Multatuli: Multatuli en Mr. J van Lennep; Multatuli en de Vrouwen

Part 2

Chapter 23,654 wordsPublic domain

Wij willen evenwel eenige voorbeelden noemen. Woutertje Pieterse is een der beste voortbrengselen van Multatuli's pen. Er worden zelfs vele lezers gevonden, die Woutertje Pieterse boven de Camera obscura van Hildebrand verkiezen. Deze novelle wordt geprezen om haar humor en melancholie, om haar treffend juist weergeven van wat er omgaat in een jongensziel. De heer Swart vindt in de betrekking tusschen Woutertje en Juffrouw Laps aanleiding om Multatuli van een overdreven penchant voor het lubrieke te beschuldigen. Hij vindt dat hieruit een ziekelijke toestand van de sexueele centra in de hersenen des schrijvers blijkt. Bij deze inderdaad geheel onverdedigbare meening willen wij echter niet stil staan. Want, indien men zich aan zulk een oordeel wilde houden, zoude men om dezelfde reden minstens de helft der grootste schrijvers van alle tijden als aan dezelfde ziekte lijdend moeten beschouwen en hunne voornaamste voortbrengselen verwerpen. Wij scharen ons aan de zijde van hen, die, hun oordeel alleen baseerend op overwegingen van zuiver letterkundigen aard, Woutertje Pieterse tot het schilderachtigste en krachtigste, hartigste zouden we haast zeggen, proza rekenen, dat in deze eeuw in ons land is gemaakt. Doch, bij het uitspreken van lof, is er meer dan éen voorbehoud te maken. Vooreerst paste het wel geheel en al in Multatuli's eigenaardig genre om de novelle als eene causerie in te richten en telkens den draad van het eigenlijke verhaal, het weefsel der voorstelling, af te breken, om zich, naar aanleiding van een in het verhaal voorkomend woord, in beschouwingen van allerlei aard te verdiepen, die met het geval, waarmede de lezer werd bezig gehouden, eigenlijk niets hoegenaamd te maken hadden, of ten minste, door op zijn denkvermogen in plaats van op zijn verbeelding te werken, het genot verstoorden, dat hij vond in het zich inleven in den toestand, in het medeleven met het verhaal als ware het een werkelijkheid, waarin hij, de lezer, zelf was geplaatst; vooreerst dus, al paste deze wijze van doen wel in Multatuli's intuïtief stelsel, kunnen wij, noch langs den weg van het gevoel, noch langs dien der redeneering, eene verontschuldiging voor deze arbitraire handelwijze vinden. En ten anderen--hetgeen ons naar ons punt van uitgang terugvoert,--is Woutertje Pieterse, in weerwil harer betrekkelijke oorspronkelijkheid, in weerwil van het feit, dat de krachtige individualiteit van den schrijver zich hier niet minder onbetuigd laat dan in welk der overige werken ook, waar men die ook openslaat, eene novelle pur sang uit de school van Dickens. Men herinnere zich slechts Woutertje op het kantoor en Woutertje in de jodenbuurt, om de manier van Dickens, in al haar schilderachtigheid, haar humor, haar door de aanschouwelijkheid van het proza als 't ware heendringend vrouwelijk, moederlijk gevoel van medelijden met de kleinen, zwakken en hulpbehoevenden onder de menschen, te herkennen.

Multatuli heeft zelf Woutertje Pieterse een "epos" genoemd. Deze bewering mag evenwel niet als een uitspraak van letterkundige kritiek opgevat worden. Multatuli schreef haar zoo maar neder, zonder er verder over na te denken. Hij wilde alleen, door het gebruiken van een groot, aanzienlijk en geleerd woord, te kennen geven, dat Woutertje eene zeer bijzondere en mooie verschijning was in de Vaderlandsche letterkunde. Hierin had hij trouwens het grootste gelijk. Maar een epos, neen, dát is het niet. Woutertje Pieterse is alleen daarom reeds veeleer het tegenovergestelde van een epos, wijl het geheel den hoogen, onpersoonlijken, sereinen, d. i. kalm-zuiveren stijl mist, die een proza- of dichtstuk tot een epos maakt. Deze novelle derft ook het langzame en zekere in de kompositie, het egale, gelijkmatig, harmonieus samengestelde, dat epische kunst pleegt te kenmerken. Het is een prozawerk met horten en stooten, zeer ongelijk van waarde in de verschillende gedeelten, gemaakt door een schrijver, die er maar op los schreef zonder vooraf een plan of schema te beramen niet alleen, maar ook zonder dat, gelijk b.v. bij George Sand geschiedde, het werk, gedurende het schrijven, tot een geheel vol evenwicht zich vormde.

Ongetwijfeld had Multatuli van Dickens, van wiens werken de geheele Europeesche en Amerikaansche atmosfeer toenmaals was gesatureerd, veel gelezen en voegde zich bij de leerlingen van den grooten Engelschman zonder daar zelf iets van te vermoeden, want zoowel uit zijn eigen intieme uitlatingen daaromtrent in de Brieven, als uit zijn buitensporige zelfverheffing in zijn voor het publiek bestemd werk, blijkt, dat hij een critischen blik op zijn eigen arbeid in 't geheel niet bezat.

De Multatulianen, voor zoover die van dit opstel kennis mochten nemen, zullen wellicht beweren (in welke bewering het niet bepaald onmogelijk is, dat zij het volste gelijk hebben): Multatuli heeft juist nooit iets van Dickens gelezen. Dit is een bekend antwoord van vrienden van groote schrijvers, die rangschikking van het voorwerp hunner vereering in eene letterkundige school als eene mishandeling, of verkleining ten minste, van hun vereerde beschouwen. Wij zijn echter gevrijwaard voor het treffen van zulk eene bewering, door onze, eenige bladzijden vroeger uiteengezette theorie omtrent de onbewuste oorspronkelijkheid.

Behoort Woutertje Pieterse en in 't algemeen al het realistische novellistische proza van Multatuli, al het proza waarin hij beschrijvend optreedt, tot de Engelsche school, zonder dat er eenige Fransche invloed in is te bespeuren,--in zijn poëtische, lyrische stukken, hetzij in prozavorm, hetzij in versmaat, worden sprekende trekken van verwantschap aan de Duitsche letterkunde waar genomen. Saïdjah's minnelied, Het gebed van den onwetende zijn uit de Duitsche school, waarin Heine de eerste plaats bekleedt. Het is dezelfde weemoed, het is dezelfde gevoels-twijfel (in tegenstelling tot wijsgeerigen twijfel) aan "God", aan het "bestaan van een God", die de Germaansche poëzie en de Germaansche muziek van vóór de Wagner-periode, in onvergelijkelijk schoone beelden en geluiden over de wereld heeft uitgestort.

Over de oorspronkelijkheid van Multatuli's anti-theologische denkbeelden behoeft niet uitgeweid te worden. Het voegt niet, om op deze plaats in vraagstukken van godsdienstleer en wijsbegeerte zich te verdiepen, en dat Multatuli in dit opzicht aan de wereld een nieuw stelsel zou hebben geschonken zal trouwens door geen serieus mensch worden volgehouden. Voltaire, Strauss, Renan, in deze namen koncentreert zich de historische anti-theologie der laatste anderhalve eeuw en Multatuli's onuitwischbare verdienste zal het blijven deze polemiek uiterst talentvol in Nederland te hebben gelokaliseerd.

Nu wij getracht hebben de bewering, dat Multatuli wat "de algemeene wijze van voorstelling in zijne letterkundige en den inhoud zijner wijsgeerige voortbrengselen" aangaat, niet bij de schrijvers geschikt moet worden, in wier persoonlijkheid eene letterkunde of wijsbegeerte haar oorsprong of kulminatiepunt vindt, door eenig betoog te rechtvaardigen, rijst de vraag ter beantwoording: waarin dan wèl Multatuli's originaliteit en dus zijne hooge verdienste en bijzondere beteekenis voor de letterkunde gelegen is.

Het antwoord kan niet twijfelachtig zijn: het begrip van het individualisme van den letterkundigen kunstenaar als zoodanig heeft Multatuli in de Nederlandsche letterkunde gebracht, en de praktijk van dat begrip door niets minder of meer te doen dan onze taal te hervormen, eene ziel te brengen in onze taal en in onze letterkunde, die, ook door mannen als Busken Huet voor ten doode gedoemd werd gehouden, onmachtig als zelfs Huet was haar een nieuw leven te geven.

Naar onze meening zoude men zich Multatuli's eerstgenoemde verdienste, het essentiëele onderscheid tusschen hem en zijne de pen voerende tijdgenooten, en daarom tevens zijne essentiëele grootheid, als volgt kunnen voorstellen. De andere schrijvers, de gewone schrijvers, die vóór Multatuli's optreden en tijdens zijne gerucht-makende prouesses aan het woord waren geweest en aan het woord waren, vroegen zich, toen zij de neiging in zich gevoeld hadden om letterkundigen te worden en toen de tijd dáar was om aan die neiging gehoor te geven, àf: hoe moet ik nu doen? op welke wijze is het gebruikelijk letterkundige te zijn, hoe treedt men in 't algemeen op, hoe denkt men, hoe spreekt men, hoe schrijft men? hoe wil het vak het? op wat voor manier pleegt het vak der letterkunde beoefend te worden? Deze menschen beschouwden de letterkunde als eene soort hofhouding, waarvan zij de manieren en de étiquette moesten kennen, om er zich behoorlijk te gedragen, anderen, van minder allooi, beschouwden haar meer als eene boerenkolonie, waarvan zij de gebruiken en den tongval moesten leeren alvorens zich er gepast te kunnen voordoen. Niet alzoo Multatuli. Deze voelde zich een koning in eigen ziel en de étiquette, regelrecht door die gebiedende ziel voorgeschreven, was de eenige, die hij als wettig erkende: naar háre voorschriften moest hij zich gedragen, naar háre stem alleen luisteren. Zijn tongval regelde zich naar zijn harteslag, en de eenige gebruiken, die zijn pen als eerbiedwaardig had na te komen, waren de vorstelijke luimen zijner fantasie, en de aanbiddelijke grillen zijner gemoedsstemmingen.

Hij vroeg niet naar wat men deed, hoe men dacht, hoe men sprak, hoe men schreef, hoe men handelde. Hij schreef zooals hij sprak, hij sprak zooals hij dacht, en hij dacht steeds hartstochtelijk. Zijne ziel noch zijne taal kon hij kanaliseeren volgens de overgeleverde stelregelen, zooals de kalme wateren van anderer ziel en taal dat zoo gemakkelijk en bereidwillig konden. Hij nám geen voorzorgen, hij nám daarvoor geen maatregelen, maar al had hij ze genomen, ze zouden vruchteloos gebleven zijn tegen den machtigen drang der ontembare ziel, die als een breede snel vlietende stroom nú, en dán weder als een neerdonderende waterval, zich baanbrak door de wetten en konventiën van de maatschappij zoo wel als van de orthographie, de grammatica en de syntaxis, vergruizelend en verder in zijn vaart meevoerende wat waagde hem te weerstaan of hem onwillekeurig in den weg stond.

Een der beste bladzijden van Multatuli is zijn vermaarde beschrijving--een gedicht in proza--van de overstrooming van den Indischen bergvliet, die, ten bate der slachtoffers van die ramp, als vlugschrift afzonderlijk bij Nijgh te Rotterdam uitgegeven, hoewel slechts éen vel druks beslaande, in enkele weken in zoo groot aantal exemplaren werd verkocht, dat de opbrengst dertienhonderd gulden bedroeg. Welnu, men herleze dit stuk,--het is Multatuli's eigen ziel, die hij daarin heeft beschreven en geroemd.

En wat de taal in 't bijzonder aangaat,--de taal is gansch het volk niet alleen, als omgangsmiddel der gezamenlijke menschen, maar de taal is ook gansch de ziel als omgangsmiddel van den kunstenaar met zich zelf--de terugkeer tot de natuur, die overal dermate verlangd werd, dat dat verlangen zich tot in de meest gemeenzame versregeltjes kenbaar maakte als

Schrijven moet men, zegt papatje, Even zoo, alsof men praat; Daarom zeg mij, beste Kaatje, Nu maar eerst eens hoe 't u gaat!,

die terugkeer tot de natuur werd, ten tijde dat Multatuli debuteerde, meer bezongen en gepredikt dan in praktijk gebracht. En dit wel om de zeer afdoende reden, dat het maar niet genoeg is naar de stemmen van binnen te gaan luisteren in plaats van uitsluitend naar de stemmen, die van buiten komen, maar dat er hiervoor ook stemmen van binnen moeten zíjn. Ziedaar het vraagstuk. Om in de kunst den terugkeer tot de natuur, tot de echte en oprechte menschelijke natuur, zoo in praktijk te brengen dat er eenige beteekenis aan is, moeten in den kunstenaar twee faktoren aanwezig zijn: een groot fonds van persoonlijkheid en eene volledige openhartigheid. Nu was het feit, nu wilde de historische toestand, dat Multatuli's voorgangers en tijdgenooten, wel zeer ter goeder trouw en vol ijver naar openhartigheid streefden, naar een nauwkeurig weêrgeven van hun wezenlijke gedachten en innig gevoel, maar die wezenlijke gedachten waren niet schoon, dat innige gevoel was niet groot, om dat zij geen groote mannen waren. Daarom ontbrak de voornaamste faktor: het fonds van groote persoonlijkheid.

En daarin heeft Multatuli's onuitwischbare, koninklijke verdienste bestaan: dat hij zelf een groote, gepassioneerde persoonlijkheid was, dat zijne stem door zijn tijdvak weerklonken heeft als die van een profeet in de woestijn, en dat hij de schoonste letterkundige kunst heeft voortgebracht van zijn tijd en van zijn land.

II. MULTATULI EN "DE MENSCHEN".

Nu wij de plaats omschreven hebben, welke Multatuli, naar onze opvatting, als openbare persoonlijkheid in de beschavings-geschiedenis van Nederland inneemt, rust, met groote duidelijkheid aangewezen, de taak op ons, de compositie van het beeld dat wij begonnen zijn te schetsen, te vervolledigen, door er de bijzondere trekken aan toe te voegen, die Multatuli als mensch in het private leven kenmerkten. En hiertoe bieden de Brieven het niet genoeg te waardeeren materiaal. Zoo ergens, dan is bij Multatuli de privaat-mensch de aanvulling, de wederhelft van de publieke persoon. Niet alleen om dat hij steeds uit zijn omgeving, uit zijn eigen lotgevallen, uit zijn toevallige omstandigheden en ontmoetingen op reis en te huis, bijna uitsluitend de stof putte voor zijne artistieke fantasieën en wij dus de geschiedenis, den oorsprong van zijn kunstwerk in zijn partikulier leven moeten opsporen; maar ook om dat hij zelf nagenoeg zijn geheele partikuliere leven, qua historie, qua belang inboezemende, verontwaardiging wekkende lotgevallen, heeft gepubliceerd, maar niet altijd,--en hierop komt het aan--met zooveel nauwkeurigheid en algeheele helderheid, dat omtrent den waren aard zijner ondervindingen bij den lezer niets meer in het duister bleef. Velen ongetwijfeld zullen pas in deze Brieven de volkomen opheldering van zoo menigen geestelijken en stoffelijken toestand in des schrijvers leven vinden, waarnaar zij in de heftige uitlatingen der Ideën en andere geschriften te vergeefs hebben gezocht.

De vrouwen zijn voorzeker de zachtste, de liefste, de aangenaamste, in vele gevallen de meest menschelijke, helft der menschheid. Het is dus allerminst om de vrouwen van deze kategorie van wezens uit te sluiten, indien wij, na Multatuli in zijne verhouding tot "de menschen" beschouwd te hebben, gaarne een afzonderlijk hoofdstuk zouden wijden aan Multatuli's verhouding tot "de vrouwen", en in verband met deze verklaring moet dus wel de titel der hier aanvangende afdeeling van dit opstel eene anticipatie schijnen op dien der volgende. Toch zullen wij er ons op toeleggen dit slechts schijn te doen zijn. Want het onderscheid moet zijn: dat wij nu Multatuli's bijzondere en buitensporige persoonlijkheid in haar gevoelens en gedragingen ten opzichte van de menschen in 't algemeen willen nagaan, om vervolgens uitsluitend het bijzondere in die persoonlijkheid te overwegen, dat haar eigen werd zoodra zij speciaal met vrouwen in kontact kwam.

Om een juist denkbeeld van Multatuli's karakter te krijgen, zoo als het zich in zijn omgang met menschen, in zijn houding tegenover de maatschappij, openbaarde, toen hij eenmaal een publiek persoon begon te worden, moeten wij aanvangen met zijn karakter te beschouwen zoo als het vóor dien tijd was, want het karakter heeft zich wel niet veranderd, maar heeft zich uitgedijd, en, om zijn latere ontwikkeling te begrijpen, moet men daarvan de oorzaken in de kiem naspeuren. Multatuli's karakter, zoo als dat was vóór de verschijning van zijn eerstuitgekomen werk, den Max Havelaar, heeft de houding bepaald die de maatschappij, vertegenwoordigd door hare met hem in betrekking staande leden, tegen hem aannam, en waarvan zijne, latere, houding weêr de terugslag was.

Wie was Douwes Dekker vóór dat Multatuli bestond, wat voor een man was die Douwes Dekker in de waardeering dergenen, die over hem te oordeelen hadden,--ziedaar de vraag, waarvan de beantwoording het gedrag der "menschen" jegens hem volkomen zal verklaren.

De waardeering, waarin Dekker bij de menschen, hier in 't bijzonder zijne familieleden, bijv. zijn in de Brieven dikwijls genoemden broeder Jan Dekker en zijn zwager Van Heeckeren van Waliën, stond, had zich natuurlijk gevormd uit wat zij wisten van zijne handelingen en gedachten, van de feiten zijns levens, van zijn gedrag als mensch, ambtenaar, echtgenoot, huisvader.

Vóór het geweldige feit, het enorme fait accompli zijner ontslagneming als Assistent-Resident te Lebak, had Dekker (naar uit de Brieven blijkt) in zijne familie de reputatie van te zijn een zeer begaafd man, maar tevens wat zonderling, wat heet-hoofdig, en een slecht financier. Vóór Lebak reeds, lezen wij, waren de financiëele omstandigheden der familie Douwes Dekker alles behalve gunstig. Dekker had zelf van huis uit geen geld, hij was gehuwd met eene onbemiddelde baronesse Van Wijnbergen, hij verdiende in 's lands dienst wel betrekkelijk veel, maar de verteringen overtroffen steeds de inkomsten, zoodat men links en rechts in schulden kwam.

In 1846 was Dekker gehuwd, in 1852 kwam hij met verlof naar Europa, om in 1855 weder naar Indië terug te keeren. In die drie jaren verloftijd, dus nog vóór zijn zenuwgestel door zijn ontslag en de daardoor veroorzaakte ellende den grooten schok had gekregen, toonde hij reeds, vooral in uitspannings-tijd, slecht met geldelijk beheer overweg te kunnen; want niet alleen bij zijne vrienden, maar ook bij zijne Wageningsche tantes, en zelfs bij den hôtelhouder Fuhri in 's-Gravenhage maakte hij schulden, die in 1856, het jaar van het ontslag, nog lang niet aangezuiverd waren, want jaren later nog "maakte", zooals de uitgeefster der Brieven het mededeelt, "Fuhri het hem daarover lastig."

Al dat schulden maken wordt natuurlijk in 't algemeen verontschuldigd door Dekker's stellige en zeer oprechte voornemens om het geleende geld terug te geven, misschien wel met de rente er bij; het leenen bij de tantes in 't bijzonder wordt vergoelijkt door het feit, dat Dekker deze dames geregeld ondersteunde, zoodat hij niet ten onrechte, maar wel wat weinig delikaat, later beweerde: het was zijn eigen geld, dat hij van de tantes had geleend; doch het leenen van de tantes komt aan den anderen kant weer in een minder fraai daglicht, als men verneemt, dat die tantes zelve uiterst onbemiddeld waren, zoo onbemiddeld, dat, ter beantwoording van verzoekschriften hunnerzijds, prins Frederik hun eens vijftig gulden ten geschenke zond, terwijl zij van het ministerie een gratificatie van zestig gulden ontvingen. De schuld bij den hôtelhouder is van nog bedenkelijker aard, par ce qu'il faut laver son linge sale en famille. (Want Dekker was toen nog niet behoeftig, hij had zijn verlofstraktement).

Zóó was dus de toestand, toen, nadat Dekker 4 Jan. 1856 benoemd was tot Assistent-Resident, de familie in de lente van dat jaar plotseling verrast en verbaasd en, ja geërgerd werd door het bericht, dat hij, in wiens promotie zij zich waarschijnlijk juist zeer verheugde, op 4 April van die hooge positie had afstand gedaan en uit die lukratieve betrekking zijn ontslag had genomen. Waarom, dus vroeg men zich in ontsteltenis af, waarom heeft hij dat gedaan? Was het om elders in nog betere betrekking te komen, was het om op andere wijze, door het beginnen eener partikuliere onderneming, zijne levensomstandigheden en die van zijn gezin nog meer te verbeteren, was het wegens onvermogen, wegens ziekte? Niets van dat alles. Toen dus de familie de reden vernam, kon zij, die natuurlijk naar de algemeen in de maatschappij gangbare begrippen oordeelde, er onmogelijk iets anders van vinden, dan dat hij, die zoo handelde, rijp was voor de gevangenis of voor het krankzinnigen-gesticht. Want wát was er gebeurd, wat was de aanleiding geweest, die Dekker tot dezen stap had gebracht? Hij had eene berisping van hooger hand ontvangen over Dienstzaken en, meenende zijn plicht te hebben gedaan, meenende dat zijne superieuren ongelijk hadden en niet hij, meenende dus dat men een andere wijze van dienen van hem verlangde dan hij met zijn plichtsbesef kon overeenbrengen, had hij voor deze moeilijkheid geen andere oplossing geweten dan eenvoudig uit den Dienst te treden.

Hij had berisping ontvangen en daarom zijne demissie genomen. De familie, die wij steeds noemen als vertegenwoordigster der maatschappij, kon niet anders denken, dan dat Eduard dit uit gekrenkten trots had gedaan, dat hij, gekrenkt in zijn trots, daarom zich zelf en zijn vrouw en kinderen tot armoede had gebracht, in het ongeluk had gestort. Zij kon niet anders denken om drie redenen: ten eerste zoude zij, als bestaande uit gewone menschen, zich niet hebben kunnen indenken in den geestestoestand van iemand, die het plichtsbesef op zulk een eigenaardige heroïeke manier opvatte; ten tweede, al zoude zij geweten hebben, dat nog heden ten dage individuën met zulke buitensporige begrippen worden gevonden, had zij toch geen enkelen grond om te veronderstellen, dat hun familielid Eduard Douwes Dekker, dien zij wèl echter als zeer hoogmoedig kenden, tot dit slag fanatici zou behooren; ten derde, al waren zij zich bewust geweest van het bestaan dezer soort plichtsopvatting en al hadden zij daarbij geweten, dat die bestond in den geest van Eduard, dan zouden zij toch nog van meening zijn geweest, dat die plichtsopvatting zich in een geheel ander gedrag kon uiten dan in het zijne en tot geheel andere handelingen leiden dan die, welke zij, met leede oogen, hem zagen bedrijven.

Gegeven--dus hooren wij de menschen, zoo de derde der genoemde beschouwingen de hunne was, redeneeren--gegeven aan den eenen kant, dat de bevolking van Lebak verkeerd werd behandeld, zoowel tot haar ongeluk als tot nadeel van Nederland, dat de assistent-resident dat merkt, dat hij die verkeerde behandeling tracht tegen te gaan, en over dat trachten berispt wordt van hooger hand in plaats van aangemoedigd; gegeven aan den anderen kant, dat hij het tegengaan der verkeerde behandeling, als zijnde plicht, zijn hoogste levenswet acht, dat hij dus om zijn eenen plicht te volbrengen, zijn anderen plicht--het gehoorzamen aan zijn meerderen,--zoude moeten verzaken, dan blijft hem, ook volgens de strengste kasuïstische redeneering, nog een vierde weg open, behalve de derde (het ontslagnemen), nog een vierde weg om uit dit dilemma te geraken, de weg dien niet alleen bijna alle menschen in het gewone leven bewandelen, maar die ook door buitengewone, dweepzieke personen in zeer bijzondere gevallen, dikwijls wordt ingeslagen: de weg van het schipperen, van het geven-en-nemen.

Want--en hierop komt het aan ter waardeering van Dekker's daad, en hierom kunnen wij de menschen, die zoo oordeelen, niet geheel ongelijk geven, en in verband hiermede gelooven ook wij dat de trotschheid wel deugdelijk in het spel is geweest en het zijne er toe bijdroeg om hier het woord plicht zoo eigenaardig te interpreteeren (en wij kunnen dit des te eerder doen, daar trotschheid in iemand die later blijkt zoo eene schoone ziel te hebben, niet afkeurenswaardig, of althans, naast de groote gewrochte dingen, de moeite der afkeuring niet waard is),--want, zeggen we, we hebben hier niet te doen met zulk een lijnrecht afgebakende vraag van plicht of geen plicht, van deugd of zonde, als waarop, bij voorbeeld, in tijden van godsdienstvervolging, de Roomsche of de Calvinistische geloovigen te beslissen hadden en waaraan zich die van dood of leven onmiddellijk verbond.