Multatuli: Multatuli en Mr. J van Lennep; Multatuli en de Vrouwen

Part 8

Chapter 83,922 wordsPublic domain

De menschen, die niet Multatulist zijn, keuren éene groote zaak in hem af, waartoe al de overige in hunne waardeering afkeurenswaardige handelingen en eigenschappen terug te brengen zijn, namelijk: dat Multatuli de zijnen heeft verlaten en niet als zijn éerste plicht beschouwde voor hén te werken.

De Multatulisten zeggen: hij had iets hoogers te doen, een hoogere stem riep hem naar elders, ver van de zijnen, hij moest in de woestijn gaan om tot God (d. i. zijne ziel in haar hoogste uiting) te komen. De meer matige bewonderaars antwoorden: goed, maar mag men den naastbijliggenden plicht verzaken om een hoogeren te volbrengen, mag iemand om met het geld van zijn vader een weeshuis te bouwen, in eene gemeente waar vele noodlijdende kinderen zijn en waar geen gesticht is om die op te nemen,--zijn vader vermoorden?

Multatuli zelf heeft in zijn Ideën meermalen dit vraagstuk aangeroerd en het voorgesteld als gaf Tine hem gelijk in al zijn doen en laten. Waar hij in zijne Minnebrieven de verhouding tusschen man en vrouw bespreekt, zooals die uiterst zelden is, maar zoo als die altijd zoude móeten zijn, en de vrouw "officieel zelfs.... een certificaat van onbruikbaarheid" noemt, omdat gehuwde mannen niet tot de eerste militielichtingen behooren, welke in geval van oorlog worden opgeroepen--brengt hij er Hector en Andromache bij te pas:

"Dat was anders in Troje.... zie maar dat afscheid van Hector en Andromache.... 't hoeveelste boek weet ik niet.... de kleine jongen wordt bang voor Hectors pluim.... maar Hector gaat....

--'t Staat in 't zesde boek, zei de bezoeker, die Doctor in de Letteren was.

--Goed, maar Andromache wilde dat hij niet zou gaan....

--Dat was infaam van Andromache!... En als 't mij gebeurd was.... maar zóó iets gebeurt mij niet! Zie hier...." En hij citeert eenige regels uit een brief van Tine, waarin ze hem schrijft liever met hem te sterven dan goed te vinden, dat hij zijn denkbeelden, stijl en ziel zou "verkoopen".

Wij mogen veilig aannemen, althans uit de tot nu toe uitgegeven Brieven blijkt nergens het tegendeel, dat Tine van het begin tot het einde, of liever van het begin tot dicht bij het einde, Multatuli's handelingen heeft goedgekeurd. Het moet nadrukkelijk gezegd worden, dat dit, ten minste voor de eerste jaren na het ontslag, als volstrekt zeker mag worden aangenomen. Want in de Brieven, waarin de geheele toestand, tot in de minste en intiemste bijzonderheden bloot ligt, is nergens sprake van eenig verzet van Tine tegen Multatuli's gedrag. En als zij ook maar heel even er op gezinspeeld had, dat Multatuli niet in alles volkomen naar haar wensch handelde, zou hij ongetwijfeld in een stortvloed van verontwaardigde woorden daarop geantwoord hebben. Er is alleen die eerste brief, door Tine uit 's Gravenhage naar Antwerpen geschreven, waarin ze hem aanraadt van haar te scheiden en zich als matroos of hofmeester op een schip te verhuren. Maar onder-aan dien zelfden brief, schrijft zij, dat zij hem uit "politiek" zoo geschreven heeft als zij daarin deed.

Overigens wordt Multatuli's handelwijze ook door Tine's goedkeuring niet schoon gewasschen. De meeste predikers die een kemelsvel gingen verslijten in de woestijn, waren niet getrouwd. Jezus, dien Multatuli steeds als voorbeeld neemt, was niet getrouwd. Kluizenaars en kloosterlingen hebben altijd geweten, dat de levensstaat, dien zij wenschten, met het huwelijk niet vereenigbaar was. Zij hebben daarom bij den aanvang van hun loopbaan gekozen, in de volle wetenschap van wat zij deden, en dusdoende zijn zij nooit voor het dilemma gekomen, dat Multatuli's leven heeft beheerscht.

Maar nu is het ons niet te doen om eene nadere waardeering dezer genoeg besproken handelwijze, maar alleen om een psychologische kenschetsing van Multatuli's verhouding tegenover Tine.

Wat blijkt hieromtrent uit de Brieven? In de Brieven leeren wij wat dit betreft, Multatuli kennen als een hartelijk echtgenoot en vader. Uit de hartelijkheid, waarmee hij over zijn kinderen schrijft en nooit vergeet dat te doen, maakt ons voorstellingsvermogen als van zelve de gevolgtrekking, dat hij zich met losse vroolijkheid en oningehouden vriendelijkheid onder de zijnen bewoog als hij thuis was, spelend met de kinderen als een oudere makker, schertsend met zijne vrouw als een verknochte vriend. "Dag, pierewieten!" schrijft hij op 't eind van veel zijner brieven aan zijn tweetal. "Dag, Nonnie en Edu-Max" (dit laatste een verkorting der samenvoeging van "Eduard", zoo als Dekker zelf en ook zijn zoontje heette, en "Max", zoo als Dekker's ideaal-type Havelaar en ook diens zoontje heette); of "kus de pierewieten voor me," "ziet mijn kèrel zoo bleek?" "kus het menschdom." Het "menschdom" waren de kinderen. Dekker, vroolijk en uitgelaten van natuur zijnde, als ten minste de bitterheid van zijn lot hem niet ter neder drukte, moet een opgewekt en onderhoudend huisgenoot zijn geweest. Men kan hem zich voorstellen, met zijn levendig en uitdrukkingsvol gezicht, spelend met de kinderen, hen na-zittend door kamers en portalen, hen "krijgend" en opheffend hoog in de lucht, lachend van vadertrots en vadervreugd, als de kleinen juichten en kraaiden. Een anderen keer ging hij er met een op zijn schouder voor den spiegel staan en zei dan: "kijk je vader nu eens goed aan, Edu, en dan je zelf ook. Zie je ons alle bei? Zie je wel, dat je op me lijkt? Nu, wat ik in het leven heb willen doen, dat moet jij ook zien te doen hoor! En dan hoop ik, dat je beter zult slagen!"

Zijn vrouw had hij lief als een zeldzaam goede zuster, met dankbaarheid en aanhankelijkheid, het eenige wezen op de geheele wereld, waarvan hij wist dat zij, het gansche leven door, geluk èn leed met hem zou willen deelen. Hij had haar lief als degene, die altijd in hem geloofd had en zou blijven gelooven.

Multatuli was de eerste persoon in deze echtvereeniging. In de eerste jaren van hun huwelijk beschouwde zijn vrouw hem als een halve godheid. Gelijk hij later, naar het gerucht wil, door zijne tweede vrouw zoo goed als ten huwelijk is gevraagd, lijdt het ook geen twijfel, of het huwelijk met zijn eerste vrouw is tot stand gekomen en heeft, enkele jaren althans, harmonisch geduurd door dwepende vereering van de zijde der vrouw en hartelijke toegenegenheid van de zijde van den man.

Multatuli heeft niet voor zijne eerste vrouw een van die overweldigende passiën gehad, zooals de biografieën van dichters en kunstenaars er soms vermelden, een van die passiën voor een geestelijk geheel gewone of minder dan gewone vrouw, of voor een geestelijk zéér buitengewone vrouw, zooals de Mathilde van Heine, die een naaistertje was, of Mrs. Browning, die eene dichteres is. Hij heeft die ook vóór zijn huwelijk noch in de allereerste jaren gehad, want nergens wordt in de intiemste passages der brieven daarop gezinspeeld. Als Tine zich eens uit gekheid beklaagt over zijn minnekoozerijen met andere vrouwen of meisjes, dan antwoordt hij, dat zij toch wel weet, dat zij zijn liefste engel en schat is, en daarmede is alles gezegd.

Tine schijnt tot die zeer zeldzame vrouwen behoord te hebben, in wier inborst een groote lijdzaamheid vereenigd met moed en flinkheid wordt aangetroffen. Tot lang na Dekker's ontslagneming bleef zij niet alleen alles goedkeuren, ja alles bewonderenswaardig achten, wat hij verkoos te doen of na te laten, maar door de omstandigheden, waarmede zij dientengevolge te strijden kreeg, wist zij zich met een zekere vastberadenheid heen te slaan, die ons niet zelden niet de grootste waardeering voor haar vervult.

"C'est un emploi assez difficile que d'être la femme d'un poète," zegt de Pène, en dat "emploi" heeft Tine met zeldzame volharding en zeldzaam geduld jaren en jaren volgehouden. Toen zij, als freule Van Wijnbergen, den begaafden Indischen ambtenaar, die zich bevond aan het begin van een veel voor de toekomst belovende loopbaan, haar hand schonk, kon zij van het volgend leven allerlei lotgevallen verwachten, behalve juist die, welke haar beschoren zouden zijn. Haar man, die als zoo bekwaam bekend stond, zou spoedig op bevordering kunnen rekenen, zou al hooger en hooger in rang en aanzien stijgen, zij zouden lieve kinderen krijgen en door velen worden benijd. O, wel schoon spiegelde zich de toekomst voor haar af. En mocht het hun al eens tegenloopen, mocht al het leven niet de zoo hoog gespannen verwachtingen vervullen, die Dekker zelf koesterde en door zijn beminde reeds spoedig wist te doen deelen, als hij met zijn levendig woord de toekomst voor haar in beeld bracht,--ook al bracht Eduard het nooit verder dan Resident, of zelfs maar Assistent-Resident,--zou haar daaraan weinig gelegen zijn, want ook in die omstandigheden zou zij, altijd aan de zijde van den aangebeden man, altijd samen met hun geliefde kinderen, het leven een hemel op aarde vinden. O, hoe vlekkeloos gelukkig moest het leven aan het door den geestdriftigen man beminde meisje schijnen! Maar ach, hoeveel te bitterder moet juist daarom later de vreeselijke, geheel onvoorziene, teleurstelling voor haar geweest zijn. Er is geen reden om te veronderstellen dat de eerste huwelijksjaren niet geheel aan de verwachtingen zouden hebben beantwoord. Integendeel. Al de voorspellingen en illusiën schenen werkelijkheid te zullen worden.

Heerlijke uren, onvergetelijke tijden moeten dat geweest zijn--later vooral onvergetelijk helaas--als, na volbrachte dagtaak, het jeugdige gezin in de galerij hunner woning van den schoonen avond zat te genieten, Eduard zijn schoone gedachten en groote droomen aan zijne gretig luisterende vrouw mededeelend, Tine hem, met een enkel zacht gesproken woord, altijd gelijk gevend, altijd bewonderend, en ook, als vrucht der opvoeding door haar man zelf haar gegeven, toonend hem beter te begrijpen dan wie anders ook daartoe in staat zoude zijn: en de kleine spring-in-'t-velden, hun schat en hun hoop, spelend aan hun voeten. Welk een blijde gewaarwording, welk een welkome storing, als de vader den hoogen ernst zijner woorden onderbroken hoorde door een lachend, juichend, kraaiend kinderstemmetje.

Terwijl de onmetelijke hemel zich, als met zoovele flonkerende edelsteenen, met sterrenmyriaden bezette, terwijl een warme wind, die de hooge donkere boomen deed wuiven en deinen in de nachtelijke atmosfeer, de weemoedige klanken van den gamelan uit de dessa's helderder in hun ooren deed klinken, zag Tine daar haren man bij zich, het hoofd een weinig naar achteren geleund, en hoorde met juichend hart de schoone woorden aan, waarin hij zijne droomen voor haar vertolkte. Zij was meestal met hem alleen, zij zagen weinig menschen en wat zij van de andere menschen zag en hoorde, hoe werd zij dáardoor juist het groote onderscheid tusschen die anderen en háar grooten man gewaar! Hare liefde maakte natuurlijk het onderscheid veel grooter dan het in werkelijkheid was. De gewoonheid der anderen maakte nu op haar den indruk van laagheid te zijn, in vergelijking met de buitengewone hoogheid van haar eenigen beminde. Wat waren die anderen meer dan kooplieden, schacheraars, zwendelaars, roovers, ja,--had hij zelf het haar niet geleerd?--die om voor zich een, dikwijls zoo gewonnen zoo geronnen, rijkdom te verwerven, de arme inlandsche bevolking onrecht aandeden, verdrukten en aan haar ellendig lot overlieten! Wat waren zij meer dan spelers en drinkers, die na zoo snel fortuin te hebben gemaakt, Indië Indië lieten, hun rug toekeerden aan de donkerkleurige loonslaven, die zij valschelijk door hun godsdienst-leeraars als broeders deden begroeten, om in hun vaderland van de door afpersing verworven schatten een weelderig leventje te gaan leiden? En haar man, haar aangebeden echtgenoot?--Als die zich eens te buiten ging, dan was 't om zijn door geestdrift en overmatigen arbeid geschokt gemoed afleiding te geven, dan was 't om zooveel als een veiligheidsklep te openen voor de overvloedige krachten van zijn buitensporig ontwikkeld zenuwgestel. Hoe gelukkig moest zij zich niet gevoelen de vrouw te zijn van een dichter, van een man, van een zóo zeldzaam mensch, die niet slechts een dichterlijke ziel had, maar die van zijn loopbaan, van zijn praktisch beheer, een poëem van rechtvaardige wijsheid bedoelde te maken. Wat de jonge meisjes droomen als zij op haar balkon staan en de eerste lentegeuren bespeuren in de lucht, wat de jonge meisjes mijmeren als zij in den zomernacht, op haar vensterkozijn geleund, de schuchtere verlangens bespieden, die rijzen in hare ziel,--was voor haar, zeldzaam gelukkige vrouw, werkelijkheid geworden. Zij behoefde hem niet als eene onwezenlijke gestalte, als een geheimzinnigen, alleen in de verbeelding bestaanden, minnaar, in stilte te begeeren, met de zekerheid hem nooit in haar armen te zullen sluiten,--neen, zij was vereenigd, zij was voor altijd vereenigd, zij was voor het geheele leven één, met den dichter, met den held, met den koning harer droomen.

Deze overtuiging, deze gelukkige zekerheid, was zoo vast geworden in Tine's ziel, was dermate tot een gedeelte van haar zieleleven, tot een gedeelte van haar bestaan geworden, dat die niet wankelde bij haar man's ontslagneming en de daaropvolgende jaren van bitteren kommer. Men kan zeggen, dat het hoogere bestanddeel van hun huwelijk, het huwelijk in zijn geestelijke beteekenis, voor de hoofdzaak juist hierin bestond, dat Tine deelde in den grootheidsdroom van haar man. Als Multatuli later verhaalt hoe hij met woeker oogst hetgeen hij gezaaid had in de ziel zijner vrouw, moet dat beduiden, dat hij wist hoe eindeloos trouw Tine hem was toegedaan--in het gelooven, in het steeds blijven gelooven, aan de glorierijke toekomst, die hen wachtte. Dáardoor had hij haar in de hoogste beteekenis tot zíjne vrouw gemaakt, dat ook in háar de schoone dwaasheid had wortel geschoten, even vast als in hem zelf, die hen het ideaal met de werkelijkheid deed verwarren.

Zij hadden zoo lang gewacht, nietwaar, op het groote geluk, dat in aantocht was, zoo vele uren en uren hadden zij het in hun eenzame woningen in stilte verbeid, dat, toen Multatuli, ten toppunt van exaltatie, de groote daad deed die hem buiten de werkelijkheid in het rijk der idealen verplaatste, het ook háar niet anders kon schijnen of nú was de groote slag geslagen, de tooverslag, die hen tot de glorie zou brengen, door haar dichter-echtgenoot altijd voorspeld en voorzien. Zij kende het leven betrekkelijk zoo weinig! Was zij niet als argeloos jong meisje, in de netten van zijn schoone minnetaal gevangen, hem in de Indische eenzaamheid gevolgd, toen hij haar gevraagd had zijne levensgezellin te worden? Had zij niet jaren lang schier dag aan dag hem de groote, de wondervolle toekomst hooren prijzen, waarheen het leven hen zonder twijfel voerde?... Men ziet haar van hier, toen er van Lebak weg verhuisd moest worden, in opgewonden drukte de toebereidselen tot de afreis makend, het hoofd gebukt over de open koffers en kisten, de oogen schitterend, de wangen gloeiend, in de angstig-verheugde zekerheid, dat nú het oogenblik gekomen was voor de groote reis, die hen brengen zou... ja, waarheen?, waar anders heen dan in het levenstijdperk van macht en roem, dat haar man op de plaats zou brengen, die hem toekwam, krachtens zijn hooge gaven en zeldzamen geest?

Langzamerhand, zeer langzaam aan, ontwaakte zij uit hare droomen, door de nawerkingen van de groote botsing waarin zij met de werkelijkheid waren gekomen; toen zij van haar heer en haar God, ver van haar aangebeden man, alleen in kommer en verdriet moest leven met de kinderen, die tevergeefs om hun vader riepen, toen kwam zij zachtjesaan tot het bittere besef, dat zij in ijdelen waan had verkeerd, dat zij nu onverbiddelijk de slachtoffers werden van de edele dwaling, waaraan zij zich hadden overgegeven, dat zij het leven verkéerd hadden begrepen.

Voorzeker is het hier de plaats de nagedachtenis te eeren van eene vrouw, die martelares werd door het te ver gedreven schoonste gevoel, dat eene gehuwde vrouw kan bezielen: het onbeperkte geloof en vertrouwen in de verwezenlijking van het ideaal, dat haar man zich in het leven heeft gesteld. Want wat moest Tine nu ondervinden, nu haar man tot de eenige voor hem mogelijke grootheid inderdaad scheen te komen! Ziet, nu geschiedde het, nu erkende ieder het buitengewone, dat zij altijd in hem had gezien, nu was de schat, waarvan zij zoo lang alléen geweten had, de schat, dien zij alleen zoo lang had bemind en vereerd, openbaar eigendom geworden. Nu kon een ieder vrij de bloemen plukken, die zoo lang voor haar alleen hadden gebloeid in de verborgenheid van haars geliefden ziele-rijkdom. Maar had zíj nu, in den oogst van erkenning en roem, het aandeel, waarvan hij haar altijd gesproken had en voorzegd, dat het bijna niet geringer dan het zijne wezen zou? Al viel de oogst geheel anders en in hun schatting schraler uit, dan zij hadden verwacht, deelde hij dien nu dan toch ten minste met haar, opdat hun huwelijk, zij 't op deze onvoorziene wijze, de bekroning zou geworden, aan wier verschijning zij nimmer hadden gewanhoopt?... Neen, het tegendeel geschiedde. Nu de tijd dáár was, nu was hij altijd verre van haar, nu kreeg zij van den schitterenden maaltijd niets dan de bittere brokken te eten, nu moest zij telkens in zijne brieven lezen, dat hij niet bij haar kon komen, dat hij nog wat toeven moest, verre van haar, dat hij alleen zijnde beter werken kon, dat hij haar aan dit niet kon helpen en aan dát niet, dat zij zich maar alleen moest zien te behelpen en tevreden te stellen.

Groot moet het leed van deze vrouw geweest zijn, toen zij langzamerhand tot de ontdekking kwam, dat haar ziel zich al de huwelijksjaren lang gevoed had met eene illuzie. Niet in hare waardeering van haren man was de illuzie gelegen, want al had zijne buitengewoonheid ook andere uitkomsten dan zij beiden er van hadden verondersteld, die buitengewoonheid bléek dan toch nu voor de oogen der geheele wereld. Maar hare illuzie was geweest dat zij in die buitengewoonheid deelen zou op de dubbele wijze; niet alleen zou zij er met hem de vruchten van plukken en de blijdschap van hebben, neen, er was nog een inniger aandeel, dat zij altijd gehoopt had het hare te zullen kunnen noemen; al durfde zij het zich zelve ternauwernood bekennen, tóch bewaarde zij die hoop in hare ziel als haar kostbaarst kleinood: het was de gedachte, dat hij, om buitengewoon te zijn, om met zijne buitengewoonheid te werken, háar aanwezigheid en hare medewerking behoefde. Had hij het haar niet dikwijls ingefluisterd, had hij het haar niet honderd maal verzekerd, dat hij aan haar lieve oogen zijn beste inspiratiën dankte, dat hij aan haar moedvol woord de volharding verschuldigd was, die hem in zijn loopbaan zou doen slagen? Hoe verlangde zij, nu hij het werk, het groote werk, dat werk, waarin alleen hij toch eigenlijk bleek uit te schitteren, begonnen was, hoe verlangde zij nu bij hem te zijn. Hoe vurig begeerde zij met hem te bespreken de bladzijden, die hij dìen dag schrijven zou, zijne tevredenheid te vernemen over de taak, die was volbracht, zijne bitterheid te verzachten, als hij eens mocht meenen dat zijn genius hem minder goed dan gewoonlijk had ter zijde gestaan.

Hoezeer wenschte zij met hem te wonen onder één dak, met hem de maaltijden te deelen, met hem gezien te worden ook vooral, op de wandeling, op de plaatsen van openbaar vermaak! Welk een tintelende gloed van fierheid zou haar doorstroomd hebben, als zij overal had mogen hooren fluisteren: kijk, daar loopt de schitterende schrijver Multatuli met zijn vrouw. En nu, nu zag zij in, dat deze vurige hoop nooit verwezenlijkt zoude worden... Was het dan niet waar geweest, als hij haar zijn tweede ik noemde, was het dan maar leugen of vleierij of zelfbedrog geweest, als hij zoo menigmaal gezegd had, dat zíj alleen in zijne ziel kon lezen, dat zíj alleen hem begreep! En als zij er ooit iets toe mocht hebben bijgedragen om hem dat vast geloof in zich zelf te geven, waaraan hij voor een groot gedeelte te danken had, dat zijne verve hem nooit in den steek liet, ja, als zij de éenige was, die daartoe ooit iets bijgedragen had, was zij dan niet als van zelve de aangewezen persoon om, door voortdurende en onmiddellijke tegenwoordigheid, te zien wat dat geloof uitwerkte en hoe die verve hem de meest schitterende resultaten opleverde!

Tine kwam tot het besef dat haar man haar niet noodig had. Wat de stoffelijke zijden van het bestaan aanging, was zij hem tot last, en zij kon dien last niet kompenseeren door hem in het geestelijke behulpzaam te zijn, want zijn geest bleek juist beter te kunnen werken buiten haar aanwezigheid.

Hoe wreed moet het leven haar toegeschenen hebben, als zij haren kinderen de afwezigheid van hun vader te verklaren had, als de kleinen, die haar telkens hoorden spreken van vader die dit deed of vader daar dát meê gebeurd was, haar ietwat angstig de vraag stelden, waarom vader niet bij hen was, waarom zij vader nimmer zagen!

Aan deze wetenschap, die zij thans omtrent haren man opdeed, sloot die andere, wellicht nog pijnlijker, zich onmiddellijk aan, dat haar man ook nooit den grooten hartstocht voor haar gehad had, waarvan zij zich altijd gevleid had het voorwerp te zijn. Nu begreep zij het ten volle en besefte het met groot verdriet, dat hij alleen zich zelf steeds gezocht had, niet in grof zelfzuchtige beteekenis, maar in zich zelf zijn Muze, zijne godheid, die hem meer waard was dan alle aardsche dingen. Zij begreep, dat hij haar had liefgehad, dat hij haar liefhad, met hartelijke genegenheid, maar geenszins met de onbevredigde passie, waarvan eene vrouw droomt in den geheimsten schuilhoek harer ziel.

Ja, hij schreef wel telkenmale aan het einde zijner brieven aan haar: "Ik verlang dol, ik verlang dol [om bij u te zijn]," maar als dat verlangen werkelijk zoo onstuimig in zijn binnenste had gewoed, zou hij, die zich zelf zoo weinig meester was, zich niet hebben kunnen dwingen van haar gescheiden te leven. Hij zou haar geschreven hebben: kom Tine, kom bij mij, ik heb het wel niet breed, ik ben wel klein behuisd, en met de kinderen zal het wel wat lastig zijn, maar buiten ù kan ik niet! Ik hoop en vertrouw, dat we het met de kinderen zullen weten te schikken, maar mócht het niet lukken, nu, dan zullen wij ze ergens uitbesteden of iets dergelijks; liever dàt, dan uwe tegenwoordigheid te missen. Als ik zoo veel meesterschap over mij zelf heb, dat ik mij maanden en maanden heb kunnen weêrhouden naar u toe te snellen niettegenstaande mijn groot verlangen,--nu, dan zal ik ook, als het moet, mijn neiging om mij tegenover u zóo uit te storten, dat er niets meer voor mijn pen en inkt te doen blijft, wel weten te beteugelen. (Immers, dàt was zijn bijzondere reden om zich niet met zijne vrouw te vereenigen.)

Dit is een der leelijke zaken in Multatuli's loopbaan, dat hij eenmaal het huwelijk als levensstaat gekozen hebbende, zich niet verplicht heeft gevoeld, van die keuze de onvermijdelijke konsequenties te dragen.

Heeft Multatuli al niet de groote passie voor de vrouw, voor ééne vrouw, gekend,--toch had hij in zijn persoon iets dat de vrouwen sterk aantrok en ook eene onmiskenbare behoefte aan omgang met vrouwen.

Tot de opvoeding, welke hij zijne eigene vrouw gegeven had, tot hetgene, wat hij in hare ziel had "gezaaid", behoorden onder andere de denkbeelden over liefde en godsdienst, tegenovergesteld aan die, welke zij van huis uit had medegebracht. Want Tine was van huis uit vroom, in den ouderwetschen, kerkschen zin van het woord. Wij weten dat niet alleen omdat zij tot eene familie van ouden adel behoorde, maar van hare zuster Henriëtte van Heeckeren vinden wij herhaaldelijk vermeld dat zij zoo erg godvruchtig was en steeds maar riep van Heere! Heere! Nu, zooals de éene zuster, met een kerkschen man gehuwd zijnde, haar geheele leven gebleven is, zoo zal de andere natuurlijk ook geweest zijn, vóor zij met een onkerkschen man in het huwelijk trad.