Multatuli Onze groote schrijvers, deel 2
Chapter 5
Batavus Droogstoppel is het kostelijk type van den nuchteren Hollander, voor wie niets bestaat buiten zijn zakenwereld en geldmaken, dan een stel conventioneele begrippen over fatsoen, moraal, godsdienst en politiek. Door zijn nuchterheid is hij ongevoelig voor geestelijk en artistiek genot, maar ook het onechte en opgeschroefde van sentimenteele romans en verzen, van rhetorische vaderlandsliefde bespeurt hij onmiddellijk: zoo kan zijn kritiek soms goed raak zijn. Hij waardeert zijn medemensch naar zijn materieel succes in de wereld: geestelijke rijkdom kan hij niet waardeeren. Als hij zijn ouden schoolmakker Sjaalman ontmoet, heeft hij spijt over de hernieuwde kennismaking als hij diens kale kleeren te laat opmerkt. Zijn ouden rijken schoolmakker vraagt Sjaalman om hulp voor het uitgeven van een boekdeeltje: makelaar in verzen, zucht Droogstoppel. Hulp hierbij komt opdagen in den persoon van een Duitsch volontair op zijn kantoor: Ludwig Stern. Deze is romantisch en sentimenteel; hij brengt Droogstoppels dochter 't hoofd op hol met verzen van Heine, waarvan Droogstoppel een vermakelijke analyse zal leveren. Stern zal een boek samenstellen uit de gegevens van Sjaalman's pak en om de soliditeit te verhoogen lascht Droogstoppel af en toe een hoofdstuk in.
De tegenstelling Sjaalman--Droogstoppel beheerscht zoodoende het heele boek: de tegenstelling Hollandsche rijkdom--Javaansche ellende wordt steeds scherper belicht. De schuld hiervoor treft de regeering, die het uitzuigen der inlandsche bevolking door inlandsche grooten en Hollandsche ambtenaren en industriëelen duldt. Het optreden van Havelaar is een doorloopende aanklacht tegen het koloniaal bewind. De voorschriften, de reglementen zijn voortreffelijk, maar de toepassing bederft alles. Tegen den ambtelijken leugen komt Havelaar op. Hij brengt de tegenstelling aan het licht tusschen theorie en praktijk in koloniaal bewind, tusschen den _ambtenaar_ en den _mensch_: en hij is het slachtoffer, de martelaar zijner overtuiging.
De geschiedenis van Havelaars ambtenaarsloopbaan en van 't gebeurde te Lebak wordt meegedeeld door Stern, een bewonderaar van Heine: niet de nuchtere, kritische Droogstoppel, maar de romantische Stern verhaalt de gebeurtenissen.
Dit is een bekentenis, zij het dan een ongewilde: Havelaars carrière is die van D. D., maar romantisch getint wat de bizonderheden aangaat: het ravijn achter Havelaars erf bestaat niet, de toespraak tot de hoofden van Lebak is nooit gehouden, de verre nachtelijke tochten heeft D. D. niet ondernomen. Daar hij in die streek onbekend was met de wegen, zoowel als met de taal, terwijl hij zich buitengewoon slecht kon oriënteeren, is dat een onmogelijkheid.
Bovendien, zoo hij werkelijk zoo'n tocht had gemaakt, alléén in den tropischen nacht, dan zou de beschrijving er van zeker niet ontbroken hebben in Sjaalman's pak! Zijn voorganger echter maakte wel zulke excursies: het was een volkomen geoorloofde dichterlijke vrijheid, om ze op Havelaars rekening te stellen.
Slijmering is niet het portret van Brest van Kempen, den resident van Bantam: Slijmering is geworden tot het type van den door D. D. gehaten _ambtenaar_, ook is Dekkers voorganger niet vergiftigd, al was hij zelf vast overtuigd van het tegendeel. En zelf erkent onze schrijver, dat Saïdjah geen historische persoon is, dat hij die inlandersliefde sterk idealiseerde. Deze idylle berust niet op diep meeleven met den inlander, het is "literatuur": deze aandoenlijke geschiedenis van de verstoorde liefde van twee reine jonge kinderen in de tropen behoort tot de sfeer van _Paul et Virginie_. Zoo dicht de van conventie afkeerig geworden Europeaan zijn liefdesverlangen om tot de geschiedenis van _natuurmenschen_. Saïdjah's lied onder den ketapan heeft D. D. gedicht onder den indruk van zijn romantische liefde voor Ottilie te Cassel, niet in de tropen! Maar al blijkt het uit allerlei gegevens, dat _Max Havelaar_ nauw samenhangt met de Europeesche literatuur, dat allerlei episodes verdicht zijn, toch tast dit in geenen deele de strekking van het boek aan. Hiertegen waarschuwt de schr. in deze woorden:
"En aan sommigen die misschien beweren dat ik _Saïdjah_ en zyn liefde heb geïdealiseerd, moet ik vragen hoe ze dit weten kunnen? Slechts zeer weinig Europeanen immers achten het de moeite waard zich neertebuigen tot waarneming der aandoeningen van de koffi- en suikerwerktuigen die men 'inlanders' noemt. Doch al ware hun aanmerking gegrond, wie zulke bedenkingen aanvoert als bewys tegen de hoofdstrekking van mijn boek, geeft mij een groote zegepraal. Want ze luiden, vertaald, 'het kwaad dat gij bestrydt, bestaat niet, of niet in zoo hooge maat, _omdat_ de inlander niet is als uw _Saïdjah_... er ligt in de mishandeling der Javanen geen zoo groot kwaad als daarin liggen zou wanneer ge uwen _Saïdjah_ juister geteekend hadt. De Soendanees zingt zulke liederen niet, bemint zoo niet, gevoelt zoo niet, en dus...'
"Neen, Minister van Koloniën, neen, Gouverneur-generaal in ruste, niet dàt hebt gij te bewijzen! dat de bevolking niet mishandeld wordt, onverschillig of er sentimenteele _Saïdjahs_ onder de bevolking zyn. Of zoudt ge durven beweren buffels te mogen stelen van lieden die _niet_ beminnen, die _geen_ droefgeestige liedjes zingen, die _niet_ sentimenteel zijn?"
Havelaar komt in Lebak met het vaste voornemen met de ambtelijke sleur te breken en zijn ideaal van rechtvaardig bestuur door te voeren; hij zal de redder zijn van de geknevelde inlanders, die zich aan hem toevertrouwen. En als hij genoodzaakt is zijn ontslag te nemen, dringen de stumperds zich om hem heen, met moeite beweegt hij ze rustig naar hun dessa's terug te keeren, al zijn welsprekendheid is noodig om oproer te voorkomen... Ook dit is fictie, al meende D. D. vast en zeker dat het werkelijkheid was; nooit heeft hij begrepen, dat hij het tragisch slachtoffer van de veete tusschen regent en djaksa geworden is. Hij _voelde_ in zich den drang den inlander te bevrijden, en hij meende, dat deze dat besefte, hem daarom aanhing en vertrouwde; zijn idealisme, zijn ijdelheid waren hierdoor gestreeld. Ook deze menschelijke zwakheden hebben meegedaan, maar wie deze alléén wil laten gelden, doet èn aan het boek en aan den persoon van D. D. groot onrecht. Menschelijke daden moeten als een mengeling van het groote èn kleine begrepen worden. Dekker heeft zich de beschermer der bevolking _gevoeld_; dat is de realiteit, waardoor de daad zijner ontslagname gedragen wordt. De inlanders hebben hier niets van beseft, 't is totaal aan hen voorbijgegaan. D. D. is in Lebak vergeten, maar de regent wordt er als een heilige vereerd. En desondanks, omdat zijn gevoel zuiver en zijn verontwaardiging echt waren, is zijn aanklacht verstaan en tot hart en geweten van het Nederlandsche volk doorgedrongen, zuivere menschenliefde overstraalt alle menschelijke zwakheden, en stempelt de daad van Lebak tot iets groots.
Het machtig idealisme van Havelaar is boven de tegenstelling van Hollandsche geldzucht en inlanderslijden uit; hij ziet de verzoening. Maar dan moet Holland zich herzien: 't enghartig fatsoen, het conventioneele geloof moeten tot menschelijker opvattingen worden vernieuwd. De uitbuiting van mensch door mensch, van volk door volk, moet plaats maken voor het besef van recht en rechtvaardigheid, door de Fransche revolutie in Europa gewekt; de uitbuiting zal verdwijnen wanneer de verteedering des harten en de verbroedering aller menschen door Rousseau en de romantici gepredikt, ook het Hollandsche volk in de ziel zullen grijpen. Deze wereldbeschouwing heeft Havelaar in praktijk gebracht: hij is in Indië gestuit op de ambtelijke sleur, in Holland op droogstoppelig eigenbelang, op conventioneele levensbeschouwing.
D. D. de eervol ontslagen ambtenaar, heeft geen succes gehad, toen hij zijn zaak bracht voor het Nederlandsche volk, maar _Max Havelaar_ heeft het op den duur gewonnen. Dit gloedvol geschreven boek opent niet alleen een nieuw tijdperk in onze letteren, maar ook in onze koloniale geschiedenis.
In de zaak van Lebak is recht gedaan, al is 't dan niet gebeurd op de eclatante wijze, als D. D. gewenscht had. Eenige mindere hoofden, w.o. de dief van Saïdjah's buffel, werden afgezet en de regent kreeg een scherpe vermaning: de man was _te_ gezien bij de bevolking, dan dat de regeering hem krasser dorst aanpakken!
"Het zal als een donderslag in het land vallen," voorspelt hij aan Tine. En hij draagt het op aan zijne trouwe lieve Tine met enkele ontroerende Fransche zinnen, over het zware lot van de vrouw van een dichter.
Onder het overschrijven, op een onverwarmd kamertje in October-en Novemberkou, krijgt hij hoe langer hoe meer pleizier in zijn boek: "'t is een geheel nieuw genre, dat op niets lijkt,--'t lijkt: op mijn toasten. Humor, gevoel, scherpte, alles dooreen, men weet niet of men lachen of schreien moet." Zijn tooneelstuk vindt hij heel kinderachtig, maar door het boek zal hij in drie maanden de held van den dag zijn.
In schrijven krijgt hij pleizier: hij hoopt van letterkunde te kunnen leven!
Door bemiddeling van een broeder van het rozekruis, een tak van de orde der Vrijmetselaars, kwam het manuscript in handen van Jacob van Lennep, den toen zoo populairen romanschrijver. Als hij het gelezen heeft is hij vol geestdrift over _Max Havelaar_. Door zijn broeder Jan wordt D. D. in staat gesteld in Holland te komen om over de uitgave te onderhandelen. Hij is in tweestrijd welken kant uit te gaan: in Holland schrijver te worden, of een betrekking in Indië te aanvaarden. Maar dan wil hij minstens resident worden en de Ned. Leeuw krijgen! Zijn hart gaat uit naar het auteurschap--hij heeft wel honderd boeken in zijn hoofd, zijn schulden wijzen hem naar Indië! Maar dit zijn voorloopig nog vage toekomstverwachtingen.
Van Lennep vindt het boek "bliksems mooi", maar ook zéér gevaarlijk. Hij wil trachten de uitgave te voorkomen. En D. D. blijkt hiertoe te vinden, mits hij weer benoemd wordt, zoodat zijn benoeming een rehabilitatie is: ze moet een politieke beteekenis hebben.
Al zijn invloed van conservatief kamerlid wendt Van Lennep bij den minister aan om D. D. een betrekking te bezorgen ten einde het verschijnen van het opzienbarende boek te voorkomen. Hij gebruikt zelfs dit boek, om het ministerie te dwarsboomen met zijn spoorwegplannen, die voor Amsterdam niet voordeelig zijn. Door de politieke besprekingen en het enthousiasme van Van Lennep, begon Dekker hooger eischen te stellen: niet resident, neen Raad van Indië wil hij worden: en Van Lennep ondersteunt zijdelings ook dezen eisch bij den minister. Meer dan een eervolle, onafhankelijke en winstgevende betrekking in West-Indië wil de minister echter niet aanbieden en dit wijst D. D. hooghartig van de hand.
Door de politieke actie van Van Lennep gesterkt, meent hij iets beters te kunnen krijgen, als zijn boek verschijnt. De minister is minder bang hiervoor, dan Van Lennep, die het veiliger vindt, dat D. D. in Indië handelt, dan in Holland spreekt.
Rochussen zinspeelt echter op diens minder goede reputatie, maar Van Lennep weerlegt flink al deze lasterpraatjes: het is hem bekend, dat zijn broeder hem steunt, hij heeft de aandoenlijkste bewijzen, dat zijn vrouw hem innig aanhangt, en de tantes, aan wie hij geld schuldig is, had hij te voren mildelijk geld gegeven. Er blijft dus niets over van de verhalen, dat hij tantes oplicht en dat zijn vrouw van hem wil scheiden; het eenige, wat men tegen hem kan inbrengen is zijn excentriciteit en zijn schulden. Van Lennep was zeer onder de bekoring van D. D.'s boek en persoonlijkheid, maar dit verhinderde niet, dat hij als behoudend, aristocratisch Hollander het gevaar, dat hij van een openlijk optreden duchtte, wilde neutraliseeren. Wel wil hij de regeering inlichten en aansporen om recht te doen, maar van volksopwinding is hij afkeerig. Als de minister niet geneigd is een post in Oost-Indië aan te bieden zal de _Max Havelaar_ gedrukt worden.
Als de gevreesde spoorwegwet is afgestemd, heeft Van Lennep het boek niet meer noodig als politiek wapen. Hij vreest voor de uitwerking van dit geestelijk buskruitvat en hij doet wat hij kan om de uitwerking te verzachten. Hij stelt D. D. door een ruim voorschot in staat zich met zijn gezin in Brussel te vestigen en zorgt zelf voor de uitgave.
In Mei 1860 verschijnt _Max Havelaar_ en maakt een buitengewonen opgang. De schitterende litteraire vorm wekt bewondering--de geschiedenis der mishandelde inlanders ontroering.--D. D. reist naar Holland. Uitgevers, journalisten, politici verdringen zich om hem. En hij merkt spoedig, dat aan de uitgave te weinig publiciteit wordt gegeven, dat de prijs te hoog is, dat er veel te weinig exemplaren naar Indië worden gestuurd. Voor zijn _zaak_ acht hij een volksuitgave dringend noodig, maar hiervoor is Van Lennep niet te vinden en nu blijkt het hem, dat Van Lennep zich als eigenaar van zijn boek beschouwt. Op handige wijze had deze aan den niets vermoedenden schrijver een briefje weten te ontlokken met de verklaring dat hij "het kopyregt over _Max Havelaar_ aan Mr. J. van Lennep had afgestaan." D. had alleen _bedoeld_ zijn weldoener in staat te stellen met een uitgever te accordeeren, maar Van Lennep meende aan de rust van het land verplicht te zijn op grond van het briefje in vol vertrouwen geschreven _zijn_ eigendomsrecht op D. D.'s boek te handhaven, tot zelfs voor het gerecht toe, en D. D. te verhinderen een volksuitgave het licht te doen zien. Deze eigengerechtigde handelwijze kwam voort uit vrees voor onrust, voor volksbewegingen: zeer merkwaardig is het, dat Van Lennep dezelfde volksuitingen vreesde, die D. D. hoopvol verwachtte van zijn boek. Van het eerste oogenblik af heeft Van Lennep D. D. als "een gevaar" beschouwd, dat hij zal trachten te neutraliseeren. Onder zijn enthousiasme verborg hij een dubbelhartigheid die hem tot de onverdedigbare daad heeft verleid, zich tusschen een auteur en zijn werk te plaatsen. De tegenwerking van den man, in wien hij zijn eersten helper had meenen te vinden heeft D. D. diep gegriefd en bitter gestemd.
Als de regeering laks blijkt, is juist al zijn hoop op een volksbeweging gevestigd: en in het algemeen enthousiasme meende hij het begin daarvan te beleven. Van Lennep's tegenwerking heeft deze illusies vernietigd en een verbittering in zijn gemoed gewekt, die zijn verder leven vergiftigd heeft. Uit zijn houding tegenover Van Lennep blijkt zijn onevenwichtigheid: eerst weigert hij hooghartig geld voor _Max Havelaar_ in ontvangst te nemen, maar gebogen door geldgebrek, vraagt hij enkele jaren later om die som: "Mijne vrouw en kinderen lijden gebrek!" En Van Lennep is dadelijk hiertoe bereid, mits D. D. openlijk de beschuldiging terugtrekt, als zou hij, Van Lennep, op zijn boek hebben gespeculeerd. En hij doet het en dankt Van Lennep nog voor den innemenden toon van zijn brief... Op meer dan gerechtvaardigde verontwaardiging volgde een onware en daarom onwaardige beschuldiging in de _Ideën_, in _Over Vrijen arbeid_, en daarop dit haast onderworpen-vriendelijke briefje. Wel is D. D. een vat vol tegenstrijdigheden.
Zijn zenuwgestel is door deze geschiedenis zeer geschokt: eerst de afwachting, daarna de opwinding over het succes van zijn boek en toen de woedende verontwaardiging over den afloop van het proces over 't auteursrecht, hebben zijn zenuwen tot het uiterste gespannen. Daarbij komt, dat hij de rust zijner huiselijke omgeving mist, daar hij steeds meer een zwervend leven gaat leiden. Het geregeld verblijf in hotels en koffiehuizen en het impulsieve weldoen verslinden bovendien veel geld, zoodat geldzorgen, ook in tijden, dat hij met schrijven verdient, aan de orde van den dag blijven. Met korte tusschenpoozen van enkele maanden, soms slechts van enkele weken, leeft hij van Tine gescheiden. In den verloftijd en later op de langzame terugreis uit Indië ontwikkelt zich bij hem een onweerstaanbare drang tot het bohême-leven. Vast werk heeft hij niet; de pogingen tot herstel zijner carrière, de besprekingen voor de uitgave zijner werken en de propaganda zijner denkbeelden houden hem telkens vast in Holland. Door geldgebrek, spanning en teleurstelling wordt herhaaldelijk zijn stemming om te schrijven gebroken.
Tine blijft in Brussel, daar kan ze goedkooper leven, daar verbergt ze liever haar armoede. Maar hierdoor ontglipt haar ook den zachten, maar heilzamen invloed, dien ze op haar man uitoefende. Uit beider brieven spreekt een roerende liefde, die sterk blijft in allen tegenspoed. Met een heftig temperament als het zijne, zijn botsingen niet uitgebleven: hij kan haar soms bittere verwijten doen, als hij in een slechte stemming is. Maar door haar zachtheid, haar enthousiasme voor zijn denkbeelden en zijn levenstaak, wordt hij telkens ontwapend. Hij biecht haar alles op: ook zijn amoreuse avonturen. Zijne bekentenissen, dat hij "verliefd" is, gaan echter steeds gepaard met de warmste verzekeringen zijner trouwe liefde voor haar. Hij wil zichzelf èn haar suggereeren, dat ze boven een gewoon huwelijk staan, dat zij boven jaloezie verheven is. Maar Tine valt het moeilijk in deze verhoudingen mee te voelen met haar man: hare afkeuring is tusschen de regels harer brieven door te lezen. Het is dat rotsvaste vertrouwen op zijn genie, dat haar geduld en moed heeft gegeven gedurende de moeilijke jaren te Brussel. Tine heeft niet alleen met geldgebrek te kampen, maar ook met de lasterlijke praatjes harer rijke, orthodoxe familieleden. Deze vinden haar man met zijn schulden en zijn avonturen, die sterk vergroot en verdraaid worden rondverteld, compromittant. Dit temeer, als hij in geschriften vrije opvattingen over godsdienst en zedelijkheid gaat verkondigen.
En deze laster verbreidt zich snel: de ongeloofelijkste verhalen doen de ronde. Zelf steekt hij hiermede den draak en geeft Tine deze boodschap aan broer Jan:
"Zeg aan Jan dat ik gister een portemonnaie heb gestolen, een kind doodgetrapt, dat ik vanavond naar een hoerenhuis ga, en morgen mijn vader en moeder ga vermoorden, zeg hem dat ik bovendien, o gruwel! personeel ben, maar dat dit alles de vraag niet is. De vraag is of ik regt heb in de zaak van Lebak enz."
Ook door deze lastercampagne tegen haar man wordt Tine's afkeer van Holland hoe langer hoe sterker.
DE MINNEBRIEVEN.
Door de drukte en opwinding over zijn zaak is hij zelden in de stemming om te schrijven. Op aandrang van redacties en uitgevers geeft hij enkele stukjes in de _Tijdspiegel_; zijne _Indrukken van den dag_ verschijnen bij Thieme; op aandringen zijner politieke vrienden schrijft hij enkele krantenartikels en een Rotterdamsch uitgever weet hem te bewegen een stuk te schrijven ten bate van de slachtoffers van een banjir. In deze bladzijden, getiteld: "_Wijs mij de plaats, waar ik gezaaid heb_" tracht hij met statistische tabellen den Hollanders aan het verstand te brengen, welk groot belang zij bij Indië hebben; maar vooral wil hij de Hollandsche harten tot ontferming bewegen door een ontroerend beeld van het lijden van den inlander. Evenals Saïdjah's geschiedenis is ook de inlandsche idylle van 't feest ter eere van 'n gedooden tijger, die door den banjir zoo wreed werd verstoord, sentimenteel. Al die feestvierenden hebben hun eigen vreugdevolle verwachtingen, en die spreken ze uit in de korte zinrijke regels van hun dichtspel: 't verlangen van de vrouw naar haar eerstgeborene, en dat van de bruid, de trots van den man op zijn klewang, op zijn snelrijdend paard; maar "sterker is de kracht van den stroom," riep een oud man die veel banjirs beleefd had. En dan komt de banjir en alle geluk, alle verwachting wordt weggevaagd en die hoopvolle menschen worden dan geschetst als lijken, lijken die dreigen met de pest, zegt de krant. "'t Zijn de lijken van _mensen_!" roept Multatuli.
Zy voelden, hoopten, vreesden, als wy. Ze hadden aanspraak op levensgeluk als wy...
Lezer, Nederlander, het waren _mensen_, die Javanen!
En de overblyvende, die treurig staart op de verwoeste landstreek, en vruchteloos rondschouwt naar de plaats waar hy gezaaid heeft, is 'n _mens!_ En waar hy het lyk zoekt van z'n kind, krimpt hem het hart ineen, zoowel door de vreeze van niet te vinden wat hy zocht, als uit angst dat hy 't vinden zal. En waar hy slaagt in z'n droevig nasporen, snydt hem de wanhoop door de ziel, zooals dat wezen zou by _Uzelf_, lezers! wanneer _gy_ 't lyk vond van uw kind, van uw bruid, van uwe moeder...
Die Javaan, is 'n _mens_, lezer!"
Een beroep op 't menschelijk medegevoel is deze idylle, maar in de vrees, dat dit niet verstaan zou worden, besluit hij met een beroep op het welbegrepen _belang_ van den Hollander bij een dankbare gezindheid van den inlander.
"De lyken daarginder zullen worden weggenomen. De lieve ryke natuur zal met haar groen kleed alles bedekken wat bloot lag, alles versieren wat verstoord werd. Gouden halmen zullen vredig ruischen op de graven der gestorvenen. Na jaren zullen de meisjes in de dorpen byeenzitten, en gretig luisteren naar de verhalen over den _banjir_. De ouden van dagen zullen de ellende schetsen die ze bywoonden of vernamen van hun ouders...
Is 't u onverschillig, Nederlanders, Christenen, beschavers, hoe het slot zal luiden van die verhalen?
Uw kleinkinderen zullen die mede aanhooren. Want de toekomst uwer kleinkinderen is in Indië. Is 't u onverschillig hoe zy zullen hooren spreken over hun voorvaderen? Is het u om 't even hoe _gy_ zult genoemd worden in de _pantoens_ van het nageslacht? Wilt ge dat er op den aanhef:
_Hard is de rots die er staat aan den ingang van het dorp_, een weerslag volge als deze:
_Harder is 't gemoed van den blanken broeder aan de overzyde der zee?_
Wilt ge dat?
Of wilt ge dat de oude dorpspriester z'n hand zal leggen op het hoofd van uw kind, en tot hem zeggen:
_Kom tot ons... zet u neder aan ons maal en neem uw deel van wat we hebben... want ik heb uw vaderen gekend!_
En ten slotte, gy die zegt te weten dat er 'n onsterfelykheid is, en 'n oordeel... gy die predikt dat dit leven 'n tyd is van arbeid om te geraken tot hooger staat... gy die beweert te gelooven dat u hier 'n veld is aangewezen ter bebouwing waarop eenmaal 'n oogst zal te gaêren zyn, ryk of schraal naar de mate van uwen yver... u vraag ik of ge beschaamd wilt staan op de vraag die eens zal worden voorgelegd aan ieder Nederlander die _Indië_ zyn _eigendom_ noemde:
"WYS MY DE PLAATS WAAR GE GEZAAID HEBT."
Voor de mentaliteit van 't Nederland dier dagen is het teekenend, dat dit stukje van den armen idealist f 1300 opbracht van de f 11000, die ons land naar Java zond.
Dergelijke ondervindingen stemden D. D. bitter: hij vraagt zich af of zijn woord tevergeefs heeft geklonken, of Nederland evenmin recht wil doen als de Indische regeering. Door den geweldigen opgang, die zijn boek had gemaakt, had hij de stemming zoowel ten opzichte van zichzelf, als ten opzichte van den Javaan overschat.
Niet alleen de Indische regeering, ook de regeerende kringen van Nederland, ook de burgerij, die in het onrecht berust, gaat hij aanvallen. En hij verwacht veel van de jongeren en van de vrouwen. Hun gezichtskring te verruimen, hun enthousiasme tot daden op te zweepen wordt nu zijn doel. Vooral jonge meisjes ontvlammen in geestdrift voor de idealen van Multatuli: ze bieden hem haar medewerking aan in zijn strijd, zonder zich bewust te zijn, waarin die hulp zou kunnen bestaan. Multatuli aanvaardt die hulp: die aanhankelijkheid doet hem goed. Zoo ontstaan tal van vriendschappelijke verhoudingen, die in vele gevallen amoureus getint waren. Tegenover hun omgeving is het hun eerste taak Multatuli's persoon en denkbeelden te verdedigen en als ze er toe in de gelegenheid waren hebben verscheidenen dezer vriendinnetjes hem financiëel op royale wijze bijgestaan. In den zomer van 1861 biecht hij aan Tine op dat hij vier amourettes heeft: voor zijn werk heeft hij behoefte aan jongeren, die hem met groote gehechtheid en overgave aanhangen.