Mythen en sagen uit West-Indië

Part 2

Chapter 23,540 wordsPublic domain

De vertellers waren vrouwen en mannen, doorgaans ouden van dagen, van de drie voornaamste stammen van Guyana: de Caraïben, de Arowakken en de Warraus (door de letters C., A. en W. achter den titel van elk verhaal aangeduid), die de zwakke overblijfsels zijn van vroeger talrijke en machtige stammen, welke deel uitmaken van de groep der z.g. Benedenlandsche Indianen van Guyana, die volkenkundig met de dieper in het binnenland wonende z.g. Bovenlandsche Indianen en met de bijna geheel uitgeroeide oorspronkelijke bevolking van de Groote en Kleine Antillen tot eenzelfde gewest mogen gerekend worden, dat ook het stroomgebied der Orinoco en der Amazone omvat en zich tot de Paraguay-rivier uitstrekt.

De talen, die in dit gebied gesproken worden, behooren tot drie verschillende taalstammen, het Caraïbisch, het Arowaksch en het Warrausch.

De Caraïben, die zich zelf Kalienja* noemen, en wier stamland vermoedelijk Centraal-Brazilië is geweest, hebben zich in vroeger tijden door hun oorlogzuchtigen aard onderscheiden. De meer vredelievende Arowakken, die van oudsher in cultuur hooger stonden en als de uitvinders der hangmatten en de verspreiders der maïs- en tabakscultuur werden beschouwd en als bekwame pottenbakkers bekend stonden, zijn de eerste bewoners der lage landen van het tegenwoordige Venezuela en Guyana geweest en vormden ook op de West-Indische eilanden de oorspronkelijke bevolking. De Warraus eindelijk, die de eerste kolonisten als de vervaardigers van voortreffelijke vaartuigen hebben leeren kennen, schijnen zich van het Westen uit te hebben verspreid en eerst later Nederlandsch Guyana te zijn binnengedrongen. Van dezen zijn in het westelijk deel van Suriname nog slechts weinigen overgebleven, terwijl Engelsch Guyana nog talrijke nakomelingen van dezen zoo belangwekkenden stam tot woonplaats strekt.

De nauwere aanraking, die deze stammen van oudsher met elkander hebben gehad—tegenwoordig treft men Caraïbische en Arowaksche nederzettingen (kampen of dorpen), door elkander langs verschillende beneden-rivieren van Guyana aan—maakt het begrijpelijk, dat meerdere verhalen, zij het in gewijzigden vorm, bij deze drie stammen verteld worden.

Dat deze oude overleveringen niet steeds het leven der tegenwoordige stammen uitbeelden, behoeft geen nader betoog. De verheven moraal echter, die deze primitieve, door sommige waarnemers zoo slecht begrepen stammen daarin hebben neêrgelegd, mag, zooals bekwamer beoordeelaars genoegzaam hebben bewezen, nog als die van den oorspronkelijken Indiaan beschouwd worden, voor zoover nl. de aanraking met de Europeesche „beschaving” niet reeds haar noodlottig werk heeft gedaan.

Voor vele lezers heb ik het nuttig geoordeeld, aan de namen van planten en dieren en van cultuurbezittingen eene korte toelichting toe te voegen, die, omdat velen ook in de Negervertellingen voorkomen, in een afzonderlijk, alphabetisch gerangschikt register aan het slot van dezen bundel zijn vereenigd en naar welke door een * in den tekst verwezen wordt.

INHOUD DER VERHALEN

De mondelinge overleveringen der Indianen van West-Indië behooren tot verschillende met bepaalde namen aangeduide rubrieken.

In de eerste plaats komen er z.g. kosmogoniën onder voor, waarin denkbeelden omtrent den wereldschepping zijn neêrgelegd en die voor een vergelijkend mythen-onderzoek steeds de meeste waarde bezitten. Deze mythen wortelen in een natuurgodsdienst en hebben haar ontstaan te danken aan de neiging der natuurvolken, om zich de natuurkrachten en natuurverschijnsels als levende wezens te personifiëeren. De kosmogonie is, zoowel naar inhoud als naar vorm, in hoofdzaak natuurmythe, want het ontstaan der kosmische en organische wereld worden er in behandeld, terwijl de natuurverschijnselen er als handelingen van bezielde wezens in worden voorgesteld. Deze natuurmythen bepalen zich tot een zeer beperkten voorstellingskring en hebben betrekking tot werkelijk bestaande en gemakkelijk waarneembare natuurverschijnsels. [2]

In de tweede plaats komen in deze verzameling z.g. sagen voor, die beschouwd moeten worden als bij het volk opgekomen verhalen, welke een historischen grondslag hebben, en waarin de geest van het volk, de beteekenis van een feit of van een persoon en de indruk, dien deze op het voorgeslacht hebben gemaakt, blijven voortleven. Wij treffen er ook z.g. Heldensagen onder aan, die, veelal sterk geïdealiseerd, de geschiedenis bevatten van groote voorvaderen, nationale helden, en waarvan de waarheid in den tijd, toen zij ontstonden, door niemand in twijfel werd getrokken. Deze heldensagen bevatten dikwijls mythische elementen, die zich langzamerhand als werkelijk gebeurde feiten ontwikkeld hebben, waardoor de Heldensage in hare oorspronkelijke gedaante een integreerend bestanddeel der scheppingsmythe vormt. In deze sagen worden de mythische voorvaderen van het volk met de cultuurbrengers gelijkgesteld.

Terwijl de sage min of meer historie is, zijn de sprookjes uitsluitend uitingen der volksfantasie. Evenals de mythen en sagen zijn vele sprookjes voortgekomen uit het volksgeloof, dat beheerscht wordt dooreen uitgebreid bijgeloof, te voorschijn geroepen door de menigte geheimzinnigheden der natuur. Vooral in het tropische oerwoud, waarin zelfs de ontwikkelde mensch te midden der overweldigende natuur door die geheimzinnigheden wordt aangegrepen en waarin ieder, die er in doordringt, zich overgegeven voelt aan bovenaardsche machten, moest bij den primitieven mensch wel de meening ontstaan, dat alles wat hij waarneemt, waaronder veel, dat hij niet begrijpen kan, door bezielde wezens wordt voortgebracht. Zoo is het niet te verwonderen, dat het Indiaansche leven nog geheel beheerscht wordt door het geloof aan talrijke geesten (door het Animisme), die er deels op uit zijn, kwaad te stichten en den dood kunnen veroorzaken, deels de levenden tegen onheilen kunnen beschermen.

Niet zelden zijn de sprookjes minder goed herkenbare uitloopers van de tot de Mythen-categorie behoorende Kosmogonie en de Heldensage.

Ook z.g. dierenfabels komen in deze verzameling voor. De fabel is in het algemeen een verhaal uit het natuurleven, vooral uit dat der dieren, dat toepasselijk gemaakt is op de menschen. De fabel dient tot leering van het volk en veelal wordt de moraal aan het einde van het verhaal opzettelijk uitgesproken. Vaak dienen de dierenfabels om tegenstrijdige eigenschappen in het licht te stellen, zooals sluwheid en domheid; handigheid en onbeholpenheid of om nuttige eigenschappen, die door slechte worden tegengewerkt, naar voren te brengen, zooals geslepenheid en geringe nauwgezetheid, brutaalheid en onbetrouwbaarheid enz.

Een bepaalde groep van dierenfabels behoort, evenals vele sagen, zoowel naar wezen als naar inhoud tot de kosmogonische natuur-mythe. Daar de primitieve natuurmensch tusschen mensch en dier geen onderscheid maakt, kunnen de dragers der mythische handeling zoowel menschelijke als dierlijke wezens zijn, die naar willekeur in elkander kunnen overgaan. In de dierenfabels treden dikwijls dieren op, die niet zoozeer door grootte en kracht indruk op de menschen maken, dan wel door bijzondere eigenschappen, die voor hen in het leven van groote waarde zijn, o.a. sluwheid, slimheid en door welke zij er vaak als brengers van waardevolle cultuurbezittingen, als z.g. cultuurhelden in optreden.

Een aantal dierenfabels hebben slechts een zuiver verklarend karakter, voor zoover zij de eigenschappen der dieren uit voorvallen en verschijnselen uit den voortijd willen trachten te verklaren. In deze fabels nemen de dieren niet, zooals bij de eerstgenoemde fabels, zinnebeeldig de rol van menschen over, doch zij zijn in wezen zelf menschen.

Zoowel in de dierenfabels als in de sprookjes heeft de scheppende fantasie vrij spel en deze wordt bij de natuurvolken nog sterk beïnvloed door bijgeloovige voorstellingen, die de omgeving, waarin het volk leeft, sterk in de hand werkt.

Uit deze korte beschouwingen blijkt wel, dat een scherpe onderscheiding tusschen mythen, sagen, dierenfabels en sprookjes niet altijd mogelijk is, evenmin als sagen en legenden altijd scherp uit elkander te houden zijn.

Oorspronkelijk noemde men legende een dichterlijke voorstelling van een of andere kerkelijke overlevering, de levensbeschrijving van een heilige, in het algemeen het verhaal eener gebeurtenis, die betrekking heeft op geloof en godsdienst, en doorgaans een wonder bevat. Gedurende de godsdienstoefeningen moesten deze verhalen worden voorgelezen (vandaar de naam legende = wat gelezen moet worden). Later paste men dezen naam ook toe op overleveringen van gebeurtenissen, die met geloof en godsdienst in geenerlei verband staan.

Ehrenbreit heeft er terecht op gewezen, dat, wanneer de mythe als primitieve natuurbeschouwing wordt opgevat, die door de fantasie in beeld gebracht is, zij toch niet als de uiting eener primitieve godsdienst mag worden aangemerkt, omdat zij geheel onafhankelijk is van godsdienstige voorstellingen en motieven en nog uitsluitend beheerscht wordt door vrees voor geesten en natuurdemons en door een geloof aan toovermiddelen, die den kwaden invloed dezer machten kunnen neutraliseeren.

De „godsdienst” der Indianen behoort nog tot het zuivere animisme*. Hunne mythische voorvaderen en fabelachtige stamhelden mogen in geenendeele als Goden beschouwd worden, daar zij, afgezien van een genealogischen band, geen betrekking meer tot de menschen hebben.

Het geloof aan een Godheid, aan één enkel Opperwezen, gedragen door een dienst, die door een bijzonderen priesterstand wordt uitgeoefend, die zich boven den arbeid van de z.g. tooverkunstenaars of geestenbezweerders verheft, komt, volgens de meeste schrijvers, bij de Indianen niet voor en strookt ook niet met de oorspronkelijke denkwijze der Indianen. Wanneer mededeelingen van sommige schrijvers deze meening schijnen te logenstraffen, hebben zij Indianen op het oog gehad, wier godsdienstige begrippen reeds onder Christelijken invloed gewijzigd zijn.

Wel erkennen de meeste stammen een z.g. Grooten Geest, die de Caraïben Tamoesi (= de oude), Tamoesi Kabotana (= de oude in de lucht) of Makoenaima (= de onbekende) en de Arowakken Wa Murreta kwonei (= onze maker), Wa cinaci (= onze vader) of Ifilici wacinaci (= onze grootvader) noemen, en door de Warraus met Konowato (= onze maker) wordt aangeduid; doch in geen dezer namen ligt, zooals Im Thurn (T.), Dr. H. ten Kate (K.), Ehrenbreit (E.), Walter E. Roth (R.) en anderen uitdrukkelijk verklaren, het denkbeeld van een Albestuurder, van een God ten grondslag. Veeleer zijn deze Goden de dooden van iederen stam, die in de herinnering van het volk voortleven en als de traditioneele stichters der stammen, als hunne Nationale Helden moeten beschouwd worden. Aan deze nationale helden wordt bij de wereldschepping een bijzondere rol toegekend, waardoor deze voorvaderen vanzelf tot cultuurhelden worden.

Een vermenschelijking, een personificatie van natuurverschijnselen, behoeft, zoo betoogt Ehrenbreit terecht, op zich zelf nog geen godsdienstig bewustzijn te onderstellen, dat door een geloof aan godheden, die de natuur en de menschheid beheerschen, wordt gedragen.

Een ontwikkeling tot hoogere eeredienstvormen, en daarmede een scherper naar voren treden uit de menigte onbestemde natuurgeesten van wezens van goddelijk karakter, die aan vaste functies gebonden zijn, is overal, en in het bijzonder in Amerika, aan den landbouw gebonden, wanneer deze wordt uitgeoefend onder omstandigheden, die den arbeid van den mensch waardeloos kunnen maken.

In tropisch Zuid-Amerika, waar de landbouw der primitieven nog eenvoudige hakbouw is, die naast de jacht en visscherij den Indiaan van het noodige voorziet, komt een vrij groote regelmaat in de atmosferische neerslagen voor. Droge en natte seizoenen wisselen elkander regelmatig af, zoodat het denkbeeld van de inwerking van bovenaardsche machten, die regelend in de natuur optreden, bij hem niet kon opkomen. Hier was het voldoende, door tooverij de dierengeesten te beïnvloeden, ter verzekering eener goede opbrengst van de jacht en de visscherij. Het naïve denken van den natuurmensch ziet in alle natuurverschijnselen, in overeenstemming met zichzelf, zelfstandig handelende wezens en op alle verschijnselen, die hij in de natuur waarneemt, draagt hij animistische, d.i. in zijn geloof aan geesten wortelende voorstellingen over.

De mythologie der Indianen houdt zich dus streng aan de natuurverschijnselen. Slechts zon en maan zijn voor den Indiaan tot persoonlijke godheden geworden, terwijl allerlei metereologische krachten, verschillende dieren, opvallende verschijnselen in het niet-organische rijk, zooals rivieren, zeeën, bergen, rotsen, als godheden van lageren rang en van een onbepaald karakter worden beschouwd.

De lezer zal van deze verzameling Indiaansche mondelinge overleveringen, geloof ik, met grooter belangstelling kennisnemen, zij zal hem ook een grooter genot schenken, wanneer hij bovenstaande korte beschouwingen overdenkt. Hem zal ook de inhoud van vele verhalen niet meer zoo vreemd toeschijnen, wanneer hij zich voor oogen houdt, dat deze natuurmenschen, die van hun zuiver menschelijk standpunt uitgaande, de dingen om zich heen waarnemend, de natuurverschijnsels ook slechts op een zoodanige wijze weten uit te drukken, die aan hunne eigen handelingen ontleend zijn.

Dat een dichterlijke aard en een filosofische aanleg aan den Indiaan niet ontzegd mogen worden, daarvoor zal deze bundel ten bewijze kunnen strekken.

Mogen sommige schrijvers wel wat overdreven hebben, wanneer zij de Indianen een volk van dichters en wijsgeeren noemen, zeker is het, dat er onder hen groote dichters voorkomen, dat zij, in het algemeen gesproken, dichterlijk en wijsgeerig zijn aangelegd en dat, waar het er in de „beschaafde” wereld met de moraal niet beter op wordt, die van de Indianen aan een ieder, die in hun gemoed poogt door te dringen, eerbied afdwingt.

Verwonderen kan het dus niet, dat hij, die, zij het slechts korten tijd, te midden der Indianen verblijf heeft mogen houden, het leven in de zoogenaamde beschaafde maatschappij slechts met een gevoel van afkeer kan beschouwen [3] en dat de Indiaan, die een tijd lang in de voor hem zoo vreemde wereld heeft doorgebracht, met een onbedwingbare macht weêr naar zijn land en zijn volk wordt heengetrokken. Hij verlangt—zooals een Indiaan, die Europa bezocht, het uitdrukte—niet meer terug „naar het koude, hartelooze land der blanken”.

„Het is niet mijn wensch nog langer te leven Daar ginds in het land van mijn blanken genoot. Bij d’ Indianen te blijven mocht mij zijn gegeven, Tevreden, gelukkig zou ’k zijn tot mijn dood. Waar ’k, paar’lend [4] mijn kano, op vischvangst of jacht Mijn kind’ren zie groeien, aan faunen gelijk, Kan ’k blij van gemoed zijn, het lichaam vol kracht Tevreê zonder goed, zonder goud—en toch rijk!” [5]

LIJST DER IN DEZEN BUNDEL OPGENOMEN MONDELINGE OVERLEVERINGEN DER INDIANEN. [6]

1. De Geschiedenis van Haboeri. 2. De oorsprong der eerste menschen. 3. De oorsprong van het menschdom. 4. De oorsprong der Caraïben. 5. Hoe de Caraïben gekweekte planten leerden kennen. 6. De dochter van den geestenbezweerder. 7. Hoe lichaamspijnen, dood en ellende in de wereld kwamen. 8. Het hoofd van den Boschgeest en de nachtzwaluw. 9. De vrouw, die een boschgeest nabootste. 10. De Geest van de schimmelplant redt het jonge meisje. 11. De jagoear, die in een vrouw veranderde. 12. De man met een baboenvrouw. 13. De schildpad, die de boschrat er in liet loopen. 14. De bedrieger bedrogen. 15. Tijger en miereneter. 16. Hariwali en de wonderboom. 17. Legende van den Ouden man’s val. 18. Amanna en haar praatzieke man. 19. De zon en zijn beide tweelingzoons. 20. De legende van den vleermuisberg. 21. De uil en zijn schoonbroêr-vleermuis. 22. De lichtkever en de verdwaalde jager. 23. De bina, de weder in het leven geroepen vader en de slechte vrouw. 24. Hoe een jong Warrau-indiaantje uit de handen der Caraïben ontkwam. 25. Sluit de oogen en doe een wensch. 26. De gelukspot. 27. De honigbij en de zoete drank. 28. De piaiman en de stinkvogels. 29. Hoe het ongeluk over de menschen kwam, of De geschiedenis van Macanoura en Anoeannaïtoe. 30. De kolibri, die tabak brengt aan den eersten piaiman. 31. Het ontstaan der vrouwen-stammen. 32. Het gebroken ei. 33. De geest van den pasgeborene. 34. De huid van den Reuzenslang of Hoe de vogels hun tegenwoordig gevederte kregen. 35. Een waarschuwing aan de vrouwen. 36. Hoe een man van zijn luiheid genezen werd. 37. De zwarte tijger, Wau-oeta en de gebroken pijl. 38. De legende van Letterhoutstomp. 39. De legende van Arimoribo en Jorobodie. 40. Uitdrijving van een priester uit den Indiaanschen hemel. 41. Uitdrijving van Indianen uit den Hemel der Paters. 42. Bezoek van Caraïben aan Macoesi-land. 43. Legende van Paramaribo. 44. Legende van Post-Sommelsdijk. 45. Einde van den Indiaanschen broederoorlog. 46. De groote bloedzuigende vleermuis. 47. Legende van Mapajawari of De uitroeiing der menscheneters.

48. Migratie-legende der Creek-Indianen van Georgia.

Het verhalen van de avonturen hunner Goden of Nationale Helden behoort bij alle Indianen stammen van oudsher tot de eerste wederkeerende plichten, die tegenover het nageslacht trouw moeten worden nagekomen.

In Noord Amerika werden daarvoor de lange winteravonden gebruikt, en de verteller wist dan meestal door zijn bijzonder talent tranen en lachbuien bij het jonge volk te wekken en de harten der krijgers van het heilige vuur te doen doordringen, vooral wanneer het noodzakelijk geacht werd, op het oorlogspad te gaan.

Hoewel deze tijden sedert de verspreiding der blanken over hunne woongebieden voorbij zijn, wordt toch nog van hunne mythische Helden en Goden gaarne verteld. In het leven van de oorspronkelijke menschheid is er misschien niets, wat zoozeer op een poëtisch aangelegd gemoed werkt als zich een vertelavond in een Indiaansche hut voor te stellen, wanneer de oude wijze man in zijn eenvoudige, onopgesmukte taal van een der Nationale Helden vertelt, die den Zonnegod overwon en de seizoenen en de dagen in het leven riep.

Zoowel de Noord- als de Zuid-Amerikaansche Indianen bezitten tal van verhalen, waarin mythische Helden als hoofdpersonen optreden. Uit den lijvigen bundel, die Walter E. Roth (R.) in het licht heeft gegeven en die, uit de drie Guyana’s afkomstig, voor het meerendeel door hem ter plaatse zijn opgeteekend, kies ik in de eerste plaats:

De Geschiedenis van Haboeri (No. 1), een der mythische helden der Warraus, die door hen den „vader der uitvindingen” wordt genoemd. Aan dezen cultuurheld dankt de Warrau zijn zoo voortreffelijke vaartuigen (korjalen), waarom hij hem in dit verhaal eert. Behalve dat wij hier ook reeds met willekeurige transformaties van menschen in dieren en omgekeerd kennis maken, en er de herhaaldelijk in hunne vertellingen voorkomende verklaring van de eigenschappen van diersoorten in aantreffen, wordt er ook van een der vele bij verschillende stammen heerschende meeningen omtrent den oorsprong van het menschdom in gewag gemaakt.

Hier wordt deze n.l. op de aarde gedacht, en daar de Indianen in het algemeen zich geen ontstaan kunnen denken uit iets, wat te voren niet bestond, zoo gelooft de Warrau, dat de mensch, of liever de eerste voorvader van zijn stam, hetzij uit verschillende dieren, hetzij uit een of andere plant (in No. 1) of ook wel uit rotsen, steenen of rivieren is te voorschijn gekomen.

De Caraïben daarentegen nemen aan, dat de mensch uit de lucht is neêrgedaald. Het verhaal, dat wij in No. 2 geven en uit Engelsch Guyana afkomstig is, behoort tot de z.g. mythencyclus der Caraïben, die zich scherp onderscheidt van die der Arowakken. Dit verhaal is niet alleen een der vele voorbeelden in de Indiaansche folklore, waarin dieren als brengers van cultuurplanten worden geschetst, maar het stelt ook de waarheid in het licht, die, hoeveel minder ook van toepassing op de Indianen-maatschappij, hier toch ook haar intrede schijnt te hebben gedaan (onder den invloed der blanken?) dat „ondank ’s werelds loon is”.

Hoe een zelfde mythe, met grootere of kleinere wijzigingen, bij verschillende stammen wederkeert, mag uit No. 3 blijken, waarin wij de zelfde mythe uit den mond van een Warrau-Indiaan weêrgeven.

Wanneer, zooals den lezer bij de kennisname van dit en andere Indiaansche verhalen zal opvallen, meermalen gesproken wordt van „vogels en dieren”, dan komt dit voort uit het geloof aan den oorsprong van de menschen in de lucht, waar zij nog geen andere dieren kenden dan vogels.

Ook in de mythen, die het ontstaan van het menschdom op de aarde laten plaats vinden, en waartoe de cyclus der Arowakken behoort, vinden wij nergens aanduidingen van een geloof uit niets, noch spontaan, noch door bemiddeling van den Grooten Geest.

De Arowakken-cyclus heeft als leidend kenmerk het ontstaan van alle levende wezens uit een hol in den grond, dat ook wel eens in de gedaante van een mensch, n.l. als een steenen vrouw wordt voorgesteld.

In verband met de later te bespreken legenden, die op volksverhuizingen (migraties) betrekking hebben, is het de aandacht waard, dat in de scheppingsmythen van vele Indianen o.a. van de Navajoes en de Algonkins van Noord-Amerika, het bedoelde hol steeds in het Westen wordt gedacht, terwijl het niet minder treft, in bedoelde mythen het voorval met de dikke vrouw (zie No. 2 en 3) terug te vinden, die ook daar de oorzaak er van was, dat slechts een deel der menschen het aardoppervlak bereikte. Bij bovengenoemde stammen braken door de zwaarte der vrouw de zeer lange wortels af, die in het gat van den aardbodem groeiden, zoodat een aantal menschen weder in het hol terugvielen. Ook in de Migratie-legende van de Creek-Indianen van Georgia, die ik als bijvoegsel onder No. 48 aan dezen bundel heb toegevoegd, wordt van het ontstaan hunner voorvaderen uit een hol onder den grond verteld.

Bij talrijke stammen heerscht het geloof, in hunne mythen uitgedrukt, dat het menschdom uit verschillende dieren, planten, rotsen, steenen en rivieren ontstaan is.

De volgende mythe van dezen bundel (No. 4), getiteld: „De oorsprong der Caraïben”, doet de menschen uit dieren geboren worden. Zij schijnt van de Warraus afkomstig te zijn, die haar naar de Caraïben hebben overgebracht. Hier treffen wij dus het omgekeerde aan ten opzichte van de mythe, die het menschdom buiten de aarde ontstaan denkt. Voor de lezers, voor welke deze bundel bestemd is, geven wij de voorkeur aan de Caraïbische lezing.

Sommige stammen leiden het menschdom af, hetzij van een Mythischen Levensboom (zie blz. 20), hetzij van bepaalde boomen, bijv. de Zijdekatoenboom of de Kankantrie* en de Itapalm*. Volgens de Akawai- en Macoesi-stammen van Engelsch Guyana moet er een boom geweest zijn, waarin de Groote Geest, Makoenaima, omhooggeklommen is en met zijn steenen bijl stukken hout heeft afgeslagen, die in menschen en verschillende dieren veranderd zijn. Bij de Arowakken wordt bepaaldelijk de kankantrie als de oorsprong van menschen en dieren aangewezen. Ook bij hen zou Makoenaima stukken van takken en van den bast van dezen boom in de lucht, het water en op het land geworpen hebben en daaruit zouden dieren en ook mannen en vrouwen zijn voortgekomen.