Multatuli Onze groote schrijvers, deel 2
Chapter 3
"Niemand groette mij, niemand kende mij, niemand liet zich met mij in, want ik stond op het punt om eerloos te worden.
"Zoo leefde ik twaalf maanden, Uwe Excellentie, als het leven heeten mag, worstelen als het was met de dagelijksch terugkeerende grief van armoede en schande, gemarteld door de verwachting eener criminele regtspleging; zoo leefde ik twaalf maanden, elken dag denkende: dit is de laatste, en mij elken dag bedrogen ziende.
"Den 10en Augustus 1844 heb ik mij neergelegd om te sterven, van honger te sterven, Uwe Excellentie. Ik had in drie etmalen niet gegeten! Een Chinees, wien ik eens eene dienst bewezen had, vond mij, en bragt mij eten.
"Op eenen avond, toen ik te acht ure nog niet wist, waar ik den nacht zoude doorbrengen, schreef ik eenen brief aan Z. E. den Gouverneur-Generaal Merkus.
"Kort daarop ontving de Civiel- en Militair-Gouverneur der Westkust last mij naar Java te laten vertrekken." [7]
Al het leed, al de bitterheid over zijn maatschappelijke onteering en zijn ongelukkige liefde, al zijn hunkeren, afwisselend naar den dood of naar het geluk of naar rehabilitatie, heeft hij in zijn tooneelstuk: _De Eerlooze_, uitgeklaagd. Het heele stuk wordt gedragen door het besef slechts _schijnbaar_ schuldig te zijn, innerlijk hoog verheven te zijn boven iedere laagheid, elk bedrog. Wel erkent hij, "ikzelf ben een zwak mensch die 't goede wil, maar menigmaal struikelde," maar zijn geweten is zuiver: zijne bedoelingen zijn altijd zuiver geweest. Het doorleden leed, zijn krachtig idealisme, zijn drang zich voor zijn ideaal te geven, te offeren, heeft hij echter niet weten om te scheppen tot een stuk met oorspronkelijke situaties en karakters. Hij heeft eigen gemoeds- en levenservaring in de vormen gegoten van romantische schrijvers als Kotzebue en Lafontaine. De arme, burgerlijke muziekmeester Holm, die op zijne adellijke leerlinge Caroline verliefd wordt, voor wie hij sentimenteele romances dicht, Karel van Bergen, de misdadige bon-vivant van ouden adel, die door Caroline's stiefmoeder als schoonzoon begeerd wordt, het offer dat de edele Holm bij herhaling brengt ten einde dezen onwaardigen medeminnaar te redden, om de schuld van zijn vader jegens dien van Karel te boeten, en eindelijk de uitredding door een vriend van beider reeds overleden vaders, tevens broeder van de booze stiefmoeder, die den armen Holm in zijn eer hersteld, tot zijn zoon en erfgenaam aanneemt, en hem de geliefde Caroline in de armen voert--dat alles zijn karakters en situaties uit de boekenwereld van Kotzebue, Lafontaine e. d. "Al zulke schrijverij, 't produkt van middelmatig talent, veel nabootsing en _niet de minste studie_, is leeg. Dat is geen grijpen _ins volle Menschenleben_, dat is grabbelen in een muffe leesbibliotheek. Dat is geen zielkundige ontleding van wat ons de wereld te aanschouwen geeft, dat is 'n marionetten-repetitie. Dat is geen menschteekenen, dat is kladderij van de poppenkast. Dat is geen waarheid, dat is leugen. Wie de wereld niet kent, en toch voorgeeft haar te kopieeren of te schetsen is onnoozel als ik in '43, of..." Dit oordeel van den schrijver zelf 30 jaar later over zijn eersteling uitgesproken is scherp maar juist.
De Raad van Indië was niet zoo overtuigd van de oneerlijkheid van den geschorsten ambtenaar als Generaal Michiels: een der leden maakte de opmerking dat "het getal ambtenaren dat onder den Gouverneur ongelukkig is geworden, weder met één vermeerderd is."
Dekker krijgt verlof om naar Batavia te gaan. Hij wordt op wachtgeld gesteld vanaf 't oogenblik zijner schorsing, die hier feitelijk mede te niet is gedaan; het tekort in zijn kas moet hij aanzuiveren en dan zal hij voor plaatsing wederom in aanmerking komen.
In Batavia heeft hij weer vrienden gevonden, die hem voorthelpen en in het najaar van 1845 wordt hij weer geplaatst, doordat hij ter beschikking van den assistent-resident van Krawang wordt gesteld. De administratie was daar ten achteren geraakt en moest worden bijgewerkt. Een half jaar bleef hij daar en kreeg toen een vaste aanstelling als commies te Bagalen. Dit was beneden zijn rang. Een vaderlijk vriend heeft hem er van teruggehouden uit verontwaardiging hierover ontslag te nemen. Twee jaar lang ziet hij met iedere post uit naar het bericht zijner overplaatsing, totdat hij eindelijk tot secretaris van Menado benoemd werd.
VERLOVING EN HUWELIJKSJAREN IN INDIË
Kort na zijn benoeming te Krawang, in September 1845 haalt hij voor zijn gastheer Van der Hucht, die in de Preanger een landgoed bezat, Hollandsche meisjes te Batavia van de boot: dit waren de drie baronesjes Van Wijnbergen. Deze meisjes waren arme weezen, door familieleden opgevoed. De oudste, Everdine, was bij tantes te Wageningen opgegroeid en was eenigen tijd op een kostschool geweest, waar zij als secondante haar kost en inwoning verdiende. Dekker bracht de meisjes naar Parkan Salak. Tot Everdine voelde hij zich sterk aangetrokken: na enkele weken verloofden zij zich. Hare familie was niet zeer ingenomen met het engagement; zijn carrière was niet schitterend, hij had schulden, en zijn luchthartige wijze om over geld te spreken, stelde hen niet gerust. Toen Everdine haar klein ouderlijk erfdeel opvroeg om te kunnen trouwen, waarschuwde de familie haar. Zij bleef haren verloofde trouw, ze geloofde in hem en vertrok naar een kennis te Tjanjor, waar ze na enkele maanden trouwden.
In de verlovingsmaanden heeft Dekker zijn gemoedsleven, zijn levenservaringen in zijn brieven aan Everdine opengelegd. Na de beproevingen van de laatste jaren verlangt hij naar stil huiselijk geluk: dan eerst zal hij zijn innerlijke onrust, zijn reikhalzen naar macht verliezen. Hij kan er naar verlangen "dat eene degelijke, stevige werkelijkheid het vliegend, huppelend, afmattend genot zijner onstoffelijke droomen vervangen moge." Maar toch komen telkens de oude machtsdroomen weer boven; de onevenredigheid tusschen wil en macht maakt hem verdrietig. Als hij een jong meisje in moeilijke omstandigheden ontmoet, zou hij haar ridderlijk willen helpen, maar hij weet niet hoe en compromitteert haar door zijn ridderlijkheid! "Ik zoude geld en magt willen hebben om te helpen waar mijn gevoel mij dwingt om te ondersteunen en te redden waar smart is."--"Ik geloof opregt, dat het jammer is, dat ik niet hoog in de wereld sta. Ik zoude kunnen klimmen, ja--maar de tijd, dien wij beleven is te kort na 1790-1812. Er zullen nog jaren verloopen eer het onderste weer boven komt. Ik had tachtig jaar vroeger of zooveel later willen geboren zijn. En toch 2-1/2 jaar geleden had ik plannen, gewelddadige, misschien onuitvoerbare plannen waarvan het hoofd mij duizelt. Thans heeft zich alles opgelost in de begeerte om stil gelukkig te wezen. Ik geloof, dat ik het verstandigste gekozen heb."
Maar het opgaan in zijn droomen maakte hem vaak onbekwaam voor het dagelijksche leven. Nu hij na ruim twee jaren non-actief te zijn geweest, weer geregeld werk had gekregen, werkt hij met vlagen. Soms voert hij halve, soms heele dagen niets uit. Dan weer is hij hard aan het werk; als de gegevens, de bouwstoffen ontbreken, verschaft zijne fantasie hem stof voor ambtelijke rapporten. En als zijn meisje zich over zijn werk ongerust maakt verzekert hij haar, dat hij zal zorgen er met eer af te komen, "voor zoover aan de Krawangsche knoeiboel eer te behalen is. Het is nog al gelukkig dat die officieele rommel met een half hoofd geklaard kan worden."
Everdine werkt verzachtend, verzoenend in op de tegenstrijdigheden van zijn karakter: gelijkmatiger gaat hij werken; hij tracht zijn lust tot redetwisten te beheerschen. "Ik ben met ieder wel en disputeer niet, niet alleen omdat het zoo uw bevel is maar ook omdat hier ieder mij gelijk geeft, hetgeen zeer gemakkelijk is, maar niet amusant." Hij biecht haar dan ook eerlijk op, dat hij zich dikwijls amuseert "door alles juist anders te zeggen dan ik meen, ik heb nog dienzelfden avond beweerd dat liefde zotternij was." Dit was ook een geliefde ontspanning van Lafontaine's held, Hermann Lange!
Dekkers opvattingen waren in die jaren al merkwaardig genoeg om debat uit te lokken, ook zonder dat hij paradoxen opperde! In de brieven uit den verlovingstijd begint de schrijver van de _Ideen_ zich al af te teekenen. Zijn eigen persoon stelt hij op den voorgrond: het was dan ook zijn bedoeling zich aan Everdine te doen kennen. En dat doet hij met zeldzame openhartigheid. Hij wil haar de fouten van zijn jonge leven opbiechten en haar inwijden in zijn droomen van macht en grootheid; hij verheelt zijn innige overtuiging niet, dat het eigenlijk heel jammer is dat hij niet zéér hoog geplaatst is, maar tevens erkent hij, dat zijn beste daden voor een groot deel uit ijdelheid geboren zijn. Hij is zich bewust van het tegenstrijdige in zijn karakter, dat hij jaren later in zijn zelfportret in de _Max Havelaar_ zoo meesterlijk zal schetsen. In zijn idealisme is hij er vast van overtuigd in uitwendigen tegenspoed gelukkig te kunnen zijn, armoede te kunnen verdragen, als hij maar rijk is aan liefde. Toch bekent hij "een zwak, inconsequent schepsel (te zijn), die fraai redeneert over de onwaarde van fortuin, en toch niet sterk genoeg wezen zoude om zonder grieve te zien dat zijne vrouw in een katoenen japonnetje gekleed ging als eene andere mooi getoiletteerd was!" En zuchtend erkent hij, "dat de edele mensch onedele oogenblikken heeft!"
Over het huwelijk, over opvoeding, over vrouwenleven spreekt hij reeds voor dien tijd merkwaardige gedachten uit. Hij komt er tegen op dat "sommige zaken te zeer omsluyerd" worden, want "reinheid wordt niet bewaard door onwetendheid."
Over het huwelijk verklaart hij zeer anti-maatschappelijke idées te hebben. "Blijft men elkander beminnen dan is er geen band noodig. Zoo niet dan is die band drukkend, onmenschelijk en immoreel." Over dergelijke onderwerpen schrijft hij, "dat hij nooit uitgesproken zoude hebben." En als hij over een boek van den Noor Bernard handelt, schetst hij in eenige fijngevoelde, ietwat sentimenteele zijdjes het deerniswaardig lot eener oude vrijster.
Over godsdienstige vraagstukken rept hij maar enkele malen. Deze staan niet in het middelpunt zijner belangstelling. Hoezeer de opvattingen zijner jeugd zich langzamerhand reeds gewijzigd mochten hebben, is hij geloovig gebleven. Dogmatische termen als verlossing en verzoening zijn zinledig voor hem geworden; hij gelooft in God en onsterfelijkheid. In Natal mag hij "Gods zorg mistrouwd hebben," die twijfelzin berouwt hem spoedig. Hij is ervan doordrongen, dat godsdienstige waarheden verstandelijk niet bewezen maar door het gevoel aanvaard worden: "wij kunnen zoo oneindig meer gevoelen dan begrijpen." Waar het religieuze louter als gevoelszaak wordt beschouwd, wordt zijn overgang tot de Roomsche kerk begrijpelijk; hij heeft werkelijk gemeend, dat die godsdienst _de schoonste_ was. Maar achteraf krijgt hij een tegenzin in "dat geheel afhankelijk maken van eigen meening van het oordeel der kerk, zegge van eenige domme, dikwijls slechte priesters." Dit veroordeelt hij als geestelijke slavernij.
Wezenlijke belangstelling heeft hij voor letterkunde. Niet alleen leest hij graag, hij bestudeert met belangstelling ieder mensch, dien hij ontmoet; hij analyseert en beschouwt "elke nieuwe kennis als een nieuw exemplaar voor de verzameling, die ik in mijn hoofd bewaar, als een nieuw liedje, waarvan ik de wijs wil leeren." Met belangstelling neemt hij zijn omgeving op: door zijne fantasie kleurt hij zijn ervaringen: reeds als kind ging er geen week voor hem om zonder iets, dat betrekkelijk interessant was. En Everdine vindt dat zijne ontmoetingen te Poerwakarta wel op een roman gelijken. Zijn grootste genoegen is het, zijn ervaringen op te schrijven. Als jongen van 15, 16 jaar hield hij een dagboek, en schreef verzen; evenzoo in Natal. En zijne brieven aan Everdine worden ongemerkt stukjes literatuur; herinneringen uit zijn kinderjaren, de beschrijving zijner omgeving te Poerwakarta, zijn omgang met Cateau. Zijn stijl wordt natuurlijker, losser, zelf vergelijkt hij ze met hutspot. Ook overweegt hij de mogelijkheid om zich aan letterkundigen arbeid te wijden: het is nog een verwijderd ideaal. Hij spreekt den wensch uit dat er eens een tijd zou komen, waarin hij geen ambtsbezigheden zou hebben en zich niet om den broode hoefde te bekommeren. Dan zou hij menschen willen bestudeeren en schilderen.
Deze literaire neigingen raken in de volgende jaren wat op den achtergrond. Den gelukkigsten, evenwichtigsten tijd beleeft Douwes Dekker in zijn tien eerste huwelijksjaren. Hartelijk en vertrouwend en vast geloovend in zijn superioriteit heeft Everdine zich aan hem gegeven. Door hare rust en zachtheid boeit ze hem en weet ze hem te leiden. Rustige en arbeidzame jaren slijten ze in Bagelen, in Menado, in Ambon. Vooral in Menado voelden zij zich gelukkig. De resident Scherius was iemand die Dekker begreep en waardeerde en zoo werkte deze in een ambtelijke atmosfeer, die het beste in hem wakker riep, waardoor zijne gaven tot hun recht kwamen. Daar de resident ongetrouwd was, waren Dekker en zijn vrouw in het gezellig verkeer de eersten van de plaats. Het mondaine leven werd hun zelfs te druk, zoodat Dekker even buiten Menado een klein landgoed kocht: "drie palen afstands slechten weg scheen mij eene geschikte barrière tusschen mijn denken en hun dansen." Niet alleen om te _denken_, ook om zijn werk te kunnen doen had hij meer rust noodig. In Menado is de opeenstapeling van zoowat alle bestuursfuncties nog krasser dan te Natal. Dekker moet dan ook voortdurend op zijn qui vive zijn om de boel recht te houden. Daar er ook toezicht op de onafhankelijke rijkjes gehouden moest worden was de bestuurstaak verre van gemakkelijk: "men heeft daarvan in Holland geen begrip," schrijft hij aan zijn broeder Jan. De vertrekkende resident beveelt hem als zijn opvolger aan, maar tevergeefs. Als de nieuwe resident 't bestuur overneemt, ontdekte deze weer verscheidene slordigheden in zijn beheer, zoodat hij met een f 3000 wordt belast. Enkele maanden later wordt Dekker benoemd tot assistent-resident van Amboina. Hij vond daar een onrustige bevolking; in de _Max Havelaar_ komt deze klacht voor: "Ik had te kampen met oproer onder mij, met lauwheid of timiditeit boven mij. Ergernis over het laatste heeft mij ziek gemaakt. Ik werd er in 1852 bewusteloos ingescheept naar Europa." Ook op Ambon heeft hij flink en hard gewerkt en in die weinige maanden bewondering gewekt door zijn groote werkkracht en innemende eigenschappen.
Nerveus van aanleg had zijn zenuwgestel een geduchten knak gekregen door zijn ervaringen op Sumatra. Daarna tot rust gekomen begint deze kwaal in Menado en vooral in Ambon weer te verergeren, zoodat een verlof naar Europa wordt toegestaan.
VERLOF IN HOLLAND.
Vol illusies gaan Dekker en zijn vrouw op reis naar Holland. Zij hadden eenige duizenden bespaard, zoodat ze met het verlofstractement schijnbaar een onbezorgden tijd tegemoet gingen.
Geliefde betrekkingen hadden zij niet in Holland: Dekkers ouders en zijn oudste zuster waren overleden, eveneens zijn boezemvriend Des Amorie van der Hoeven. Maar toch gaat zijn verlangen naar Holland uit, hij heeft er graven te bezoeken. Hij wil zich vrij kunnen bewegen in Holland. Hij wil er genieten. In Menado heeft hij eens geschreven:
"Ik wil namelijk in Holland:
"Haring eten, één kwartier na 't inrijden van de eerste kar. Boerekool eten, als het goed koud is. Maar er moet meer zijn, iets meer zijn dan voor mij alleen: ik ben geen groote eter. Mijn knecht moet ieder binnenroepen, die er uitziet als ware hem boerekool welkom.
"Naar de kermis gaan en op mijn gemak in eene poffertjeskraam zitten, om de jongens te zien eten die ik binnen zou roepen.
"Alle arme kinderen in Europa, laat ik St. Nicolaas houden. Ieder krijgt zijn naam in letterbanket "en wat daarnevens past", zooals Tollens zegt. Ik wil mij laten kiezen voor de Tweede Kamer.
"Den Rodolphe uithangen, min het boksen. O, die Sue, die dief! 't Is waar, in 't schrijven is hij mij vóórgeweest, maar ook alleen in 't schrijven.
"Ben ik klaar met de weinige armen, die in Europa verscholen zijn gebleven voor de Argusoogen der Christelijke liefdadigheid, dan laat ik in Den Haag de Opera spelen voor mij alleen. Maar 't moet op de affiches staan dat het voor mij is."
En daarom leeft hij zuinig, om in dien verlofstijd de droomen van zijn jonge jaren in werkelijkheid te beleven. En dan is er nog iets: in Holland hoopt hij zekerheid te krijgen of hij voor iets in staat is of niet. Nu lijdt hij onder gedurigen twijfel en dat beneemt hem de kracht om door te zetten: want met _schrijven_ hoopt hij naam te maken.
En zoo gaat hij met gespannen verwachtingen op reis: de eerste teleurstelling baart St. Helena, waar hij, vurig vereerder van Napoleon, Longwood bezoekt: "alles misselijke teleurstelling" schrijft hij in zijn aanteekeningboekje en voegt er mismoedig aan toe: "Poëzie in eeuwigdurenden strijd met proza. Die strijd is ongelijk, want poëzie is overal kwetsbaar zelfs zonder dat proza het zoo bedoelt."
Met Kerstmis overnachten ze te Hellevoetsluis, daarna trekken ze naar Den Haag en Amsterdam. Een vroolijk, zorgeloos leven begint nu: D. onthaalt weeskinderen in een buitentuin te Amsterdam op lekkers en speelgoed, als hij daar een dag is met de kinderen zijner overleden zuster. "De assistent-resident met verlof maakte dien dag den indruk van een verkleeden prins uit een tooversprookje," schrijft zijn nichtje Sietske jaren later als zij de herinneringen aan haren beroemden oom op schrift stelt.
D. maakt door den verloofde van Everdine's nichtje kennis met een kring Leidsche studenten, wat aanleiding geeft tot het over en weer geven van feestjes. Hij beleeft vermakelijke avonturen met een vriend uit Natal, die per advertentie aan een vrouw wil komen, en schaakt een meisje om een anderen vriend gelukkig te maken. In het belang zijner gezondheid gaat hij een reisje naar België en Frankrijk ondernemen, maar hij blijft hangen in Spa: hier speelt hij en verliest wat hij nog heeft.
In 1855 reist hij weer naar een speelbank: nu naar Homburg. In zijn brieven aan zijn vrouw beschrijft hij zijn reisavonturen: zijn reis-amouretjes biecht hij eerlijk op, een ervan begint met een kennismaking door middel van vrijmetselaarsteekenen in een spoorwegcoupé (in zijn verloftijd had D. zich bij een loge aangesloten), daarna gaan ze samen in het posthuis eten. "Zij zag er goed uit. Ik was, in weerwil van mijn toestand, altijd ik. Onze kniëen en handen raakten elkaar. In Duitschland is eene romantische atmospheer... zie uwe plaatjes... enfin, in weerwil van alle weerwillen: het was zoo." En als hij zijn avontuur nog verder verteld heeft, raadt hij Everdine's gedachten en besluit: "Nu denk je dat het een gemeen meisje was, nietwaar? Neen, geloof me. Dat woord eer en deugd in den gewonen zin genomen, ik hecht daaraan als je weet niet zoo veel." We zien hier _la nouvelle morale en action_.
Terwijl hij zelf al op zwart zaad zit blijft hij arme zielen in nood spontaan helpen. Een staaltje daarvan schetst hij in zijne ontmoeting met arme muzikanten: "Ik heb uitgaande en zelfs thuiskomende nog van mijn armoedje hulp verleend, en het was mij een bitter genoegen daarbij als het ware tot God te zeggen: Zie, hoe ik handel. O 't is wreed!" [8]
Nog geen jaar is hij in Holland of de geldzorgen beginnen te nijpen, en dit is te erger, daar ze dan juist de geboorte van hun eerste kindje verwachten. De minister geeft 3 maanden voorschot op zijn tractement, maar telkens herhaalt zich de misère. Inplaats van in 1854 naar Indië terug te gaan tracht hij telkens uitstel te krijgen: eerst om zijn eigen gezondheid, later om een ziekte van zijn kind. Hij lijdt aan zwaarmoedigheid, aan "een hoogen graad van melancholie en ongeregelde werking van hersenen en ruggemerg volgens medische verklaring." De kwaal waarom hij in Indië verlof kreeg is in Holland verergerd. Het geregelde ambtenaarsleven was voor zijn gestel beter, dan een verloftijd vol spannende avonturen en nijpende zorgen. Daarbij kwamen verschillende teleurstellingen.
Hij had gehoopt een fortuin van dertig mille dat aan zijne vrouw zou toekomen te bemachtigen. En in de weken van zijn omgang met Leidsche studenten was het zijn illusie daarvan te Leiden te gaan studeeren om doctor in de Nederlandsche Letteren te worden. Hij gaat naar zijn vriend, den uitgever Kruseman te Haarlem, om dezen te raadplegen over de kans om als schrijver in Holland te kunnen leven. "Mijn hoofddoel was van hem te weten te komen of ik talent had uit het oogpunt van een boekhandelaar. Hij begrijpt dat ik dit weten moet. De toejuiching van een tafelvriend etc. beduidt niets, maar een boekhandelaar moet de waarde van het talent als koopman kunnen schatten. Hij moet kunnen weten of er door de natie geld voor gegeven zal worden, want zonder dat loopt alles spaak. Ofschoon zijn oordeel niet decisief was, beschouw ik toch zijn oordeel over het geheel als gunstig. Decisief kan het antwoord niet zijn, want 1º. had hij van mij geene proeven genoeg en 2º. is alle litterarische succes een dobbelspel vooral van een debutant. 'De eerlooze' scheen hij wel mooi te vinden. Waarschijnlijk zal dat stuk niet gespeeld kunnen worden omdat... er in Holland geen goede acteurs zijn".
Als zijne pogingen om een erfenis te bemachtigen, om als schrijver van zijn pen te leven, om aan de speelbank het onmisbare geld te bemachtigen--als dat alles mislukt is, neemt hij eindelijk passage naar Indië, nadat hij weer de noodige voorschotten heeft opgenomen.
Zoo komt hij einde 1855 in Batavia aan. Zijn verlof heeft zijn zenuwgestel verder ondermijnd, zijn illusies zijn niet vervuld, en hij steekt diep in de schuld!
DE DAAD VAN LEBAK.
In September 1855 komt Douwes Dekker met zijn gezin te Batavia aan. Drie maanden leven zij van een klein wachtgeld, wat tot het maken van nieuwe schulden noopt.
In die maanden was Dekker aan het "hof" van Duymaer van Twist om zijn origineelen, levendigen geest zeer gezien. In 't begin van 1856 wordt hij benoemd tot assistent-resident van Lebak.
In Lebak wordt in enkele weken de tragedie afgespeeld van zijn aanklacht tegen den regent, van zijn terechtwijzing door zijne superieuren en van zijn ontslag, waardoor zijn gezin in de diepste ellende wordt gestort. Uit deze ellende weet hij één ding te redden: den droom van zijn leven. En hierdoor worden sluimerende krachten in hem wakker: zijn mededoogen met de arme geknevelde inlandsche bevolking, zijn verzet tegen een maatschappelijke en staatkundige orde, die zooiets gedoogt, zullen in hem een schrijverstalent van ongemeene kracht wekken.
De geschiedenis van Lebak heeft Dekker zelf in _Max Havelaar_ verhaald, nadere gegevens gaf hij in de _Minnebrieven_. De officieele stukken zijn juist weergegeven, maar overigens is het gebeurde door romantische verbeelding gekleurd. Dat is aan zijn boek als kunstwerk ten goede gekomen; ook aan de beteekenis van zijn boek doet het geen afbreuk, want deze is gelegen in de warme sympathie, die het wekte voor den inlander, voor Indië, niet in de historische betrouwbaarheid van de feitelijke voorstelling. Zoo zal dit hoofdstuk, evenals het verhaal van Dekkers wedervaren op Sumatra eenigszins afwijken van de voorstelling in de _Max Havelaar_ door hem zelven gegeven.
De afdeeling Lebak behoort tot de armste streken van het rijke Java: geen cultures van suiker of koffie hebben er den inlander een bron van inkomsten geschapen. De bevolking kan ternauwernood in haar eigen onderhoud voorzien, want er was geen irrigatiestelsel om de rijstvelden tot rijke oogsten te dwingen; handelsproducten werden er niet geteeld; het lag ver van den grooten verkeersweg in een uithoek. De bevolking is er zeer arm en fanatiek godsdienstig: ze vereert haren regent als een heilige, zijn graf is later een bedevaartplaats geworden, ondanks het feit, dat deze regent zijn onderdanen op de schromelijkste wijze knevelde en liet bestelen door zijn talrijke familieleden.