Multatuli: Multatuli en Mr. J van Lennep; Multatuli en de Vrouwen

Part 5

Chapter 53,969 wordsPublic domain

Wie of wat hem daartoe in staat stelde? Wel hij, hij zelf, zijn kracht, zijn eigenschap van de grootste aller menschen te zijn, was 't die hem er toe in staat stelde. En wat dan de nadere aanduiding was van wat hij eigenlijk doen zou? Wel, hij zou zijn land tot het beroemdste der landen, hij zou zijn volk tot het gelukkigste der, tot een voorbeeld voor alle volken maken, en zijn gezin zou hij uit de diepste ellende tot de hoogste sport van eer en aanzien voeren...

Zoo bruiste en brandde het in zijn gedachte.

Het resultaat was, dat hij een schoon letterkundig werk maakte. Nooit heeft hij een zweem van het vermoeden gehad, dat zijn zelf-gevoel, zoo ongekontroleerd, zoo in 't wilde weg als het was, uit niets anders bestond dan uit de universeele grootheidsfantazieën die menschen met veel artistieken aanleg niet zelden in zich omdragen, en die geheel verkeerd uitkomen zoodra zij ze bij vergissing eens in de werkelijkheid beproeven toe te passen.

Gelijk bekend is, wilde hij later van de letterkundige schoonheid van Max Havelaar niets hooren. Want,--zoo droomde hij,--een boek, dat daar voor u ligt, een stapel papier; en ... woorden van lof daarover uit de monden van menschen, van eenige in burgerkleêren gestoken menschen, die men zoo nu en dan ontmoet, en voorts in de kolommen van dagbladen, op de bladzijden van tijdschriften, regels van zwarte letters op wit papier,--wat was díe realiteit in vergelijking met die, welke een buitengewoon mensch van zíjn grootheid omgeven moest! Wat hadden díe zaken uit te staan met de heerschappij en de glorie, die hem wachtte, hem, Multatuli, den éersten man eener natie, den wereldhervormer, den machthebber, die zich al zag gedragen in een gouden draagkoets met purperen gordijnen, voorafgegaan van muzikanten en zonneschermdragers in scharlaken livrei, met een gevolg van militairen in schitterende uniformen, omgeven, op eerbiedigen afstand, van de menigte des volks, hoogen en lagen in aanzien en stand, die allen hem bewonderende blikken toewierpen en hem liefhadden als hun weldoener en de beschermheer hunner landen. Wat was er voor verband tusschen die onnoozele kleinigheden en hem, den toekomstigen vorst, den onderkoning, die in marmeren paleizen het rijke Insulinde zou bewonen, nadat hij Amsterdam tot de hoofdstad der wereld zou hebben gemaakt, die in gebeeldhouwde ledikanten onder troonhemels 's nachts zou slapen en bij dag loopen over kostbaar ingelegde vloeren tusschen zijn onderdanigen hofstoet, die des avonds schitterende feesten zou geven, waarop hij de hoogstgeplaatsten des lands zou nooden en hun dan wel genadiglijk een oogenblik te woord zou willen staan. Hij zag zijne zalen reeds prachtig verlicht, stralend van weelde, gevuld met vrouwen in satijnen gewaden en in bloementooi, gevuld met mannen, wier borsten glinsterden van ridderkruisen. En rondom in den lande, tot zoover zijn gebied reikte buiten de balustraden zijner parken, zou nergens gemor zijn in de woningen der lagere bevolking en geen nijdigen blik zou hij ooit in de oogen van den minsten zijner onderdanen zien flikkeren, want zijn edel en wijs beleid zou allen gelukkig hebben gemaakt.

Dat alles voorzag hij reeds, als, op het geroep van zijn alvermogende stem, het rechtsgevoel der natie ontwaakt zou zijn en zij als éen man zou zijn opgestaan om het bittere onrecht den edelsten harer zonen aangedaan, schitterend te wreken.

Dat alles voorzag hij, en, als hij om zich heen keek, wat?... Een armelijke kamer, eenige brieven met volzinnen van ingenomenheid, een stad, waar bijna niemand op hem lette, op de enkelen na, die hem met verbazing bekeken of met sympathie begroetten en verder gingen.... Het was om krankzinnig te worden.

Deze geestestoestand van Dekker heeft op al het werk van Multatuli zijn stempel gedrukt.

Beschouwen wij thans de appreciatie, welke de maatschappij, de maatschappij grosso modo, voor personen als Dekker heeft. Wij spreken dus niet van het betrekkelijk kleine gedeelte der maatschappij, dat hooger intellektueel en artistiek ontwikkeld is en een bijna uitsluitende vereering koestert voor het talent in den mensch. Dit gedeelte integendeel zonderen wij nadrukkelijk uit, en spreken dan voor 't overige van de maatschappij in 't algemeen, in haar geheel, met al hare standen en graden van ontwikkeling.

De kunst dan staat niet zoo allerhoogst aangeschreven bij die maatschappij. Het gevoel van Lodewijk den XIVden, de inkarnatie en verpersoonlijking van het begrip "aanzienlijkheid" in de maatschappij, voor Molière b.v., dien hij zonder twijfel voor den grootsten blijspeldichter zijner eeuw hield, en dien hij, ten blijk daarvan, tot den rang van hof ... kamerdienaar bevorderde,--dat gevoel leeft, hoezeer ook door de veranderde toestanden gewijzigd en in andere vormen zich openbarend, nog steeds voort in de hoogere standen, voor zoover althans hunne kerkschheid de kunst niet geheel en al tot een verboden artikel voor hen maakt. De vorsten en prinsen, en in hun gevolg de geld-aristokraten, en in dier gevolg wederom de deftige en minder deftige burgerij, beschouwen de kunstenaars nog altijd min of meer als de lieden, wier taak is hun amusement te verschaffen, hun eenigen tijd aangenaam of lachwekkend bezig te houden, die zij daarvoor betalen, de musici en muzikanten om hun gehoor streelend aan te doen als zij aan tafel zitten en zelf de zorg voor het genot van hun verhemelte op zich hebben moeten nemen (diner), en om hun het dansen gemakkelijk te maken (bal), om hun een voorwendsel te geven bijeen te komen, de dames om elkanders toiletten te bewonderen en te benijden, de heeren om deze dames te courtiseeren en elkander hun dekoraties of andere voornaamheid te toonen (soirée, koncert); de schilders, zoo al niet om hun woningen fraaier te verven dan rijtuigschilders daartoe in staat zijn, dan toch om hun wanden te behangen met kostbaarder voorwerpen dan Delftsch aardewerk of gobelintapijten; de letterkundige kunstenaars, ja, het moet gezegd worden, dat deze nog het minst in aanzien staan.

Vroeger had men aan de hoven den nar, dien geestigheden te zeggen, den poëet, dien de cither te bespelen en roerende liederen te zingen of te deklameeren als hunne taak was opgedragen. Zij waren de bedienden, die met de zorg voor het humeur van den vorst en zijne omgeving waren belast, zooals anderen in de keuken, met de zorg voor zijn maag, anderen met het reinigen en optooien zijner vertrekken belast waren. Heden ten dage treft men, in gewijzigden vorm, hetzelfde verschijnsel aan, als de gastvrouwen op hunne soirées een dichter noodigen om het gezelschap wat van zijne verzen voor te dragen en de liefhebberij-vertooning van een zijner tooneelstukken te leiden. Maar dat deze gezelschappen, de dragers der algemeene maatschappelijke opvattingen, den dichter bepaald als hun meerdere beschouwen om zijn talent, hem als zoodanig de voornaamste plaats in hun midden aanbieden, hem eeren en eerbiedigen, dit komt niet voor.

O zeker, er zijn vele uitzonderingen op dezen regel. Het gebeurt wel, dat menschen, vooral dames, dwepend ingenomen zijn met een schrijver en hem om zijn talent boven andere menschen stellen in hun hoogachting, dat vermaarde auteurs aan middagmalen worden genoodigd en hun de eereplaats aan de zijde der gastvrouw wordt aangeboden. Deze laatste gevallen zijn vooreerst zeldzaam, in de tweede plaats geldt de eer aan den auteur bewezen veeleer zijn roem, zijn vermaardheid, en--dit is een gewichtig punt--de karakterdeugden, die hij moet bezitten naast zijn talent om zich tot zulk eene vermaardheid te hebben kunnen opwerken.

In het algemeen kan men zeggen, dat in de maatschappij, in haar geheel genomen, het letterkundig talent an und für sich zeer weinig in aanzien staat, en dat het talent in een persoon zonder karakter zelfs in het geheel niet wordt geëerd.

"Nu ja,"--dacht of zeide de maatschappij van Douwes Dekker, toen, wat wij zijn enorm talent noemen, eenmaal gebleken was, "nu ja, veel talent, veel "macht over de taal," maar overigens een man zonder karakter, een slecht mensch, die zijn talent misbruikt in dienst der booze neigingen van zijn hart. Wat heeft men aan een talent, wat beteekent al talent, indien het niet gebruikt wordt in dienst van God of van de maatschappij, om er ernstige en stichtelijke werken mede tot stand te brengen. En wat is een man waard, welke aanspraken kan een man op onzen eerbied doen gelden, indien hij al mooie boeken schrijft zoo hij zelf door zijn leven een slecht voorbeeld geeft aan zijn medemenschen."

Dus luiden de typisch maatschappelijke redeneeringen over het talent. Men ziet, wij zijn hier ver van de meer artistieke opvatting, die het talent als de hoogste en alles overheerschende eigenschap beschouwt, die het spreekwoord huldigt "le talent excuse tout."

Ver ook, ja lijnrecht tegenover, de verwachting, waarmede Multatuli als erkend talent-vol man het openbaar leven in de maatschappij betrad.

Hij ondervond dus twee ontgoochelingen, die hem des te heviger aangrepen, naardien in zijn geëxalteerden toestand zijne verwachtingen zich hooger hadden gespannen. Hij werd niet tot onderkoning onmiddellijk verheven; maar de maatschappij, zijn talent nu kennend, behandelde hem zelfs in veel opzichten als een gewoon medeburger, wiens karakter door velen gewogen en te licht bevonden werd.

Dit was te veel voor zijn zoo licht ontvlambaar en nu ontvlamd gemoed. Zoolang hij nog niet getoond had wie hij was, zoolang hij zijne ziel nog niet had geopenbaard, kon hij ten minste nog denken, als hij zat te peinzen over al zijne vernederingen: ja, wacht maar, wacht gij lieden maar, ééns zal ik u beschamen en de wereld versteld voor mij doen staan, eens zult gij allen naar mij opzien als ik mij boven u allen zal hebben verheven.

Doch nu kon dat niet meer, nu ontzonk hem ook de laatste hoop en troost, in 't groote namelijk, waartegen de verbetering van zijn levenstoestand in 't kleine niet kon opwegen. Hem bleef niets over dan groote, woedende bitterheid. Uitlatingen als die in zijne Ideën, waar hij de geheele natie nu voor een troep schelmen uitmaakt, waren van deze bitterheid de openbaringen.

Openbaringen van dien alles beheerschenden wrevel waren ook zijn zonderlinge en heftige handelwijzen tegenover bijzondere personen. Zijn prikkelbaarheid had haar toppunt bereikt.

Beschouwen wij met onpartijdige bedaardheid zijne houding tegenover zijn broeder Jan Dekker, zooals die vooral in het tweede deel der Brieven uitkomt. Aan dien broeder had hij voor zoover uit de zeer volledige gegevens, die nu tot ons gekomen zijn ten duidelijkste blijkt, groote verplichtingen, terwijl niets er op wijst, dat die broeder ook aan hem, Eduard, iets te danken zoude hebben gehad. Het geld, waarvan Dekker te Batavia leefde in 1857, vóór hij naar Europa vertrok, zal hem wel grootendeels door dien broeder zijn verstrekt; het was dezelfde broeder, die te Rembang Dekker's gezin bij zich noodde toen hij eindelijk op reis ging, dezelfde, die, in het voorjaar van 1858, Dekker's rekening over zeven maanden in het Brusselsche logement betaalde, zeer waarschijnlijk was 't dezelfde gulle man, die hem in staat stelde in dat zelfde jaar verder naar Cassel te komen en daar hem van het noodige voorzag (al kwam Dekker er niet mee toe, zoodat hij te Cassel andere schulden maakte); dezelfde die, in het voorjaar van 1859, de passage van Dekker's vrouw en de haren naar Europa bekostigde; dezelfde die gedurende de tweede helft van 1859 aan Dekker's gezin weder een gastvrij dak bood op zijn buitengoed te Brummen; dezelfde eindelijk, die in November 1859, voor de tweede maal zijne logementsrekening te Brussel voldeed en hem in staat stelde naar Amsterdam te komen.

Indien men in het oog wil houden, dat de meeste dezer gewichtige diensten door den heer Jan Dekker aan zijn broeder bewezen werden, in een tijd dat deze van zijn hoogere gaven nog niets had doen blijken, terwijl de heer Jan over de handeling van Dekker's ontslag-nemen geen ander gevoelen kon hebben dan hetgeen wij als het algemeen gevoelen der menschen hebben leeren kennen,--dan zal ongetwijfeld een ieder van meening zijn, dat de heer Jan Dekker een bijzonder goedhartig en edelmoedig mensch was, Eduard in hem een voortreflijk en hem te benijden broeder bezat; en het jammer vinden, dat Eduard zich niet in deze kleinigheid meester kon blijven, dat hij zóó'n broeder ten minste dan alléén in aanraking liet komen met de beminnelijke zijden van zijn karakter (waar hij elders, naar wij lezen, zoo mede te woekeren wist,) zorgvuldig de minder aangename kanten voor hem verbergend, opdat hij zich daar aan niet stooten kon.

Reeds uit Brussel schreef Dekker aan zijn vrouw over zijn broeder als over iemand, die eigenlijk verplicht was hem te onderhouden. "Voor de tiende maal vraag ik u: hoe denkt Jan toch dat ik leef" (dl. 1, blz. 133) enz. Reeds in dien tijd, dus vóór het verschijnen van Max Havelaar, is Dekker verbitterd tegen of allerliefst voor zijn broeder in zijn uitlatingen. Toen de heer Jan zoo ingenomen was met Max Havelaar, dat hij in handschrift gelezen had, en Eduard in staat had gesteld naar Amsterdam te komen, was het tusschen hen tweeën al "botertje tot den boôm" en schrijft Dekker aan zijne vrouw (dl. 2, blz. 11 en volgende):

"Beste beste Tine! Heerlijke tijding! Van avond hier gekomen. Jan opgezocht in de Variété. Hartelijk en verzoend, en ik kom meê naar De Buthe......" "Hartelijke ontmoeting, verzoening, afspraak om niet meer te kibbelen" (tusschen de broeders)... "Jan heeft mij een mooie overjas gekocht" ...

Spoedig doet de heer Jan echter al weder dingen, die den opgewonden Douwes mishagen: "Wat de zending van Jan naar Rochussen aangaat, ze is compleet mislukt. Toen hij (maar ik vrees niet op de goede manier) gesproken had over Raad van Indië, was R. opgesprongen. Dát kan mij niet schelen, maar wat me wel kan schelen is dat Jan zelf die mij, na mijn uitlegging, had toegestemd dat dit de eenige wijze was om mij te herstellen, nu ook vond dat ik te veel vraagde. Dus alweer de ambassadeur die zijn eigen zaak verlaat.

Van morgen wou hij dat ik vragen zou om directeur te worden van eene school te Batavia. Dat was juist iets voor mij, zeide hij en dan was zijn contract gesauveerd! Hij drukt gedurig op zijn contract dat door mijn hoofdigheid, door mijn te veel vragen kon geknepen worden."

Mevrouw Dekker teekent hierbij aan, dat de heer Jan een tabakskontrakt had in Rembang (dat gevaar scheen te kunnen loopen).

Dekker vervolgt: "Ik laat me niet buigen. Noch door Fuhri (den 's-Gravenhaagschen hôtelhouder), noch door geldgebrek, noch door schijnbare schande, noch door Jan. Als jij me afviel zou ik buigen, maar dat kan niet."

Betrekkelijk geruimen tijd blijft nu de verhouding tusschen de twee broeders zoo goed als men maar wenschen kan. Een enkele maal krijgt de heer Jan nog een standje omdat hij niet spoedig genoeg geld zendt, maar de vriendschap wordt niet verstoord. 16 Juni 1860, schrijft Dekker, die toen toevallig in Rotterdam was: "Begrijp eens, Jan is hier, en alles heel wel. God geve dat het zoo blijft," en dd. 17 Juni: "Jan is van morgen vertrokken. Wij zijn tot het laatst wèl gebleven. Hij is uiterst ingenomen met het éclat van M. H., en spreekt er gedurig van. Het is of hij voelt dat hij mij een beetje respecteeren moet, omdat de menschen zoo hoog met mij loopen, en ik dus een soort van renommée van den dag ben." 18 Juni (Dekker's gezin was toen in Brussel, hij zelf in Amsterdam) begint hij een weinig ontevreden te worden tegen den heer Jan: "Jan had wel uit den hoek mogen komen. Maar neen! Allerlei vertellingen over donkere toekomst, enz." Er is echter eene verontschuldiging: "Nu ontken ik niet dat thans bij de intrekking van den Vrijen arbeid de zaak beroerd wordt"... Op 2 Juli hoopte Dekker dat de heer Jan geld zou zenden, "de geest was goed."

16 Juli was Dekker naar Spa gereisd, plotseling naar het schijnt, en bevond zich daar weer aan de speelbank. Hij schrijft zijn vrouw te Brussel, hem duizend francs te zenden. 22 Juli was hij weder te Amsterdam terug en bericht zijn vrouw de ontvangst van haar brief, waarin zij hem van haar vergeefsche reis naar "Uccle" verhaalde. De uitgeefster der Brieven heldert dit geheimzinnige woord op, door als haar stellig vermoeden te kennen te geven, dat Tine óok naar Spa was geweest en daar haar geld had verloren. "In zijne en hare omstandigheden vond Multatuli zoo'n tochtje zoo al niet positief goed dan toch zeer verschoonbaar." Om echter de zaak verborgen te houden, ging hij zoover in zijne voorzichtigheid van het woord Uccle, den naam van een dorp bij Brussel, te gebruiken, als pseudoniem voor het woord Spa.

In den loop der korrespondentie vernemen wij nog eenige malen, dat Dekker den heer Jan verzoekt geld te zenden, zijne vrouw "boven water te houden," enz. De heer Jan ging voort hem onophoudelijk bij te staan. Hij deed bijna alle démarches bij den minister Rochussen, bij vrienden, bij allerlei personen, die Dekker moesten helpen zijn doel te bereiken. In een niet gedateerden brief, van Augustus 1860, blijkt echter dat de heer Jan het weder bijna geheel bij zijn broeder verkorven heeft. Deze schrijft aan Tine: "Ik ga nog eens aan Jan schrijven en zal probeeren hem uit te leggen dat ik geen partij kan dienen,..." enz., verder: "In het briefje van Jan dat je mij toezendt komt voor dat hij zoo blijde is dat ik wil treden in de voorstellen. Ook aan mij heeft hij iets dergelijks geschreven! Hij schijnt dus van het komplot te weten en er aan getwijfeld te hebben dat ik de voorwaarden zou aannemen. Na mij sedert weken te hebben opgehouden met praatjes komt nu de zaak neer op eene schandelijke omkooperij. 't Is infaam!"

Het komplot en de omkooperij, waarvan hier sprake is, hebben betrekking op de pogingen, die de staatkundige partijen aanwendden om Dekker in hunne gelederen op te nemen. Dat hij niet wilde weten van de enkel letterkundige verdienste van Max Havelaar, omdat het boek alleen als een pleidooi in een zaak, een zaak van landsbestier, moest beschouwd worden naar zijne opvatting,--en dat hij tévens weigerde in de praktijk te treden en zich aan te sluiten bij eene partij, die de wijze van bestuur voorstond, die ook hij zelf de beste achtte,--kwam iedereen, dus ook den heer Jan, onbegrijpelijk voor. Ons is het nu wel duidelijk, wat Dekker wenschte: dadelijk eene invloedrijke positie, maar daar nog nooit iemand op die wijze daartoe gekomen was, begreep men niets van deze ongeziene wijze van denken en handelen. De heer Jan wilde, om velerlei redenen, zijn broeder zoo spoedig mogelijk uit den nood geholpen zien. Reeds bij den aanvang der Havelaar-zaak had hij aan Eduard geschreven: "om godswil, verschop niets." De heer Bekking had "het masker" afgeworpen en "medewerking aan zijne partij, dat is de tabakskontrakten" als voorwaarde voor hulp bedongen. Van zulk een overeenkomst wilde Dekker niet weten.

Eene brouille tusschen Dekker en den heer Jan had tegen het eind van Augustus plaats.

Hij schrijft (do. 27 Aug.) "... Ieder is meer dan beleefd... behalve Jan. Hij is hier, en na het ontmoeten dat eerst vriendschappelijk was, begon hij, of wilde hij weer beginnen te schelden.

1o. Omdat ik niet had toegegeven in de voorstellen van Bekking.

2o. Omdat ik aan Cath. en Sietske wat papeterie had cadeau gedaan.

't Was in het café restaurant. Veenstra was er bij.

Ik stond dadelijk op en ging heen. Ik heb hem door Abrahamsz laten zeggen dat ik niets meer met hem wil te maken hebben, en dat ik hem verbied zich met mijne zaken te bemoeijen. Uit!"

In een daarop volgenden brief schijnt hij de ware toedracht der zaak weêr vergeten te zijn, want hij schrijft: "De hoofdzaak is dat Veenstra inziet dat Jan verkeerd doet mij in den steek te laten." Of hij moet de verwijten door den heer Jan hem gedaan gelijk gesteld hebben met een "in den steek laten." Verder in denzelfden brief schrijft hij, na van het steeds toenemend succes van Max Havelaar te hebben gewaagd: "Maar heb ik nu ook niet gelijk, dat ik het schelden van Jan niet meer verdraag? Bodenheim (die N.B. een woekeraar is) is beleefd en zelfs hartelijk, en mijn eigen broer is grof. Ik ben er dan ook glad overheen en verdraag het niet meer."

In een lateren brief, van 28 September, heet het: "Als ik aan zoo iets (het schrijven in den Tijdspiegel om geld te verdienen) denk, kookt het mij dadelijk tegen Jan. Die had mij voor zoo iets moeten vrijwaren. Kassian, ik hoor nu bepaald dat ze met Mei in Den Haag gaan wonen, die arme menschen! Liefje, ik vind niet goed dat je Mary (de echtgenoot van den heer Jan) schrijft. Het zou schijnen alsof ik weer wou aanknoopen, en dat wil ik niet. Je weet niet hoe Jan mij traitert. Ik had aan de meisjes A. wat papeterie gegeven (dat hij mij in een koffiehuis verweten heeft) en kort daarop kreeg ik van Kees (vader der meisjes A[brahamsz]) een briefje met verzoek aan zijne kinderen geen geschenken te geven "wijl ik mijn geld beter besteden kon aan mijn vrouw en kinderen." Dat had Jan mij bezorgd. Ik noem zoo iets vervloekt laag.

De zaak staat zoo dat ik niet den minsten twijfel heb om te slagen, als ik maar van die vervloekte dagelijksche zorg bevrijd was. Zoo'n Jan die in Den Haag gaat wonen. Hij kan zijn geld beter aan mij besteden. Maar dat is nu uit. Al wilde hij nu, nu ben ik er moe van."

Do. 20 Oktober lezen wij nu over deze zaak: "En nu Jan! Ik ben er regt verdrietig over. Heden nog schreef ik aan Pieter: "Met Jan wil ik niet meer te doen hebben! Daar blijf ik bij. Dat weet je, en je gaat met hem naar de opera. Hij heeft mij in een publiek koffiehuis... (enz. over de papeterie)--dat was zijn geld! En nu neemt gij geld van hem aan! Ik moet er nu rijp over denken hoe te doen... (nog lang wordt hierover uitgeweid)... moet ik nu de eerste keer dat ik Jan ontmoet--maar 't zal niet gebeuren!--hooren dat je van zijn geld naar de komedie bent geweest? Je wist toch alles. Tine, Tine! Hoe kon je zoo doen! 't Was mij wel fr. 500 waard geweest als je gezegd hadt:

"Jan, na alles wat er is voorgevallen heb je het regt verbeurd ons te helpen!"

Wij zullen de laatsten zijn om de handeling van het verwijt omtrent de kleinigheid van het papeterie koopen, in den heer Jan een voorbeeld van delicatesse te noemen, maar de heer Jan was in 't algemeen ontstemd tegen zijn broer omdat deze zich niet bij de partij-Bekking c.s. wilde aansluiten, en verborg daarom ook deze kleine grief niet. Niets zeldzamer dan zóo edele en kiesche menschen, die diensten bewijzen en zich zoo gedragen als deed degene, wien zij bewezen werden, hun een weldaad door ze aan te nemen. Zulke menschen bestaan, maar behooren tot de groote zeldzaamhed en er is niet de minste reden, om er den heer Jan een verwijt van te maken, dat hij het zoo buitensporig ver niet gebracht had in zeldzaamheid van karakter-deugden. Trouwens, daar moet dan ook van den anderen kant eene hoffelijkheid en bescheidenheid in het aanvaarden der diensten tegenover staan, die Eduard Dekker zelf nagenoeg vreemd schijnt geweest te zijn. De zinsnede, waarin Eduard schrijft, dat Jan (die reeds zooveel voor hem gedaan had) beter zou doen zijn geld aan Eduard te besteden dan er voor in Den Haag te gaan wonen, is karakteristiek en licht zoo goed als wij maar wenschen konden, de trekken onzer karakterschets toe, waar wij, in verband met de algemeene appreciatie van kunst en talent in de Maatschappij, Multatuli's ontgoocheling bespraken over het, dat men hem in vele opzichten als een gewoon sterveling bleef behandelen.

Van de verhouding tusschen de twee broeders vernemen wij verder in de tot nu toe verschenen deelen der korrespondentie niets. Waarschijnlijk zal die wel steeds geen effene, doch eene geaccidenteerde verhouding zijn gebleven van brouilles en verzoeningen.