Mythen en sagen uit West-Indië
Part 4
Bij de Makoesi-Indianen, een der Indianenstammen van Engelsch Guyana, heeft de natuuronderzoeker Schomburgk op zijne reizen in dit land een legende opgeteekend, die betrekking heeft op een Komeet of Staartster, nl. de Komeet van Halley. Toen deze op een nacht aan den hemel verscheen, zegt hij, kwamen mannen, vrouwen en kinderen verschrikt uit hunne hutten loopen, en terwijl zij de armen naar den hemel uitspreidden, smeekten zij het vreemde lichaam den hemel te willen verlaten. Zij noemden het Ca-po-escima (= vuurwolk) of Wae-inopsa (= zon, die zijn stralen achter zich werpt). In deze legende, getiteld: Legende van den Vleermuisberg (No. 20) wordt de staartster voorgesteld als een oude vrouw, die een vuurstok (flambouw) draagt.
Talrijk zijn in de Indianen-folklore de voorbeelden van hun ingeworteld geloof aan slechte en goede voorteekens (Omens) en hoe hun gansche leven beheerscht wordt door dit geloof, heeft de lezer reeds kunnen afleiden uit hetgeen daarover voorkomt in No. 16 en No. 8.
De schildpad, die levend op de heete asch werd gelegd, en telkens er uit vandaan kroop, was een slecht voorteeken, dat de dood der vrouw beteekende. Evenzoo is het onheilspellend geluid van de nachtzwaluw een omen, dat ongeluk voorspelt. Want is deze vogel niet uit den kop van een gevreesden boschgeest voortgekomen (No. 8)? Niet minder onheilspeilend is het geluid van den uil (No. 21, No. 26 en No. 28) en daar voor zijn de Indianen in het bijzonder bang; en geen wonder! want onder de lugubere geluiden, die onmiddellijk na zonsondergang uit het oerwoud klinken (C. b.) is dat van den uil wel het meest angstaanjagende. Een uilensoort huist in oude holle boomen op een afstand van een rivier en van daaruit klinkt zijn zang (!), die begint met een viertal tonen in majeur, waarop na een korte pauze van slechts enkele seconden weêr vier tonen volgen, maar die nu in het overeenkomstige mineur klinken. Na een kort oogenblik worden de laatste twee tonen in mineur herhaald en dan is alles stil.
Bij sommige Indianenstammen wordt deze uil „de moeder van de maan” genoemd. Wanneer de onderzoekingsreiziger in Guyana’s binnenlanden in een der tijdelijke kampementen in het oerwoud langs de rivier in zijn hangmat ligt te filosofeeren over „het leven”, wordt hij soms opgeschrikt door het diep-droefgeestige geluid van „de moeder van de maan”, dat hem de haren te berge doet rijzen. Als de eerste tonen hem doen opschrikken, zal een huivering door zijn leden gaan, want het is alsof een mensch in een poel om hulp roept, en wel op een zóó droevige wijze, dat het hem toeschijnt, alsof hij alle hoop op redding heeft opgegeven. De vier tonen, die in mineur volgen, zijn nog droeviger, want zij klinken alsof de wanhopige in een laatste krachtuiting den geest geeft. De laatste twee tonen, die na een korte pauze volgen, zullen hem doen denken, dat hij de laatste snikken hoort van een worstelende met den dood.
Zulke geluiden, die den reiziger, naast lieflijke tonen, die op vrouwenzang gelijken of van een fluitspeler afkomstig schijnen, meermalen des nachts uit het oerwoud toeklinken, zijn zóó hartverscheurend en ternederdrukkend, dat wie ze eenmaal heeft gehoord, de herinnering er aan alleen reeds voldoende is, de haren te berge te doen rijzen. [11]
Is het te verwonderen, dat het geluid van den uil in de eerste plaats bij de Indianen als een slecht voorteeken geldt?
Ook kleinere dieren, zooals insekten kunnen, voor den Indiaan kwaad of goed beteekenen. Een merkwaardig voorbeeld van dit geloof is bijv. de Lichtkever*, een der merkwaardigste phosphoresceerende dieren van het oerwoud, want deze kevers verschijnen plaatselijk als een zwerm hellichtende vonken, die voortdurend door het geboomte heen en weêr dwarrelen. Dit insekt kan voor den Indiaan drie voorspellingen beteekenen. Wanneer het lichtende dier in zijn hut op den grond valt, voorspelt het een spoedigen dood van een der bewoners. Valt het in het vuur, dan beteekent dit, dat een hert het gezonden heeft, om licht voor hem te halen. Wanneer het onder de hutbedekking gaat zitten, meent de Indiaan, dat hij iemand verwachten kan. Op dit bijgeloof, dat wij aan Walter E. Roth ontleenen, heeft het verhaal „De lichtkever en de verdwaalde jager (No. 22) betrekking, terwijl in „De piaiman en de stinkvogels” (No. 28) een insekt (een zwarte mier) als een goed voorteeken voorkomt.
Een zeer groote rol in het leven van den Indiaan spelen de bekoringen, en de daarvoor door hen gebezigde bekoringsmiddelen, de zg. Binas of Toelalas (P.) die voor allerlei doeleinden dienen, hetzij voor goede, hetzij voor slechte. Zij worden bijv. gebruikt, om zich een goede jacht of vischvangst te verzekeren, waarbij men voor bepaalde dieren bijzonder daarvoor bereide Toelalas bezigt. Het geloof der Indianen in deze middelen berust op de gelijkenis van het middel met het te bekoren wezen. Wanneer de Indiaan bijv. een Pakira* wil bekoren, waardoor hij meent geluk te zullen hebben op de pakirajacht, zal hij het middel bereiden uit het blad van een plant (een Xanthosoma-soort), waarin hij gelijkenis ziet met den pakirakop. De Penards hebben in hun reeds aangehaald werkje dit onderwerp uitvoerig behandeld; daaruit moge blijken, hoe ingewikkeld dit bekoringsvraagstuk, waarvan volgens den Indiaan zooveel afhangt, wel is.
Niet alleen op de jacht en de vischvangst doen de bekoringsmiddelen goede diensten, maar de Indiaan bezigt ze ook in zijne betrekking tot de vrouw. Hij heeft er, die hem het bezit van een door hem gewenschte vrouw kunnen verzekeren en ook die de kracht bezitten, een vrouw, van wie hij afkeerig is, van hem verwijderd te houden. Ook de vrouw kan hetzelfde middel tot wegdrijving der liefde bezigen ten opzichte van den man (zie blz. 48). Slechts enkele legenden worden onder hen verteld, waarin het bekoringsmiddel wordt aangeduid, zooals in No. 23 getiteld: „De bina, de weder in het leven geroepen vader en de slechte vrouw”, en in No. 24 getiteld: „Hoe een jong Warrau-Indiaantje uit de handen der Caraïben ontkwam”. Ook in No. 38, getiteld: „De Legende van Letterhoutstomp” is van bekoring, nl. van den slangengeest sprake.
Talrijk zijn bij de Indianen de onthoudingen, die zij voortdurend in acht hebben te nemen, ten einde zich daardoor tegen onheilen te beschermen en van welke wij in hunne mythen en legenden nu en dan voorbeelden leeren kennen (zie No. 39). Zij mogen bijv. niet te veel van een zelfde diersoort schieten, uit vrees dat haar bijzondere boschgeest hen kwaad zou kunnen doen. Daarom ook dragen de Indianen het wild en de visch, waarmeê zij terugkeeren, niet zelf in de hut, doch leggen het buiten neêr, het aan de vrouwen overlatende, den buit te halen. (Zie No. 1 en No. 36). Ook hierdoor meenen zij zich tegen den geest te kunnen beschermen, die in het dier huist, dat zij hebben bemachtigd; vast zijn zij overtuigd dat, als zij zich hieraan niet houden, de jacht den volgenden dag niets zal opleveren. Overal, waar men in Guyana, op de eilanden en in het Orinocogebied zijn onderzoekingen instelt, zal men dit gebruik aantreffen.
Op bepaalde tijdstippen of altijd zal men zich van verschillende planten en dieren hebben te onthouden. Men spreekt ook in dit geval van taboe* [12]. Daar een dier of plant bij den eenen stam taboe is, bij een anderen niet, behoeven wij geen voorbeelden te noemen. In het algemeen worden geen dieren gegeten, die door Blanken en Negers zijn ingevoerd. Moeten zij dit wegens gebrek aan voedsel toch doen, dan roepen zij de hulp van den geestenbezweerder, den piaiman in, of ook wel die van een ouden vertrouwden vriend, die vooraf op het te eten dier blaast, ten einde de er in gedachte geest te verwijderen—te verdrijven. Het wegblazen van den geest geschiedt in het bijzonder in geval van ziekte. Men denkt op deze wijze de ziekte te kunnen genezen. In het algemeen past men het blazen toe om een ongewenschten geest te verwijderen (No. 1).
Aan de vrees voor gevaren van den kant der geesten ligt nog een ander gebruik, waaraan de Indiaan zich in bepaalde omstandigheden steeds zal houden, ten grondslag, nl. de gewoonte om even de oogen te sluiten. De Arowakken en Caraïben zullen b.v. de oogen even sluiten, wanneer zij voor het eerst een landschap zien, dat hun aandacht trekt, of wanneer zij ergens voor de eerste maal komen. Zij meenen dan te kunnen voorkomen, dat de Geest zich tot hen zou voelen aangetrokken. Dikwijls heeft deze gewoonte ook ten doel, een gevaar te kunnen vermijden. Veelal is het voor hen een teeken van wangunst, haat of kwaadaardigheid. Bij Warraus en Arowakken zal, wanneer twee mannen of twee vrouwen hevige oneenigheid hebben, de vertoornde de andere partij aanzien en daarna plotseling de oogen sluiten, om na het weder openen, zich zonder iets te zeggen te verwijderen. Het sluiten der oogen en het daarna uitspreken van een wensch (zie No. 25) zal wel met het geloof aan geestenbeïnvloeding in verband staan.
Ook ten opzichte van gebruiksvoorwerpen zal de Indiaan bepaalde voorschriften getrouw moeten opvolgen. Vaatwerk o.a. dat bij sommige stammen uit klei gebakken is, dat niet op een bepaalden tijd gedolven is, nl. in de eerste nacht na volle maan, zal volgens hen slechte eigenschappen hebben. Dat aardewerk eveneens met geesten in verband wordt gebracht (zie blz. 28), leert ons No. 26, getiteld: „De gelukspot.”
Hoe moeielijk het is, den Indianen gewoonten en gebruiken af te leeren, die het vastgewortelde geloof hen heeft ingegeven, moge uit de mededeeling van een zendeling blijken, die onder de Indianen in het Orinocogebied heeft gearbeid. Toen hij er hen opmerkzaam op maakte, dat zij hunne vrouwen zooveel hard werk laten doen en haar daarbij niet hielpen en hun zei: „Broeders, waarom helpen jelui de vrouwen niet met het planten van cassave*? [13] Zij worden vermoeid van de hitte, en moeten zelfs werken met een kind aan de borst. Zie jelui niet, dat het haar en haar kinderen ziek maakt”? kreeg hij ten antwoord: „Vader, Gij begrijpt deze dingen niet, die U hinderen. U moet leeren, dat vrouwen weten, hoe kinderen voort te brengen. Wij doen dat immers niet. Wanneer zij planten, geeft de maïs* altijd meer korrels en brengt de cassave manden vol wortels op, en zoo wordt elk ding door de vrouw vermenigvuldigd.” Uit dit antwoord blijkt weêr de groote filosofie der Indianen, die zij zoo dikwijls in beeldspraak tot uiting brengen. [14]
Tot hetgeen de Indiaan steeds zorgvuldig in acht te nemen heeft, behoort ook het nalaten van het uitspreken van den naam van een persoon. Er is volgens hem een nauw verband tusschen een persoon en diens naam, zoodat, evenals dit ten opzichte van geesten het geval is, het uitspreken van iemands naam in zijne tegenwoordigheid kwade gevolgen kan hebben. Daar de naam als een deel van den mensch wordt beschouwd, kan het uitspreken van diens naam ten gevolge hebben, dat diens geest macht over den naamnoemer krijgt. Al naar den leeftijd en de sexe zal men zeggen: broêr, zuster, vader, moeder, zoon, dochter enz. Bij sommige stammen spreekt men daarom alleen de helft van den naam uit, b.v. Mala in plaats van Mala-Kaali. Van de Trio’s, een stam der Bovenlandsche Indianen van Suriname vertelt de Nederlandsche onderzoekingsreiziger C. H. de Goeje, dat sommigen twee namen hebben, een voor vrienden, en een voor vreemden. Van de Ojana’s, een Caraïbenstam aan de Boven-Marowijne in Suriname en in Fransch Guyana, vermeldt J. Crévaux, dat zij een afzonderlijken naam gebruiken, wanneer zij den persoon aanspreken en een anderen, wanneer zij over hem in zijn afwezigheid spreken. Moeilijk is het soms, den waren naam van een Indiaan te weten te komen. Steeds is hij bekend onder een bijnaam of een naam, hem gegeven om zijn bijzondere eigenschappen, als kundig jager of visscher, als moedig strijder enz. Zelfs na iemands dood zullen velen het zorgvuldig vermijden den naam van den overledene te noemen. Het verhaal getiteld: „De Honigbij en de zoete drank” (No. 26) geven wij in verband met bovenstaand gebruik.
Een merkwaardige gewoonte, die vroeger bij Indianen in zwang was, en waaraan zij zich zorgvuldig hielden, was het verbod, om de hut van de schoonmoeder binnen te gaan, met haar te spreken, of zelfs naar haar te zien. Van dit vreemde voorschrift wordt verteld in het verhaal, getiteld: „De piaiman en de stinkvogels” (No. 28).
Een belangrijke rol speelt in het Indianen-leven—bij den eenen stam meer dan bij den anderen—hetgeen met den algemeenen naam van Kenaima wordt aangeduid. Ziekten en alle mogelijke soort van lichamelijke letsels, die den Indianen kunnen treffen, zijn volgens hem het werk van Kenaima’s, hetzij bekende of onbekende, hetzij lichamelijke, hetzij geestelijke. De Kenaima-geest kan niet alleen in een mensch maar ook in een dier opgewekt worden. Als iemand gedwongen is, volgens de wet der bloedwraak, volgens de Indianen-leus: „oog om oog, tand om tand”, wraak te nemen, wekt hij de Kenaima-geest in zich op, en hij kan in dien toestand aan zijn wraakzuchtige neigingen bot vieren. In dit geval spreekt men van de lichamelijke Kenaima. Er bestaat echter ook een geestelijke Kenaima, die de eigenschap heeft, om den geest van zijn lichaam los te maken en een of ander dier, tot zelfs insekten en wormen toe, doch meer in het bijzonder een jagoear en een slang binnen te dringen, ten einde in die gedaante kwaad te doen.
Kenaima, den geest der wrake, zien wij vooral aan het werk in No. 29, maar ook in No. 47, waar hij in de gedaante van den zoon van Mapajawari optreedt.
Doorgaans bedient een Kenaima zich van onzichtbare pijlen (No. 44) of van gebroken pijlen (No. 24 en No. 37).
De voorstelling van onzichtbare pijlen, die, volgens den Indiaan, ziekten en allerlei kwaad kunnen stichten, is vermoedelijk voortgekomen uit de geheimzinnige en onverwachte wijze, waarop een pijl dikwijls treft.
Een gebroken pijl is vermoedelijk het zinnebeeld van den strijd. Volgens meer dan één schrijver was bij vele stammen het breken van een pijl in het openbaar voldoende, om het volk tot den strijd op te roepen. Moeilijker te verklaren is het, waarom—zooals bij de oude Warraus gebruikelijk was—de helften van een gebroken pijl over het lichaam gewreven, moed en kracht zouden geven (No. 24).
Boschgeesten worden veelal in het bezit gedacht van onzichtbare of gebroken pijlen.
De geestenbezweerder, de piaiman, wordt in staat geacht, het gestichte kwaad, in het bijzonder ziekte, te keeren. De piaiman is dan ook een belangrijke persoonlijkheid in elk dorp of kamp. Voor dezen arbeid is een zeer lange en moeilijke voorbereiding noodig, die de taak allesbehalve benijdenswaard doet zijn. Maar de eigenschap van den Indiaan, om met het staalste gezicht de vreeselijkste lichaamspijnen te kunnen verdragen, zal hem deze gemakkelijker doen dragen, dan wij denken.
Wie aan het einde van een verblijf van eenige dagen in een Indianenkamp, waarin hij het doen en laten van dit sympathieke volk aandachtig heeft gadegeslagen, de piaiman bezig heeft gehoord, heeft reeds van het zieleleven van den Indiaan een diepen indruk kunnen medenemen (C. a.). Geen ander verhaal in dezen bundel geeft een zóó helder beeld van hetgeen er in de Indianenziel omgaat en van het leven van de Indianen, dan „de Geschiedenis van Maconaura en Anoeannaïtoe” (No. 29). Vooral het opwekken van den Kenaima-geest en het werk van den piaiman is er op boeiende wijze in geschetst. In dit verhaal worden wij tevens herinnerd aan de wijze, hoe het eertijds in de groote hutten of vergaderplaatsen der Indianen moet zijn toegegaan, alvorens tot een vijandelijke aanval werd overgegaan. De Gebroeders Penard hebben van hetgeen op een besluit daartoe placht te volgen een belangwekkende schets gegeven, die wij hier woordelijk overnemen, en die in het bijzonder betrekking heeft op de vroegere oorlogen tusschen de strijdlustige Caraïben en de meer zachtaardige Arowakken:
„Werd in de raadsvergadering tot den strijd besloten, dan volgde onmiddellijk den strijd- of z.g. knotsdans (Apoetoedans). Met opgeheven knotsen, bogen en pijlen bezongen de strijders den roem hunner voorvaderen, tegelijk de gelofte doende, op gelijke wijze te zullen handelen. Zij werden dan tevens door vrouwen, kinderen en ouden van dagen bespot, ten einde hen nog meer aan te vuren. Het doel van dezen dans was, dat ieder strijder in zich den jagoeargeest, de kaikoetji juma, trachtte op te wekken”.
„De Indiaan immers redeneert als volgt: In koelen bloede stuit het mij tegen den borst, is het mij onmogelijk een man te vermoorden, laat staan een onschuldig wicht den schedel te verpletteren. Handel ik alzoo, dan geschiedt zulks niet uit eigen aandrift, doch word ik voortgedreven door een gevoel van woede en moordlust, dat niets anders kan zijn dan de geest van den Jagoear. Om dien geest in mij op te wekken, dans ik den Jagoeardans; ik volg alle bewegingen van den Tijger na. Ik brul, ik his, ik zwaai den knots, gelijk het vreeselijke roofdier, dat zijn prooi met één slag der geduchte klauwen verplettert. En heb ik eenmaal mijn vijand gedood, dan moet ik ook zijn bloed drinken en proeven van zijn vleesch, [15] ten einde te voldoen aan den geest, die mij voortdrijft.
Ieder mensch en dier kan, hoe goedaardig ook, getergd zijnde, den tijgergeest in zich opwekken, die hem handelingen doet begaan, waarover hij later berouw gevoelt. Hij vraagt zich af: hoe is het mogelijk, dat ik zoo te keer kan gaan? En het antwoord luidt: Is de Tijger in den mensch, dan wordt ook de mensch gelijk den Tijger”.
„Maar de Jagoeargeest alleen was niet voldoende, om den strijd te beslissen, want de Tijger kan in een hinderlaag gelokt worden. Daarom dansten de strijders ook den slange- of bekoringsdans, die in hen opwekte den geest, die onhoorbaar en onzichtbaar nadert, die omstrengelt en vastlegt, evenals de slang eerst haren prooi door vrees betoovert, verstikt en eindelijk inslikt. En daar de Worgslang niet alleen de geest van bekoring in zich heeft, doch tevens alle dieren, tot zelfs den Jagoear* en den Kaaiman* inslikt, wordt haar geest speciaal opgeroepen.” [16]
„Tevens dronken de strijders den zg. Strijddrank, die bestond uit paiwarri*, waarin een poeder of zalf gemengd was, bereid uit wormen van de rottende hersenen, den lever en het hart van den Jagoear en den Boa of Anaconda*, alsmede van den moedigsten en listigsten van vroeger door hen gedoode vijanden. De hersenen werden ondersteld de list, de lever den moed en het hart het leven op te wekken. Ook tijgerklauwen werden in den grond begraven, en de daaruit ontstane wormen tot poeder en zalf verwerkt, en aan de armen en de knotsen der strijders gesmeerd.”
„Meisjes en vrouwen brachten den drank rond in kalebassen, terwijl de strijders zongen:
Okone kaikoetjijumu, okone Awaloewa Kaikoetji ke wa. Awoe tage kaikoetji toewotjan irowa la Okone Ikili inasao ko.
Wij roepen U; Tijger, kom geest van geweld, Doorgloei met Uw vuur al ons wezen. Omzweef ons opdat in deez’ bloedigen strijd De vijand den Caraïb leer’ vreezen.
Daal neder, bekoring, verduister het oog Der strijders, die dra gaan nad’ren, Om brullend, den Tijger in bloeddorst gelijk, Te wreken den dood onzer vad’ren.
IJl voort dus Constrictor, [17] omklem Uwen prooi, Wij volgen en worgen met d’ armen. Bezield door den moordlust van Tijger en Slang, Mist ons hart elk spoor van erbarmen.”
Deze beschrijving zal, meenen wij, het genot, dat de lezing van „de Geschiedenis van Maconaura en Anoeannaïtoe” verschaft, niet weinig kunnen verhoogen. Hoewel Christelijke invloed aan dit verhaal niet geheel en al vreemd schijnt te zijn, toch blijft het als belangrijke bijdrage tot de kennis van de moraal en het leven van den Indiaan zijn waarde behouden.
In verschillende der reeds genoemde verhalen, treedt, zooals haast van zelf spreekt, de geestenbezweerder of de piaiman (o.a. in No. 28) als een belangrijk lid der Indianenmaatschappij op. In No. 30, getiteld: „De kolibri, die tabak brengt aan den eersten piaiman”, is meer in het bijzonder daarom belangrijk, omdat er in deze legende van de herkomst van het belangrijkste der ingrediënten, die de piaiman bij zijne bezweringen gebruikt, de tabak, wordt verteld. De Indianen, die tabak ook als genotmiddel gebruiken, onderstellen, dat ook Geesten zeer op tabaksrook gesteld zijn. De piaiman haalt daarom bij zijne bezweringen voortdurend tabaksrook in, om daardoor de Geesten te kunnen aantrekken. Dit verhaal is daarom ook nog de aandacht waard, omdat het vermoeden zou geopperd kunnen worden, dat van de Arowakken, die oorspronkelijk de Antillen hebben bewoond, ook de tabak, die bij de Indianen van Guyana zulk een rol speelt, afkomstig is, en in de tweede plaats, omdat er van de bij alle Indiaansche stammen voorkomende legenden aangaande het voorkomen van vrouwennaties (zg. Amazonen) in wordt melding gemaakt.
Reeds Columbus heeft op zijn eerste reis onder de Indianen vechtende vrouwen gezien en wat de groote ontdekkingsreiziger uit de Oude Wereld bekend was, meende hij nu ook in de Nieuwe Wereld te hebben aangetroffen.
Von Humboldt meende echter, dat de bij alle Indianenstammen voorkomende Amazonen-legende aan de strijdlustigheid van de vrouwen bij sommige stammen moet worden toegeschreven, die door de eerste reizigers, die ze ontmoetten, sterk overdreven is geworden, onder den invloed van de groote vreugde, bij de pas ontdekte volken gevonden te hebben, wat de oude Grieken vertellen omtrent de barbaarsche Skythen en Afrikanen. Wallace meent, dat het geloof aan Amazonen in de wereld is gekomen door de eigenaardige haardracht der mannen bij sommige Indianenstammen, waarbij hij nog de aandacht vestigde op het dragen van armbanden door de mannen van enkele stammen en de zorgvuldige verwijdering van elk teeken van baardgroei. Ook Schomburgk is deze meening toegedaan. Van deze Amazonen werd verteld, dat zij, om beter in den strijd de wapens te kunnen hanteeren, de rechterborst zouden laten afsnijden; dat zij van de mannelijke bevolking geregeld bezoeken zouden ontvangen en dat de jongens, die geboren werden, òf den vaders werden meêgegeven, òf gedood werden.
De Gebroeders Penard meenen, dat de legenden, waarvan wij er een uit hun werkje opnemen (No. 31, getiteld: „Het ontstaan der vrouwennaties”) gedeeltelijk een voorstelling is van het paradijs der Indiaansche vrouwen. Volgens hen kan de vrouw zich geen staat van gelukzaligheid denken, waarin de man haar heerscher en zij slechts zwoegende slavin is. „In hare verbeelding ontstond dus een voorstelling van het paradijs, waar zij als gebiedster optreedt en de man slechts geduld wordt tot voortplanting der soort.”
Dat, hoewel onder alle Indianenstammen van Amazones verteld wordt, toch geen Indiaan ooit de juiste plaats dezer schoonen kon aanwijzen, schijnt voor de meening van bovengenoemde oudere schrijvers te pleiten. Bij de ingeboren eigenschap van den Indiaan, om zich vaak in beeldspraak uit te drukken, is de meening der Penards niet te verwerpen, die het bestaan van een vrouwennatie als een voorstelling van het Mazwano, het Paradijs der Indiaansche vrouwen beschouwen.
De legenden leeren, dat dit paradijs niet gemakkelijk te bereiken is. De vrouwen moeten daartoe tal van gevaren doorstaan. Zij moeten varen over de duistere wateren in het land Enamba of der Eeuwige nacht. Dan eerst zullen, gelijk de nacht vliedt voor den dag, voor hare verrukte blikken verrijzen de witte wateren, de als goud glinsterende, door de morgenzon beschenen bergtoppen en zal de rook uit de barbakotten* der Maswana- of manvrouwennatie opstijgen. Maar niet één vrouw, die het gelukt, dit paradijs binnen te treden, zal weder tot hare stamgenooten terugkeeren.
De voorstelling van de Duistere wateren in het land Emanba of der Eeuwige nacht, meenen de Penards, komt vrij wel overeen met de rivier Styx en de onderwereld Amenthes uit de Oostersche mythologie.