Multatuli: Multatuli en Mr. J van Lennep; Multatuli en de Vrouwen

Part 11

Chapter 113,754 wordsPublic domain

Wij keuren er niettemin even sterk, ja nog sterker, om af, dat Dekker zijne vrouw zoo voortdurend berichten zond over zijne liefde voor Sietske en Sietske's verliefdheid op hem. Nog sterker keuren wij het af, omdat, mocht Tine al van Dekker's andere relaties kunnen denken, dat zij te hoog stond om daarover jaloersch te kunnen worden, dat die van een soort waren zonder eenige overeenkomst met de liefde welke haar man aan háar verbond, van een aard, die 't haar onmogelijk maakte zich zelve te bekennen, dat zij er zich iets van aantrok,--zij over de betrekking met Sietske onmogelijk zoo kon denken. Sietske was een allerliefst jong meisje, van den zelfden stand als zij, ja veel wat Dekker in Tine vóór hun huwelijk gecharmeerd moet hebben, vond hij nu in Sietske terug.

Tine had dus dubbel reden om zich door deze genegenheid, juist wijl zij rein was en volkomen vrij van alle minder edele bedoelingen, juist wijl het 't bijzondere in Dekker's persoon was, dat Sietske in hem beminde, gegriefd te gevoelen. Als Dekker's herinnering opleefde, herinnering aan den lang vervlogen, en nog lánger vervlogen schíjnenden, zaligen engagementstijd, en hij maakte vergelijkingen, dan moesten die wel, zonder dat hij zelf misschien zich bewust werd wat daarvan de oorzaak was, ten voordeele van Sietske uitvallen. Immers Tine had, de gewone menschelijke liefde, welke van die andere slechts de grondslag was, daargelaten, in Dekker vereerd den man, die uitmuntend, die buitengewoon beloofde te wórden, terwijl Sietske in hem liefhad den man die buitengewoon gebleken was te zíjn. Het kon niet anders of Dekker moest in Sietske's fysionomie eene wolkelooze bewondering lezen, die hij bij Tine nimmer had kúnnen waarnemen, omdat de reden er toe toen nog niet aanwezig was. In der daad zijn er weinig dingen zoo pijnlijk voor de vrouw, die in eendrachtig huwelijk met haar man de middaghoogte des levens heeft bereikt, dan te bemerken hoe er zich eene genegenheid tusschen dien man en een hem vereerend jong meisje begint te openbaren. Zij toch, zijne vrouw, heeft hem bemind alleen om zijns zelfs wille, toen hij nog geheel onbekend en onberoemd was; zij is het leven met hem ingegaan vol moed, hoop en vertrouwen, met het zeer geprononceerde verlangen alle vreugd, maar ook alle leed met hem te deelen. En nu de boom zijns levens tot vollen wasdom is gekomen en vruchten draagt, is 't een jong meisje zooals zij vroeger was, die, met den blos en den glimlach der jeugd op het gelaat, de hand uitstrekt om die vruchten te plukken.

Indien wij voor een oogenblik Multatuli's vrouw en de kinderen willen vergeten,--het is echter juist de eigenaardigheid van ons westersch huwelijksbegrip, dat dit zoo ontzettend moeilijk is, zoo bij uitstek moeilijk ons den man te denken zonder de vrouw, den vader zonder de kinderen, daar wij gewend zijn den gehuwden man niet meer als een geheel op zichzelf te beschouwen maar alleen als een deel van het familiegeheel;--indien wij ons Multatuli denken als veertigjarig ongehuwd man of als weduwnaar, dan rijst zijne vriendschapsbetrekking met Sietske voor ons oog als een der teederst genuanceerde verhoudingen, die tusschen een man en een vrouw kunnen bestaan, een der schoonste, der fijnste banden, die tusschen die twee zielen gelegd kunnen worden.

Deze betrekking staat hoegenaamd niet eenigszins uitvoerig in de Brieven beschreven, met enkele woorden wordt zij slechts nu en dan aangeduid: het is als Multatuli aan Tine schrijft, dat Sietske toch zoo lief is, dat hij "puur verliefd" op haar is, dat zij hem gezegd heeft om harentwille toch vooral geen greintje minder van Tine te houden, en aan Tine verlof te vragen háar, Sietske, een weinig te mogen beminnen; het is als Multatuli aan Tine bericht van het verlof dat hij, in Tine's naam, aan Sietske gegeven heeft om hem een beetje lief te hebben; maar door die weinige woorden heen, is het hem, die nu in den toestand is ingeleefd, mogelijk een kijkje te doen in deze charmante betrekking.

Sietske was de dochter van Kees Abrahamsz., de zuster, meenen wij, van den zelfden Theodoor, die na Dekker's dood een goed gemeend, weinig letterkundig en zeer geruchtmakend artikel over Dekker zou schrijven. Zij moet een buitengewoon bekoorlijk meisje geweest zijn, want bijna iedereen, dus lezen wij, was op haar verliefd. Zij moet niet zoozeer eene buitengewone schoonheid als wel in de hoogste mate innemend geweest zijn: bijzonder zachtzinnig, vriendelijk, vlug, en bovenal begaafd met die echt vrouwelijke en taktvolle hoffelijkheid, die de wenschen weet te voorkomen der menschen met wie zij in gezelschap is en een gesprek weet te voeren zóo, dat de overeenstemming der meeningen geen vervelende eentonigheid wordt en het verschil in meening geen enkel minder aangenaam oogenblik veroorzaakt.

Voor Dekker moeten die uren, welke hij in de woning van Sietske's familie en in haar gezelschap ging doorbrengen, een genot bevat hebben, waarop hij uren en dagen lang vlaste.

Zoo eene verhouding, die meer dan vriendschap is en die geen liefde mag worden, had al het weemoedig aantrekkelijke eener schemering van licht en donker. Het meisje en de man onderscheiden niet nauwkeurig meer wat er in hun binnenste omgaat, zij bemerken alleen met zekerheid, dat het iets heel moois en voor hen heel gelukkigs is. Allerlei tweestrijd doet zich voor in hun gemoed. Zij durven de liefde niet aan, zij zijn er bang voor als voor de duisternis, en het heldere, maar koele, licht van de vriendschap zien zij toch tanen voor hun innerlijken blik. Dan sluiten zij de oogen om aan de weifeling en aan de smart van den tweestrijd te ontkomen; maar als zij ze weer openen zijn de donkere wolken verdwenen en zien zij klaar en stil de sterren blinken, als de teedere seinlichten der sentimenten tusschen liefde en vriendschap, in wier glans zij hun omgang mogen koesteren...

In dezen tijd van dagelijksche onrust en koortsige levenshaast, moeten de bezoeken aan de woning, waarvan Sietske het bloeiend middelpunt was, de bekoring als van eene oase op Dekker hebben uitgeoefend. Als hij de trap opkwam, in eene stemming nog verhit door de moeitevol ten einde gebrachte dagtaak, hoorde hij reeds hare welluidende stem, wier klank als eene verfrissching in zijn koortsig binnenste viel. Een minuut later was hij in hare tegenwoordigheid en had hij bij de begroeting haar hand, als een bemind vogeltje, in de zijne gevangen. Hun blikken ontmoetten elkaâr en lazen er weder de blijde boodschap der innige, der teedere, maar reine verstandhouding. En dan begonnen de gesprekken. Zij vroeg hem naar zijn werk, met warme belangstelling, met eene belangstelling welke zich zoo uitte, dat hij aan ieder woord en aan haar geheelen toon bemerken kon, dat er niets in voorgewend of overdreven was.

Sietske's genegenheid voor Dekker was oorspronkelijk ontstaan uit een zelfden door haar van hem ontvangen indruk, als dien vele vrouwen van hem hadden ontvangen. Zij was in hem gaan vereeren den zeldzamen, den éénigen vaderlander met een hartstochtelijke kunstenaarsnatuur, den man die, voor één groote edelmoedige gedachte, zijn leven en zijn loopbaan aan volslagen ondergang blootstelde, den man, die zijn geluk prijsgaf, die al zijn tijd, kracht, moed en werk dienstbaar maakte aan de najaging van het ideaal, dat hij zich had gesteld. Zij bewonderde hem als een held, strevend naar het groote, als de figuur, die, meer dan wie zijner tijdgenooten ook, geschikt was om de rol van Koning te vervullen in de liefelijke feërieën der schuchtere meisjesdroomen.

Maar daarna had zich, als een kostbare edelsteen op een gouden sieraad, de genegenheid, die het gevolg was van hun vertrouwelijk verkeer, in die nog vage vereering gevoegd. En waar in zulke gevallen de toenadering van beide kanten komt, bewaarheidt het spreekwoord "nul n'est grand homme pour son valet de chambre" zich niet. Sietske was wel niet Dekker's kamermeisje, maar het gezegde beduidt, meenen wij, dat de aureool, die eene vereering uit de verte om de slapen van den vereerden heeft gekranst, meest verbleekt door de prozaïsche ontdekkingen, die de werkelijkheid eener persoonlijke kennismaking medebrengt. En dit geschiedde hier niet. De bewondering verloor wat er nog koel en op-een-afstand in was. De vrees, de bedeesdheid verdween, en eene bewondering vol warme genegenheid stelde zich in de plaats.

Want Dekker was iemand, wiens persoon de indrukken bevestigde, die de lezing zijner werken had doen geboren worden. Zijne ziel stond op zijn gelaat te lezen, zijn hooge natuur wachtte niet op pen en papier om zich te doen gelden, maar schitterde ook in het gesproken woord, in de aanhoudende improvisatie van vernuftige gedachten, die zijn gesprekken waren.

De genegenheid van Multatuli en Sietske Abrahamsz is in deze drukke en bonte periode het fijnst gekleurde en liefelijkste lotgeval. En als wij niet gedwongen waren steeds het droeve beeld van Tine op den achtergrond van Dekker's leven te zien, zouden wij met nog langduriger aandacht en meer onvermengde appreciatie in de beschouwing dezer hooge, mooie betrekking blijven verwijlen.

In 't algemeen kan men zeggen, dat van de vijf zeer uiteenloopende betrekkingen met vrouwen, (Tine, Eugénie, Pauline, het ontbijtstertje en Sietske,) waarin wij Multatuli hebben beschouwd, die met Sietske de meest ongemeene en meest typische was, omdat hoofdzakelijk den kunstenaar in Multatuli hare genegenheid gold en omdat hij in haar eene vertegenwoordigster aantrof van de sympathieën, die Nederlandsche lezeressen meer nog dan Nederlandsche lezers voor zijn werken gevoelden.

IV. POLEMIEK. KONKLUZIE.

Na de verschijning van Multatuli's Brieven zijn er twee geschriften in het licht gekomen, in welke beide Multatuli's nagedachtenis ten zeerste is betrokken. Het eene is de brochure, getiteld Multatuli en Spiritisme ("naar de oorspronkelijke Handschriften uitgegeven door S. F. W. Roorda van Eysinga, Emeritus Predikant"), het andere is de brief over de uitgave der korrespondentie zijns vaders door den heer E. Douwes Dekker Junior, te Sarronno, gepubliceerd in een weekblad, de Tribune, van 3 Maart 1891.

De brochure over Multatuli en Spiritisme is een zonderlinge en niet weinig eigenaardige uitgave. De schrijver daarvan is ... Multatuli, namelijk Multatuli's "geest", die zich van de hand eens anderen bedient, om ons zijn laatste producten aan te bieden. Die andere wordt ons door den uitgever, den heer Roorda van Eysinga, voorgesteld als "een Nederlander, ernstig beoefenaar van het spiritisme, begaafd magnetizeur en schrijvend medium." Forster is zijn verdichte naam, Manstede de pseudoniem van de stad zijner inwoning. Mejuffrouw E. K. is eene begaafde clairvoyante, met wie hij werkt.

Indien het waar was, dat de heer Forster het vermogen had om den geest van Douwes Dekker op te roepen en dien nieuwe gedachten te doen produceeren, zou dat een zaakje zijn, waarmede de heer Forster zich schatrijk zou kunnen maken. De heer Forster zal hier niet tegen aanvoeren, dat hij rijkdom minacht en er dus niet naar streven zal dien te verwerven, want wilde hij dien rijkdom dan niet ten zijnen persoonlijken bate aanwenden, dan kon hij, ijveraar voor het spiritisme als hij zich betoont, dien aanwenden om op groote schaal propaganda voor het spiritisme te maken, hij kon er voorts liefdadigheidsinstellingen mede stichten, enz.

Indien de heer Forster ook nog andere geesten van overleden groote mannen kon oproepen, zou dat inderdaad in de eerste plaats de meest reëele onsterfelijkheid aan die mannen verzekeren en zoude op die wijze de onsterfelijkheid waarvan de dichters steeds gewagen op een verrassende, geheel onvoorziene, wijze waarheid blijken te zijn; in de tweede plaats zou ons vaderland zich op deze unieke vinding van een zijner zonen kunnen verhoovaardigen, en de heer Forster zoude, als impressario van geesten van gestorven groote mannen, eene reis om de wereld kunnen doen, die hem weldra eene algemeene vermaardheid zoude doen verwerven. Hij zou buitendien niet eens voor honoraria of reiskosten voor de geesten behoeven te zorgen...

De heer Forster intusschen, wiens goede trouw wij natuurlijk boven elken zweem van verdenking verheven achten, heeft zeer wel ingezien, dat hij met deze zaak de waardeering van velen voor het spiritisme,--waardeering van hen, die in het spiritisme gelooven, waardeering ook van de eenigszins reaktionaire moderne geleerden, die het spiritisme wetenschappelijk onderzocht willen zien--aan een gevaarlijke vuurproef onderwierp, waartegen zij alle kans had niet bestand te blijken. Immers, men kende Multatuli's zeer van alle andere geesten verschillenden geest, zoo als die zich tijdens Multatuli's stoffelijk leven uitte. Men had dus een zeker middel bij de hand om te kontroleeren, of het werkelijk Multatuli's geest was, die in den heer Forster sprak en of de heer Forster niet de dupe was der grappen van den een of anderen schalkschen spotgeest. Hierop is de heer Forster bedacht geweest en de bezwaren, die tegen zijn stelsel zouden te berde worden gebracht ten gevolge der voor iederen lezer der brochure verblindend duidelijke waarheid, dat de in die brochure zich openbarende geest hoegenaamd niets gemeen heeft met Multatuli's geest,--die bezwaren heeft hij van te voren meenen te weerleggen door een werkelijk niet weinig spitsvondig bedachte argumenteering. Het is de geest van Multatuli zelf, die deze argumenten ten beste geeft. Laat het u niet verwonderen, zegt hij ongeveer tot zijn medium Forster, dat gij in wat ik u thans dikteer, mijn eigenaardigen stijl en uitdrukkingswijze mist. De oorzaak daarvan is, dat ik nu niet meer het tot mijn stoffelijk omhulsel behoorend instrument tot mijn beschikking heb, dat mij als mensch diende om mijne gedachten te vertolken. Ik bedien mij thans van úw hersenen, van úw instrument, vandaar dat mijn gedachten thans geheel anders klinken dan voorheen. Men moet dit vergelijken bij een zelfde door zekeren komponist ontworpen melodie, die op een orgel of piano gespeeld geheel anders klinkt dan op een viool of fluit. Men behoort dus, zegt de geest, alleen acht te geven op de essence van het medegedeelde.

Ons komt het evenwel voor, dat deze argumentatie, in weêrwil harer oogenschijnlijk bewijzende kracht, geen steek houdt, want juist de essence, de gedachte op zich zelve, van Multatuli's geest, was zoo bijzonder en eigenaardig, dat wij haar zouden herkennen van welk herseninstrument zij zich ook mocht bedienen om tot uiting te komen. Wij herkennen immers in de geschriften der Multatulianen,--in die van den heer Engelbert de Chateleux b.v.--onmiddellijk den geest van Multatuli, hoe zeer van het zijne verschillend het instrument ook is, dat hem ten gehoore brengt?... De gevolgtrekking ligt voor de hand, dat, daar juist de essence van hetgeen de aan den heer Forster verschenen geest vertelt geheel en al verschillend is van de essence van Multatuli's gedachten, slechts deze twee gevallen mogelijk zijn: òf de heer Forster is beetgenomen door een dier ondeugende gnomen, gelijk er zoovelen door het heelal rondzwerven en die zich onder den naam Douwes Dekker bij hem heeft aangediend, òf de essence van Multatuli's gedachten is veranderd. En in het laatste geval is het onmogelijk te kontroleeren of het werkelijk Multatuli is, die zich aan den heer Forster heeft geopenbaard.

De geheel éénige gelegenheid om de pretentiën van het spiritisme te toetsen heeft dus geenerlei resultaat opgeleverd. Als de heer Forster niet anders tot onze kennis brengt dan eenige ouderwetsche godsdienstvoorstellingen, vermengd met een weinig natuurkunde, uit een vulgarisatie-werk opgedaan, en geuit in den eersten stijl den besten, ons daarbij verzekerende, dat het Multatuli is, die zoo schrijft met eens anders hand, dat wij hem wel aan niets herkennen, maar dat Multatuli's algeheele verandering daarvan de oorzaak is, nu ja, dan heeft hij natuurlijk goed praten. Maak dat nu maar eens uit.

Daarom zeggen wij: door een vlugschrift als dit wint de bewering der spiritisten geenszins aan waarschijnlijkheid; doch wordt hare geloofwaardigheid er integendeel eerder door geschaad dan gebaat.

De heer Forster schijnt eene benijdenswaardige zekerheid te hebben omtrent het goed recht van zijn zaak. Hij is zoo zeker van hetgeen zijne mededeelingen zullen uitwerken, dat hij met eenigen overmoed de door den geest Douwes Dekker gevulde bladzijden doet voorafgaan door een uitspraak door Dekker bij zijn leven over het spiritisme gedaan. Zij is vervat in een brief dien Dekker in 1876 aan den heer Forster schreef. Hij zegt daarin o.a.:

"Een schoonzuster van me, die zich geheel en al aan spiritisme wijdde en die NB. op velerlei gebied 'n heftige tegenstandster van mij was, zóó zelfs dat ik vele jaren lang taal noch teeken van haar ontving, schreef me op eens dat "de geesten" (wie weet ik niet) haar gezegd hadden:

"Multatuli is 'n apostel der waarheid."

Ik antwoordde: "in m'n hoedanigheid van apostel der waarheid ontken ik 't bestaan van geesten."

Nooit heb ik vernomen hoe "de geesten" zich gered hebben uit het (cretenser leugenaars-) dilemma, dat hieruit voortspruit."

En daarna volgen dan de veertig, door Multatuli's geest den heer Forster voorgezegde, bladzijden, waarin hij bovenstaanden uitval geheel en al terugneemt en begint met te zeggen, dat het spiritisme de eenvoudigste zaak ter wereld is en gelijk staat met tweemaal twee is gelijk vier. Vervolgens beschrijft Multatuli zijn verbranding in den lijkoven en zijne lotgevallen in hoogere gewesten. Daarbij keurt hij de meeste zijner levenshandelingen van vroeger nu ten sterkste af en neemt het meeste terug van al wat hij geschreven heeft. Hij vindt zijn leven nu één leugen, ééne komedievertooning, en zijne geschriften zeer slecht van strekking. Toen wij lazen van zijne ontmoeting met Tine in de geestenwereld, vroegen wij ons onwillekeurig af, hoe het gaan moet als al de andere geliefde vrouwen daar later ook bij zullen komen. Van monogamische liefdesbegrippen schijnt in de geestenwereld ook al heel weinig meer over te blijven. Het einde der mededeelingen is, dat Multatuli's geest nogmaals geïnkarneerd zal worden en wel in een jongeling, die goed zal maken wat Multatuli vroeger als volwassen man misdreven heeft...

Wij herhalen, wij kunnen in dit alles niet anders zien dan eene onschuldige tijdpasseering voor goedgeloovige geestenbezweerders. Wel moge het hun bekomen, zouden wij zeggen.

De brief van den jongen Eduard Douwes Dekker is ook een eigenaardig dokument.

Het schijnt wel dat de nagedachtenis van Multatuli een even rumoerig lot moet hebben als gedurende zijn leven Multatuli's deel is geweest. Dat wil maar niet tot rust komen. De opschudding door dezen held met zijn geweldige ziel in het rustige vaderland veroorzaakt, duurt nog maar steeds voort.

De jonge Dekker behandelt in dien zeer onbezadigd gestelden brief zijne stiefmoeder op alles behalve eerbiedige wijze. Hij verhaalt hoe zijn vader háar alles (!) bij testament gemaakt heeft, dat zij daarom ook het recht tot de uitgave der Brieven meent te hebben, dat hij er aan wanhoopt om, mocht hij de zaak voor een Nederlandsche rechtbank brengen, door de rechters in 't gelijk gesteld te worden, en dat hij derhalve de zaak maar voor die rechtbank zal brengen, waarvan zijn vader ook zoo dikwijls gebruik heeft gemaakt, namelijk de rechtbank der openbare meening.

Il faut laver son linge sale en famille, zegt het spreekwoord. Zelden werd dit spreekwoord zoo weinig in toepassing gebracht als door Dekker's familie, zelden werd een vuile wasch zoo volledig in 't publiek behandeld. Wij vernemen ook dat Tine's familie "een en al verontwaardiging" is. Nu, dit is geen wonder, de Van Wijnbergens, de Van Heeckerens, enz. maken in die Brieven niet juist een bijzonder luisterrijk figuur.

Wat echter de voornaamste grief van Multatuli's vereerders tegen de uitgeefster der Brieven aangaat, luidende dat zij haar man op die wijze "van zijn voetstuk haalt"--hiermede kan men zich, dunkt ons, niet vereenigen. Het zoude een weinig soliede voetstuk genoemd moeten worden, dat smelten zou in het licht door de Brieven op Multatuli's leven en karakter geworpen. Neen, in deze voelen wij ons genoopt ons geheel aan de zijde der uitgeefster te scharen, die zeer juist heeft ingezien, dat het eene zwakke en verwerpelijke vereering is, een vereering op wier bestaan men niet den minsten prijs behoeft te stellen,--die door de lektuur der Brieven zou verminderen. Zouden wij dan omtrent sommige zaken in Multatuli's leven in dwaling moeten verkeeren of in het onzekere moeten gelaten worden, om Multatuli de achting en de bewondering te blijven schenken, waarop hij recht heeft bij de gratie van zijn ontzaglijk talent? Is het niet beter dat wij hem ook van de klein-menschelijke zijde leeren kennen? Zullen wij hem niet inniger waardeeren en waarachtiger liefhebben indien wij den echten mensch in hem zien, die bij al zijn grootheid toch steeds mensch bleef en als mensch ook zijne zwakheden had;--dan indien wij hem als een soort van onnatuurlijken half-god moesten beschouwen?

Neen zeker, de bewondering en liefde, die op halve kennis berusten, kunnen nooit de ware en aanbevelenswaardige zijn.

Daarom herhalen wij den bij den aanvang dezer beschouwing aan mevrouw Douwes Dekker geboren Hamminck Schepel gebrachten dank, voor den belangrijken dienst, welken zij met de uitgave dezer Brieven aan de Nederlandsche Letteren heeft bewezen.

Jan.-Maart. 1891.

Dit boek is voor het eerst verschenen in 1891 bij J. C. Loman Jr. te Bussum onder den titel Multatuli door A. J. Deze tweede, herziene, druk werd gezet uit de Gravure letter, gedrukt op de persen van G. J. Thieme te Nijmegen. De versiering van band en omslag even als de schutbladen zijn ontworpen door S. H. de Roos

BIBLIOGRAPHIE BETREFFENDE K. J. L. ALBERDINGK THIJM DOOR BENNO J. STOKVIS.

A.

ALBERDINGK THIJMS WERKEN

Chronologisch gerangschikte lijst tot het jaar 1922.

[Gooi- en Eemlander, Juni of Juli 1880] [4].

De eer der Fransche Meesters, 1881--Dietsche Warande N. R., IV, 483.

Een wederwoord voor Dr. H. J. A. M. Schaepman, 1882--Amsterdam, Jan D. Brouwer.

Wederzien, 1883--Amsterdam, Van Langenhuysen [5].

Over Literatuur, 1886--Amsterdam, Brinkman & van der Meulen.

Een Liefde, 1887--Amsterdam, Brinkman [6].

2de druk (zeer belangrijk gewijzigd)--Amsterdam, Scheltema & Holkema, 1899.

3de druk--Amsterdam, Scheltema & Holkema, 1919 (tevens Deel I der Verzamelde Werken).

De Kleine Republiek, 1889--Deventer, Beitsma.

2de druk 1919--Amsterdam, Scheltema & Holkema (tevens Deel II der Verzamelde Werken).

Multatuli, 1891--Bussum, J. C. Loman Jr.

2de druk 1922--Rotterdam, W. L. & J. Brusse.

J. A. Alberdingk Thijm, 1893--Amsterdam, Loman & Funke.

Akëdysséril (met etsen van Bauer), 1893--Amsterdam, Scheltema & Holkema [7].

Blank en Geel, 1894--Amsterdam, L. J. Veen.

2de druk, 1923--Amsterdam, Meulenhoff.

Verzamelde Opstellen (elf bundels), 1894-1911--Amsterdam, Scheltema & Holkema.

Prozastukken, 1895--bij dezelfden.

Herdruk 1896, als 3de Bund. Verzamelde Opstellen.

Matthijs Maris-Album, 1896--Haarlem, Kleinmann & Co.

Bezoek aan den Dom van Keulen, 1899--Haarlem, Enschedé; niet in den handel.

De onschuld van den Socialist Van der Goes, 1903--Amsterdam, Scheltema & Holkema.

Frans Coenen Jr., 1903--Amsterdam, L. J. Veen.

Het Rembrandt-Feest (Open brief aan F. Coenen)--De Kroniek, 27 Mei 1905.

Verbeeldingen, 1908--Amsterdam, Scheltema & Holkema.

Over de Bewegingen des Levens--Gedenkboek De Nieuwe Gids, 1910, pag. XLIII.

Frank Rozelaar, 1911--Amsterdam, P. N. van Kampen.

In Memoriam Prof. Mr. H. P. G. Quack, 1917--Niet in den handel.

De Negentigjarige--Bouwkundig Weekblad, 19 Mei 1917.

Verzamelde Werken (6 deelen), 1920--Amsterdam, Scheltema & Holkema.

Verzamelde Werken, Nieuwe Reeks (2 deelen), 1922--Amsterdam, Em. Querido.

Werk der laatste jaren, 1922--Amsterdam, Meulenhoff.

Tijdschriftpublicaties 1 Jan. 1918-1 Oct. 1922.