Multatuli: Multatuli en Mr. J van Lennep; Multatuli en de Vrouwen
Part 10
Niet alleen dus, dat Dekker de groote verterende passie niet kende, maar uit het feit, dat hij, alleen op zijn gemak door Europa reizende, bordeelen bezocht en langdurige betrekkingen aanknoopte, is op te maken, dat de hartelijke genegenheid, welke hij koesterde voor zijn vrouw, er in alle opzichten een was van de allergewoonste soort, en dat die genegenheid volstrekt geen poëtisch teeder en religieus karakter in zijn gemoed had aangenomen.
Als een getrouwd man en garçon uit is met vrienden van vroeger, en men is wat gemonteerd doordat men den kelder een weinig te veel heeft aangesproken, en men sukkelt, om het feest voort te zetten, zulk een huis binnen en vermaakt zich daar tot het krieken van den ochtend--nu, dát wordt door eenigen als eene vrij vergeeflijke gebeurtenis beschouwd. De bewoonsters blijven bij haar beroep, men vermaakt haar en zichzelf, en laat ze wat verdienen.
Dekker vond het buitendien in beginsel goed: Wat zou het? Genot is deugd, vermaak is gezond, ieder man, gescheiden van zijn vrouw levende, heeft daar behoefte aan, het is een hygiënische gymnastiek, en, de alles beheerschende rechtvaardiging: niemand lijdt er immers schade door, niemand immers wordt er ook maar een greintje leed door berokkend. Hij vond het, voor personen zooals hij, zelfs bijzonder aanbevelenswaardig: omdat het goed is voor publieke vrouwen, die arme, medelijden-wekkende schepselen, die zoo algemeen veracht worden door vromen en schijnheiligen, die zoo weinig het voorwerp zijn der elders dikwijls zoo ruimschoots bestede naastenliefde, die meestal slechts met gemeene, liederlijke mannen in aanraking komen,--omdat het voor dezulken heel goed is eens een man te ontmoeten, die haar ten minste nog als menschen beschouwt, die het oprecht goed met haar meent, haar een vriendelijk woord zal toespreken en op beschaafde, edele wijze met haar zal verkeeren. Ja, dus redeneerde hij, geholpen door zijn steeds dadelijk bij de hand zijnde fantasie, waarschijnlijk door: het was een weldaad, die hij haar bewees, het was een hoogere plicht, dien hij vervulde, hij dacht aan vele groote namen uit de wereldgeschiedenis, wier dragers met courtisanes omgang hadden gehad, hij vergeleek zich, ook nu weder, met Christus, die immers Maria Magdalena toeliet zijn voeten te wasschen en vergaf aan de overspelige vrouw. En zoo voorts, en zoo voorts.
Dit is alles goed en wel. Wij herhalen, dat wij niet partij wenschen te kiezen in de beoordeeling van het geval in 't algemeen van een gehuwd man, die en garçon uitgaat. Er komt altijd belofte-breuk bij te pas, de breuk namelijk van de belofte, die men zijn vrouw heeft gedaan van háar alléen tot den dood toe getrouw te zullen zijn. Maar er zijn tal van argumenten beschikbaar om in zekere gevallen een belofte-breuk te wettigen, en wij zullen ons niet in eene moralistische uitpluizing van deze zaken verdiepen. De hoofdzaak is ongetwijfeld, dat er niemand leed worde gedaan.
Maar,--hierop willen wij neêrkomen--Dekker wás niet op een dronkemanspartij en met vrienden uit; hij reisde geheel alleen, en ging, in koelen bloede, dat zelf in alle opzichten goedvindend, daarheen. En nu zeggen wij alléén, dat dáaruit blijkt, dat zijne genegenheid voor zijn vrouw niet van ongemeen teederen aard was. Immers al deed hij hier geen leed (op dat oogenblik ten minste niet, later deed hij haar dat wel door zijne op theorie berustende zonderlinge opvatting van het echtgenootschap, welke hem haar van al zijn avonturen op de hoogte deed houden), al deed hij háar dus geen leed, noch Eugénie, en al deed hij zich zelf een genoegen, dus het tegendeel van leed, en al schijnen dus al de bij het geval betrokken personen veilig voor leed,--tóch zou hij, ware zijn genegenheid voor Tine van hoogeren aard geweest, het edelste gevoel in eigen borst door zoo eene handeling een kwetsuur hebben toegebracht, waarvan de schrijnende pijn het genoegen dat hij er op andere wijze van had, ten zeerste beperken moest, zoo al niet geheel vernietigen.
Want, indien de gehuwde man, die zijn vrouw met vrome trouw bemint, op de purperen sofa heeft plaats genomen, en daar in eene weelderige afzondering zich opsluit met eene vreemde, kleurrijk uitgedoste, vrouw, wier mond met den beroepsglimlach hem tegenlacht, wier oogen, boven de half weggeblankette vale kringen schel schitteren van de nachtelijke vreugden, wier adem riekt naar den professioneelen feestwijn van elken dag--en hij moet dan liefkoozingen ontvangen, en hij moet liefkoozingen geven, dezelfde, ja werktuiglijk dezelfde liefkoozingen, welke hij anders in een stillere, meer zedige eenzaamheid alleen voor zijn eenige vrouw overheeft,--dan komt er een groot, pijnigend, wanhopig verdriet, en een spijt vol wrok en wrevel in hem op, die hem al het hier aanwezige ruwe en bonte genot zal vergallen.
Vooreerst is het de ontwijding der liefde, die een niet onderdrukbaar gevoel van groote neerslachtigheid over hem zal brengen, waar de stralen van de schitterende lichtkroon noch het gefonkel van het door den wijn goud gekleurd kristal iets tegen vermogen. Niet de ontwijding der liefde, omdat hij leerstellig het huwelijk voor eene vereening der zielen zou houden, en de vereeniging zonder liefde, zonder ziel, dus voor eene profanatie van dat huwelijksbegrip; veel minder eene ontwijding der liefde omdat hij het in beginsel iets slechts zou vinden, er aan toe te geven zonder dat een geestelijk of burgerlijk ambtenaar van te voren daartoe een brevet van bevoegdheid heeft uitgereikt; want wij spreken van een modern gewoon menschelijk gevoelend man; maar eene ontwijding der liefde omdat hetzelfde wat alleen waarde en beteekenis scheen te hebben in het verkeer met de eenige, ziels-vertrouwde, voor het geheele leven uitverkoren éénige vrouw, hetzelfde, wat een onmisbaar schijnend teeder mysterieus karakter verkreeg, als de verwezenlijking van lang gekoesterde slechts half bewuste verlangens, waar het, niet nader ontleed, zich in zoo een dronkenschap van reine zaligheid voltrok, dat men alleen den indruk kreeg dat het wezen op zijn innigst met het éénig geliefde wezen één werd, waarbij het lichaam werd vergeten en het scheen als hoorde men nu alleen duidelijker elkanders harteklop, als waren de harten nu slechts op een bijzonder innige wijze tot elkaar genaderd; omdat dit zelfde, anders een mysterie dat een langzaam gegroeide vervoering bekroonde, nu zijn hooge charme verliest door de brutaliteit, waarmede het eenvoudig als pikant tijdverdrijf aangewend blijkt te kunnen worden. Eene ontwijding der liefde, omdat zij ontnuchtert van de edelste aller dronkenschappen. Omdat zij van een poëem eene machinerie maakt, van een visioen een fysiologisch experiment.
Ten tweede zal het genot van den bovenomschreven echtgenoot verbitterd worden, omdat zijn verbeelding hem zal beginnen te plagen; onophoudelijk zal de figuur zijner kuische vrouw zich in zijne gedachten dringen, als eene die hem zacht droevig zijn schennis van hun vertrouwelijken omgang verwijt. Hij zal zich het diepe verdriet voorstellen, dat haar zou vervullen indien zij hem hier eens zag. Hij zal vergelijkingen gaan maken, hij zal dat móeten, hoe weinig gaarne hij 't ook doet, zijn geweten zal er hem toe dwingen,--tusschen zijne vrouw en degene, die thans naast hem is. In de geheele afschuwelijkheid harer grimeering, van haren weelderigen verleidingstooi, harer geveinsde lachjes en gespeelde minzaamheid zal zijn tijdelijke gezellin hem plotseling voor oogen komen; zijn blik zal zich verscherpen, hij zal achter haar masker van cold-cream en rouge impérial de sporen van het vroegtijdig jeugd-verlies en der aanhoudend walgelijke vermoeienissen zien, en hij zal zich verwenschen, dat hij tot deze sjacheraarster van genoegens gelijkluidende liefde-woorden sprak als anders slechts de intieme stilte binnen de zedige wanden van zijn huiselijk geluk van zijn lippen hoorde komen. Hij zal daar, als een aangeleerde manoeuvre, gebaren zien maken, en ze herkennen als de zelfde, welke hij als eene argelooze, spontane, naïeve, kinderlijke beweging heeft gezien. En als hij dan zijn hoed niet neemt en wegsnelt, is hij een man zonder ziel en zonder smaak, of liever,--wat wij hier van Multatuli betoogen--bemint hij zijne vrouw met eene vulgaire koele genegenheid.
Zien wij nu, hoe Dekker, eenmaal er aan gewend die huizen te bezoeken, zijne langdurige betrekking met Eugénie tegenover zich zelf verontschuldigde en tot iets zoo moois maakte, dat bij de overdenking dier betrekking de edelste neigingen zijner ziel niet uitgesloten behoefden te blijven.
't Moge zijn dat Dekker in lang geen publiek huis bezocht had, toen hij Eugénie leerde kennen, en dus niet goed besefte, dat hare mededeelingen overeenkwamen met de gewone praatjes dier zeer tijdelijke geliefden, die haar bezoeker bijna altijd een in hoofdzaak gelijkluidend verhaal doen, waarin steeds dezelfde episoden voorkomen: 1o. zijn zij dochters van boeren of arme werklieden en verleid en ongelukkig gemaakt door een vrijer, die beloofd had haar te trouwen en aan wiens woorden zij geloof hadden geslagen; 2o. hebben zij éens, toen zij figurante in den een of anderen kleinen schouwburg waren, of ook, toen zij het wilde leven reeds waren begonnen, eene schitterende relatie gehad met een schatrijk of hoogst voornaam jongmensch, die haar gedurende eenige maanden als eene prinses heeft doen leven, welke relatie voor altijd eene glansrijke herinnering bij haar heeft achtergelaten; 3o. zijn zij daarna van het eene huis in het andere gekomen en hebben nu hetzij de flauwe hoop dat een zéér jonge man nog eens de een of andere dwaasheid om harentwil zal begaan door haar als maîtresse te nemen, hetzij de ambitie met een flinken kellner of kappersbediende een "net" huwelijk aan te gaan, hetzij de hoogere eerzucht zelf eens aan 't hoofd van een dergelijk etablissement te staan als waaraan zij nu ondergeschikt zijn verbonden en op hare beurt te kommandeeren;--òf 't moge zijn, dat Eugénie tot de niet zoo frequent voorkomende vrouwen van dat slag behoorde, die gouvernante, kamenier of juffrouw van gezelschap geweest zijn, dat hare konversatie dientengevolge iets meer gesoigneerd was en zij een weinig betere manieren had, dat bij haar sterker dan bij hare beroepsgenooten het verlangen sprak om van het leven aldaar verlost te worden;--zéker is, dat Dekker zich tot haar aangetrokken gevoelde door de verwantschap die hij tusschen haar toestand en den zijnen bespeurde. De geheimzinnige sympathie, die tusschen de rassen van paria's bestaat en door De Goncourt ter sprake wordt gebracht, waar hij het intieme verkeer van soldaten en dergelijke vrouwen behandelt in La fille Elisa,--die zelfde sympathie was het, welke Dekker er toe dreef, zich in een ongewoon intiem kontakt met Eugénie te begeven. Hij bevond zich daar tegenover eene vrouw van oorspronkelijk goeden en fatsoenlijken aanleg, die, eigenlijk buiten hare schuld, en niet alleen buiten hare schuld maar tengevolge van het uit goedheid, uit edelmoedigheid, toegeven aan eischen, door een man, dien zij het meest vertrouwde, haar gesteld,--door de maatschappij was uitgestooten en genoodzaakt met het uitoefenen van een ellendig beroep, op een niet te avouëeren wijze, in haar onderhoud te voorzien. Nu, was er dan niet een treffende overeenkomst tusschen haar lotgeval en het zijne? Was ook hij niet ongelukkig geworden en door de maatschappij uitgestooten, omdat hij een te goedgeloovig vertrouwen in de leden dier maatschappij had gesteld? Hij óok had, zonder voorzichtigheid, zonder om te zien, geluisterd naar de stem van zijn hart, denkend dat de maatschappij hem daarvoor zou loven en beloonen.
Hij dacht nu van zich zelf: ik ben goed, de maatschappij is slecht; ik heb de ware liefde, den waren harteadel; en nu wilde hij samengaan met die andere verstootene, wijl ook zij de ware liefde, den waren harteadel had, of althans gehad had, hoezeer die nu ook schuil was gegaan in hare verworpenheid.
Dekker vond het in alle opzichten iets schoons en edels om deze vrouw te beschermen en bij te staan; in die handeling was een protest, een protest van menschenliefde en zielegrootheid tegen al het laffe, lauwe en kleinzielige der maatschappelijke opvattingen.
Behalve eenige zinnelijke liefde, waarvan overigens weinig blijkt, maar die toch zeer waarschijnlijk met het andere gevoel vermengd was, was het dus een algemeen, half en half theoretisch, gevoelen, een revolutionair gevoelen, gericht tegen maatschappelijke denkbeelden, èn een bijzonder gevoel van medelijden, dat Dekker zich het lot van Eugénie dermate deed aantrekken.
Zonder dat hij 't zich ten volle bewust was, werd, zoo stellen wij het ons voor, het gevoel medelijden in Dekker één met de zinnelijke liefde, evenals dit bij vele vrouwen het geval is. Vele vrouwen toch, die zich overgeven aan een man, doen dat veeleer uit goedheid, uit medelijden, uit zucht om hulp te bieden, dan uit zinnelijke aandrift. Zij willen dien armen minnaar tevreden stellen, zij willen hem gelukkig maken, en het besef der voldoening harer eigen zinnen gaat te loor in haar wetenschap van een groote weldaad te bewijzen, van het hoogste weg te schenken, van het kostbaarste afstand te doen, waarover zij te beschikken hebben. Hier neemt de liefde het karakter aan van hoogste menschlievendheid.
Dekker vond het geval buitendien interessant. Hij had behoefte, een koortsige behoefte, aan interessante ontmoetingen en lotgevallen. Daarom drong hij zich op, dat Eugénie een veel buitengewoner persoon was, dan zij in werkelijkheid zal geweest zijn, daarom verfantazeerde hij haar tot een soort heldin, aan wier zijde het hem voegde te treden. Zij gaf hem eene soortgelijke gewaarwording als iemand, die voor het eerst in een ver van zijn geboortegrond gelegen centraalwereldverkeerstation komt, van de zich daar bevindende in vreemde engelsche reisdracht gestoken gebasaneerde medereizigers ontvangt. Hij ziet een man met vaste trekken, donkere gelaatskleur, groote, strenge, zwarte oogen, die zich met een beteuterende kalmte door wachtzalen en perrons beweegt. Dit moet wel een zeer gewichtig en belangrijk personage zijn, denkt hij dan. Later blijkt het te wezen de gewoonste aller scheepskapiteins, die wel zijn beroep goed kent, maar overigens in niets uitmunt en het heen- en wedervaren tusschen Europa en Amerika met dezelfde werktuiglijkheid jaar aan jaar verricht, als een vaderlandsche schoolmeester dagelijks zijn klassen bestuurt.
Dekker achtte de ontmoeting van Eugénie bepaald een uitnemende vondst. Hij had nu gezelschap, een in alle opzichten aantrekkelijk gezelschap, op reis. Wat was daar niet een delicieuze afleiding voor zijn kommer en zorg in, om met die belang inboezemende fransche dame op reis te zijn, steeds in vriendschappelijke gesprekken met haar gewikkeld, haar begeleidend in hotels en stations, haar steunend bij het instijgen van rijtuigen, bespied, in stilte gelukgewenscht en benijd door die omstanders, welke iets van de verhouding begrepen!
Toen Dekker later Tine met Eugénie in kennis bracht, zoodat er, indien wij onze oogen en de mededeelingen van de uitgeefster der Brieven mogen gelooven, eenige vriendschap tusschen de vrouwen ontstond en Tine jaren lang met Eugénie eene briefwisseling onderhield,--toen volvoerde hij alleen tot de alleruiterste konsequentie, wat zijne theorie hem dwong in deze dingen goed te vinden. Ons is dit te machtig, wij zouden er schier benauwd van worden; ons kan dit volkomen ten ondergaan van het gevoel van waardigheid in de eene der vrouwen niet anders dan pijnlijk aandoen.
Uit het feit dier briefwisseling blijkt voorts ten overvloede nog eens verrassend duidelijk, welk een alles beheerschenden invloed Dekker op zijne vrouw oefende. Niet dat zij zich tegen haar zin met Eugénie in verkeer zou hebben begeven, maar dat zij, tegen alle modern Europeesch vrouwelijk gevoel in, er behagen in vond met de gewezen maîtresse van haar man om te gaan, bewijst dat haar gevoel zich, door het voortdurend aanhooren der denkbeelden van haar man, verbazend vervormd had.
Over Pauline, Dekker's tweede beschermeling, waarvan in de brieven sprake is, vernemen wij weinig meer dan het volgende (dl. I, blz. 50):
"En toen ik bij die Pauline kwam, die zich verstout een kind te hebben vóór 't huwelijk, en toen zij mij zeide dat zij altijd eten kreeg van de Prince Belge zonder te betalen, omdat "le vieux n'osait pas refuser, car, voyez vous, il savait bien que vous reviendriez" en dat dit zoo gelukkig was, want zij zoogde haar kind en had dus eten noodig... Kijk, dat deed mij toch pleizier dat men eene zoogende moeder eten had gegeven om mijnentwille."
Uit deze regelen valt niet rechtstreeks op te maken, dat Dekker met Pauline intiemen omgang heeft gehad. Wij meenen ook dat hij elders als iets zots verhaalt, dat iemand gevraagd had of Pauline zijne maîtresse was. Maar wellicht vond hij alleen het woord maîtresse ten opzichte van Pauline gebruikt, dwaas of spotte hij om een andere, dergelijke reden, met die vraag. In aanmerking genomen Dekker's denkwijze over dit onderwerp en daarbij de eigenaardigheden van Pauline, zooals wij die uit bovenstaande beschrijving leeren kennen, wint het vermoeden aan waarschijnlijkheid, dat er tusschen hen meer is voorgevallen dan de wisseling van een enkelen dankbaarheidshanddruk. Immers, dat men aan Pauline kosteloos voeding verstrekte, wijl men wel wist, dat Dekker eens terug zou komen, toont dat er eene innige verstandhouding tusschen die twee bestond, waarvan de herbergiers-familie wist.
Pauline behoorde blijkbaar tot de laagste volksklasse. Indien wij dus mogen veronderstellen, dat er eene relatie tusschen haar en Dekker bestaan heeft, vinden wij daarin zooveel als een vervolg op en eene konsequentie van zijne betrekking met Eugénie. In den tijd toch, dat Dekker met Pauline zou geleefd hebben, in den tijd ook dat hij haar later weder ontmoette, had hij 't zelf veel armoediger dan gedurende zijne minnarij met Eugénie. Hij was dus in alle opzichten een trede lager gegaan. En zeker was hier het medelijden nog meer versmolten met het andere gevoel.
Pauline, een geheel onbeschaafde vrouw waarschijnlijk, en die dus b.v. ook aan haar toilet slechts uiterst geringe zorg besteedde, was het meest geschikte schepsel, in wier omarming Multatuli zijn groot verdriet en zijn hevig protest tegen de maatschappij kon uitsnikken.
De derde vriendin van Dekker, die ons weder een trede opwaarts voert naar een geheel andere schakeering van het verkeer met vrouwen, is degene, die men niet beter kan aanduiden dan met den naam van "het stomme ontbijtstertje."
In een brief van 17 September 1860, schrijft Dekker: "Alle morgen om negen uur komt er een meisje bij mij ontbijten. Zij mag een uur blijven, maar niet praten, dat is een komieke geschiedenis."
Van deze geschiedenis vernemen wij (dl. 1. blz. 151) het volgende: Dekker liep eens door Amsterdam te kuieren, toen hij op het Damrak werd aangesproken door een jong, als dame gekleed, meisje, dat hem vertelde dat zij zoo'n honger had. Zij voegde er bij, dat zij deze mededeeling aan niemand anders dan aan hem alleen zou durven doen. Hij gaf er zich op dat oogenblik geen rekenschap van of zij bedoelde, dat zijn uiterlijk haar zooveel vertrouwen inboezemde of dat zij zijn naam en reputatie kende. Het was precies iets voor zijn royale, genereuse natuur, het paste daarbij uitnemend in zijn lust tot weêrstreving van maatschappelijke gewoonten, om het meisje niet af te schepen met een zwijgende weigering noch haar het adres van Liefdadigheid naar Vermogen op te geven, maar om haar welwillend te woord te staan. Hij had in dat geval ook kunnen volstaan met haar eenig geld in de hand te stoppen; maar hij vond er al weder eene belangrijke ontmoeting in; hij wilde wel eens kennis maken met deze ongelukkige, vermoedelijk, naar hem docht, weder een slachtoffer van de wanverhoudingen der maatschappij, en, waarschijnlijk om tevens zeker te zijn dat zij hem niet bedroog, besloot hij haar te vergezellen om haar in de een of andere gelegenheid naar haar genoegen zich te laten verzadigen. Hij stak daarom het IJ met haar over en liet haar aan het Tolhuis zich te goed doen aan broodjes met vleesch. Zij vertelde hem hare geschiedenis: dat zij, in 's-Gravenhage te huis hoorend, hier tijdelijk een kamer had gehuurd om zaken voor haar vader te doen, maar dat al haar geld op was, enz. Het gevolg was, dat hij, die ook op dat oogenblik geen geld had om dagelijks een middagmaal voor haar te bekostigen, voor haar wenschte te doen al wat in zijn vermogen was en haar daarom uitnoodigde elken ochtend op zijn kamer op de Botermarkt te komen ontbijten. Zij nam dit gretig en dankbaar aan. Nu was echter het grappige van den toestand, dat Dekker in het begin van den dag liever geen gesprekken hield (waarschijnlijk wijl hij vreesde zich dan te veel te epancheeren, zoodat zijn aandacht zich niet genoeg meer koncentreerde op het schrijfwerk, dat hij wilde verrichten en hij vreesde zijn kracht te verpraten in plaats van haar alleen voor zijne schrifturen aan te wenden). Zij kreeg dus verlof bij hem te komen en een uur te blijven, maar zij mocht geen woord zeggen. Deze zonderlinge omgang duurde eenige weken. Eindelijk kon Dekker haar het benoodigde geld verschaffen om naar 's-Gravenhage terug te keeren, en zij bewees hem hare dankbaarheid, door hem van daar uit een paar door haar geborduurde pantoffels ten geschenke te zenden.
Eenige maanden later ontving Multatuli het bezoek van dien zekeren dokter in de Letteren, waarvan wij in de Minnebrieven lezen. Om het in nood verkeerende gezin, waarvoor de dokter zich interesseerde, te helpen, stond Multatuli toen het voor de Minnebrieven bedongen honorarium af. Na dien tijd vernam hij dat de dokter in de Letteren verloofd was met eene dochter uit het gezin, dat hem zooveel belang inboezemde, en dat hij hem met zijne aanstaande zou komen bezoeken. En toen Multatuli dat bezoek ontving, toevallig geschoeid met de gemelde pantoffels, herkende hij in de bruid van den dokter zijn zwijgend ontbijtstertje. Zij deed, alsof zij hem nog niet kende, bedankte hem ten zeerste voor wat hij voor hare familie had gedaan en vroeg hem of zij hem niet eens eene kleine oplettendheid zou mogen bewijzen, door b.v. 't een of ander voor hem te borduren. "Pantoffels heeft u al, zie ik" voegde zij er bij. Nu werd Dekker, die op eens het stellige vermoeden kreeg, dat het meisje zelf, ontevreden met wat zij persoonlijk van hem had kunnen halen, den dokter op hem had afgestuurd, boos en dreef zijne bezoekers met zachten dwang de deur uit. Hij wist zich echter genoeg in te houden om niet te doen merken, dat hij haar herkende en daarmede eene onaangenaamheid tusschen de twee verloofden te weeg te brengen, indien de dokter soms van het ontbijten niets afwist. Ons komt het evenwel waarschijnlijker voor, dat de dokter, die zich professioneel met de letterkunde bezighield en dus eerder dan het burgermeisje met Dekker's, uit zijn geschriften blijkend, medelijdend karakter bekend geweest zal zijn, reeds met het meisje zoo goed als verloofd was ten tijde dat zij Dekker het eerst aansprak en dat de dokter haar op Dekker af zal hebben gestuurd, meenende dat een bede om hulp uit den mond eener vrouw nog zekerder onweêrstaanbaar voor Multatuli zou wezen dan het verzoek van een litterator. Toen nu echter de verleende hulp niet aan de verwachtingen beantwoordde, trok de dokter toch zelf maar de stoute schoenen aan, en slaagde ook werkelijk, gelijk wij gezien hebben, beter.
De vierde vrouwenfiguur, tot wie Dekker zich, in deze periode zijns levens, bijzonder aangetrokken gevoelde, was Sietske Abrahamsz. Wij voegen hier aanstonds bij, dat wij met de bespreking der genegenheidsbetrekking, welke eenigen tijd tusschen Sietske en Multatuli bestond, een totaal van de vorige verschillende sfeer van maatschappelijk verkeer en gemoedsaandoeningen betreden. Daarover mag geen misverstand mogelijk zijn. Een muur scheidt deze in alle opzichten reine, ideale, relatie van de zooeven behandelde drie andere.