammen, ook van Guyana, treft men sporen aan van een geloof aan een voortbestaan van het lichaam en de daarin huizende geesten. Zoo vertelt de Nederlandsche onderzoekingsreiziger C. H. de Goeje (G.), dat een Ojana-vrouw hem vroeg, als hij terug mocht komen, voor haar een teremopüillatop (hetgeen beteekent een werktuig, dat een eeuwig leven kan bezorgen) te willen meêbrengen, opdat haar zoontje met het eeuwige leven gezegend zou worden.

Andere ontwikkelingstrappen van dit geloof aan een onsterfelijk lichaam treffen wij in verschillende mythen aan, die vertellen van het afwerpen der huid. De Indiaan gelooft, dat wie van huid verandert, het eeuwige leven heeft. „Toen Amalivaca* een tijdlang onder de Tamanacas* had geleefd, nam hij zijn korjaal, om de overzijde van het water, van waar hij was gekomen, te bereiken, en zong hem toe: „Gij zult van huid veranderen en daardoor, als slangen, eeuwig jong blijven”. Walter E. Roth, aan wien wij het voorgaande ontleenen, voegt er aan toe: „Toen Kororomanna* naar de aarde afdaalde, om te zien wat de Arowakken deden, vond hij ze zóó slecht geworden, dat hij hun het eeuwige leven ontnam, en het aan dieren gaf, die nu nog hun huid afwerpen” (slangen, hagedissen).

Het verhaal „De dochter van den Geestenbezweerder”, (No. 6) geef ik als een der vele voorbeelden van dit geloof. In een nog zeer primitief stadium van hun geloof aan een eeuwig leven laat de Indiaan het lichaam na den dood somtijds in steen veranderen, hetzij als een normaal iets, hetzij bij wijze van straf (No. 9).

In een hooger stadium van het geloof aan een voortbestaan na den dood wordt het lichaam vergankelijk gedacht, maar de geest of de geesten, die er in huizen en die bij den dood vrijkomen, onvernietigbaar. In alle deelen, waarin een slagader klopt, meenen de Indianen, zetelt een geest, van welke de in het hart huizende de voornaamste is.

De opvattingen, die verschillende Indianenstammen huldigen omtrent het verblijf dezer geesten na den dood, en de rol, die zij spelen, loopen zeer uiteen. Sommige stammen huldigen de meening, dat de geest van het hart na den dood hemelwaarts stijgt, om daar met andere gelijksoortige geesten te leven en ten slotte in een jong, nieuw lichaam te veranderen. Andere geesten gaan na den dood, hetzij naar het zeestrand en kunnen daar de booten van koers doen veranderen, hetzij naar het bosch of veranderen in dieren.

Dat in tal van dieren, volgens het geloof der Indianen, geesten huizen, blijkt niet alleen uit verschillende hunner mythen, sagen enz., maar ook uit hun geloof aan kwade en goede voorteekens en uit hunne talrijke bekoringsmiddelen, om de geesten dezer dieren gunstig te stemmen (zie later). Ook komen onder de Indianen talrijke sporen voor van een geloof aan geesten, die in planten huizen, (zie verder) ja, de geheele natuur wordt door de Indianen als bezield gedacht.

Nu eens kan een geest zich aan een ander lichaam verbinden, om een geestelijke vriend of een raadgever te worden, dan weêr kan hij in zijn nieuwe verblijf kwaad willen stichten. De geesten kunnen in de bosschen, velden en bergen blijven ronddolen, hun verblijf in boomen, steenen, onderaardsche holen opslaan, ja, ook wel met sterren, rivieren en de zee in verbinding treden.

De graad van onsterfelijkheid van den geest verschilt, te beginnen bij het primitieve geloof aan een ronddwalen om de plaats, waar de doode begraven is, tot aan het meer gevorderde geloof aan een overplanting, met of zonder dierlijke of menschelijke reïncarnatie.

De geest van een doode is altijd, ook bij de Indianen, een onderwerp van vrees. Bij doodenfeesten moet men dan ook den geest van den overledene gunstig trachten te stemmen, en hem vriendelijk toespreken.

Dance (D.) haalt een merkwaardig voorbeeld daarvan uit Engelsch Guyana aan:

Een Indiaansch kind was gestorven door de slechte gewoonte, om aarde te eten (aardeten* of geophagie). Toen het lijkje in een open doodkist lag, die de vader door een Creoolschen timmerman in de buurt had laten maken, naderde de grootmoeder van het kind kort vóór de begrafenis het kistje, en zich over het lijkje heenbuigend, sprak zij:

„Mijn kind, ik heb je altijd gewaarschuwd, geen aarde te eten. Ik heb je er nooit van gegeven, omdat ik wist, dat het slecht voor je was. Maar altijd zocht je het voor je zelf. Ik zeide je, dat het slecht voor je was. Nu zie je, heeft de aarde je gedood. Val er mij niet lastig om, want het was je eigen wil. Een boos iets bracht het in je hoofd, om ze toch te willen eten. Zie, ik leg je pijl en boog aan je zijde. Je kunt er je meê vermaken. Ik was altijd lief voor je. Wees ook lief voor mij en maak het mij niet lastig”.

Daarna kwam de moeder van het kind, en zei als in een treurzang:

„Mijn kind, ik bracht je ter wereld, om je alle goede dingen te laten zien en te laten genieten. Deze borst”, (daarbij toonde zij een harer borsten) „heeft je gevoed, zoolang je er behoefte aan had. Ik maakte mooie doeken om je te kleeden; ik verzorgde je en gaf je eten. Ik speelde met je en heb je nooit geslagen. Je moet ook goed voor ons zijn en nooit ongeluk over ons brengen”.

Toen trad ook de vader op het lijkje toe en zei:

„Mijn jongen, toen ik je zei, dat aarde je zou dooden, heb je niet willen luisteren, en zie, nu ben je dood. Ik ging uit en bracht een mooi doodkistje voor je meê. Ik zal moeten werken, om het te kunnen betalen. Ik heb een graf voor je gemaakt op een plek, waar je zoo dikwijls hebt gespeeld. Ik zal er je behaaglijk inleggen en wat aarde er bij doen, om ze te kunnen eten; want nu kan je dit geen kwaad meer doen, en ik weet, dat je er zooveel van houdt. Je moet geen ongeluk over mij brengen; maar zie naar hem, die je aarde deed eten”.

Het waren tot het Christendom bekeerde Arowakken die zoo spraken, waaruit blijkt, hoezeer het animistische geloof hen nog beheerschte.

Vele verhalen der Indianen hebben betrekking op z.g. Boschgeesten. Deze kunnen goede, maar meerendeels kwade hoedanigheden en bedoelingen hebben, zoodat zij doorgaans bij de Indianen in een kwaden reuk staan. Zij kunnen uit het lichaam van een doode, hetzij mensch of dier, of ook wel spontaan ontstaan, en vinden eindelijk een plaats, hetzij in het bosch, hetzij in een bepaalden boom of plant, zooals in No. 9, 11 en 29 kan blijken. Hunne namen loopen bij verschillende stammen zeer uiteen.

Bij Caraïben bestaat de overtuiging, dat zij zelf de oorzaak zijn van de kwade bedoelingen der geesten, zooals het verhaal „Hoe lichaamspijnen, dood en ellende op de wereld kwamen” (No. 7) leert.

Een bekende boschgeest der Arowakken heet Konoko Koeja, die Adda-Koeja wordt genoemd, wanneer hij in een bepaalden boom huist. Deze laatsten hebben niet zelden de gedaante van vogels. Op dezen geest heeft betrekking „Het hoofd van den boschgeest en de nachtzwaluw” (No. 8), waarin deze door alle Indianen gevreesde vogel uit het hoofd van den geest ontstaan wordt gedacht.

Gevaarlijk wordt het er voor gehouden, de geluiden der geesten na te bootsen, om hen te lachen, ja zelfs om hunne namen te noemen, zooals blijkt uit „De vrouw, die een Boschgeest nabootste” (No. 9). Doch het kan ook wel eens voorkomen, dat een aan een plant gebonden geest iemand tegen een anderen Boschgeest beschermt. Als voorbeeld van dit geloof is No. 10, getiteld: „De Geest van de schimmelplant redt het jonge meisje”, vooral hierom merkwaardig, omdat de Indiaan zich hier zelfs begeeft op het moeilijke gebied van de leer der plantaardige parasieten. In dit verband is ook No. 37 merkwaardig, omdat het hier de Geest van een den arm eens jagers bedekkende schimmelsoort is, die verantwoordelijk gesteld wordt voor diens weinige geluk op de jacht.

Buitengewoon rijk is de Indiaansche folklore aan mythen en legenden, die in verband staan met het geloof, dat bij alle stammen wordt aangetroffen, aangaande een innig verband tusschen menschen en dieren.

Oorspronkelijk waren volgens de meeste overleveringen menschen en dieren uit een zelfde „deeg” geboren en hadden zij, zooals een legende der Akawais, een Indianenstam in Engelsch Guyana, vertelt, van den Grooten Geest, door hen Makoenaima* genoemd, den raad medegekregen, in eensgezindheid te leven—een gebod, dat volgens de legenden door het verre voorgeslacht getrouw werd opgevolgd. Ongehoorzaamheid heeft in latere tijden, zooals de lezer in dezen bundel herhaaldelijk zal vermeld vinden, daarin verandering gebracht.

Dat volgens de Indiaansche folklore menschen en dieren op onbeperkte wijze in elkander kunnen overgaan, zooals boven reeds werd opgemerkt, is alleszins te begrijpen (No. 11 en 12, 16, 28). In vele gevallen werd de verandering van den mensch in een dier als een bestraffing opgevat, zooals wij zien in het mooie verhaal, getiteld: Hoe het ongeluk over de menschen kwam, of de geschiedenis van Maconaura en Anoeannaïtoe (No. 29).

Volgens de overtuiging der Indianen kan hun geestenbezweerder, de piaiman, voor wien immers niets onmogelijk geacht wordt, deze transformatie bij zich zelf en bij anderen te voorschijn roepen, geheel overeenkomstig die, welke door de geesten tot stand gebracht is.

In de dierenfabels der Indianen gaan de dieren als menschen met elkander om en als menschen voeren zij gesprekken met elkander, zooals meer in het bijzonder uit de nummers 13, 14, 15 en 30 moge blijken. No. 15 getiteld „Tijger en Miereneter”, is ook nog hierom merkwaardig, omdat een geheel gelijksoortige vertelling (een weinig gewijzigd) bij sommige Noord-Amerikaansche stammen de ronde doet. Behoort deze dierenfabel tot de groep van mythen, sagen, legenden en fabels, die als de overblijfselen te beschouwen zijn van oeroude, eenmaal over het geheele gebied der Nieuwe Wereld verspreide overleveringen of is zij, overeenkomstig de meening, dat, waar de hersenen bij alle menschen gelijk georganiseerd zijn, de produkten van den geest overal een groote verwantschap zullen moeten vertoonen, onafhankelijk van het noordelijke voortbrengsel [7] van ’s menschen fantasie ontstaan?

Hoewel wij ons hier ter plaatse in dezen strijd niet kunnen mengen, mag toch worden opgemerkt, dat laatstgenoemde meening, om gelijksoortige verhalen bij verschillende volken te verklaren, in dit geval zeer onwaarschijnlijk is en dat vele Afrikaansche elementen, die in de Indiaansche folklore voorkomen, onmogelijk door een ontstaan, onafhankelijk eener aanraking met de negerbevolking, kunnen verklaard worden.

Wenden wij ons nu tot de plantenwereld, dan hebben wij reeds opgemerkt, dat volgens het oude geloof der Indianen, ook verschillende planten en boomen tot verblijfplaats van geesten kunnen dienen. Ook de transformatie van menschen in planten en omgekeerd, wordt nu en dan in de Indiaansche folklore aangetroffen. (Zie No. 1). Wel het meest bekende voorbeeld in Suriname van een boom, waarin geesten huizen, is de reeds genoemde Kankantrie* of Zijdekatoenboom, de hoogste, breedst vertakte en mooiste boom van Guyana’s oerwouden. Door de Boschnegers van Suriname worden aan dezen reus geregeld offers gebracht, ten einde de kwade geesten, die in den boom huizen, gunstig te stemmen.

Het is wel merkwaardig, dat dit geloof en deze gewoonte, die de negerslaven van Suriname uit Afrika hebben medegebracht, waar een verwante boom, de Adansonia digitata in de animistische voorstellingen der negers een zóó groote rol speelt, vóór de komst der Negers in Guyana reeds lang bij de Indianen bestond. Ook deze zullen, evenals Boschnegers en Stadsnegers, geen kankantrie omkappen.

Op dit verband tusschen dezen boom en de geestenwereld berust het geloof, dat zoowel bij Indianen (R. blz. 230) als Negers (C. e.) wordt aangetroffen, dat de Kankantrie na het ondergaan der zon wandeltochten onderneemt. Ook het voor den oningewijde vreemde feit, dat de Indianen in hunne verhalen de hutposten laten spreken (zie no. 1), vindt uit hun geloof aan in boomen huizende geesten een goede verklaring. Het verhaal, getiteld „Hariwali en de Wonderboom” (No. 16), evenals No. 30 „De kolibrie, die tabak brengt voor den eersten piaiman”, waarin van in de tabak huizende geesten sprake is, is in laatst genoemd verband zeker de aandacht waard.

Wij hadden het eerstgenoemde, met de geschiedenis van Haboeri, evengoed onder de Heldensagen kunnen opnemen, want Hariwali is de stamheld der Arowakken, die sommigen onder hen met Haboeri gelijkstellen. Evenzeer hadden wij het verhaal van Hariwali onder een afzonderlijke rubriek der Geesten van het water kunnen opnemen, omdat er van een watergeest in verteld wordt, die er in de gedaante van een bruinvisch in optreedt.

Hier mag er ook de aandacht op gevestigd worden, dat de vele bekoringsmiddelen, die de Indianen toepassen (zie blz. 36) en waarover de gebroeders Penard zoovele waardevolle mededeelingen hebben gedaan, ten grondslag liggen aan het bij de Indianen ingewortelde geloof aan een verband tusschen het plantenrijk en de geestenwereld.

Waar volgens het geloof der Indianen, zooals boven reeds werd opgemerkt, alles in de natuur bezield gedacht wordt, is het niet te verwonderen, dat in verband met de wonderlijke rotsvormen, die in het binnenland van Guyana voorkomen, zij daarin eveneens bepaalde geesten denken [8] waarvoor zij zich steeds in acht hebben te nemen, en steeds een zekere vrees aan den dag leggen—zoodat zij het gevaarlijk achten hunne namen te noemen, wanneer zij ten minste onder een bepaalden naam bekend staan (No. 29). Walter E. Roth geeft van deze vrees verschillende voorbeelden, deels uit de litteratuur, deels uit eigen ondervinding. Het wordt bijv. als hoogst gevaarlijk beschouwd, met den vinger naar een geest te wijzen, dus ook naar diens verblijf. Meer in het bijzonder wordt dit vermeld ten opzichte van den Ouden man’s val (de beroemde Kaieteur-val in de Essequibo). Im Thurn (T.) verhaalt, dat toen de op gepotlood ijzer gelijkende verweeringskorst* van vele rotsen in het droge rivierbed zijn aandacht had getrokken en hij er de Indianen naar vroeg, zij plotseling hem het zwijgen oplegden en hem waarschuwden, aan die steenen geen aandacht te schenken, daar deze zich zouden kunnen wreken en ongelukken zouden kunnen veroorzaken. Een Indiaan, die op Schomburgk’s reizen door Engelsch Guyana in 1847–48 eene verzameling gesteenten droeg, wierp ze weg, uit vrees, dat ze kwaad zouden kunnen stichten.

In de Indianen-folklore vinden wij herhaaldelijk van transformaties van menschen in steen melding gemaakt, ook hier meermalen als straf voor begane overtredingen. Op dit geloof, dat ook in No. 9 voorkomt, heeft betrekking de legende, die aan den zooeven genoemden val is vastgeknoopt en die ik onder No. 17 heb opgenomen. Door den katholieken missionaris W. H. Brett (B.) is zij in dichtvorm opgeschreven, welke hij voor deze verzameling, waarin de invloed der zendelingen hier en daar duidelijk te bespeuren is, uitkoos, in overeenstemming met de wijze, waarop de nationale overleveringen in vroeger dagen met bijzondere stembuiging, meer gezongen dan verteld werden.

Ook het omgekeerde, nl. het geboren worden van menschen uit steen, komt in de Indianen-verhalen meermalen voor. Wij zagen immers reeds, dat de mythen-cyclus der Arowakken als leidend kenmerk het ontstaan van alle levende wezens uit een hol in den grond heeft, dat in menschelijke gedaante, ook wel als een steenen vrouw wordt voorgesteld. (E. en K. b.).

De Indianen kennen ook een aantal Watergeesten (zooals den lezer reeds uit No. 16 bleek), waarover in W. E. Roth’s werk tal van mededeelingen voorkomen.

Nu eens hebben deze geesten een menschelijke gedaante, dan weêr komen zij in de gedaante van dieren voor, die in het water leven, of zijn zij half mensch, half dier. Bij de Caraïben heeten zij Okoyoemo, bij de Arowakken Orehoe en bij de Warraus Ho-aráoeni.

Volgens de Arowakken leven de Orehoes altijd in het water, en minstens één begeleid steeds een korjaal. Gebeurt er een ongeluk met een boot, dan is het altijd een Orehoe, die er de oorzaak van is. Deze hebben menschengedaante en verschijnen hetzij als mannen of als vrouwen. De vrouwen baden nu en dan op een zandbank in de rivier en kammen haar lang haar met zilveren kammen.

Bij andere stammen zijn deze Watergeesten overdag vrouwen en des nachts mannen. Volgens nog weêr anderen leven zij overdag op den bodem van het water, en komen des nachts uit het water en schreeuwen als kinderen.

De Okoyoemo der Caraïben hebben de gedaante van een Camoedi*, maar hij is veel grooter. Vandaar dat het, in geval van slangenbeet, verboden is, water te drinken of te baden, en het ook niet geraden is, dicht bij het water te komen.

Sommige dezer watergeesten zijn uit menschen, anderen uit visschen of vischachtige zoogdieren voortgekomen. Evenals de boschgeesten, zijn zij verantwoordelijk voor ziekten op de wereld. Daarom roept de geestenbezweerder, de piaiman, ook hen dikwijls op. Bij vele stammen worden nadeelige waterstanden der rivier aan hen toegeschreven, en het is daarom verboden over hen te spreken en hunne namen te noemen, zooals uit het verhaal: „Amanna en haar praatzieke man” (No. 18) blijkt.

Onder de vele woorden, die de Indiaan niet mag uitspreken,—die, zooals men dit noemt, taboe* zijn (zie blz. 37)—zijn er ook woorden, die niet op het water mogen gebruikt worden.

De groote hoeveelheid van zulke taboe-woorden bemoeilijkt, zooals te begrijpen is, de Indiaansche taalstudie niet weinig.

Alle Indianenstammen hebben talrijke mythen, sagen en legenden, die van hunne animistische voorstellingen omtrent alles wat zij aan den hemel waarnemen, duidelijk blijk geven. Het spreekt van zelf, dat Zon en Maan een groote plaats in hunne mondelinge overleveringen innemen. De Zon, de bron van licht en warmte, die doet leven en groeien; de Maan—de Indiaansche zon der slaap—, die des nachts het aardrijk verlicht en door zijn herhaalde vormveranderingen in het eenvoudige brein dezer natuuraanbidders allerlei phantastische voorstellingen deed geboren worden.

Bij alle stammen, zoowel van het Noordelijk als het Zuidelijk deel der Nieuwe Wereld, moesten deze hemellichamen, door hetgeen aangaande hun voor hen zoo geheimzinnig gedrag werd waargenomen, tot bezielde wezens worden, die als menschen handelen, strijd voeren, verslonden worden enz.

Kan het verwonderen, dat de Zon met zijn [9] stralenkrans die aan veeren, pijlen of haren doet denken, in hooge mate op hunne phantasie moest inwerken; kan het bevreemden, dat ook de Maan met hare zoo geheimzinnige vlekken, waarin de Indianen menschelijke en ook wel dierlijke wezens zien, met hare steeds wederkeerende phasen, aan welke zij de voorstelling van verbrokkeling, lichamelijken groei en afname of afknaging verbinden, en van welke de maansikkel hen aan een wapen [10], een arm of aan een waterrad doet denken, het uitgangspunt der mythenvorming is geworden? En was het ook niet natuurlijk, dat het opkomen en ondergaan van beide hemellichamen voorstellingen van verslonden worden door de aarde of de zee schiep, evenals de terecht zoo gevreesde zons- en maansverduisteringen slechts aan een verslonden worden konden worden toegeschreven?

Gedurende een zonsverduistering, zoo wordt verhaald, (T.), renden bij de Arowakken de mannen met angstige kreten uit hunne hutten, daar zij in de meening waren, dat de Zon en de Maan aan het vechten waren. In Fransch Guyana is het geloof aangetroffen, dat bij zons- en maansverduisteringen een vreeselijk monster, dat zij probeeren met hunne pijlen te verjagen, bezig is de hemellichamen te verslinden.

Een voor dezen bundel geschikte mythe, die de Zon zelve tot onderwerp heeft, heb ik niet kunnen vinden. No. 19, getiteld: „de Zon en zijne tweelingzoons”, kan deze leemte eenigermate vergoeden.

Op een der West-Indische eilanden, nl. Haïti, is nog een scheppingsmythe bewaard gebleven, waarin van de geboorte van Zon en Maan, evenals de menschen volgens de Arowakschen cyclus, uit een hol in den grond verteld wordt. Dit eiland zou het eerst van alle landen geschapen zijn. Het hol, waaruit Zon en Maan geboren werden, ten einde de aarde van het noodige licht te voorzien, zooals het verhaal luidt, wordt door de bewoners nog aangewezen. Het bevindt zich op 7 tot 8 mijlen van Kaap François (nu Cape Haytien genoemd) en heet „la voûte á Minguet”. Het is ongeveer 50 meter diep en zeer smal. Door de bevolking werd het vereerd, en bij lang uitblijven van regen maakte men er bedevaarten heen, bracht er offers in den vorm van vruchten en bloemen en voerde er, onder begeleiding van zang, dansen uit.

„Evenals Zon en Maan stelt elke ster, die om een of andere reden de aandacht van den Indiaan trekt, een voorwerp op aarde voor. Voor een kenner staat de levensgeschiedenis van dieren en planten”, zeggen de Penards, „met vurige letters aan de hemel geschreven”. De namen, die de Indianen aan bepaalde sterren en sterrebeelden geven, zijn òf ontleend aan het, in een tijd, waarin zij verschijnen, veelvuldig optreden van dieren, òf aan het dan rijp worden van bepaalde vruchten. Ook hier laten de Indianen zich weêr kennen als uitmuntende natuurwaarnemers.

Sterren en sterrebeelden zijn volgens de Indianen geesten van menschen en dieren—deze voorstelling treffen wij aan in No. 3 getiteld: „De oorsprong van het menschdom”—; vallende sterren zijn geesten, die op de aarde nederdalen. Uit de vele verhalen, die betrekking hebben op hetgeen de Indianen aan den hemel waarnemen, hebben wij „de Zon en zijn beide tweelingzoons” (No 19) gekozen. Deze vertelling behoort tevens tot de zg. Heldensagen, want de bij verschillende stammen van Guyana tot de Helden behoorende tweelingzoons van de Zon: Pia en Makoenaima, treden er in op den voorgrond. Deze sage is een der voorbeelden van de groote veranderingen, die een verhaal na de overbrenging van den eenen stam op den anderen kan ondergaan. Van hetzelfde verhaal bestaat nl. een Warrau-, een Caraïbische en een Macoesi-lezing. Wij verkozen de tweede, en veranderden den titel, omdat de oorspronkelijke titel „De Zon, de Kikvorsch en de vuurstokken” niet meer voor de Caraïbische lezing past. In deze gedaante van het verhaal vindt de Held Makoenaima tegelijk met maipoeri* ten slotte een plaats onder de sterren.