Multatuli Onze groote schrijvers, deel 2
Chapter 4
Hierdoor weken vele Lebakkers uit: zij vulden de gelederen der opstandelingen in de Lampongsche districten, zij waren gewilde werkkrachten op de landgoederen in vruchtbaarder streken.
Als Douwes Dekker in zijn afdeeling komt kent hij noch de taal, noch de adat der inlandsche bevolking; maar één ding heeft hem zeker getroffen: de slaafsche onderworpenheid der bevolking aan hare hoofden, een verhouding, die in de buitenbezittingen, waar D. D. jaren geweest was, niet bekend was.
In die inlandsche wereld bestonden veeten: en een inlandsch ambtenaar, de Djaksa, inlandsch officier van justitie, die gebeten is op den regent, tracht dadelijk den nieuw-aangekomen assistent-resident tegen den regent op te zetten. Hij weet zich aangenaam te maken bij D. D.: hij ontdekt bizondere teekens op 't hoofdje van zijn kleinen jongen, die dezen tot een koningskind stempelen. En hij zendt klagers af op den pasgekomene, die hem de knevelarijen van den regent vertellen. Geen spontaan vertrouwen van inlanders, wat trouwens met het inlandsche karakter niet zou strooken, maar wraakzucht van den eenen voornamen inlander tegen een anderen, is de grond dezer klachten. Evenmin als in Natal heeft D. D. de inlandsche intriges in Lebak doorzien, weer is hij er de dupe van geworden.
Nu waren die klachten echter meer dan gegrond en de bewijzen vond D. D. in zijn archief. Zijn voorganger had al gegevens verzameld over de knevelarijen van den ouden regent. In zijn archief sluit hij zich op, om deze te bestudeeren. Hij gaat naar den regent om dezen te bewegen aan de misbruiken een eind te maken: wel belooft de oude Adhipatti dit. Maar al spoedig blijkt het, dat de knevelarijen niet hebben opgehouden: de oude regent was niet rijk genoeg om zònder de vruchten van die misbruiken zijn vorstelijken staat te voeren, zijn talrijke familie te onderhouden, vooral niet op het oogenblik, dat hij het dure bezoek van zijn familielid, den regent van Tjanjor verwachtte.
Het stelen van buffels, vaak de eenige rijkdom van den inlander en zijn bedrijfskapitaal tevens, wekte Dekkers diep gevoel van medelijden en het vaste voornemen deze stumpers te beschermen; trouwens dit was niet alleen zijn roeping, het was ook zijn plicht als ambtenaar. Hier opent zich voor zijn geest een mogelijkheid om een groote daad te volbrengen, om als weldoener der bestolen inlandsche bevolking naam te maken. Hij voelt dat _het_ oogenblik in zijn leven gekomen is, dat het hem _nu_ gegeven zal zijn heel de grootheid van zijn geest en gemoed te openbaren. In deze geweldige spanning ziet hij over het hoofd, dat zijn Westersche idealen van gerechtigheid hemelsbreed verschillen van de opvattingen der inlanders, over rechten en plichten hunner vorsten.
Hij ziet over het hoofd, dat het verval zijner afdeeling meer aan economische factoren moet worden toegeschreven, dan aan de misbruiken der inlandsche hoofden. Zijn heele wezen is geconcentreerd op het doen ophouden der tallooze kwellingen der bevolking: buffelroof en onbetaalde heerendiensten.
Na een verblijf van enkele weken slechts in zijn afdeeling klaagt hij den regent en zijn schoonzoon aan, en stelt voor deze inlandsche vorsten naar Serang te voeren om zonder hun tegenwerking het onderzoek te kunnen voortzetten. De beschuldiging luidt aldus:
"Ik gevoel mij krachtens mijn ambtseed verplicht meetedeelen:
_dat ik den Regent van_ Lebak, Radhen Adhipatti Karta Nattà Nagara, _beschuldig_ _van misbruik van gezag, door het onwettig beschikken over den arbeid zijner onderhoorigen, en_ _verdenk_ _van knevelary, door het vorderen van opbrengsten_ in natura, _of tegen willekeurig vastgestelde, onvoldoende, betaling_;
_dat ik voorts den Dhemang van_ Parang-Koedjang,--_zijn schoonzoon_--_verdenk van medeplichtigheid aan de genoemde feiten_.
Om beide zaken behoorlijk te kunnen instrueeren, neem ik de vryheid u voortestellen, my te gelasten:
1º _den regent van_ Lebak _voornoemd, met den meesten spoed naar_ Serang _optezenden, en zorgtedragen dat hij noch voor zijn vertrek, noch gedurende de reize in de gelegenheid zij, door omkooping of op een andere wijze te influenceeren op de getuigenissen die ik zal moeten inwinnen_;
2º _den Demang van_ Parang-Koedjang _voorloopig in arrest te nemen_;
3º _gelijken maatregel toetepassen op zoodanige personen van minderen rang, als, behoorende tot de familie van den Regent, geacht kunnen worden invloed uitteoefenen op de zuiverheid van het intestellen onderzoek_;
4º _dat onderzoek te doen plaats hebben, en van den uitslag te dienen van omstandig bericht_.
Ik neem de vryheid u voorts in overweging te geven, de komst des Regents van _Tjanjor_ te kontramandeeren.
Ten-slotte heb ik de eer--ten-overvloede voor u, die de Afdeeling Lebak beter kent dan my nog mogelyk is--de verzekering te geven dat uit een _politiek_ oogpunt de streng rechtvaardige behandeling dezer zaak geen het minste bezwaar heeft, en dat ik eer voor gevaar zou beducht zyn als ze _niet_ tot klaarheid gebracht werd. Want ik ben geïnformeerd dat de geringe man die, naar een getuige my zeide, _poessing_ is van de vexatie, reeds lang naar redding uitziet.
Ik heb de kracht tot den moeilyken plicht dien ik door het schryven van dezen brief volbreng, gedeeltelijk geput uit de hoop dat my vergund zal wezen ter-zyner-tyd een en ander bytebrengen ter verschooning van den ouden Regent, met wiens pozitie, hoezeer door eigen schuld veroorzaakt, ik evenwel diep medelyden gevoel.
_De Adsistent-resident van Lebak_, Douwes Dekker.
Er was nog een oorzaak voor de spoed, waarmede deze aanklacht werd verzonden: de mededeeling van de weduwe van zijn voorganger, dat ze overtuigd was dat haar man vergiftigd was door den schoonzoon van den Regent [9]. Vrees voor de veiligheid van zijn gezin heeft hem bizonder strenge maatregelen tegen den regent doen voorstellen. Want lukte het den regent zijn aanklagers te nopen de aanklachten in te trekken, dan zou hijzelf een mal figuur slaan, maar wat erger was, hij zou met machteloosheid geslagen zijn om de inlanders verder te beschermen.
Door het gevoel van eigen onveiligheid was zijn opwinding nog gestegen. Dan komt eerst een briefje van den resident, om hem tot kalmte te vermanen, daarna de resident in hoogsteigen persoon. Deze ambtenaar was een karakter juist tegengesteld aan dat van zijn assistent-resident. Kalm, zakelijk was hij en in alle opzichten voelt hij zich _ambtenaar_. Hij voelt zich verantwoordelijk voor de daden van zijn ondergeschikte ambtenaren, en hij duldt geen zelfstandig optreden. Wel erkent hij de nobele gevoelens, die D. D. bezielen, maar hij ziet ook de practische moeilijkheden om dit idealisme in daden om te zetten. Hij is nuchter man van de praktijk; in Dekkers oogen is hij de incarnatie van het verfoeilijke ambtenarendom. Wat hij met heel zijn ziel verfoeit is het ambtelijk _schipperen_, met de bedoeling in de gunst te komen te Batavia. Wat ongunstig is wordt niet gemeld of verzacht: een gekunsteld optimisme wil de wantoestanden niet zien of vergoelijkt ze, omdat 't altijd zoo geweest is, omdat 't elders nog erger is! D. D. doorzag dit stelsel en wil er niet aan meedoen.
Als de resident hem verzoekt de aanklacht in te trekken, weigert hij. Als de resident er dan toe overgaat om de gegrondheid der gedane klachten nader te onderzoeken en hem verzoekt de getuigen op te roepen, opdat deze gehoord kunnen worden, weigert hij wederom, omdat hij de arme lieden, die hem zijn vertrouwen schonken, wil sparen.
Hij spreekt de fiere woorden uit:
"Resident, _ik_ ben adsistent-resident van Lebak, _ik_ heb beloofd de bevolking te beschermen tegen afpersing en geweldenarij, _ik_ klaag den regent aan, en zijn schoonzoon van Parang-Koedjang, _ik_ zal de gegrondheid mijner aanklacht bewijzen zoodra me daartoe de gelegenheid wordt gegeven die ik voorstelde in mijn brieven, _ik_ ben schuldig aan laster, als mijn aanklacht valsch is!"
De resident tracht tevergeefs hem van zijn verkeerde grondbeginselen af te brengen en zei dat hij zich genoodzaakt voelde de brieven onder de aandacht der regeering te brengen.
Een maand lang wacht Dekker in uiterste spanning het antwoord van den Gouverneur-Generaal af.
De Raad van Indië is niet te spreken over een ambtenaar, die alle ambtelijke vormen overboord gooit. Zoowel de resident, als de Raad van Indië, als de Gouverneur-Generaal zijn overtuigd van zijn goede bedoelingen, van zijn edele aandrift. De resident is er verre van de grieven tegen den regent vooruit als onmogelijk te verwerpen.
De Raad van Indië vindt het echter onduldbaar, "dat het gezag van de hoofden van inlandsch en gewestelijk bestuur door het eigenzinnig opvolgen van dusdanige, zelfs edele aandrift worde in gevaar gebracht ten nadeele van het algemeen." Dit college wil hem ongeschikt voor den dienst verklaren, maar Duymaer van Twist redt hem met de overweging dat om zijn goede bedoelingen, zijn onvoorzichtige handelingen voor een verschoonende beoordeeling vatbaar zijn en wil trachten hem voor 't binnenlandsch bestuur te behouden.
Het vertrouwen van D. D. op dezen Gouverneur-Generaal bleek dus niet misplaatst; hij was een man, die al getoond had er niet tegen op te zien hoofden en regenten te ontslaan, die zich aan knevelarij schuldig maken.
Maar de regeering heeft ook rekening te houden met de gevoelens der inlandsche bevolking: de knevelende regent van Lebak, werd als Heilige vereerd door zijn mishandelde onderdanen. Maar D. D. heeft dit niet ingezien, hij werd door den Djaksa, den vijand van den Adhipatti, op een dwaalspoor geleid en geloofde vast, dat de bevolking op uitbarsten stond: westersche vrijheidsidealen, past hij toe op een oostersche bevolking: een tragisch misverstand! De overtuiging dat de bevolking zou opstaan vergrootte weer de spanning, waarmede hij het antwoord van den Gouverneur-Generaal afwachtte.
Als dat antwoord komt is het een terechtwijzing: de Gouverneur-Generaal mist in hem "bezadigd overleg, beleid en voorzichtigheid", hij mist ook "begrippen van ondergeschiktheid aan zijnen onmiddellijken superieur". Vooral het feit, dat hij geen bewijzen heeft overgelegd en aan den resident volle opening van zaken geweigerd heeft, wordt streng gelaakt. Om deze redenen wordt D. D. ontlast van zijn functie te Lebak en voorloopig overgeplaatst naar Ngawi: daar zal het van zijn verdere handelingen afhangen of hij bij het binnenlandsch bestuur geplaatst zal kunnen blijven. Maar in het officiëele stuk geen woord van waardeering voor zijne edele gevoelens en goede bedoelingen!
Dit koele ambtelijke oordeel over een zaak, die voor hem in de eerste plaats gemoedszaak was, heeft hem smartelijk getroffen, heeft hem tot het uiterste geprikkeld. Zijn eigenliefde, zijn ijdelheid waren gekwetst: 't is hem onmogelijk op proef te dienen alsof hij zich slecht gedragen had. Zijn overijling--hij was nauwelijks een maand te Lebak toen de aanklacht verzonden werd--zijn negeeren van den ambtelijken weg, erkent hij niet als fouten; integendeel hij ziet nu duidelijker dan ooit, dat, wil hij zijn levenstaak volbrengen, hij geen _ambtenaar_ kan blijven: "En eindelijk ik zie in dat ik om een eind te maken aan al dat geknoei, geen ambtenaar moet wezen. Als ambtenaar staan er tusschen de Regeering en mij te veel personen die belang hebben bij 't loochenen der ellende van de bevolking".
Maar hij blijft gelooven in den Gouverneur-Generaal, hèm wil hij spreken, "om nog tijdig voor dat arme volk iets te verrichten." Want Duymaer van Twist stond op het punt te vertrekken, en van zijn opvolger weet hij dat er niets te wachten valt.
Onmiddellijk vraagt Dekker eervol ontslag uit 's lands dienst en vertrekt naar Batavia. Door ziekte en drukte van zijn aanstaand vertrek heeft Duymaer van Twist geen audiëntie meer verleend aan den eervol ontslagen assistent-resident, ondanks een zeer dringenden brief, dien Dekker hem nog den avond voor zijn vertrek deed toekomen: een klacht, dat Z. E. geen "tijd heeft kunnen vinden _om recht te doen_!
Dit is zoo niet geweest! Een deftig gezin is daardoor tot den bedelstaf gebracht...
Maar Uwe Excellentie heeft _gesanktioneerd_: HET STELSEL VAN MISBRUIK VAN GEZAG, VAN ROOF EN MOORD, WAARONDER DE ARME JAVAAN GEBUKT GAAT, en daarover klaag ik.
Dat schreit ten hemel!
Er kleeft bloed aan de overgegaarde penningen van uw dùs ontvangen indisch traktement, Excellentie!
Nog éénmaal vraag ik om een oogenblik gehoor, zy het dezen nacht, zy het morgen vroeg! En alweder vraag ik dit niet voor my, maar voor de zaak die ik voorsta, de zaak van rechtvaardigheid en menschelykheid, die tevens de zaak is van welbegrepen politiek.
Als Uwe Excellentie het met haar geweten kan overeenbrengen, van hier te vertrekken zonder my te hooren, het myne zal gerust zyn by de overtuiging al het mogelyke te hebben aangewend om de treurige, bloedige gebeurtenissen te voorkomen, die weldra 't gevolg zullen wezen van de eigenwillige onkunde waarin de Regeering wordt gelaten ten-opzichte van hetgeen er omgaat onder de bevolking."
In dezen brief vinden we _twee_ dingen aangeroerd: het lot van eigen gezin èn het stelsel, waaronder de inlander gebukt gaat: maar het tweede is voor D. D. _hoofdzaak_. Dat _stelsel_ omver te werpen zal voortaan zijn levensdoel zijn en hij weet: als ambtenaar van het geldende régime kan hij niets bereiken.
Zoo heeft Eduard Douwes Dekker in de weken in Lebak doorgebracht zijn levenstaak gevonden; en als we zijn Indische jaren overzien, dan valt het op, dat hij zich telkens de vraag stelde: welke grootsche taak is voor mij weggelegd, maar ook, dat hij in den inlander steeds _den mensch_ heeft geëerd. In Natal waren inlandsche hoofden zijne vrienden, hij komt op voor de hongerende arbeiders in de pepertuinen en geeft den raad hun werklust aan te wakkeren, door een meer "lachend verschiet" voor ze te openen.
Toch ging in Menado zijn hart er naar uit: de armen van Europa wel te doen, alle arme kinderen in Europa St. Nicolaas te doen houden. Daarvoor had hij toen duizenden, neen millioenen noodig. Aan arme, laat staan geknevelde en mishandelde oosterlingen dacht hij niet, al _wist_ hij, dat ze er waren. Telkens opnieuw hoopt hij als _schrijver_ naam te maken; ook bij zijn komst te Lebak maakt hij plannen om geregeld zijn denkbeelden op papier te ontwikkelen en Tine meende, dat dat eens gedrukt zou worden en dan zou men zien, wie haar man was!
Maar nu is dit alles verdrongen door het alles overheerschende, in enkele weken hem bewust geworden doel: het regeeringsstelsel van Insulinde ten bate van den Inlander om te zetten.
DE MAX HAVELAAR.
Tusschen de daad van Lebak en het verschijnen van _Max Havelaar_ liggen vier jaren, jaren, waarin D. D. met zorgen en gebrek geworsteld heeft. Alle moeite om een werkkring op Java te vinden waren vergeefs. In zijn _Ideën_ vertelt hij hierover het volgende: "Het lag in de rede dat ik pogingen aanwendde om in afwachting van 't herstel mijner verbroken carrière in 't leven te blijven. Terstond alzoo meldde ik mij overal aan om werk, zonder iets te gering te achten. Ik concurreerde met jonge lieden, met kinderen, met baren, overal werd ik afgewezen. Men kan toch een op verzoek ontslagen Adsistent-Resident niet aan klerks werk zetten. Bovendien ik was te knap.
Ik geloof dat weinigen zoo bittere vruchten oogsten van hun onbekwaamheid, als mij m'n knapte heeft opgebracht."
Ook zijn pogingen om een rijstpelmolen te huren mislukken. Zijn brieven aan Tine worden somber en mistroostig. Het blijkt, dat de familie van zijn vrouw hem tegenwerkt: zijn schulden zijn een welkom wapen, vooral de schuld aan een paar tantes, die D. D. jarenlang met belangrijke bedragen gesteund had, en van wie hij in zijn verloftijd geld geleend had.
Zijn broeder Jan stelt hem ten slotte na een jaar vruchteloos zoeken in staat naar Holland te reizen om daar te trachten weer in den zadel te komen.
Om de vele schulden in Holland tijdens zijn verloftijd gemaakt durft hij daar niet terug te keeren. Zoo reist hij langzaam: blijft eenigen tijd te Marseille, in Duitschland onderweg beleeft hij tal van avonturen: soms is hij slechts toeschouwer, maar vaak ook treedt hij op als redder. In zijn later werk vinden we talrijke herinneringen aan deze periode, o. a. de geschiedenissen van Adèle Pluribus en de Sainte Vierge. Hij beleeft veel en hij schrijft. Indië laat hem niet los: in Kassel sluit hij een innige vriendschap met Ottilie, voor wie hij _Saidjah's lied_ in het Maleisch, en het Duitsche vers: _Mein Kind da schlägt die neunte Stunde_ dicht. Later schrijft Ottilie hem, hoeveel stukken in _Max Havelaar_ ze herkend heeft.
In het najaar van 1857 komt hij te Brussel aan. Daar leefde hij in een kleine herberg, waar zijn broeder bij zijn terugkomst uit Indië een maandenlangen achterstand voor hem aanzuiverde.
Daar schrijft hij in het begin van 1858 zijn langen brief aan Duymaer van Twist, een brief, dien hij pas na de verschijning van _Max Havelaar_ in 1860 heeft uitgegeven. In dezen brief schetst hij uitvoerig de gebeurtenissen die tot het aanklagen van den regent en tot zijn ontslag nemen hebben geleid: hij richt zich tot Van Twist als mensch tot mensch, legt hem de nood van zijn gezin bloot, deelt hem mede, dat 't hem nog niet gelukt is een ander middel van bestaan te vinden, zoodat "de schipbreuk van m'n leven totaal is. Ik ben armer dan de armste daglooner. Het papier waarop ik schrijf is geborgd. Meermalen heb ik geen plaats om het hoofd ter ruste te leggen. Mijn vrouw en kinderen heb ik moeten opdragen aan het medelijden mijns broeders." Hij vertrouwt op Van Twist als eerlijk man, hij moge geen Gouverneur-generaal meer zijn, hij herinnert hem er aan dat het geweten niet afhankelijk is van verplaatsing of ontslag.
Hij eindigt zijn brief met het verzoek zijn stuk met bijdragen (hierbij zijn stukken, die hij geweigerd had aan den resident van Bantam over te leggen) aandachtig te lezen, om hem naar aanleiding daarvan te steunen in zijn pogingen om _op de meest eervolle_ wijze weder te mogen intreden in Nederlandsch-Indischen dienst. En hij besloot den brief met de fiere woorden: "Maar, Excellentie, anders dienen dan ik diende te Lebak, kan ik niet."
Op dezen brief kwam geen antwoord.
In het voorjaar van 1858 komt Tine met de twee kinderen in Europa: een paar maanden na Dekkers vertrek uit Indië was Nonnie geboren. Zij ontmoeten elkaar in Luik, maar het wordt een kommervol samenzijn. Ten einde raad aanvaardt Tine met de kinderen van uit Antwerpen de reis naar Den Haag, naar hare zuster, zonder een cent op zak. Een herbergier in Rotterdam, dien haar man uit zijn verloftijd kende, schiet haar 't geld voor om de boot vanaf Antwerpen te kunnen betalen, haar zuster scheept haar af met een maal eten en f 20, waarvoor ze kan reizen naar haar zwager Jan, die te Brummen een buiten had betrokken. Daar vindt ze voorloopig een thuis. Het rampzalige leven vol armoede en onzekerheid is ook voor háár begonnen; voor haar was dit nog moeilijker dan voor haar man, omdat op haar de zorg voor de twee jonge kinderen rustte. Maar alle ontberingen en zorgen en het ontzenuwende wachten op het slagen van zijn pogingen, heeft ze met heldhaftig vertrouwen op zijn goed recht, op zijn genialiteit gedragen. In de eerste jaren van Dekkers literair succes, als uitzicht op herstel zijner carrière telkens wordt gewekt om weer te worden teleurgesteld, worden beider financieele zorgen verlicht door de hoop, dat weldra recht gedaan zal worden, zoodat ze hun schulden betalen en onbezorgd zullen kunnen leven.
Van het vertrek van Lebak af heeft Tine een vast vertrouwen gehad in de groote begaafdheid van haar man. Eéns vertrouwde zij, zou hij zich uiten, zou openbaar worden _wie_ haar man is.
Maar de familie deelt dit geloof niet: hare zuster dwingt haar tot het schrijven van een brief, waarin ze verklaart zich van hem af te scheuren en dat ze als vreemde menschen ieder hun weg moeten gaan. En haar zwager Jan juicht het plan toe, dat zij in Indië zal trachten zich een positie te scheppen. Dekker trekt weer naar Brussel, diep terneergeslagen door hare brieven: in een herberg, waar hij een jaar tevoren had gewoond en zich goede vrienden had gemaakt wordt hij met open armen ontvangen. Om geld wordt hij er niet lastig gevallen. Hij koopt een lampje om 's avonds te schrijven: vele brieven schrijft hij er aan Tine, en dan neemt hij zijne schrijverij weer op. _De Eerlooze_ wordt overgewerkt: hij hoopt een contract om stukken te leveren als het slaagt. Daar hij later misschien weer in betrekking zou kunnen komen, wil hij zijn naam niet op de affiches hebben en hij noemt zich _Multatuli_. Het stuk moet dien naam bekend maken, want hij wil zich een kring scheppen, die zijn partij zal opnemen in de kwestie van Lebak.
Dit plan neemt einde September vaster vormen aan. Hij zal een boek maken en dat boek moet er hem bovenop helpen: hij "zal de lezers aangrijpen, zooals ze nooit aangegrepen zijn." Het is in den vorm van een vertelling, een roman, schrijft hij aan Tine, maar de regeering "zal het moeten opvatten als een beroep aan het Nederlandsche volk tegen alle de beroerdheden van het bestuur."
Van den beginne af is zijn bedoeling tweeledig: zichzelf er boven op helpen en tevens opkomen voor het recht van den inlander. Dit was ook de grondtoon van zijn brief van 1858 aan den Gouverneur-Generaal in ruste, het zal de grondtoon blijven van _Minnebrieven_ en _Ideën_. Hij vereenzelvigt zich met den inlander; door zijn principieele ontslagname heeft hij _zijn_ zaak en die van den inlander onverbrekelijk verbonden: te "strijden voor die arme verdrukten (heeft hij zich) voor roeping gekozen."
Binnen een maand is het boek af: wel bekroop hem dikwijls twijfel aan de waarde van zijn werk, maar tenslotte houdt de vreugde in zijn werk de overhand. Juichend schrijft hij 13 October 1859, dat zijn boek af is!
D. D. heeft een goeden kijk op zijn boek gehad: inderdaad maakte het hem in enkele maanden tot een beroemd man. Het viel niet alleen buiten alle in Holland beoefende genres, ook de strekking was nieuw. Tendens romans waren ook in ons land tot vervelens toe geschreven; nooit echter was uit verontwaardiging en geestdrift een kunstwerk geboren van zoo zuiver gehalte als de _Max Havelaar_. Het houdt in geen enkel opzicht verband met de Hollandsche letterkunde van den dag; het beteekent een nieuw tijdperk in onze letteren. Geen wonder. Waar de schrijver zich geestelijk buiten Hollandsche invloeden om had gevormd en bij voorkeur genoot van de groote geesten der Europeesche Romantiek. Geen slaafsch navolger werd hij van Rousseau noch van Heine, van Scott noch van Victor Hugo. Het typisch Hollandsche leefde ook in hem: de geest van Wolff en Deken is verwant met den zijne. Maar hij had in Indië ruimer leeren voelen en denken, dan in het Holland dier dagen gewoonte was. Zijn scherpe satire, zijn fonkelende humor, zijn gloeiende verontwaardiging klonken als ongekende klanken in de aan bezadigder uitingen gewende Hollandsche ooren. Koloniale kwesties waren nog nooit tot het terrein der letteren doorgedrongen. En nu deed dit meesleepende boek alle Hollandsche harten opeens opengaan voor de arme Javaansche bevolking.
_Max Havelaar_, evenals alle werken van Multatuli, is een boek van scherpe tegenstellingen: met meesterlijken humor weet hij deze tegenover elkaar te stellen, zoodat de eigenaardigheden van beide kanten elkander scherp belichten. In het eerste hoofdstuk al Droogstoppel en Sjaalman. Het heele boek is gebouwd op de tegenstelling tusschen den nuchteren zakenman, voor wie Indië met zijn cultures louter een complex geldelijke belangen vertegenwoordigt, en den mensch, Max Havelaar, die in de bevolking van Insulinde menschen en broeders heeft gevonden, die onder bitter onrecht gebukt gaan en die hij helpen wil.