Multatuli: Multatuli en Mr. J van Lennep; Multatuli en de Vrouwen

Part 3

Chapter 33,658 wordsPublic domain

De Roomschen, die wij als voorbeeld nemen, moesten hun geloof afzweren door het plechtig zeggen van eenige woorden; het uitspreken dier formule was, dus leerde de Paus: de zonde, het volstrekt zondige; de Calvinisten moesten hun geloof afzweren, het uitspreken der formule was, dus leerde Calvijn: het volstrekt zondige. Er was hier dus, even als bij alle bekentenissen op de pijnbank, een nauwkeurig afgeperkte daad te verrichten of na te laten. Hem, die het deed, wachtte, na een leven van wroeging, de eeuwige verdoemenis; hem, die het naliet, wachtte, onmiddellijk, de eeuwige gelukzaligheid. De geheele zaak, de daad en het doel, bepaalde zich dus tot het uitspreken of verzwijgen van eenige woorden.

In Dekker's geval was dat anders. Hij had geen bepaalde daad te verrichten, die de stem van het geweten verbood. Hij had zijn gedrag alleen een weinig te wijzigen, om niet alleen zijn vrouw en kinderen zoo gelukkig te doen blijven als zij waren, maar om tevens,--wat voor hem dan de hoofdzaak zoude geweest zijn--zijn zaak beter te dienen, zijn doel beter te bereiken, dat, door het nemen van zijn ontslag, geheel voor hem verloren ging. Want hij was toen nog niet van plan de zaak van Indië door openbare geschriften te bepleiten, en, ware hij op zijn post gebleven, dan zoude hij, wat hij toch onmiddellijk voorzien kon, de belangen van Nederlanders en Inlanders niet alleen hebben kunnen blijven bevorderen, maar tevens zou hij, ware de gedachte ook in dat geval bij hem opgekomen, door boeken en artikelen, aan de bevordering dier belangen eene meer algemeene uitgebreidheid hebben kunnen geven.

Het geval van Multatuli is het best te vergelijken met het geval van een menschlievend schoolmeester. Veronderstelt dat een onderwijzer op een armenschool, behalve dat hij de wettelijke voorschriften ten opzichte der kinderen volbrengt, dien kinderen tevens voedsel verstrekt voor zijn eigen rekening, hiervoor een gedeelte van zijn traktement gebruikende. Veronderstelt voorts, dat een lid der bevoegde autoriteit, het gemeentebestuur of de schoolcommissie, den onderwijzer aanschrijft daarmede niet voort te gaan door eene, het doet er niet toe welke, administratieve konsideratie hiertoe gebracht. Moet nu die onderwijzer, van meening zijnde, dat de kinderen van Staatswege zouden moeten worden gevoed, en dat hij in elk geval geheel vrij moest gelaten worden om ze voor zijne rekening te voeden, van meening zijnde, dat de plicht der menschlievendheid hem die voeding gebiedt,--moet nu die onderwijzer zijn ontslag nemen en zeggen: anders dienen dan ik thans dien kan ik niet, zoo doende zijn traktement verliezend, zijn familie ongelukkig makende, en de kinderen aan de behandelingen van zijn opvolger blootstellend, die jegens hen wellicht een veel minder zacht gedrag in praktijk zal brengen dan in het onthouden der niet voorgeschreven voeding bestaat? Of moet hij op zijn post blijven en langs een anderen, minder met de inzichten der autoriteiten strijdenden weg, het harde leven voor de kinderen wat zoeken te verzachten?

Wij wenschen met deze overwegingen te betoogen de redelijkheid van het oordeel der maatschappij over Multatuli's daad. En daar wij gaarne het gebeuren van zooveel mogelijk heldenmoedige daden aannemen, om het genot te kunnen hebben die te bewonderen, willen wij gelooven, wat niet absoluut zeker is, want hij was zeer opgewonden--dat Multatuli, op het oogenblik zijner ontslagneming, wist, dat hij zich daardoor in het ongeluk stortte. Wij erkennen, dat zijn daad dán heldenmoedig was, maar wij betoogen daarbij, dat die heldenmoedige daad, evenals die van Van Speyk, voortkwam uit trots, en geenszins uit plichtsbesef of menschenliefde.

"De menschen", en natuurlijk zijn familieleden in de eerste plaats, waren dus--wij herhalen: ook om dat niets nog deed vermoeden dat in den naar hunne meening dwazen Douwes Dekker de later te ontluiken auteur Multatuli school--ten hoogste ontstemd tegen den man, die, na eerst eenigen tijd te Batavia te hebben vertoefd, nu, in het voorjaar van 1857, per landmail over Singapore, Ceylon, Suez, Kaïro en Marseille, naar Europa kwam om ... ja, waarom eigenlijk, waarom anders dan om als een avonturier rond te zwerven en hun allerwaarschijnlijkst per slot van rekening nog tot overlast te worden, terwijl hij zijn in gezegende-omstandigheden verkeerende vrouw en zijn zoontje te Rembang, op het goed van zijn broeder Jan, had achtergelaten.

Het gedrag van Dekker, van zijne aankomst te Marseille af tot zijn verblijf in Brussel, waar hij een paar jaar later den Max Havelaar schreef, toe, was in alle opzichten dat van een losbandig levend avonturier, en niemand, die niet in zijne ziel kon lezen, dus letterlijk niemand, kon hem bij mogelijkheid voor iets anders houden.

In plaats van naar zijne familie te reizen, eene betrekking te zoeken, desnoods, in afwachting van beter, winkelbediende te worden (wat ook de familie voor iemand, waarvan zij--wij kunnen dit niet genoeg herhalen--hoegenaamd niet wist dat er een kunstenaar in stak, beter zou gevonden hebben dan het leven dat hij verkoos te leiden) begon hij door Europa te zwerven en schijnt ook nogal eens--men houde ons de details ten goede, die uit de Brieven zijn geput en waarvan de vermelding noodzakelijk is om een juist en volledig beeld van den toestand te krijgen--publieke-huizen bezocht te hebben. Althans uit een bordeel "kocht" hij in dien tijd, zekere Eugenie "los", een vrouw, die,--naar de naïeve mededeelingen van de uitgeefster der Brieven, dl. I, blz. 43--"noch zeer jong, noch zeer schoon, maar fatsoenlijk in voorkomen en manieren," buitendien "eenvoudig, bescheiden en zacht" was, terwijl Dekker haar "lief" en Eugenie zelf het "een ramp" vond, dat zij in dat huis "gebonden" was.

Met deze vrouw reisde Dekker, in den zomer van 1857 (terwijl zijne vrouw steeds in Indië bij zijn broeder logeerde) tot Straatsburg, waar zij scheidden, hij, om verder Duitschland in te reizen, zij om in Fransch land te blijven, waar zij meende, "als française, meer kans te hebben om een eerbaar middel van bestaan te vinden". Om haar het bereiken van dit doel gemakkelijk te maken, gaf Dekker haar geld. De uitgeefster der Brieven gist, in verband met zijn gewone royaliteit, een "vrij aanzienlijke som" (van het geld, dat waarschijnlijk zijn broeder Jan hem had voorgeschoten om in Europa een positie te zoeken).

Nu was Dekker's geld-voorraad zeer verminderd en, tweede stadium der reis door Europa, een tamelijk natuurlijk gevolg van het eerste, hij reisde naar Homburg, om daar aan de speelbank zijn fortuin te beproeven. De uitgeefster der Brieven zegt er van:

"Multatuli heeft zijn millioenen-studien geschreven, en noemt daarin de kansrekening zijn lievelingsstudie. Wie dat boek lazen weten dat dit zoo was. (Ongetwijfeld, als het er in staat.) Hoe juichend begroet hij daarin de "simple chance" en de "logos, vol van waarachtigheid." Er was verband tusschen de kansrekening, zijn millioenen-studien, zijn hooge droomen vol ongemeten eerzucht, zijn "rekenen en mijmeren" waarvan hij zoo dikwijls sprak, en zijn verder reizen naar Duitschland, naar Homburg. Ook het oogenblik drong hem. Nog in het bezit van een weinig geld, maar zonder uitzicht op verdere inkomsten, zag hij het afzichtelijke fantoom "geldgebrek" dreigend naderen... Nog had hij genoeg, nog was het tijd om een kans te wagen, en wie weet, als nu... In 't kort, hij ging naar de speelbank! Maar hij verloor daar wat hij had, zoo zelfs, dat hij een of twee dagen later zijn logementsrekening niet kon voldoen. De hôtelhouder maakte het hem lastig, en door nood gedreven telegrafeerde hij naar Straatsburg, evenwel vreezende dat Eugenie van daar vertrokken zou zijn, of althans dat zij haar geld besteed had. Maar neen. Den ochtend na zijn telegram stond zij voor hem. Zij had nog geen uitgaven van belang gedaan, en bracht hem nagenoeg al het geld dat hij haar gegeven had, terug. Met ingenomenheid kon hij in later jaren vertellen, hoe fier zij den lastigen logementhouder haar bankjes had toegeworpen met een kort: "payez-vous!""

Nu willen wij niet in eene te uitvoerige appreciatie van deze lotgevallen en handelingen treden. Zoo als zij hier vermeld staan vernemen de lezers ze op minstens even partijdige wijze voorgesteld, als de interpretatie dezer zaken door Dekkers familie partijdig was in tegenovergestelden zin. Het is alleen eene zeer beminnelijke vooringenomenheid die in al dit gedoe iets anders kan zien dan de lang niet buitengewone of fijne gebeurtenissen, die een Welt-Umbummler, een Globetrotter, een kosmopolitisch avonturier, zoo al kunnen overkomen.

Wij, hedendaagsche lezers, wij de bewonderaars van Multatuli's werken, wij die in Multatuli den man van prachtigen artistieken aanleg, van grooten hartstocht en ongemeen talent eeren, wij vinden het thans,--al naar mate wij alleen nieuwsgierig, of fatsoenlijk maatschappelijk, of zelf eenigszins meer artiestachtig gestemd zijn,--belangrijk, betreurenswaardig of aardig, dat een gedeelte der biografie van onzen grooten schrijver aldus gekleurd is, wij vinden deze dingen interessant om dat zij plaats hadden met den man, die later de schrijver Multatuli werd, even zoo als wij er ons voor zouden interesseeren of hij 's ochtends bij zijn boterham een gekookt of wel een gebakken ei pleegde te nuttigen; maar wij kunnen die avonturen op zich zelf niet belangrijk vinden, en--hiermede passen deze zaken in ons betoog--dat de familie in Holland, wie alleen de brute mededeeling der feiten ter oore kwam, het zeer schandelijk vond, dat deze echtgenoot en vader met publieke vrouwen door Europa rondreisde, het geld dat hij gekregen had om voor zich en zijn gezin eene broodwinning op te sporen, in bordeelen en aan speelbanken verkwanselde en voortging het type van "lastig logementhouder" tot een stereotiepe figuur in zijn leven te maken,--welnu, wie is er, die dit gevoelen der familie niet zeer natuurlijk zal achten?

Mevrouw Dekker, de uitgeefster der Brieven, verhaalt, zeiden we, deze dingen op partijdige wijze. Niet dat zij de feiten onnauwkeurig opgeeft, maar in den heelen toon van het verhaal is de stem der liefde waar te nemen, voor wier schoone blindheid wij den meesten eerbied gevoelen, maar omtrent wie wij, in een historische beschouwing als deze, ons niet gerechtigd achten te verzwijgen, dat zij in hooge mate de, aan de liefde trouwens inherente, eigenschap bezit van ook de minste handelingen der geliefden voor edele en groote daden te houden, en te meenen, dat de groote en edele geliefde, die onverdiend ongelukkig is, nu ook, als ware het door de natuur met opzet zoo er op toegelegd, steeds in aanraking zal komen met andere ongelukkigen, die zoo al niet groot dan toch óók edel zijn.

Wij zullen, om den wille der waarheid, eenige nuchtere opmerkingen wagen aan te voeren, die de feiten in kwestie tot hun zuivere anekdoten-waarde zullen terugbrengen. In de wereld van speelbanken, bordeelen, en wat dies meer zij, is de uitgeefster der Brieven natuurlijk eene vreemdelinge, en al zoude zij, langs den weg der philanthropie, misschien wel met gevallen-vrouwen in gevangenissen of elders hebben gesproken, dan toch zoude zij van den waren aard der bordeelen-wereld niet op de hoogte zijn gebracht. Er zijn gevallen bekend van geestelijke zusters, die tien jaar en langer vrouwelijke gevangenen hebben bediend, waarbij eene menigte brutale vrouwspersonen, die zich niet terughielden alles uit te schreeuwen wat hun in 't hoofd opkwam; en tóch hadden de zusters, in al dien tijd, van den eigenlijken aard der toestanden, waaruit het verleden dier vrouwen bestond, niets begrepen.

De korte zin dezer lange rede moet de bewering wezen, dat in Dekker's gedrag, en ook in Eugenie's gedrag, niets bijzonders gevonden wordt. Dat een leeglooper, die zijne betrekking is kwijtgeraakt, zijn gezin in Indië achterlaat, in Europa "en garçon" uitstapjes maakt, publieke huizen bezoekt, en, toevallig veel geld op zak hebbende, een vrouw, die hem bevalt, uit een bordeel medeneemt, na hare schuld in dat etablissement te hebben betaald, om met haar verder te reizen,--hierin is niets bijzonders, hoegenaamd niet. Menig gezeten burger, thans huisvader en kapitalist vol respektabiliteit, zal zich uit zijn jeugd, toen hij de periode onder het devies "il faut que jeunesse se passe" doormaakte, uit eigen ondervinding of van hooren zeggen dergelijke gevallen herinneren. Ons is iemand bekend, in wiens studenten-vriendenkring alleen reeds, eertijds drie zulke "loskoopingen" hebben plaats gehad.

Dat een avonturen-jager in de grensstad van haar land afscheid neemt van zijne tijdelijke "mentinee," zooals het plat-Amsterdamsche woord luidt, dat hij, bepaald eene "toquade" voor die vrouw hebbende en, gewoon hoe kaler hij is hoe royaler met geld om te springen, haar een flinken duit als afscheidsgeschenk medegeeft, met de typische vermaning nu in 't vervolg op het goede pad te blijven,--dit is wederom eene gebeurtenis, in de annalen der Bohême en der demi-monde zoo frequent voorkomend als het maar mogelijk is.

Dat iemand, die in goeden doen is geweest en nu op weg naar "lager wal", zich aftobt om een snelwerkend middel te vinden, dat zijn fortuin herstellen zal, bezoeker van de speelbank wordt en de kansrekening zijn lievelingsstudie noemt,--wij zouden haast vragen: kan het alledaagscher? De kansrekening, het ploeteren in "systemen", die onvermijdelijk doen winnen, is de voortdurende bezigheid der stamgasten van speelbanken. Wie, die ooit de speelzalen in Spa of Monte-Carlo bezocht, heeft ze niet gezien, de bleeke, reeds bejaarde vrouwen in donkere kleêren, de magere mannen in versleten plunje, die echter van goeden kom-af nog getuigt,--of wel pas (na een avond van winst) in een al te nieuw kostuum gestoken, waarvan de weelderigheid schrille tegenstelling vormt met hun vervallen gelaatstrekken, waarin de oogen koortsig gloeien? Wie heeft ze niet zien turen en mijmeren, en, met zenuwachtige bewegingen, op het vel papier of in hun zakboekje notities schrijvend en berekeningen makend? Elken dag ziet men er andere, er zijn er te veel dan dat men ze ook maar zou kunnen onthouden. (Wij herinneren er nogmaals aan: De millioenen-studiën zijn een fraai boek; uit het minste en geringste uit Douwes Dekker's leven, zou de kunstenaar Multatuli later iets schoons weten te distilleeren).

En wat nu aangaat Eugenie (hoe men al niet tot den rang van historisch persoon verheven kan raken!):

Dat een publieke vrouw noch zeer jong noch zeer schoon is, aan zekere mannen voorkomt lief te zijn, en zich eenvoudig, bescheiden en zacht, fatsoenlijk in uiterlijk en manieren weet voor te doen,--heeft zij gemeen met de groote meerderheid van, dat zij het ellendig vindt in een bordeel gebonden zijn, heeft zij gemeen met voor zoover bekend is álle hare beroepsgenooten.

Oppervlakkig zoude men zeggen--alle fatsoenlijke vrouwen zullen dit dus zeggen--dat de meeste publieke vrouwen, door den afschuwelijken en betreurenswaardigen toestand van verval waarin hun moreele smaak verkeert, zoo veranderd zijn, dat zij zich heerlijk tehuis gevoelen in het kermis-paleis voor beestachtige vermakelijkheden, dat het bordeel voor hen is; voorts, dat eene vrouw, die eenmaal zich in een bordeel is gaan vestigen, te diep gezonken is om eenvoudig, bescheiden en zacht en fatsoenlijk in voorkomen en manieren te zijn. Toch moet dit beslist ontkend worden. Het is alleen eene konventioneele, oppervlakkige notie van deze personen en zaken, die de oorsprong dezer meening wezen kan. Ten huize van een onzer bekenden, een deftig en hoogst ingetogen levend gezin, is twee jaar lang een werkmeid in dienst geweest,--die, uit eene andere stad, door een misverstand van personenverwisseling bij het nemen van informaties, in dien dienst was gekomen--en die bijzonder in de gunst stond van hare meesteres, welke laatste aan hare kennissen steeds te vertellen had, dat zij nog nooit met zulk eene in alle opzichten fatsoenlijke en aanbevelenswaardige dienstbode te doen had gehad: en deze werkmeid bleek later de vijftien aan de twee voorafgaande jaren als publieke vrouw in bordeelen te hebben doorgebracht. En dit is een voorbeeld uit vele.

Doch, om op de ontleding van Dekker's avontuur terug te komen: Dat een publieke vrouw zich zoo edelmoedig gedraagt als Eugenie deed toen zij, op Dekker's telegram, naar Homburg kwam om hem het geld, dat hij haar gegeven had, en dat zij naar alle waarschijnlijkheid zelf best gebruiken kon, terug te geven, nu hij zelf in verlegenheid was, schijnt zeker een nog zeldzamer verschijnsel. Ongetwijfeld komen daden als deze ook niet zoo veelvuldig voor. Psychologisch echter is dit feit niet van belang, daar de karakter-eigenschap, waar de handeling uit voortkwam, de goedhartigheid namelijk, de edelmoedigheid, den meesten publieken vrouwen eigen is. Leden der hoogere maatschappelijke standen weten dat zoo niet; onder het volk echter is de goedhartigheid en hulpvaardigheid van publieke vrouwen spreekwoordelijk bekend.

Wat nu,--om met deze opmerking de paragraaf over het tweede stadium van Dekker's reis te besluiten--het toewerpen der bankpapieren betreft, waarmede Eugenie den hôtelhouder betaalde, wij kunnen dit met Dekker niet "fier", en zoo heel fatsoenlijk evenmin, vinden. Deze handeling lijkt ons meer "aanstellerig" dan koninklijk. Ook dat mevrouw Dekker hôtelhouders, die eenvoudig bij, hun onbekende, gasten op de betaling der achterstallige rekening aandringen, telkens "lastig" noemt op eene wijze, alsof zij over bedeljongens sprak, die den voorbijganger hun lucifers te koop opdringen, achten wij een weinig te studentikoos voor eene eerwaardige dame, die optreedt als uitgeefster der brieven van een groot auteur.

Het derde stadium van Dekker's reis bestaat uit zijn tocht naar Brussel in het najaar van 1857 en zijn verblijf aldaar tot den volgenden zomer in een kleine herberg, den Prince Belge genaamd, waar hij zeven maanden den kost schuldig bleef, nu hij geheel van geldelijke middelen verstoken was. Ook dit gedeelte zijner lotgevallen past geheel in de loopbaan van een avonturier. "Eerst zijn geld opmaken met publieke vrouwen en aan speelbanken, daarna, als het geld op is, ergens in een kleine herberg blijven hangen en teren op den zak van den goedhartigen waard,--er ontbreekt niets meer aan"--onmogelijk kon de familie in Holland er anders over denken dan in deze woorden is uitgedrukt.

Het is zeer jammer, dat mevrouw Dekker uit dezen tijd geen brieven heeft gepubliceerd, daar die ons verklaard zouden hebben waarom Dekker niet naar Holland ging en waarom hij niet voortging te trachten het doel, waarmee hij in Europa gekomen was, te bereiken.

Zoo nu, als wij hier beschreven hebben, ging Dekker voort zich te gedragen tot het najaar van 1859, steeds niets van zijn hoogere gaven openbarend en zonderling levend, tot voortdurende ergernis der familie.

In Januari 1859 schreef hij, van den Prince Belge uit, zijn brief aan den Gouverneur-Generaal in ruste, eindigend met de woorden:

"Het verzoek, dat ik Uwer Exc. te doen heb, is dit: de herhaling mijner bede om dezen brief en de daarbij gevoegde stukken aandachtig te lezen, en mij wel te willen antwoorden op de vraag of Uwe Exc. daarin niet aanleiding vindt mij te ondersteunen in de pogingen die ik wil aanwenden om op de meest eervolle wijze weder te mogen intreden in Nederlandsch-Indischen dienst.

Maar, Excellentie, anders dienen dan ik diende te Lebak kan ik niet!"

Mevrouw Dekker teekent hierbij aan: "De heer Van Twist heeft niet geantwoord."

Men kan er zich al weder niet van onthouden het zwijgen van den heer Van Twist zeer verklaarbaar te vinden. De lezer van Multatuli's werken,--het is natuurlijk niet uit te maken of juist álle lezers hierin overeenstemmen--door de vaste overtuiging en den doordringenden stijl van den kunstenaar dermate overreed, dat hij niet eens de gelegenheid heeft kalm na te denken, heeft, bij de vele sentimenten en gevoelens, die Multatuli u dwingt van hem over te nemen, stellig ook bespeurd het gevoelen, dat de heer Van Twist een slecht mensch was en het gevoel van bitteren wrevel tegen dien heer. Dit gevoelen en dit gevoel zal echter tegen latere, onpartijdige overweging niet bestand blijken.

Immers, van tweeën één: òf (wat het waarschijnlijkste is) de heer Van Twist dacht dat hij met een halven gek te doen had en achtte het, van die veronderstelling uitgaande, niet eens de moeite waard de waarachtigheid der overgelegde bescheiden te kontroleeren; òf hij had kennis genomen van Dekker's mededeelingen, hield het voor mogelijk, dat zij juist waren, hoewel te veel gegeneraliseerd, te voorbarig van den bijzonderen toestand te Lebak tot een algemeen Nederl.-Indischen toestand gekonkludeerd, maar achtte het nu zijn plicht niet meer persoonlijk handelend op te treden, en wenschte bovendien zich niet in betrekking te stellen met ambtenaren, nog minder met voormalige ambtenaren, die zich op zulk een zonderlinge, ongeregelde, manier tot hem wendden.

Stelt u voor, dat een minister op zijn bureau te werken zit, en dat een man van de straat het departementsgebouw komt binnengeloopen, in weêrwil van portiers en klerken binnendringt en den minister toeroept: Excellentie, daar is onrecht gepleegd, zie eens hier, en daar, hier heb ik de bewijzen. Elke minister zoude zoo een indringer antwoorden: vriend, het is mogelijk dat gij gelijk hebt, maar wil u op de gebruikelijke wijze tot mij wenden, dit is geen manier van doen.

Stelt u voor, dat een voormalig minister in zijn buitenverblijf zit te dejeuneeren, en er wordt iemand aangediend, die in de gang reeds staat te roepen: onrecht gepleegd, daar is onrecht gepleegd, ik moet den heer des huizes spreken!

De minister zal zijn huisknecht gelasten dien man den weg naar het hek te wijzen met de aanmaning zich op de gepaste wijze tot de bevoegde autoriteit te wenden, indien hij meent verongelijkt te zijn.

En nu zeggen wij: ook dán, indien de man, die zich indringt, ware grieven heeft mede te deelen, ook dán, indien werkelijk het grootste onrecht is gepleegd, zal de minister gelijk hebben met hem de deur te wijzen, want: nadat hij één persoon op die wijze zou hebben te woord gestaan, die in zijn recht was, zullen er zich negen-en-negentig op dezelfde manier aanmelden, wien slechts denkbeeldig onrecht is geschied. En de minister zou geen oogenblik tijd meer over hebben om 's lands zaken te bestieren, of, in het buitenplaats-geval, om zich met zijn voor hem belangrijke partikuliere zaken te bemoeien.

Het is beter dat aan één mensch onrecht geschiedt dan dat, door verwaarloozing van 's lands zaken, aan duizenden onrecht zou worden gedaan.

In het voorjaar van 1858 kwam de heer Jan Dekker van Rembang naar Europa, bezocht zijn broeder Eduard te Brussel en betaalde de rekening in den Prince Belge.

In den herfst van hetzelfde jaar bevond Eduard zich in Cassel, waar hij Saïdjah's lied in het Maleisch dichtte, veel op de Casseler Aue wandelde, en bij den... logementhouder en vrienden schulden maakte, die hij nooit heeft kunnen afdoen.