Mythen en sagen uit West-Indië

Part 1

Chapter 13,231 wordsPublic domain

MYTHEN EN SAGEN UIT WEST-INDIË

DOOR Dr. H. VAN CAPPELLE.

GEÏLLUSTREERD DOOR WILLEM BACKER

ZUTPHEN—W. J. THIEME & CIE—MCMXXVI

Aan mijne vrienden

C. VAN DRIMMELEN,

Oud-Agent-Generaal voor de Immigratie, Oud-Lid van den Raad van Bestuur in Suriname, den sympathieken strijder voor de belangen der Amerikaansche Negerbevolking en mijn onvermoeiden tochtgenoot door de Binnenlanden van het District Nickerie, die met zijn helderen blik in de Negerpsyche onzen zwarten arbeiders een vaderlijke leidsman was

en

Dr. HERMAN F. C. TEN KATE,

den Nederlandschen Anthropoloog en wereldreiziger—den eminenten kenner en vriend der Indianen,

draag ik dezen bundel op.

H. VAN CAPPELLE.

VOORWOORD.

Wanneer wij onder West-Indië niet alleen de eilandenreeks verstaan, die, tusschen den 10en en 28en graad N.B. gelegen, zich in een boog van de Zuidspits van Florida tot de Noordkust van Zuid-Amerika uitstrekt, en de noordelijke omranding van de Caraïbische Zee vormt, doch ook het gedeelte van het vasteland van Zuid-Amerika, dat onder den naam Guyana bekend is en dat ten N. door den Atlantischen Oceaan en den Orinoco, ten O. door den Atlantischen Oceaan, ten Z. door de Amazonen-rivier en de Rio Negro en ten W. door de Orinoco en de Cassiquiare begrensd wordt, mag de titel van dezen bundel der Mythen- en Legenden-serie gerechtvaardigd zijn, daar het overgroote deel der hierin opgenomen mondelinge overleveringen niet op de West-Indische eilanden, doch in Guyana is bijeengebracht.

Dat ik uit den rijken schat van Mythen, Sagen, Legenden enz. die nog bij de zoo sympathieke, helaas! voortdurend afnemende oorspronkelijke bevolking van Guyana, de Indianen—op de eilanden bijna geheel verdwenen—een belangrijk deel van het materiaal voor dezen bundel heb gekozen, en dat ik deze verzameling in de tweede plaats aan den onuitputtelijken rijkdom, die de mondelinge litteratuur van het nu in West-Indië zoozeer overheerschende element, de Negerbevolking, aan den folklore-onderzoeker verschaft, ontleend heb—lag voor de hand.

In dezen bundel, waarin de voortbrengselen van den geest van twee der meest uit elkander loopende volken der aarde met elkander vergeleken kunnen worden, kan het den lezer zeker niet duidelijker worden gemaakt, dat Mythen, Sagen en Legenden, die als overoude herinneringen uit lang vervlogen tijden zijn blijven voortleven, een getrouwe afspiegeling zijn van het leven en denken van een volk, en dat, hoe groot, ook in geestelijk opzicht, de volken onderling mogen verschillen, telkens een eenheid, ook in denken, naar voren treedt, die onmiskenbaar op een gemeenschappelijken oorsprong heenwijst.

Hoewel in dezen bundel niet alleen vertellingen voorkomen, die hetzij Mythen, hetzij Sagen of Legenden moeten genoemd worden, doch ook dierenfabels rijkelijk vertegenwoordigd zijn, is de titel, die het eerst voor dezen bundel in de gedachte kwam, behouden.

Over de bezwaren, welke er voor een kunstenaar, die in het land van herkomst geen studies maakte, aan verbonden zijn, om, in overeenstemming met de andere bundels van Thieme’s mythen- en legenden-serie, treffende plaatsen uit den tekst te illustreeren, ben ik, den lezerskring in aanmerking genomen, voor welken deze bundel in de eerste plaats bestemd is, ten slotte heengestapt. Dankbaar mag ik erkennen, dat de veelbelovende kunstenaar Willem Backer, voor wien niets te veel was, om in de gedachtenwereld en het zieleleven van twee hem geheel vreemde menschenrassen door te dringen, met zijn rijke phantasie en zijn illustratief-decoratief talent belangrijk tot de poging heeft bijgedragen, om door middel van hunne geestelijke voortbrengselen het leven van twee zoo belangwekkende vertegenwoordigers van het menschdom uit te beelden. Het in beeld brengen van de voorstelling der Indianen en der Negers, die, evenals andere natuurvolken, in hunne vertellingen de dieren als menschen laten optreden en willekeurig in elkander laten overgaan, heeft nog geen ander illustrator aangedurfd. Onze zoölogen zullen dus aan een spin met twintig, in plaats van met acht pooten, geen aanstoot mogen nemen.

Ten gerieve van hen, die dieper in het aantrekkelijke onderwerp wenschen door te dringen, heb ik een, uit den aard der zaak, onvolledig litteratuur-overzicht laten voorafgaan, waarnaar de Nederlandsche lezer door de in den tekst tusschen haakjes geplaatste letters verwezen wordt.

Een woord van bijzonderen dank ben ik hier verschuldigd aan mijn vriend, den Heer C. van Drimmelen, en niet minder aan diens echtgenoote, Mevrouw B. E. C. van Drimmelen, geb. Wolff, die steeds bereid waren, op mijne vragen betreffende gewoonten en de taal der Surinaamsche Negers te antwoorden, terwijl hier ook een woord van dank op zijn plaats is aan de Uitgeefster, de Firma W. J. Thieme & Cie, voor hare medewerking, om dit deel harer Mythen- en Legenden-serie boven het volume harer reeds verschenen bundels te laten uitdijen.

Moge deze verzameling er toe bijdragen, de Indianen en de Negers in een ander licht te doen schijnen, dan waarin de oningewijde van het blanke ras hen, met andere gekleurde rassen, gewoon is te beschouwen en tevens bij den lezer de overtuiging te vestigen, dat de eertijds onderstelde psychische kloof tusschen Blanken en de gekleurde rassen niet bestaat, en dat zoowel het Indiaansche als het Negerras, bij verstandige en goede leiding, voor hoogere ontwikkeling alleszins vatbaar zijn en beiden hunne plaatsen zullen kunnen innemen op den naar hooger strevenden weg, dien het menschdom met zijn vele stamverwante elementen heeft ingeslagen.

GEBEZIGDE LITTERATUUR.

B.a. W. H. Barker, and C. Sinclair. West-African folk-tales. London, George G. Harrap and Company, 1917. B. H. W. Brett. Legends and myths of the aboriginal Indians of British Guyana. Londen, (omstreeks 1880). C.a. Dr. H. v. Cappelle. Bij de Indianen en Boschnegers van Suriname. Elseviers Maandschrift 1902, No, 4, 5 en 6. C.b. —— De Binnenlanden van het District Nickerie. Met talrijke platen en afbeeldingen en een overzichtskaart. Hollandia-drukkerij, Baarn, 1901. —— Zelfde werk in Fransche uitgave, getiteld: Au travers des forêts vierges de la Guyane hollandaise. Baarn, Imprimerie Hollandia, Paris, Ch. Béranger, Editeur, 1905. C.c. —— Essai sur la Constitution Geólogique de la Guyane hollandaise. Zelfde uitgevers, 1907. C.d. —— Surinaamsche negervertellingen. Elsevier’s Maandschrift, 1904, blz. 314–327. C.e. —— Surinaamsche negervertellingen. Bijdrage tot de kennis van West-Indische neger-folklore. (Bijdragen tot de Taal-, Land- en Volkenkunde van Ned.-Indië, Deel 72, Afl. 1 en 2, 1916). C.f. —— De Kankantrie. De Boschgouverneur van den Surinaamschen neger. Elseviers Maandschrift, Maart 1905. Co.a. C. van Coll. Gegevens over Land en Volk van Suriname. (Bijdragen tot de Taal-, Land- en Volkenkunde van Ned. Indië, 1903). Co.b. —— Contes et légendes des Indiens de Surinam. (Anthropos II, III. 1907 en 1908). Cr. Florence Cronise and Henry W. Ward. Cunnie Rabbit, Mr. Spider and the other beef. West-African folk-tales. London. Swan Sonnenschein and Co. 1903. D. Chas Daniel Dance. Chapters from a Guianese log-book. Demerara 1881. Di. C. van Drimmelen. De Neger en zijn cultuurgeschiedenis (West-Indische Gids. December 1925). E. Paul Ehrenreich. Die Mythen und Legenden des Südamerikanischen Urvölker. Berlin 1905. El. A. B. Ellis. The Tsji-speaking peoples of the Gold-coast of West-Africa. London, Chapman and Hall, 1887. El.a. —— The Ewe-speaking peoples of the Slave-coast of West-Africa. London, Chapman and Hall, 1890. El.b. —— The Yoruba-speaking peoples of the Slave-coast of West-Africa. London, Chapman and Hall, 1894. Ga. Albert S. Gatschet. A Migration-legend of the Creek-Indians. Philadelphia. D. S. Brinton, 1884. Go. C. H. de Goele. Beiträge zur Völkerkunde von Surinam (Arch. für Ethnographie. Band XIX. Leiden 1908). H. J. H. J. Hamelberg. Cuenta di nansi (Derde Jaarverslag van het Geschied., Taal-, Land- en Volkenkundig Genootschap te Willemstad, 1899). Ha. J. Chandler Harris. Uncle Remus and his sayings. The folklore of the Old Plantation. Londen—New-York. Hu. Alex. von Humboldt. Ansichten der Natur. Stuttgart, 1849. Hu. Alex. von Humboldt. Zelfde werk in Nederl. Vertaling door Dr. E. M. Beima. Leiden, 1850. Je. Walter Jekyll. Jamaican song and story. Londen, David Nutt, 1907. Jo. Dr. J. P. Josselin de Jong. Blackfoot Texts from the Southern Peigans. (Verh. Kon. Akad. v. Wetensch., Afd. Letterkunde. Nieuwe Reeks. Deel XIV, 1914.) Joh. Harry H. Johnston. The Negro in the New World. London, Methuen and Co. 1910. K. Dr. Herman F. C. ten Kate. Reizen en onderzoekingen in Noord-Amerika. Leiden, E. J. Brill, 1885. K.a. —— Over Land en Zee. Zutphen, W. J. Thieme & Cie., 1925. K.b. —— De Benedenlandsche Indianen, in Encyclopedie van Ned. West-Indië. 1914. K.c. —— De Indiaan in de Letterkunde. (De Gids. Jaargang, 1919). Ko. H. van Kol. Naar de Antillen en Venezuela. Leiden, A. W. Sijthoff, 1904. N. Robert H. Nassau. Where animals talk. West-African Folk-lore Tales. Londen, Duckworth and Co. P.a. F. P. en A. P. Penard. De menschenetende aanbidders der Zonneslang. Paramaribo, 1907. P.b. —— Surinaamsch bijgeloof. (Bijdr. tot de Taal-, Land- en Volkenk. van Ned.-Indië, Deel 67, Jaargang 1912). P.c. A. P. Penard. Surinaamsche Volksvertellingen. (Bijdragen tot de Taal-, Land- en Volkenkunde van Ned. Indië. Deel 80. Jaarg. 1924). P.d. A. P. en E. E. Penard. Surinam Folk-tales. (The Journal of American Folklore. Vol. XXX No. CXVI. 1917). Ph. Jhr. L. C. van Panhuys. Artikel: Boschnegers in de Encyclopedie van West-Indië. 1914. R. Walter E. Roth. An inquiry to the animism and folklore of the Guiana Indians. (Thirtieth annual report of the Bureau of American Ethnology to the Secretary of the Smithsonian Institution. Washington 1915). R.a. —— An introductory study of the arts, crafts and customs of the Guiana Indians. (Thirty-eighth annual report of the Bureau of American Ethnology enz. Washington 1916–1917). S. F. Stähelin. Buschneger-Erzählungen von Surinam. (Hessische Blätter für Volkskunde. Jaarg. 1908 en 1909). T. E. F. Im Thurn. Among the Indians of Guiana. London 1883.

INHOUD.

Blz. Voorwoord. Overzicht der geraadpleegde litteratuur. I. Mythen, Sagen en Legenden der Indianenbevolking van West-Indië 1 Inleidende beschouwingen 1 Lijst en inhoud der verhalen 7 Indianen-vertellingen 65 II. West-Indische Neger-folk-lore 197 Inleidende beschouwingen 197 De Surinaamsche anansi-tori en hare oorsprong 203 Lijst en inhoud der Surinaamsche Neger-vertellingen 235 De anansi-tori en het bijgeloof, door M. H. Nahar 246 Vertellingen der Surinaamsche Stadsnegers 258 De anansi-tori der Surinaamsche Boschnegers 342 Neger-vertellingen uit het West-Indische Eilanden-gebied 350 Curaçaosche Neger-vertellingen. Cuenta di Nansi 350 Creoolsche folk-lore van St.-Eustatius 360 Neger-vertellingen van Jamaica 365 III. Bijvoegsels. Neger-spreekwoorden 380 Avond op het water in Sierra Leone. Naar Florence M. Cronise en Henry Ward 385 Dierenfabel, verteld door een Bantoe-neger van den Mpongwe-stam uit West-Afrika, naar Robert H. Nassau 393 IV. Verklarend register 396

LIJST VAN ILLUSTRATIES.

Tegenover bldz.

Aan den rand van den afgrond strekte zij hare armen uit Titel .... en niettegenstaande Haboeri met zijn parel hare vingers bijna stuk sloeg, wilde zij niet los laten 64 .... toen hij, in zijn tijdelijk verblijf komend, een vrouw in de hangmat zag liggen en geen baboen op den barbakot 88 Daarna stortte het bootje met het slachtoffer en al zijn zandvlooien omlaag 100 .... een hut waarvoor een stokoude vrouw zat, die in werkelijkheid een kikvorsch was 108 .... want haar man zat zoowaar in levenden lijve in de hut 116 .... want plotseling legde de gier het veerenkleed af, en veranderde in een vrouw 128 .... durfden zij niet naderbij komen 160 In twee groote kanoa’s verlieten de strijders de plaats waar de moord op Majapawari geschied was 192 Daar deze negerzangen, ter begeleiding der eentoonige roeibewegingen, in Suriname aan een tocht op het water even onafscheidelijk verbonden zijn geworden 224 Heer Spin rolde in zijn uniformjas over den grond 256 .... ging tusschen zijn kinderen staan en vroeg .... 272 „Goeden dag, waarde vriendin” 276 Wanneer zij haar maal gereed had, riep zij haar vriend met luide stem 280 Heer Spin kwam met een zwarten bril op en groette het gezin 283 .... en ging den Dood opzoeken 296 Tot hij op zekeren dag met een tamarindezweep werd afgeranseld 304 Eerbiedig bogen ze voor den wijzen man 312 .... en begon hij, inplaats van de doekoens naar beneden te werpen, zich flink te goed te doen .... 320 Daar zagen zij een meisje onbeheerd zitten 328 .... waaruit zij tot hare groote verbazing tal van gouden, zilveren en andere waardevolle voorwerpen zag te voorschijn komen 336 De duivel .... ging toen bij een smid om zijn tong te laten vijlen 344 Daarom zul je mij van nu af op je rug moeten dragen 352 .... voegde Reiger zich bij hen en luisterde gretig naar wat zij vertelden 374

VERBETERINGEN.

Blz. 2 regel 15 v. b. staat: wreedzame, lees: vreedzame. ,, 5 ,, 4 v. b. ,, : hebben, ,, : heb. ,, 7 ,, 6 v. o. ,, : geidialiseerd, ,, : geïdealiseerd. ,, 11 ,, 2 v. b. moet met wegvallen. ,, 17 ,, 10 v. o. staat: voor, lees: voort. ,, 28 moeten de regels 9 en 10 v. o. omwisselen. ,, 33 regel 5 v. o. staat: heuvel, lees: hemel. ,, 33 ,, 1 v. o. ,, : 19, ,, : 20. ,, 39 ,, 7 v. b. ,, : hebben, ,, : heeft. ,, 60 ,, 8 v. o. ,, : tot, ,, : in. ,, 112 ,, 11 v. o. ,, : schoonbroeder, lees: schoonbroeders. ,, 112 ,, 9 v. o. ,, : broêr, lees: broêrs. ,, 121 ,, 3 v. b. ,, : hadden, ,, : had. ,, 137 ,, 4 v. b. ,, : wraken, ,, : wrake. ,, 142 ,, 2 v. b. ,, : hem, ,, : hen. ,, 142 ,, 3 v. b. ,, : zij, ,, : hij. ,, : hem, ,, : hen. ,, : zouden, ,, : zou. ,, 151 ,, 7 v. o. ,, : weefpatroon, lees: vlechtpatroon. ,, 162 ,, 4 v. o. moet niet wegvallen. ,, 189 ,, 3 v. b. en regel 4 v. o. staat: kanibalen, lees: kannibalen. ,, 189 ,, 8 v. b. staat: Giorgia, lees: Georgia. ,, 231 ,, 5 v. o. ,, : het, ,, : den. ,, 241 ,, 1 v. b. ,, : het, ,, : den.

I. INDIANEN-BEVOLKING VAN WEST-INDIË.

INLEIDENDE BESCHOUWINGEN.

Vóór de komst der blanken was Amerika bewoond door talrijke Indianenstammen, die zoowel door taal als door lichamelijke en geestelijke verschillen zich van elkander onderscheidden. Ook in het deel van Zuid-Amerika, dat wij West-Indië hebben genoemd, waren de stammen, om een Indiaansche vergelijking te gebruiken, talrijk als de korrels in het zand eener savanne*. [1]

In de bevolking van Amerika was toen reeds het proces eener ontwikkeling in uiteenloopende richtingen in vollen gang en had het Roode Ras* zich reeds uit den staat van barbaarschheid weten op te heffen—was reeds lang de kiem gelegd tot een moraal, welke een ieder, die in de Indianen-ziel heeft weten door te dringen, met den grootsten eerbied heeft vervuld, en die in velerlei opzicht tot voorbeeld mag strekken aan een groot deel der menschheid van het hedendaagsche Europa.

Zooals overal, waar natuurvolken met het blanke element in nauwere aanraking komen, heeft de nadeelige invloed van de toenemende blanke bevolking zich op de kinderen van het land, de Indianen, doen gelden. Doch niettegenstaande dezen invloed, die niet alleen uitroeiing op groote schaal met zich bracht—van de eenmaal zoo aanzienlijke Indianenbevolking der West-Indische eilanden is zoo goed als niets meer overgebleven—maar ook een ontaarding van het ras met zich sleepte, is er nog veel van het schoone, dat de Indiaan in moreel opzicht boven zijn blanke overheerschers verheft, overgebleven, en heeft hij door het van geslacht op geslacht oververtellen van zijn mythen- en legendenschat de grondstellingen van zijn verheven zedenleer voor zijne nakomelingen—de moraal van zijne onderdrukkers ten spijt—weten te bewaren en zijn wij in staat, ook den belangstellenden Nederlandschen lezer daarvan te laten genieten, hoezeer ook zijne mondelinge overleveringen den invloed der latere binnendringers, zoowel van Blanken als van Negers, hebben ondervonden.

Het grootste deel van het materiaal, waarover ik voor deze verzameling kon beschikken, is afkomstig uit een tijd, toen de Indianen reeds lang aan vreemde invloeden blootgesteld waren geweest.

De wreede tijden der Spaansche veroveraars (conquestadores), toen het meest vreedzame en het meest daarvoor toegankelijke deel der Indianen, vooral op het West-Indische eilandengebied, op ruwe wijze vernietigd was geworden, zijn voor het mythen-onderzoek weinig vruchtbaar geweest; en in de daarop volgende periode, toen het overgebleven deel, nog het talrijkst in Guyana’s uitgestrekte oerwouden, de aanraking ondervond van blanke zendelingen, deels der Katholieke, deels der Hernhutter missies, zijn de mondelinge overleveringen, hetzij door missionarissen, hetzij door wetenschappelijke reizigers, die de groote waarde van het vergelijkende mythen-onderzoek toen nog niet konden vermoeden, bij verschillende stammen te boek gesteld, zoodat wij het oorspronkelijk element in de mythen en legenden uit die tijden veelal vertroebeld vinden door het later daarin gebrachte Christelijke element.

Vooral de mythen en legenden der Benedenlandsche Indianen, die wij aan den arbeid van W. H. Brett (Br.), voor Engelsch Guyana en van C. van Coll (Co.), voor Nederlandsch Guyana—beiden Katholieke zendelingen,—en aan den arbeid van de gebroeders Penard (P.a.), voor Suriname te danken hebben, geven ons, zooals Dr. Herman ten Kate, een der beste Nederlandsche Indianen-kenners, terecht heeft opgemerkt (K.b.), een duidelijk beeld van de groote veranderingen, die de verhalen onder den invloed der blanken, vooral der zending, hebben ondergaan.

Ook de toenemende aanraking der Indianen met de Negerbevolking, die meer en meer het woongebied der Indianen binnendrong, heeft niet nagelaten, hier en daar het oorspronkelijke Indiaansche element in de mondelinge overleveringen te versluieren.

Bij eene kennisneming der in dezen bundel bijeengebrachte verzameling zal menig lezer herhaaldelijk ook aanknoopingspunten ontdekken met de mythen-schat der Oude wereld en het is zeker de groote verdienste van Paul Ehrenreich (E.) geweest, het hoogst waarschijnlijk te hebben gemaakt, dat de mythenschat der Zuid-Amerikaansche Indianen het overblijfsel is van een oeroude vroeger over het geheele gebied der Nieuwe wereld verspreide groep van overleveringen, en dat aan den anderen kant een in jongere tijden uit het Noorden langs de Stille Zuidzee komende groep van mythen- en sagenelementen er mede gemengd is geworden, die gedeeltelijk tot in het Oostelijk Halfrond vervolgd kan worden.

Dit jongere mythenelement, dat het Noordwestelijk gebied van Noord-Amerika met deelen van Noordoost-Azië gemeen heeft, blijkt nog tot ver het Zuid-Amerikaansche gebied te zijn binnengedrongen en heeft, zooals begrijpelijk is, dezelfde wegen gevolgd als de stoffelijke bezittingen van het Indiaansche ras, zoodat de groote mythenstroomingen uit het Oostelijk Halfrond met de uitkomsten der Archeologische en Ethnologische onderzoekingen in overeenstemming gebracht konden worden. Het grootste deel der in dezen bundel opgenomen mythen, sagen en legenden der Indianen van West-Indië zijn ontleend aan het belangrijke werk van Walter E. Roth (R.), getiteld „An inquiry into the animism and folk-lore of the Guiana Indians”, een bij uitstek deskundig onderzoeker, die meerdere jaren Commissaris en Beschermer was van de Indianen in het Pomeroen-district van Engelsch Guyana, en wiens onderzoekingen zich ook hebben uitgebreid tot de Indianen van Venezuela, Suriname en Fransch Guyana.

Hoewel wij met den Nederlandschen onderzoeker, Prof. Dr. J. P. B. de Josselin de Jong (J.), moeten erkennen, dat het bijna onmogelijk is, in een der Europeesche talen weêr te geven, wat er in het gemoed van den Indiaan omgaat, wanneer hij in kinderlijk naïeven verhaaltrant het diep-gevoelde gemoed, dat uit vele zijner vertellingen spreekt, tracht bloot te leggen, hebben wij toch gemeend, in dezen bundel de beschaafde schrijftaal te moeten bezigen, teneinde den lezer, wien het vooral om den inhoud te doen is, beter het verhevene, dat het denken der oorspronkelijke bewoners van West-Indië kenmerkt, te laten gevoelen.

Het bijzondere karakter, dat de mythen, sagen en legenden der Zuid-Amerikaansche Indianen vertoonen en waardoor zij zich van den rijken schat, op dit gebied in Noord-Amerika bijeengebracht, onderscheiden, is aan de weelderige tropische natuur van Guyana’s binnenlanden toe te schrijven, zoo geheel verschillend van de landschappen, te midden waarvan de Noord-Amerikaansche stammen verblijf houden. De groote ontwikkeling van het riviernet doet het nl. begrijpelijk voorkomen, dat het tooneel der verhalen voornamelijk de rivieren zijn, aan wier met tropisch oerwoud omzoomde oevers het Indiaansche leven zich in hoofdzaak afspeelt. Daar in dit gebied meren ontbreken, bedoelt de verteller, wanneer hij van meren spreekt, overstroomde rivieroevers.

Terwijl ik mij bij eene keuze voor deze verzameling in de eerste plaats heb laten leiden door het streven, bij den lezer belangstelling te wekken voor het Indiaansche zieleleven, heb ik er in de tweede plaats zooveel mogelijk zorg voor gedragen, dat de voornaamste natuur- en cultuurvoortbrengselen, die het bestaan der Indianenbevolking van tropisch Amerika beheerschen, in deze verzameling vermelding vinden.