Multatuli: Multatuli en Mr. J van Lennep; Multatuli en de Vrouwen

Part 9

Chapter 93,894 wordsPublic domain

Dekker nu veranderde de denkbeelden zijner vrouw over godsdienst en liefde. Van den godsdienst, zooals hare familieleden die opvatten, maakte hij haar afkeerig op velerlei manier. Gedurende de eerste jaren van hun huwelijk was dit zeker vaak het onderwerp van hun gesprek; maar na de ontslagneming, gedurende zijn lijdensperiode te Brussel vooral, was meer dan ooit deze zaak aan de orde van den dag in zijn brieven. Dubbel ergerde hem nu, dat menschen, die altijd van God en Gods liefde spraken, naar zijn indruk zoo weinig liefde voor hun evenmensch bleken te hebben. Uitlatingen als de volgende zijn daarom niet zeldzaam:

"Geloof me, lieve beste, waar een zeker soort van godsdienst in 't spel is, is het altijd zoo. 't Is phariseesche huichelarij die altijd een sabbath bij de hand heeft om 't schaap niet te helpen dat in de groeve ligt. Ook zij zouden den Christus kruisigen, mits 't maar geschieden kon onder beschutting van vreemd gezag. Ook zij zouden de handen vies terugtrekken van tollenaren, slagters en mijn arme Eugénie."

Toen Tine te Brummen vertoefde, op het buitengoed van den heer Jan Dekker, had deze haar naar haar geloof gevraagd. Zij schijnt niet goed geweten te hebben wat daarop te antwoorden, en geantwoord, dat zij 't zelfde geloofde wat haar man geloofde, maar dat díe het beter uit kon leggen. Toen moet de heer Jan geantwoord hebben, dat zij haar man dan maar eens moest verzoeken zich daarover uit te spreken. En in een zijner brieven uit dien tijd geeft Dekker dan een geloofsbelijdenis. Hij, die door het minste en geringste hevig geraakt werd in die maanden vooral, begint echter met te zeggen dat hij 't een schande vindt dat zijn broeder Jan daarnaar nú juist heeft gevraagd. De aanleiding voor dat vragen moet geweest zijn dat de kleine Eduard Dekker, Multatuli's zoon, al spelend gezegd had: "die stok is onze lieve Heer." Als hij (de kleine Eduard) weêr onder ons dak is, schrijft Dekker, mag hij zeggen: onze lieve Heer is Grietje of pierewiet. En op Jan's vragen had Tine moeten antwoorden: "Jan, mijn plicht is te gelooven wat de man gelooft, die de macht heeft mijn arme kinderen op straat te zetten. De arme heeft geen recht op een eigen geloof." Want stond Jan, in deze omstandigheden die vraag doende, niet gelijk met een Algerijnschen zeeroover, die een christengevangene vraagt wat hij van Mahomed denkt? Niettegenstaande dat alles, wilde Multatuli toch wel antwoorden. Zijn vrouw moet daarover een "opstelletje" hebben, en zij zàl het hebben, ofschoon hij het liever niet gaf omdat Tine's en zijn geloof zoo negatief is. Hij vervolgt met te zeggen, dat hun geloof is niet te weten wat zij te gelooven hebben. Zij zijn nog altijd aan het zoeken, en het eenige, waarvan zij nagenoeg zeker zijn, is: nooit te zullen vinden. Niet omdat zij minder goed dan een ander zouden gezocht hebben, maar omdat zij minder spoedig tevreden zijn met het gevondene. Vervolgens schrijft hij, dat veel hem zegt dat er een God is, omdat alles niet uit niets kan voortgekomen zijn; maar daartegenover zegt ook veel hem, dat er geen God is. Voornamelijk: de volmaaktheid van de natuurwetten, die aan het heelal iets machinaals geven, dat de gedachte aan Almacht buitensluit. Vervolgens zoude, indien er een God was, die zich wel aan hem geopenbaard hebben. Noch onderzoek noch de ingevingen van zijn hart hebben hem een God geopenbaard. De slotsom is, dat hij niet weet of er een God is, dat, als hij er is, hij goed moet zijn, dat hij Multatuli's diensten niet behoeft, dat hij hem dient door te trachten goed te zijn, en dat hij als eenig richtsnoer daarvoor zijn hart heeft.

Ziedaar de gedachten, die de lektuur der in dien tijd populaire wijze van oplossing van het wereldraadsel in Dekkers geest had achtergelaten, en die hij in zijne vrouw had overgeplant. Met wijsbegeerte of natuurkunde heeft dat al heel weinig te maken. Het is ongeveer de formuleering van een atheïsme, zooals elke onkerksche die min of meer bewust in zich omdraagt.

Nu rijst de vraag: was het goed van Multatuli gehandeld, hoorde het bij de nog al kalme liefde, bij de eenvoudig hartelijke toegenegenheid, welke hij zijne vrouw toedroeg, om haar godsdienst-gevoel te fnuiken zonder er iets anders voor in de plaats te kunnen geven, dan de vage redeneeringen eener praktische wijsbegeerte, die nauwelijks een man tevreden kan stellen?

Men kan zich tegenwoordig schier niet meer indenken in den toestand der gemoederen van dien tijd, toen menschen, die tot de meest ontwikkelden en besten van hun geslacht behoorden, er hun edelste bezigheid in vonden bij alle mogelijke gelegenheden hartstochtelijk tegen den godsdienst te ageeren. Er is iets griezeligs, iets al te kouds en buitensporigs in den spot van een vader, die zijn zoontje leert spreken met hoonwoorden gericht tot een wezen, dat zooveel honderden jaren door geheele geslachten, ook van kunstenaars en denkers, als het meest eerbiedwaardige is beschouwd en behandeld.

"Kom, Eduardje, zeg nu: die stok is onze lieve Heer"--waarom dat, zouden wij geneigd zijn te vragen. Wilt gij uw kind buiten den godsdienst opvoeden, begin dan met er hem in 't geheel niet over te spreken, doe hem dien naderhand kennen als een historisch verschijnsel, dat, als oorzaak van honderden daden, waarbij de ontslagneming te Lebak nog maar kinderspel lijkt, reeds daarom eenigen eerbied schijnt te verdienen; maar erger niet de geloovige menschen en daarbij de ongeloovigen van goeden smaak, door kinderlippen te gewennen godslasteringen te stamelen. Er is iets kinderachtigs en iets verdachts, iets zwaks eigenlijk gezegd, in dezen hevigen haat tegen een wezen, dat niet bestaat. Het doet denken aan de grenzenlooze gevoelens van haat en wrok, die de boerenfamiliën tegen elkander kunnen hebben, zoodat als de buurman-vijand b.v. een ongelukkige krankzinnige zuster in huis heeft, de andere buurman zijn kinderen reeds zoo jong mogelijk leert haar na te roepen: de malle, kijk, daar loopt de malle.

Doch, wij herhalen, wij die al deze verschijnselen historisch hebben leeren waardeeren, die ons niet meer van afkeer tegen de bestaande godsdienstvormen bewust zijn, eenvoudig omdat ze ons op zich zelf onverschillig zijn geworden, terwijl buitendien hun aspekt ons door zijn pittoresque eigenschappen artistiek doet genieten,--wij kunnen ons in den toestand nauwelijks meer denken van iemand, die om zoo te zeggen pas aan den godsdienst is ontgroeid en nu uit kwaadheid hierover, dat hij zijn eerste twintig levensjaren zoo onnoozel heeft gedwaald, aan het voorwerp dier dwaling zooveel als haat heeft gezworen. Het waren niet alleen de algemeene tijdsomstandigheden, de atheïstische gedachtenstrooming die over de wereld was gekomen, het waren ook waarschijnlijk Dekker's bijzondere levensomstandigheden, die, als een toestand van reaktie, den God-haat in hem hadden doen geboren geworden. In zijn jeugd was hij vermoedelijk langdurig in aanraking geweest met menschen, in wier zeden en gewoonten het "Geloof" zich van zijn minst beminnelijke zijde openbaarde. Men had hem, de wilde natuur, het opbruisende karakter, wellicht jaren en jaren in bedwang gehouden door verwijzingen naar allerlei harde leerstukken en onvermurwbare zedenwetten. Wie weet welke strenge gezichten, welke droge zielen van in der tijd geduchte katechizeermeesters en schoolvossen nog in zijne herinnering leefden, die hij of hij wilde of niet naar hartelust moest verachten en bespotten toen hij eenmaal aan den band ontsprongen was.

Bedenkelijker dan de spot met den godsdienst, die aan de kinderen werd geleerd, was het uitroeien van het godsdienstige gevoel uit het hart van de vrouw. Op zich zelf reeds bedenkelijk, werd het bepaald huiveringwekkend, toen Dekker aan de vrouw, die hij ontnomen had wat tot zekeren tijd wellicht haar kostbaarste schat was geweest, ten slotte niets in de plaats kon geven dan verdriet en ellende.

Zeker, kunt gij, gehuwd man, als gij ontdekt dat uw vrouw zonderlinge en voor hare rust en gezondheid gevaarlijke eigenaardigheden heeft, b.v. een groote vrees voor spoken, voor voorteekenen, of andere gemeenlijk met den naam van "bijgeloof" aangeduide affekties,--zeker kunt gij niet beter doen, dan zooveel mogelijk trachten haar die dingen uit het hoofd te praten. Als uw vrouw dus een nerveus persoontje is, die het godsdienstig gevoel als een schrik-aanjagende fataliteit in hare ziel heeft, die het u den heelen dag lastig maakt met allerlei scrupules en naargeestige gemoedsbezwaren omtrent de eenvoudigste zaken en voorvallen des levens, die aanhoudend voorstellingen van "de hel" ontwaart in haar ontstelde verbeelding en weigert u naar den schouwburg te vergezellen omdat zij den vorigen avond Gods waarschuwende stem heeft vernomen, die haar dat verboden heeft,--dan zult gij haar een weldaad bewijzen met het licht der waarheid voor haar te doen opgaan, en haar, door het ongeloof, de gerustheid des gemoeds te schenken. Vooral indien gij er zeker van meent te zijn dat er maar een heel klein of in 't geheel geen lichthoekje zich naast de groote schaduwen bevindt, die de godsdienst geworpen heeft in de ziel uwer vrouw; en indien gij 't hoogst waarschijnlijk acht, dat gij steeds, het geheele leven door, met uwe liefde daar aan hare zijde aanwezig zult zijn om te voldoen aan de behoefte aan troost en verlichting, die uw levensgezellin wellicht menigmaal zal gevoelen.

Maar indien de godsdienst zich meest van hare lichtzijden aan uw vrouw heeft vertoond, indien zij de gerustheid en de blijdschap haars levens juist dáaruit voor een groot gedeelte put,--dan zult gij, al dwaalt zij naar uw meening, u toch twee keer moeten bedenken voor gij de hand aan die, voor haar schoone, dwaling slaat.

Multatuli had meer dan één reden, meer redenen dan gewone ongeloovigen kunnen hebben, om den godsdienst in den boezem zijner vrouw te smoren, want hij wilde dat daarin geen andere god dan hij zelf zou wonen. Men vatte dit niet op als dolzinnigen hoogmoed. Hij vond zich zelf, dat wil zeggen, de groote, nieuwe waarheden in zich zelf en den schoonen, bezielden vorm, dien hij daaraan wist te geven, een beter, grooter en meer levende god, dan dien der oude voorstellingen, waarbij zijn vrouw was opgevoed.

Hij stond zoo veel boven haar, dat zij zich de wijziging, welke hij hare denkbeelden wilde doen ondergaan, met gretigheid liet wèlgevallen. Zooveel hechtte zij niet aan haar godsgevoel en godsdienstbegrip of zij wilde die wel vaarwel zeggen voor de nieuwe leer door haar man haar verkondigd. En als zij zich bedrukt voelde of neerslachtig door ziekte of ander levensleed, zou hij daar dan niet altijd wezen om haar op te beuren en moed in te spreken; was zijn trouwe borst niet voor het geheele leven onder haar bereik, om er haar hoofd tegen te laten rusten als zij moede was?

Toen Dekker later zijne vrouw aan haar zelve alleen overliet in allesbehalve heuglijke omstandigheden, zullen er misschien wel oogenblikken zijn geweest, dat hij er berouw over voelde eertijds den geloofsboom in haar binnenste te hebben geveld, waaraan zij zich nu in haar nood had kunnen vastklemmen. Wat moet die vrouw zich ongelukkig hebben gevoeld! Met hoeveel angst en wanhoop moet zij zich nu het geloof harer jonge jaren en de vertroostende kracht, die dit in der tijd voor haar bezat, te binnen hebben gebracht! Daar stond zij nu, zooveel als met ledige armen! Maar moest zij nu heen, waaraan zich steunen? De sterke man, in wien alleen zij al haar vertrouwen had gesteld, had haar verlaten, die steun was onherroepelijk voor haar verloren gegaan, en tot God kon zij zich niet meer wenden, omdat hij 't geloof aan dien God uitgeroeid had uit hare ziel. Hoe moet zij verzucht hebben: ach, kón ik nog maar gelooven, bezat ik het vertrouwen nog maar in God als in een liefderijk vader, dan was ten minste de toekomst nu niet voor mij zoo geheel grijs, donker en ledig!

Had Multatuli het huwelijk en zijne betrekking tot zijn vrouw anders opgevat, had hij, zij 't met opoffering van de grootere innigheid in den band, die noodzakelijk moest ontstaan waar ook de innigste en hoogste gedachten van man en vrouw hun gemeenschappelijk goed worden,--had hij haar godsdienstige gevoelens ontzien, zoodat die als een verborgen schat in haar binnenste konden blijven bestaan, hij zoude later de grievende verwijten nimmer hebben vernomen, die ongetwijfeld zijn geweten hem op sommige oogenblikken deed.

In verband met zijne godsdienstige, of liever ongodsdienstige, begrippen, had Dekker ook zijne opvatting van het huwelijk en de liefde gewijzigd. Hij had polygamische neigingen; en niet alleen had hij die "zoo maar" gelijk zoovele gehuwde mannen, maar hij bezat daar allerlei theorieën en redeneeringen over, die het oude, van het christendom afkomstige, gevoel daarover in hem moesten dood-praten. Evenals hij met het godsdienstige had gedaan, wordt het uit verscheidene passages in de brieven duidelijk, dat hij ook op dit punt de hoogere opvoeding zijner vrouw op zich had genomen.

Van de vier relaties, waarvan wij in de brieven hooren: die met Pauline, die met Eugénie, die met Sietske Abrahamsz, die met het ongenoemde meisje, dat later een soort oplichtster bleek te zijn,--vier relaties, waaronder slechts twee, of wellicht maar één, van anders dan oppervlakkigen aard,--hield hij getrouwelijk zijn vrouw op de hoogte; zoodat, indien men in aanmerking neemt dat Multatuli bijna niets deed of hij had een stel redeneeringen ter rechtvaardiging zijner daden bij de hand, indien men er op let dat hij in 't algemeen theoretisch zeer ontwikkeld was en alles vastknoopte aan eene theorie, het meer dan waarschijnlijk wordt, dat hij zijne vrouw had beduid, dat zij op grond hiervan en op grond dáarvan, het behoorde goed te keuren indien haar man nog met andere vrouwen intiemen omgang had, nog andere vrouwen liefhad, dan met haar, en haar alleen.

Hiermede bevinden wij ons in aanraking met het onderdeel der korrespondentie, dat vele lezers vermoedelijk minder aangenaam zal hebben getroffen. Want al hebt ge vrij uw vrouw overreed, dat God niet bestaat, en dat de verschillende godsdiensten ouderwetsche larie zijn, waarmede verstandige menschen, die de negentiende-eeuwsche beschaving mede maken, zich niet meer behooren op te houden, dat dus ook zij van den godsdienst, waarin zij geboren is en opgegroeid, afstand behoort te doen,--daarom zoudt gij toch tevergeefs trachten haar ook aan 't verstand te brengen, dat uit de stelling, dat wij geen God kennen, die ons een leer- en zedenwet zou hebben geopenbaard, eene andere stelling afgeleid moet worden, inhoudende dat aan den man een zekere vrijheid van liefde of keus moet gelaten worden, geheel in strijd met het oude huwelijksbegrip, waarbij de vrouw een éénig recht op haar man had, of waarbij ten minste het den man als een eerste plicht was opgelegd de trouw ongeschonden te handhaven, die hij zijner vrouw bij den aanvang hunner verbintenis had gezworen of beloofd.

Het is mogelijk dat menschen, die gevoelen gelijk wij, als laat-negentiende-eeuwers min of meer een mal figuur maken; het is mogelijk dat wij, om konsequent te zijn, nu wij het oude geloof aan één God hebben verlaten, met de geheele levensbeschouwing, die daarvan afhankelijk was, ook ons begrip omtrent den echt zouden dienen te wijzigen, en, in samenhang met dat begrip, de sentimenten die er de uitvloeiselen of de basis van zijn; maar wij kúnnen dat niet, en, konsequentie of geen konsequentie, daarmede is alles gezegd. Ons begrip kunnen wij wel wijzigen, met genoegen zelfs indien het iemand aangenaam kan zijn, maar ons gevóel, zie, dat is een heele andere zaak, dat kan veel minder gemakkelijk gewijzigd worden. Bewijst ons nu maar met a plus b, dat het christendom heeft uitgediend, en dat men dientengevolge, het eene logisch afleidend uit het andere, tot het besluit moet komen, dat wij de oude christelijke sentimenten omtrent de heiligheid van het huwelijk en de schoonheid der smettelooze trouw tusschen man en vrouw moeten laten varen, om vervolgens ook onze praktijk naar de nieuwe begrippen te regelen, gij zult met de meest spitsvondige bewijsvoeringen ons gevoel, dat wij als de erfenis van achttien eeuwen in ons bloed dragen, niet omverpraten. En tot dat gevoel behoort, dat wij het bepaald wreed, afschuwelijk wreed vinden, de hand van het koele moderne gezond-verstand te slaan aan de schoone en teedere bloemen van christelijke huwelijkstrouw, die daar bloeien op die verborgen plekjes in het hart der vrouw, waar het woord van den man niet ontwijdend mag binnendringen.

Wij kunnen niet aannemen, dat Tine in haar hart toegejuicht zou hebben, dat haar man zich met andere vrouwen afgaf; wij kunnen ons wel voorstellen, dat zij eene zoo onbegrensde vereering koesterde voor Multatuli's inzichten, dat zij trachtte, wijl hij het goedvond, het zelve ook goed te vinden, indien hij haar ontrouw was, maar ongetwijfeld is haar dit nooit gelukt en deden zijne mededeelingen over zijn avonturen haar grievend leed, hoezeer ze dit ook voor hem geheim poogde te houden.

Indien Multatuli dit zelf niet inzag, moet zulks aan gebrek aan menschenkennis geweten worden; zag hij het wèl in, dan komt ons zijn gedrag in dezen geheel en al onverschoonbaar voor. En, alles in aanmerking genomen, vreezen wij, dat hij 't half en half begreep, zonder zich volledig van den toestand rekenschap te geven; en nu, uit een soort van goedig-plagerige dwingelandij, haar geen enkel der berichten spaarde, die haar wellicht hinderden, maar die haar dan hinderden tengevolge van eene opvatting, welke zij, om zijnentwil, reeds lang had behooren prijs te geven. Zoo denken wij ons zijn standpunt.

Stelt u voor een man, een echtgenoot, die zijne vrouw in de kommervolste omstandigheden van hem gescheiden moet doen leven, eerst in een zeer ver afgelegen land, later nog steeds in een ander land, op eene dagreize van hem verwijderd, en dat die echtgenoot dan aan zijn vrouw, die hem liefheeft en aanbidt, onophoudelijk dingen schrijft als (van vreemde of haar nauwelijks bekende jonge vrouwen schrijvend): Lieve Tine, beste trouwe Tine, ik heb Pauline weêr gezien, zij had haar onecht kind op haar schoot... lieve Tine, ik heb vruchteloos gepoogd Eugénie hier weêr te ontmoeten, je herinnert je, dat is dat meisje dat ik in der tijd uit een publiek huis heb medegenomen,... lieve Tine, ik ben verliefd op Sietske Abrahamsz, je weet wel, dat mooie lieve nichtje van ons... lieve Tine, elken ochtend komt er een meisje bij mij ontbijten... lieve Tine, ik heb allerlei amourettes, te veel om te vertellen... Enz. Enz.

... Je wordt nu wel een opwelling van wrevel daarover gewaar, lieve Tine, maar herinner je maar, dat wij afgesproken hebben, dat ik je duidelijk heb gemaakt, dat ik je heb doen inzien: je moet dat goedvinden, je moet daarin berusten... ik blijf altijd van jóu het méest houden, dat weet je wel... op die Sietske ben ik puur verliefd,... die arme Eugénie, je moest haar kennen... neen, neen, kind, bedwing nu je afkeer; ik, weet je wel, ik, die zoo ontzettend veel wijzer, rechtvaardiger en beter ben dan jij, die zooveel als je opvoeder in alles ben geweest, ik zeg je: je moet je meester blijven, je moet je niet door je gevoel laten medeslepen, maar je verstand raadplegen; ...ik vertel je opzettelijk zooveel van mijn relatiën met andere vrouwen om je op de proef te stellen, om te zien of het goede inzicht niet bij je zal zegevieren,... wees dus nu verstandig en trek het je niet aan... je zult nog wel meer hooren, gisteren ontmoette ik nog een dame, die...

Dit zijn in 't geheel geen citaten, wij bedoelen alleen, dat men dien geest en dien toon bespeurt in de brieven. En wij willen de vrouw beklagen, die daaraan blootstond. Ach, met hoeveel bitterheid moet zij zich later deze korrespondentie herinnerd hebben, toen zij merkte, dat haar man voor altijd van haar scheiden zou. Dáarvoor had zij zich dan deze gruwelijke plagerijen getroost, dáarvoor had zij een vriendelijk gezicht gezet als zij leed gevoelde van binnen, dáarvoor had zij de stem van haar gevoel gesmoord, wijl zij het hooge verstand van haar man over haar vrouwelijk gevoel wilde doen zegevieren--om nu te zien dat hij ten slotte geheel van haar vervreemdde... Wie had gelijk gehad? Zijn verstand of háar gevoel? O, die stille stem van binnen had het haar wel altijd gezegd... Zij had altijd, wel flauw, een wanhopig vermoeden gehad, dat het onvermijdelijk eens zóó worden zou...

Beschouwen wij thans Multatuli in zijne verhouding tot de opeenvolgende minnaressen, die een plaats konden innemen in zijn hart, dat niet geheel alleen door Tine ingenomen bleek te zijn.

Vóór de genegenheid, welke Multatuli opvatte voor mejuffrouw Hamminck Schepel, die later zijn tweede echtgenoote werd, treffen wij de meergemelde Eugénie aan, als de eerste en voornaamste vertegenwoordigster dergenen, die Tine's deelgenooten werden in zijn omgang en liefde.

De betrekking van Multatuli met Eugénie hebben wij bekeken: vooreerst wat aangaat den indruk, dien Multatuli's verwanten en in 't algemeen de maatschappij daarvan moest ontvangen; vervolgens wat aangaat het gevoel dat de mededeelingen daaromtrent bij Tine moesten gaande maken; thans geldt onze overweging het geval op zich zelf, de verklaring van dezen toestand zooals die zijn aanleiding vond en zich weêrspiegelde in Multatuli's gemoed zelf.

Het is ons niet te doen een absoluut en leerstellig standpunt in te nemen ter beoordeeling van het gedrag van een gehuwd man, die publieke vrouwen frequenteert of op andere wijze buiten het huwelijk liefdesbetrekkingen onderhoudt. Dit standpunt zij overgelaten aan moralisten en staathuishoudkundigen. Wij willen vooropstellen, dat wij het laakbare in Multatuli's handelwijze thans slechts hierin vinden, dat hij zijne vrouw van zijn faits et gestes op de hoogte hield, en haar onzes inziens daardoor ten diepste moest grieven.

Het is een bekende stelling van den hertog De Richelieu, dat men met het grootste gemak en zonder gevaar voor onze gemoedsrust meer dan éene vrouw tegelijk kan beminnen. Maar eene dergelijke stelling kan alleen ontstaan in het brein van en als psychologische kuriositeit geformuleerd worden door lieden, die van de liefde eene opvatting hebben, zooals aan de Bourbonhoven van vóór Lodewijk den XVIden in zwang was en een paar eeuwen in zwang is gebleven. Zij bedoelden met het woord liefde, noch de groote passie, die de werkelijkheid voor hem die haar ondervindt als 't ware van gedaante doet veranderen en aan het voorwerp der liefde zooveel als een bovennatuurlijken glans en ook macht verleent, zoodat hij letterlijk door het voorwerp dier liefde "betooverd" lijkt en dus dat veel gebruikte woord nu tot eene wezenlijke waarheid maakt; evenmin hadden zij er de innige, in haar eenvoud groote, trouwe, genegenheid meê voor, zooals het christendom ons die heeft doen koncipiëeren en die het eigenaardig huwelijkssentiment is van ons, westersche, monogamische volken; maar zij bedoelden er meê eene liefde, die wel eenige oppervlakkige overeenkomst vertoont met de oostersche liefde, maar toch het eigenaardig beestachtig wilde van den haremwellust mist, en van een kleiner, een wel fijner, wel beschaafder, maar tegelijk nietiger opvatting getuigt; zij beschouwden de liefde als een gril, een caprice, eene toquade, een aangename tijdelijke manie, meer niet; en inderdaad, indien men haar aldus opvat, is er een reden om, zich in een tijdverdrijvend spel van intrigue en coquetterie werpend, meer dan éene vrouw tegelijk te courtiseeren. Of men dan met een dier verschillende vrouwen toevallig gehuwd is, doet er niet toe; dat is in zulk een geval een bijkomende omstandigheid zonder beteekenis of waarde, want van het huwelijk eigenlijk gezegd en de gevoelens van eerbied, trouw en bescherming, die het in onze ziel onderhoudt, is daarbij in 't geheel geen sprake meer. Dit is geen werkelijk beminnen, en meer dan éene vrouw te gelijk waarlijk lief te hebben, past niet in onze westersche psychologie en is een onmogelijkheid.