Multatuli: Multatuli en Mr. J van Lennep; Multatuli en de Vrouwen
Part 4
In het voorjaar van 1859 kwam zijn vrouw, met twee kinderen en eene baboe, eveneens naar Europa, en zagen de echtgenooten elkander weder te Luik. Den zomer van dat jaar, tot in het laatst van Augustus, vertoefde het gezin in den omtrek van Luik en Maastricht, met name in het dorp Visé, waar de hoogst onaangename bejegening hen trof, dat zij van den burgemeester dier gemeente eene aanzegging kregen om binnen tweemaal vier-en-twintig uur zijn grondgebied te verlaten. Het was juist kermis in Visé, en de omstandigheid, dat zij er sjofel uitzagen, geen geld en geen legitimatiepapieren hadden en in kleine herbergen vertoefden, gevoegd bij de donkere gelaatskleur van een gedeelte van 't gezin, van de baboe vooral, had de achterdocht van 't gemeentebestuur opgewekt en was oorzaak, dat zij voor saltimbanques van verdacht allooi werden gehouden en als zoodanig behandeld. Men kan begrijpen, hoe zulk een lotgeval den zeer gevoeligen Dekker, vooral ook wijl de smaad zijne vrouw niet minder trof dan hem zelven, moest aandoen. Gelukkig woonde te Maastricht eene vriend van Dekker, de heer J. J. M de Chateleux, dien hij in 1843 had leeren kennen, toen Dekker Natal verlaten had en te Padang op Sumatra vertoefde; het krediet van dezen heer, die hem toch al reeds naar de betrekkelijk helaas geringe krachten van zijn vermogen had bijgestaan, kon hem ook nu uit den nood redden. Maar weldra raakte ook die bron uitgeput en den 23sten Augustus 1859 trok het gezin, in den toestand der diepste armoede, naar Antwerpen, voor welke reis nauwelijks nog het noodige geld beschikbaar was.
In Antwerpen was het gezin nog slechts enkele dagen vereenigd. Den 27sten Augustus bleef Dekker alleen met hun koffers en de onbetaalde rekening in het Hôtel du Temple aldaar achter, terwijl zijne vrouw met de kinderen en de baboe den laatsten uitweg insloeg, die hun nog overbleef en op reis ging naar Den Haag, naar hare zuster Henriëtte van Heeckeren van Waliën. Dit waren, voor zoover wij kunnen nagaan, de bitterste dagen, die Dekker en de zijnen doorleefden. Want,--inderdaad deze toestand was vreeselijk--er was letterlijk volstrekt geen geld meer over, zoodat Dekker's echtgenoote met de haren met ledige portemonnaie zich op de Rotterdamsche boot inscheepte. Om zich uit de verlegenheid te redden, had zij--arme vrouw!--een list bedacht, die gelukte. Zij veinsde namelijk, toen de bootbeambte rondging om de passagegelden op te halen, met voorgewenden schrik, hare portemonnaie te hebben vergeten en zeide in Rotterdam hem het geld te zullen bezorgen. In Rotterdam was een hôtel waar Dekker vroeger eens gelogeerd had, en toen, daar aangekomen, de bootbeambte mevrouw Dekker ter aangeduide plaatse vergezelde, leende de logementhouder haar vijftien gulden om haar passage te betalen en met de haren de reis naar Den Haag voort te zetten.
In 's Gravenhage werd zij ten huize harer zuster ontvangen. Men gaf haar daar "een maal eten", en twintig gulden om de reis voort te zetten naar Brummen, waar de heer Jan Dekker een buiten, "De Buthe" genaamd, bewoonde. Tevens liet men haar daar (te 's Gravenhage; wij volgen de mededeelingen van de uitgeefster der Brieven) een brief aan haar man schrijven, die geheel tegen haar hart moet geweest zijn, waarin zij hem de noodzakelijkheid eener scheiding betoogde en hem in overweging gaf ergens op een schip een betrekking als matroos of hofmeester te zoeken.
Deze daad van de familie schijnt een oogenblik bijzonder wreedaardig. Wij herinneren er aan, dat Dekker,--van wiens hoogere gaven nog niets gebleken was--door zijn gedrag der laatste jaren zich de allerafschuwelijkste reputatie bij die menschen had gemaakt; voorts dat de Van Heeckerens geen bloedverwanten van hém waren, alleen van zijn vrouw; dat zijn persoonlijk lot hun dus nagenoeg onverschillig was, en zij het als de eenige uitkomst voor hunne zuster moesten beschouwen, dat zij van zulk een echtgenoot als den haren ontslagen raakte. Hadd' Dekker nog een vader of moeder gehad, nooit zoude hij van die eene dergelijke behandeling hebben ondervonden. De hulp, hem telkens en telkens door zijn broeder Jan verschaft, bewijst dat de verwanten van zijn kant zich nooit geheel van hem afgekeerd hebben. Die broeder Jan was zelfs een zeer goedhartig en hulpvaardig mensch.
Kort na het ontvangen van dezen brief van zijne vrouw, toen hij haar hare koffers op haar verzoek had nagezonden, dus in het begin van September 1859, vertrok Dekker van Antwerpen naar Brussel; hij nam daar weder zijn intrek in den "Prince Belge", de eenige gelegenheid, waar hij krediet had. Daar voltooide hij in dien tijd zijn Bruid daarboven en schreef er zijn Max Havelaar.
De brieven, die den inhoud van het eerste deel der korrespondentie uitmaken, zijn geschreven in Augustus-November, de allereerste van Antwerpen, al de overige van Brussel uit.
Voor zoover uit die Brieven Dekker's geestestoestand, het volkomen bewust worden in hem van zijn talentvollen aanleg, blijkt, hebben wij er in het eerste hoofdstuk van dit opstel, de passages uit aangehaald, die ons voorkwamen de meest welsprekende te zijn. Wat Dekker's overige stoffelijke, levensomstandigheden betreft, brengen zij ons verder bijzonderheden, waaruit dezelfde toestand blijkt, dien wij reeds hebben leeren kennen, toen van zijn eerste verblijf in deze herberg werd melding gemaakt.
Het publiek bestond daar uit ondergeschikte beambten van het aan de overzijde der straat staande postkantoor en uit "mannen in blousen", die daar hun faro kwamen drinken. Dekker wist zich in het huis zelf en in de geheele buurt bemind te maken. Pauline, een gevallen vrouw met haar zuigeling, die daar ook op kosten van den menschlievenden waard in de herberg habituée was, de slager Deprez en diens gezin, waren er zijn vrienden.
Dekker had het er aller-armoedigst. Het koopen van schoenen, van inkt, van een lampje, waren vraagstukken van belang, die eerst na rijp beraad konden worden opgelost. Men at in die herberg een "burgerpot"; naar zijn getuigenis was Dekker hiervan overigens een liefhebber; als zij wist, dat iets hem goed smaakte, maakte de waardin dat voor hem klaar. Deze tijd was echter in onze schatting, en ongetwijfeld ook in zijn eigen schatting, de smartelijkste, maar tegelijk de schoonste, tijd zijns levens. Men kan hem zich voorstellen daar op dat zolderkamertje gezeten, de vingers krom getrokken van schrijfkramp en van kou niet zelden, de oogen ontstoken van het bovenmatig werken, ten prooi aan de hevigste zenuwopwinding, aan de meest verregaande exaltatie, en zoo het schoone werk voortbrengend, waarmede hij zich aan zich zelf en aan zijn land ontdekte.
Den 14den September reeds had hij zich voor het eerst in letterkundige betrekking met eenige zijner landgenooten gesteld. Hij was, door bemiddeling der logemannen van het Rozekruis, met eene schouwburgdirektie in onderhandeling getreden over de opvoering van zijn Bruid daarboven. Zes jaar geleden, in zijn verloftijd,--dus verhaalt de uitgeefster der Brieven--was Dekker te Gorcum in die orde opgenomen, "en had er in snelle opvolging vele rangen doorloopen tot hij een der hoogste sporten bereikt had en benoemd was tot Prins van het Rozekruis". (Arme Prins!) De heer Eduard de Vries, schouwburg-bestuurder, was Dekker komen spreken. Deze had zich met het stuk uiterst ingenomen betoond, zich terstond bereid verklaard tot de opvoering. Maar van droits d'auteur kon voorloopig weinig of geen sprake zijn. Bij gelegenheid van dat bezoek las Dekker den heer De Vries eenige bladzijden voor uit Max Havelaar, waardoor de heer De Vries zeer getroffen werd. Hij ried Dekker evenwel ten sterkste aan het handschrift naar den koning te zenden, vóór hij tot openbaarmaking overging.
Toen Dekker Max Havelaar had voltooid, zond hij het handschrift den 5den November, naar zijne vrouw en broeder te Brummen. Ofschoon zij het eerst den 9den ontvingen, had hij den 11den 's avonds reeds twee brieven van zijn vrouw ontvangen, waaruit bleek, dat zij het werk toen reeds gelezen hadden en er hoog mee ingenomen waren. Aandoenlijk is de brief, dien Dekker, toen Multatuli geworden, als antwoord op den haren, den 11den November aan zijne vrouw schreef (1e dl., blz. 125). Op hare bewering, dat hij haar, in de persoon van Tine, te veel geprezen had, antwoordde hij bijv.:
"Neen, neen, waarachtig niet, ik heb u niet in de hoogte gestoken. Integendeel, je staat veel te veel op den achtergrond. Ik heb mij dat al verweten, doch ik werd daartoe geleid omdat Max hoofdpersoon blijven moet (om het doel van 't boek) en voorts dat ik goed van mijzelf spreek heb ik u vroeger al uitgelegd."
En verder deze regelen, die de geschiedenis van den Max Havelaar belangrijk toelichten:
"Het was mijn plan Jan te verzoeken naar Van Hasselt (de Br. R + die met Dekker het eerst over De bruid daarboven had gecorrespondeerd) en Van Lennep te gaan, of naar den eersten alleen, dan krijgt Van Lennep het ook...
Maar nu het delicate punt. Als men komt met een boek met de vraag "wil je dat afkoopen?" dat is chantage, afzetterij. Dat is dus de bedoeling niet. Ik heb mijn boek geschreven met een dubbel doel: namelijk verbetering van den boel in Indië, en herstel van mijne positie. De zaak is dus niet dat ik zeg: geef mij zooveel of zooveel, dan zwijg ik; want ik meen wat ik op het slot zeg. Ik zal strijden voor die arme verdrukten, ik heb mij dat nu voor mijn roeping gekozen. De vromen zouden zeggen dat de Heer mij daartoe dringt, daar hij mij alle andere uitwegen afsloot.
Doch dat dubbele doel kan bereikt worden door samengaande maatregelen, namelijk een hoogst-eervolle benoeming van mij met eene considerans dat Z. M. mijne wijze van handelen approuveert, en die van het toenmalig bestuur desavoueert. Dat is eene zedelijke triomf van 't principe, en eene materieele zegepraal voor mij, die ik, God weet het, noodig heb.
Van Hasselt is lid van de kamer (Van Lennep ook.) [3]
Willen zij met Jan samenzweren om mij dien dubbelen triomf te bezorgen, goed. Doch er moet goed vermeden worden er op te doelen als of ik voor mij alleen winst vraag. Want behalve dat dit onedel wezen zou, komt hier nog bij dat ik meer winst behaal door mijn boek te laten drukken. Jan kan aan Van Hasselt zeggen (niet als bedreiging maar als eenvoudige waarheid) dat ik mijn boek in 't Fransch, Duitsch en Engelsch vertalen zal. Als mijn oogen het toelieten was ik al begonnen.
Hoe het zij, ik vind goed dat Jan naar Van Hasselt gaat. Doch dit staat vast, als Van Hasselt of Van Lennep niet willen of kunnen bewerken, dat aan mijn dubbel verlangen koninklijk wordt voldaan, dan zal het gedrukt worden, en als ik daartoe geen geld heb, dan zal ik het afschrijven en rondzenden in manuscript. Doch in Frankrijk zal ik de vertaling wel gedrukt kunnen krijgen, en in Duitschland ook."
Den 20sten November daaraanvolgende kende Dekker het oordeel van Van Lennep over zijn werk, aan wien Van Hasselt het had gegeven. Hij schrijft op dien datum:
"Maar nu ben ik in grooten tweestrijd wat ik doen moet. Jan namelijk zendt mij f50, en stelt voor het boek aan Rochussen (den toenmaligen minister van koloniën, opdat die de uitgave nog zou kunnen voorkomen) te vertoonen. Van Lennep zegt: ik moet zoo dwaas niet zijn het voor niet aan een boekverkooper te geven. Hij maakt zich sterk een prijs te bedingen. Nu moet ik kiezen tusschen schrijven in Holland of eene betrekking in Indië.
Zooals de zaken nu staan houd ik het er voor dat ik slaag in wat ik ook kies.
Maar ik ben in vreeselijken tweestrijd.
Jan vraagt antwoord met ommegaande en ik kàn van avond niet antwoorden. Ik wilde u zoo gaarne spreken. De schulden jagen mij naar Indië, de kinderen houden mij in Europa. Je begrijpt de spanning.
Ik heb nagedacht. Ik hel over naar Rochussen, doch conditiën:
1 Resident op Java. Speciaal Passaroeang om mijn schulden te betalen.
2 Herstel van diensttijd, voor 't pensioen.
3 Een ruim voorschot.
4 Ned. Leeuw.
Doch ik zal deze conditiën niet zeggen, eerst wil ik zien wat hij biedt."
Den 22sten November ontving Dekker twee honderd gulden van zijn broêr, om zijn schuld bij den Brusselschen waard af te doen en naar Amsterdam te reizen. Den 23sten vertrok hij en kwam dienzelfden dag te Amsterdam aan.
Tot zoover de opeenvolging der feiten, die wij thans hebben nagegaan tot het punt, waar het eerste deel der Brieven en de eerste faze van Dekker's lijdensgeschiedenis eindigt. Want, al hebben wij er niet telkens en telkens de aandacht op gevestigd, daar uit de feiten zelf genoeg het lijden bleek, dat er in gelegen was voor hem, wiens geschiedenis zij uitmaken, en daar het ons er hier vooral om te doen was, helder te doen blijken, welken indruk de vijandig gezinde familieleden en kennissen, die ver af woonden en natuurlijk alleen oordeelden naar den uiterlijken schijn der dingen, ontvingen; want, herhalen wij, geleden heeft Dekker in deze jaren waarschijnlijk meer, dan wie ook, die niet uit eigen ondervinding weet hoe hevig het doorleven van zulke toestanden menschen van Dekker's geëxalteerd temperament aandoen, zoude kunnen beseffen.
Want behalve door het, niemand buiten hem en hem zelf ternauwernood toen nog bekende, letterkundig talent, onderscheidde Dekker's persoon in de woeste levensperiode, welke wij hem hebben zien doorloopen, zich ook nog hierdoor van gewone avonturiers, dat, terwijl deze lieden zich juist plegen te kenmerken door de grijnslachende onverschilligheid, waarmede zij alle tegenspoeden doorleven, mits die hun maar geen onmiddellijke physieke pijn of ongemakken veroorzaken,--Dekker's buitengewoon zenuwgestel door dat onregelmatig en koortsachtig leven ten eenenmale werd van streek gebracht.
Maar,--en zoo keeren wij tot ons uitgangspunt terug--de feiten blijven de feiten, en niemand, vermoeden wij, die er zich verwonderd over zal betoonen, dat "de menschen" niet veel goeds, maar alles slechts in Dekker's gedragingen vonden, van het oogenblik af dat hij zijn vrouw alleen in Indië achterliet tot dat waarop zij te Brummen vertoefde en hij in Brussel geheel aan lagerwal was geraakt.
Twee zaken waren er,--dus zullen sommigen oordeelen,--waardoor Dekker zich dan toch gunstig van gewone avonturiers onderscheidde en die in het oog moesten springen; te weten: zijn beminnelijkheid en edelmoedigheid, èn zijn hoogere geestesaanleg, die wel in de verste verte niet de allerbuitengewoonste hoogte kon doen vermoeden, waarop zijn talent later zou schitteren, maar waaruit toch bleek, dat hij, in den gewonen zin des woords, een begaafd man was. En deze twee zaken,--dus zal men konkludeeren--zouden het oordeel en de houding der familie hebben moeten wijzigen.
Wij zullen repliceeren met eene verwijzing naar hetgeen wij omtrent publieke vrouwen in 't algemeen in 't midden hebben gebracht. Evenals publieke vrouwen meestal enkele zeer goede eigenschappen hebben, zijn de meeste avonturiers daarvan ook niet verstoken, en de eigenaardigheid van hun bestaan, het voortdurend leven op plaatsen van openbaar vermaak, het dagelijks den heelen dag luieren in koffiehuizen, speelzalen en diergelijke, het voortdurend in aanraking zijn met gezelschappen van menschen van allerlei slag, ontwikkelt de deugden in hen, die men de eigenaardige deugden van den Gesellschafter noemen kan: de beminnelijkheid en daaraan verwante goedhartigheid en edelmoedigheid. Avonturiers b.v. zijn in 't algemeen veel goedhartiger en edelmoediger dan parvenu's, die zich met verwaande deftigheid van armen en on gelukkigen afkeeren, dan vele gezeten burgers, wier deugden eerder in spaarzaamheid, zedelijkheid, zindelijkheid en stiptheid in handel en wandel bestaan. Avonturiers: drinkers, spelers, hoereerders, gewoon hun leven te verdeelen of liever verdeeld te zien in tijdperken van weelde en losbandigheid, en van armoede en gebrek, tot gewoonte hebbend hun zóo-gewonnen geld dadelijk te verkwisten, vinden het gooien met groote sommen iets zoo natuurlijks, dat zij ook in hun aalmoezen-geven buitensporig zijn en zij even graag een tientje in de hand eens armen doen glijden, als meer bezadigde menschen daarin een kwartje zouden deponeeren. Dus de edelmoedigheid in dezen zin maakte Dekker niet tot een uitzondering onder de lieden, waarmede zijn verwanten hem gelijk stelden.
En wat de begaafdheid, het vernuftige, aangaat, ook hierin hebben vele chevaliers d'industrie het tamelijk ver gebracht. Niet alleen heeft het avontuurlijke leven, het leven van reizen en trekken, van hotels, koffiehuizen en kroegen, van spoorweg-coupé's, stoombootdekken en kajuiten, van stadstrammen en dorpsdiligences, het leven in gewesten van allerlei klimaat en aspekt, het omgaan met menschen van allerlei ras, stand en karakter, eene dagelijks gevoed wordende ongewone vatbaarheid voor indrukken in hen doen ontstaan, en een vernuftig gemak van beweging en konversatie, waardoor eenvoudige lieden worden overbluft en meer ontwikkelde aangenaam beziggehouden; maar het is of hun vernuft zich,--daar zij toch allen een vaag besef hebben van de groote lakune, het gemis aan degelijkheid, in hun leven--bij uitstek gescherpt heeft op het punt, dat het recht-praten van hun eigen kromme leven betreft.
Er bestaat bijna geen min of meer toonbaar avonturier, die u, in oogenblikken van gemoedelijkheid als zijne stem week wordt en zelfs zijn oog vochtig, niet fraai en breedvoerig weet uit te leggen, òf dat hij het slachtoffer is der vervolgingen van het noodlot, dat hij heel anders terecht had kunnen komen indien alles hem maar niet zoo ware tegengeloopen, en dat hij zich, door losbandig en onwaardig te leven, nu wreekt op de meêdoogenloosheid van het leven jegens hem; òf hij neemt de tegenovergestelde houding aan, en overreedt u, in een kunstig samengesteld pleidooi, opgeluisterd door geschiedkundige voorbeelden en spitsvondige redeneeringen, dat zijn manier van leven de slimste, de beste, de prettigste is. Zij die arbeiden en een goed geregeld maatschappelijk leven leiden, nu ja, dat zijn de sukkels, de domooren, hij en de zijnen begrijpen het leven eerst op de goede manier. Wat de geregelde lieden in een jaar tijds van hoofdbrekens en moeilijk werk winnen,--wèl, dat wint hij in éen avond aan een speeltafel. Overigens, leven de meeste aanzienlijken, de hoogst-aanzienlijken, zij die niets behòeven te doen om den broode, niet even als hij, met alleen een verschil in de onderdeelen, een verschil van minder of meer; bestaat niet het leven van vele vorsten en prinsen uit een aaneenschakeling van vermaken, van reizen en feestvieren, van dansen en jagen en eten en drinken?... Zoo zijn de redeneeringen dezer menschen.
Vele avonturiers buitendien maken een aardig gezelschapsvers, zitten vol woordspelingen en behendige replieken.
Dus, konkludeeren wij, noch de beminnelijkheid, noch wat men in den gewonen zin vernuftigheid noemt, kon ten opzichte van Dekker de oogen der menschen openen en hen in hem iets anders dan een niet van het type afwijkend avonturier doen zien.
Er kwam nog bij,--wat in dit geval een buitengewoon gewicht in de schaal legde, daar Dekkers verwanten van zijn vrouws kant tot de zeer vrome geloovigen behoorden,--dat hij in hunne schatting een brutaal godloochenaar was. Hij vereenigde dus in zich ongeveer alle eigenschappen, die hem in hunne oogen tot het afschuwelijkste individu moesten maken, dat men zich denken kan. Hij was hun tegenvoeter, in alles; en omdat hij tot hunne familie behoorde en zij dus beducht waren dat zijn leelijke reputatie ook hunnen naam zou smetten, groeide hun afkeer tot haat.
Doch wij willen dat alles slechts beschouwen als een vraagstuk ondergeschikt aan dat andere, dat de geheele verhouding van Dekker tegenover "de menschen" beheerschte, dat de kern vormt van het groote misverstand van zijn leven, met de behandeling waarvan wij te gelijk in het tweede deel der Brieven en in de tweede faze van zijn leven komen.
Wij willen namelijk beweren, dat,--een waarheid die trouwens duidelijk blijkt uit de houding der familie ná het verschijnen van Max Havelaar en den door den schrijver verworven naam,--al ware de familie van den beginne af aan op de hoogte geweest van Dekker's buitengewone schrijversgaven (iets, dat niets te maken heeft met het soort vernuftigheid, waarvan wij boven spraken)--zij toch zich niet wezenlijk anders jegens hem zou gedragen hebben dan zij nu deed. Zij zou hem dan misschien wel niet matroos of hofmeester op een schip willen maken, maar toch zou zij zich geheel van hem vervreemd hebben en God gebeden hem nooit te mogen ontmoeten.
Voor wij nu verder gaan om deze bewering te staven en toe te lichten, willen wij den geestestoestand van Dekker zelven beschouwen, zooals die geworden was in deze jaren van wild leven buiten de Hollandsche maatschappij, om daardoor des te duidelijker te doen uitkomen het schrille kontrast tusschen hem aan den eenen en die maatschappij aan den anderen kant, dat de oorzaak werd der mislukking van zijn leven. Want zijn leven, hoe vorstelijk geslaagd een gedeelte van het thans levend geslacht het moge achten,--is mislukt in wat hij zelf er van had willen maken. Op menige plaats in zijn werk kan men het bewijs van deze stelling vinden.
Indien er een schril kontrast bestaat tusschen Multatuli aan den eenen en de maatschappij aan den anderen kant,--een kontrast ook, dat weinig minder opvallend is, wordt waargenomen tusschen Dekker's uiterlijke omstandigheden en het zelf-gevoel in zijn binnenste, in den tijd van zijn vertrek uit Indië af tot lang na het verschijnen van Max Havelaar toe. Dit zelf-gevoel zou door de prikkels van buiten al grooter en grooter worden, tot hij, eenmaal in het publiek getreden, het geheel van onder zijne beheersching zal hebben verloren en het te pas en te onpas op de geweldigste wijze zal uiten.
Was hij naar het uiterlijke een avonturier, behoorde hij oogenschijnlijk tot een der minst eerbiedwaardige klassen van personen,--innerlijk gevoelde hij zich groot en verheven boven alle menschen, innerlijk droeg hij de wetenschap met zich van bij de meest eerbiedwaardige aller menschen te behooren. Wel was hij zich in 't minst niet van letterkundige bekwaamheden bewust, wel moest zijn letterkundige genialiteit nog geheel aan hem zelf ontdekt worden, maar, juist door de weinige bepaaldheid, door de vaagheid, sterker, droeg hij het bewustzijn in zich van een kracht, een grootheid, datgene wat iemand een groot man maakt, eene groote en schoone ziel, te bezitten.
Nu, met de kracht van de verontwaardiging, met de kracht van het protest, groeide tegen de verdrukking in, tegen de verdrukking van den uiterlijken schijn in, het zelf-gevoel in zijn binnenste, dat later tot zelf-verheerlijking uitdijen zoude, en hoe lager hij zonk hoe hooger hij zich gevoelde.
Hij was voortdurend onder vreemdelingen en kon aan niemand openbaren wat er in hem omging. Hieraan moet het worden toegeschreven, dat de zelf-verheerlijking in hem vastgroeide hoe langer hoe hechter, en voor goed onuitroeibaar zou worden. Hij was geheel alleen, van allen verlaten, daarom klemde hij zich met alle macht vast aan den eenigen steun die hem overbleef: het geloof aan zich zelf.
Nu, nu dit zoo was, nu allen hem hadden verlaten, nu hij door iedereen voor een ellendeling werd gehouden, nu de menschen en de omstandigheden, nu de geheele wereld om zoo te zeggen tegen hem was gekeerd en hem verachtte,--nu, zoo kan men zich het spreken der stem in zijn binnenste voorstellen, nu zou hij ook álles doen en álles zijn, nu zou er ook niets zijn wat hij niet bereiken zou, nu zou hij tot de hoogste hoogte klimmen, waartoe ooit menschen waren gekomen, neen, hooger nog, de grootste droom, die ooit het onderwerp van menschelijke eerzucht was, zou hij verwezenlijken.