Multatuli: Multatuli en Mr. J van Lennep; Multatuli en de Vrouwen
Part 1
MULTATULI
MULTATULI EN MR. J. VAN LENNEP MULTATULI EN DE VROUWEN
DOOR A. J. (L. VAN DEYSSEL)
TWEEDE HERZIENE DRUK
W. L. & J. BRUSSE'S UITGEVERS-MAATSCHAPPIJ ROTTERDAM MCMXXII
Dit boek bevat mede eene Bibliographische Studie betreffende K. J. L. Alberdingk Thijm door Benno J. Stokvis. 31 Augustus 1922
VOORAF
Het jaar 1890 is wel een rijk jaar geweest voor boekhandel en letterkunde; rijk aan voor den boekhandel veelbelovende en te gelijk--wat maar al te zelden het geval is--voor de letterkunde interessante uitgaven. Van de in dat jaar verschenen werken, welke betrekking hebben op de geschiedenis der letterkunde, kan er ongetwijfeld geen in beteekenis wedijveren met de deelen Brieven [1], waaraan het ons een genoegen is eene bespreking te kunnen wijden.
Er zijn drie hoofdsoorten van auteursbrieven. Vooreerst die, waarvan de schrijvers er naar streven de minste met hun naam geteekende schrifturen tot vlekkeloos grammatikaal-korrekte stukjes te fatsoeneeren, waarvan de schrijvers geen onderscheid maken tusschen hun voor de drukpers en het publiek en hun voor een post-couvert en een enkelen persoon bestemde bladzijden. Hun eenvoudigste briefjes zullen glad, netjes en "mooi" zijn als de steeds "aan kant" gehouden zitkamer eener Hollandsche vrouw, maar zullen ook geen spoor van de charme eener huiselijk-intieme, ongewild-oprechte en pittoresque wanorde vertoonen. Het echte intérieur van hun gemoedsleven, bevroren in keurige spraakkunstvormen,--zij 't ook met de koude pracht van een ijspaleis,--getoiletteerd met eene onberispelijke punktuatie, zal voor hun lezers nooit gemakkelijk te betreden en geheel te leeren kennen zijn.
De tweede soort auteursbrieven zijn die, wier schrijvers een radikaal onderscheid maken tusschen gedrukt en ongedrukt. Als deze de pen ter hand nemen om haar gedurende eenige uren in dienst te stellen van de drukpers, doen zij hunner gedachte en de uitdrukking daarvan iets als een officiëel, konventioneel tuig aan, gebruiken alleen algemeen aangenomen en vaststaande zins- en stijlwendingen, die hun overigens even gemeenzaam zijn als aan ambtenaren van den Burgerlijken Stand en aan Geestelijken de formule der huwelijksplechtigheden. Maar, als ware daar toch iets minder aangenaams in, hoe wreken zij zich op hunne eigene, in hun schatting verplichte, deftigheid, als, in een ander gedeelte van den dag, het uur der gemeenzame korrespondentie heeft geslagen! Dan vermeien zij er zich in, zoo gemakkelijk mogelijk, ja, meer dan gemakkelijk, achteloos, slordig, zich in hemdsmouwen te bewegen. Daardoor ontstaat zulk een buitensporig verschil tusschen hun publieke en hun private geschriften, dat eene vergelijking van die twee soorten voortbrengselen zou doen wanen, dat men met twee menschen te doen heeft in plaats van met een en denzelfden.
De derde soort auteursbrieven gelijken den eerstgenoemden, doch op omgekeerde wijze. Het zijn de brieven dier schrijvers, die denken, spreken, boeken schrijven, en brieven schrijven, alles op de zelfde manier, en wel niet op een vooraf door hen bedachte of aangenomene, maar alleen zóo, als hun gemoed en geest het hun op 't oogenblik van 't schrijven zelf ingeeft. Van hen kan men met alle recht zeggen, dat zij schrijven in den meest ongebonden aller stijlen. Zij bemoeien zich niet met stijl, zij laten de kompositie van hun stijl geheel aan de spontane werking hunner stemming over.
Multatuli behoorde tot deze laatste schrijvers. Behalve dat de toon in zijn publieke werken hier en daar iets hooger is aangezet, heeft hij al die werken geschreven alsof het intieme brieven waren. Dát althans kunnen wij nu met de meeste stelligheid weten. Wij zijn nu in staat de brieven, de huishoudelijkste en innigste brieven naast de openbare werken te leggen en te konstateeren: Multatuli heeft nooit kunnen vermoeden, dat deze brieven eens openbaar zouden worden, hij schreef, zooals hij dacht, en: zijn ander werk is precies als deze brieven. Ook in dat andere werk schreef hij dus zooals hij dacht. Deze man heeft de o. a. door Zola in Musset als zeldzaam geprezen verdienste van nooit te hebben gelogen.
Laat ons dus herhalen: nu wij deze brieven bezitten, nu wij dus zonder zweem van twijfel weten, dat Multatuli zich steeds gaf, zooals hij was, nú kunnen wij pas degelijk aan de karakteristiek van zijn persoon arbeiden, zonder vrees dat later eventueel te ontdekken gegevens onze waardeeringen zouden kunnen beschamen. En daarom zijn deze Brieven zulk een belangrijke uitgaaf te achten, en daarom behoort het Nederlandsch publiek mevr. Dekker dankbaar te zijn, dat zij deze uitgave heeft ondernomen.
Er is een belangrijk verschil in opvatting van hunne taak als uitgeefster der Brieven hunner echtgenooten tusschen mevr. Dekker en mevr. Huet, belangrijk en zeer eigenaardig. De koele en effen brieven van onzen scherpen en kalmen officiëelen kritikus heeft zijne vrouw ons gegeven, zoo maar, zooals zij daar lagen, zonder eenig kommentaar, zonder emendaties, als archiefstukken ten behoeve der letterkundige geschiedenis. De ongedurige, woelige, nooit eens even bedaarde maar altijd hartstochtelijke epistolaire uitingen van onzen niet-officiëelen philosoof, romanschrijver en prozadichter, worden ons voorgelegd als heftige pleidooien in een polemiek, die nog maar niet wil uitsterven, en mevr. Dekker omgeeft ze van, wikkelt ze als 't ware in, kommentaren, in even intiemen toon gesteld als de brieven zelf, en waar zij onophoudelijk zoo nadrukkelijk mogelijk partij kiest voor haar beminden en vereerden man. Multatuli's vurige ziel werkt na zijn dood nog na, er komt nog vuur uit zijn graf, deze brieven zijn als de laatste brandende opwellingen van een vulkaan, dien men ten onrechte reeds voor geheel uitgeput hield.
I. LETTERKUNDIGE BETEEKENIS VAN MULTATULI EN ZIJN WERK
Het woord "geniaal" meenen wij te mogen gebruiken in den zin van: intuïtief in kunst, wetenschap, wijsbegeerte en letterkunde, spontaan en helderziend in de hooge zaken van den geest. Geniaal is hij, die plotseling, zonder dat hij 't zelf eigenlijk goed weet, doet datgene, wat anderen slechts bereiken na lange jaren van oefening en voorbereiding, vooral indien hij 't dan zelfs nog beter doet dan die anderen het kunnen.
Hechten wij deze beteekenis aan het woord, dan is Multatuli een geniaal man geweest bij uitnemendheid. Niet alleen dat hij nooit zijn best heeft gedaan om letterkundige te worden, niet alleen dat hij zelf steeds is blijven beweren geen letterkundige te zijn, maar hij kwam tot het voortbrengen van letterkundige zaken geheel en al zonder dat hij 't wist, geheel en al als 't ware buiten zichzelf om. Hij was een ambtenaar, die meende verongelijkt te zijn; na vruchteloos alle andere, meer gewone, middelen aangewend te hebben om in zijn recht hersteld te worden, nam hij nu een middel te baat, dat hem het uiterste, het eenig overblijvende, en ook ten slotte het meest afdoende, toescheen; hij wenschte namelijk zijn zaak te brengen voor de rechtbank der openbare meening. Hij nam dus de pen ter hand, om: iets te beweren, om: een pleidooi te houden;--en ziet, toevallig, van-zelf, tegen zijn bedoeling in, schreef zijne pen, door zijne koude vingers op het Brusselsche zolderkamertje bestuurd, een fraai letterkundig kunstwerk, een gedicht in proza, vol onstuimige kunst-elementen van hartstochtelijke welsprekendheid, het beste Nederlandsche belletristische werk van die jaren.
Van zijne genialiteit is Multatuli zich bewust geweest, althans na dat hij Max Havelaar had voltooid. Na de lezing der verschenen Brieven, is de veronderstelling niet gewaagd, dat gedurende het in schrift stellen van Max Havelaar de bewust-wording der genialiteit in Multatuli's binnenste plaats greep. Aandoenlijke bladzijden, merkwaardige gegevens voor de letterkundige zielkunde tevens, zijn de over zijn boek handelende passages in de brieven, die hij, tijdens het opstellen van Max Havelaar, van Brussel uit aan zijn vrouw schreef. Men neemt er zooveel als de ontroering in waar, die hem zelf vervulde, bij de dagelijksche verrassingen, die het ontdekken van den verborgen schat van zijn talent in zijne ziel hem bereidde. Eerst een enkele regel over zijn Eerlooze (De Bruid daarboven). Deze is nog koel, maar de zelf-ontdekking begint: "Ik heb idee dat ik daarvan iets maak, en als ik slaag, schrijf ik meer" (Brieven, 1859, bl. 57). Dit was in 't begin van September 1859. Een paar weken later was Multatuli reeds aan Max Havelaar begonnen te werken. Hij had zijn Eerlooze aan een schouwburgbestuur gezonden en hoopte nu, om zelf moed te hebben om met schrijven door te gaan, dat de heeren zijn werk zouden goedkeuren. Zie hier wat hij, ongeveer 20 Sept., er over schrijft:
"Ik had te meer het antwoord [2] gaarne gehad omdat dit een goeden invloed hebben zou op mijn werk. Ik ben namelijk sedert vele dagen bezig met het schrijven van een ding dat misschien wel drie deelen groot wordt. Nu is het zonderling zooals ik bij dat werk telkens verander van opinie over het zelve. Ik heb oogenblikken dat ik er mee tevreden ben en dan weer komt het mij voor als om te verscheuren. Ik gis een 100 pagina's druk klaar te hebben. Als nu dat van de Eerlooze gedurende dien tijd marcheerde, zou mij dat wat moed geven. Ik heb den titel van dat stuk veranderd, het heet nu: De Bruid daarboven! Ik heb het netjes overgeschreven en laten inbinden, en nu ligt het daar. Is dat niet verdrietig? Zoo gaat het kassian met alles, hoe ik mij ook uitsloof.
Als ik het werk waar ik nu mee bezig ben ten einde brengen kan, zou de mogelijkheid om er een uitgever voor te vinden, zeker veel afhangen van de réussite van den Eerlooze. Als dat een beetje opgang maakte zou men er eerder toe overgaan iets te drukken, dan als de naam des schrijvers geheel onbekend is.
Ik ben dikwijls mismoedig, en heb buyen dat ik niets kan voortbrengen. Ik schrijf zoo weinig omdat ik niets te schrijven heb, en mijne vingers zijn moe; ik heb er de kramp in. Het is maar jammer dat ik zelf niet weet of mijn werk wat waarde heeft. Het komt me telkens zoo onbeduidend voor, en dan weer niet."
Elders (28 Sept. 1859) heet het, na dat hij van de Vrijmetselaars, Broeders van 't Rozekruis, door wier bemiddeling hij zijn Bruid daarboven! op het tooneel wilde beproeven te brengen, o. a. vernomen had, dat tooneel-besturen zich reeds royaal toonden indien zij een stuk met vijf-en-twintig gulden betaalden, ook in een brief aan zijne vrouw:
"... ik wil mijn naam niet op de affiches hebben, want daar men in Holland, dom genoeg, dikwijls een vooroordeel heeft tegen menschen die frivole dingen schrijven, en ik misschien later weêr in betrekking komen zal, daarom wil ik onder een anderen naam gedrukt of gespeeld worden. Ik noem mij Multatuli, dat is: ik heb veel gedragen. (Deze mededeeling is niet onbelangrijk, daar het ontstaan van den pseudoniem er in verklaard wordt.) Welnu, als nu mijn stuk gespeeld wordt,... hoop ik, niet lang daarna klaar te zijn met mijn boek en als dit dan met den naam Multatuli in de wereld komt, die als mijn stuk een beetje lukt, gauw in de gedachten komt, omdat hij zoo vreemd en toch welluidend klinkt, dan moet dat op mijn boek doen letten. En dat boek, beste Tine, moet ons er boven op helpen. God geef radikaal. Want al is dan de letterkunde nog zoo schraal beloond in Holland, ik hoop dat men voor mijn boek een uitzondering maken zal, omdat het boek zelve eene uitzondering wezen zal.
Ik heb u reeds gezegd dat ik zoo dikwijls verander van stemming daarover, maar sedert den laatsten tijd ben ik er weer zeer mee ingenomen. Ik kan niet zeggen dat ik hard voortga, maar ik ben daarover niet zoo verdrietig als gij zoudt meenen, omdat dikwijls als ik niet kan werken (eerst de kou en nu, na de warmte, weegluizen die mij 's nachts beletten te rusten en dan ben ik 's morgens zoo heet van huid en niet dispos) omdat die bezwaren niet van mijn geest komen, waarvoor ik toen ik aanving bang was...
Ik ben zeker dat men in recensiën er stukken uit overschrijven zal. En dat men zeggen zal: Wie is die Multatuli?..."
De zelf-ontdekking, het langzaam bewustworden der genialiteit, komt ook fraai uit in regels als deze. Uitvoerige aanhalingen zijn hier voorzeker niet ongepast, daar het de teederste en edelste gemoedsbewegingen geldt, die zich in eene menschenziel kunnen voordoen:
"Ik durf na wat ik zelf weet van Holland en wat Van Hasselt schrijft, toch beweren dat men mijn boek betalen zal, want ik zal de lezers aangrijpen zooals ze nooit aangegrepen zijn. Zeg daarvan niets. (Hoe lief naïef, deze laatste woorden) want men noemt dat malle verwaandheid... maar ik heb een proef op mijn werk. Als ik niet gestoord word door uiterlijke dingen, schrijf ik zoo gauw dat ik over twee dagen er niets meer van weet. Dan lees ik hard op, en als iets vreemds, wat ik voor weinig tijds maakte, welnu, dat komt mij dikwijls heel goed voor.
Nu vraag je wat ik schrijf. Lieve engel 't is zoo'n raar boek. Voor ik begon liep ik verdrietig rond en bedacht of ik over onze positie en het infame gouvernement aan den koning zou schrijven... ik merk onder het schrijven dat ik stof in mijn hoofd heb voor vele boekdeelen...
... Jij komt ook in mijn boek, ik heb je juist gisterenavond een ondeugende streek laten uitvoeren, hoor beste lieve Tine, mijn Tine, je bent mijn lieve hart. Och, ik las je zoo graag wat voor. Ik geloof waarachtig dat er veel geest in is. Het is vroolijk, koddig, men zal hoop ik lachen, en dan stuit men op een passage die zeer ernstig is...
... Ik kan niet goed in weinig woorden uitleggen wat het is. Het gelijkt naar geen ander boek...
... Is dat dan niet een gek boek? Ik heb buyen, dat ik mijn werk afkeur, maar de slotsom is dat het heel goed is. Middelweg is er niet."
Zoo gaat de schrijver nog lang voort, telkens herhalend, dat het zoo'n vreemd boek is, dat hij er zijne vrouw zoo graag iets uit voorlezen zou, of aan haar het afschrift van een hoofdstuk zenden, als de port maar niet zoo hoog was.
"... Och, ik wou je zoo graag de aanspraak voorlezen van een nieuw Assistent-Resident die zijne betrekking aanvaardt. Hij heet Max Havelaar (dat ben ik)."
"... Ik vind die passage zoo mooi. Ik heb er zelf bij geschreid. Maar er liggen vele tranen op mijn handschrift..."
"... Ja, ik moet schrijver zijn, ik heb wel honderd boeken in mijn hoofd." (Dit alles in de Brieven, 1859, blz. 60-103 vv.).
Toen Multatuli zich zijner genialiteit volkomen bewust was, heeft hij zich aan die wetenschap, aan die gevoelswetenschap vastgeklampt als aan het groote vermogen, dat hem zeker en stellig ééns, als hij in 't leven bleef, wanneer dan ook, tot hoogen roem, en als gevolg daarvan tot de hooge positie moest brengen, die hij nooit, vóor zijn definitief vertrek naar Duitschland althans, gewanhoopt heeft te zullen bereiken. Aanhoudend zal hij nu in 't vervolg, in 't openbaar, van zijn genie-zijn (dat hij verwarde met genialiteit) spreken, zich daarop, en terecht, beroemen, en die genialiteit in zijn binnenste als 't ware aankweeken en verzorgen als een kostbare plant.
Men herinnert zich, uit zijn werk, het bezoek aan de Japanners, waar hij zich aandiende als zijnde een "genie". Op verschillende plaatsen in de Brieven komt voor, dat hij zijne vrouw mededeelt, haar geen uitvoerigen brief te kunnen schrijven, omdat hij zich dan te veel "epancheert," omdat hij dan "leêg" raakt, hetgeen nadeelig is voor "geest, poëzie en alles." Later, te Amsterdam wonende (Brieven, 2e dl., 1860) noemt hij datzelfde als de reden, waarom zijn vrouw maar niet vooreerst nog met hem moet komen samenwonen. Dit zou nadeelig zijn voor zijn werk, daar hij dan tot haar alles zou zeggen, wat hij beter deed met op te schrijven voor zijne uitgaven. Hij verpleegde dus zijne genialiteit wèl als eene zorgzame moeder haar eenig en nukkig kindje.
Een, voor zijne letterkundige ontwikkeling bedenkelijker maatregel, dien hij met het oog op het zelfde doel toepaste, bestond in zijne bekende onthouding van lektuur, ten einde zijn oorspronkelijkheid niet te verliezen, zoo als hij het ongeveer uitdrukt.
Deze maatregel was dáarom zoo bedenkelijk, om dat die onthouding hem het eenige middel uit de hand nam, waarmede hij zijn oorspronkelijkheid zoude hebben kunnen kontroleeren. Hij dacht zoo: ik ben nu geniaal, ik heb nu eenmaal alles uit mij zelf, als ik dus nu maar voortdurend de gedachten en sentimenten noteer, die in mij opwellen als in hun oorsprong-bron, dan zal ik van zelf ook noodzakelijk origineel blijven. Naar het ons voorkomt, vergiste Multatuli zich met dit gevoelen. Want niet alleen had hij dan toch vroeger veel gelezen, en las hij, zij 't ook zeer fragmentarisch, in boeken, in tijdschriften, in kranten, in brieven zelfs, allerlei zaken, waaruit de geest van zijn tijd hem moest blijken (een negentiende-eeuwer, die absoluut zich van lektuur zou spenen is schier ondenkbaar, de lektuur is zijn dagelijksch voedsel geworden, hij leeft er half van); maar ook, heeft er, door wat men hoort, door wat men ziet, door de onophoudelijke aanraking met menschen en dingen een nimmer onderbroken opneming van de tijdziel in ons plaats, iets als een inzuiging door de poriën des geestes van den tijd, waarin wij leven, aan welken invloed ook de sterkste mensch zich niet kan onttrekken. En dit eenmaal gegeven zijnde, wordt het gevaar duidelijk, dat degene loopt, die zich door zoo min mogelijk lektuur te onderhouden, voor den invloed van buiten wil bewaren.
Want terwijl hij, door zoo veel mogelijk kennis te nemen van de geestes-voortbrengselen zijner tijdgenooten, elke gedachte, elk gevoel, dat in hem opkomt, kan toetsen aan de reeds bestaande en volkomen uitgedrukte gedachten en sentimenten, om die te verwerpen, welke slechts kopieën blijken te zijn en alleen die te aanvaarden en te bewaren, wier nieuwheid zeker zal wezen; zal hij noodlottigerwijze, in het tegenovergestelde geval, als hij de kiem eener wijsgeerige gedachtenreeks of van poëtische samenstelling in zich waarneemt, hetzij die kiem zonder onmiddellijk aanwijsbare oorzaak in hem zelf geworden is, hetzij met zijn weten van buiten af tot hem is gekomen, zich aan den arbeid zetten om uit de kiem zich het werk te doen ontwikkelen, wat er uit groeien moet, niet wetend, dat een dergelijke ontwikkeling reeds in hoofd en hart van een ander schrijver heeft plaats gegrepen, en dat zijn arbeid dus, zonder dat hij 't zelf gissen kan, niet geheel oorspronkelijk zal zijn.
Indien men dit goed in 't oog houdt, zal men ontwaren, dat, in de geschiedenis der letterkunde (letterkunde in den zin van kollectieve benaming voor wijsbegeerte en kunst genomen) deze twee typen van schrijvers scherp tegenover elkander uitkomen: de bewust origineelen en de onbewust onorigineelen. Multatuli meende, dat als hij er zich maar voor hoedde te behooren tot de bewust onorigineelen, hij van zelf tot de origineelen gerekend zou kunnen worden, terwijl het denkbeeld van het bestaan der bewust-(d.i.: ten gevolge van lektuur en kontrôle) origineelen en de onbewust-(d.i.: door gemis aan lektuur en kontrôle) onorigineelen niet bij hem is opgekomen.
Naar onze meening, die wellicht eenigszins gewaagd kan heeten, moet Multatuli, wat de algemeene wijze van voorstelling in zijne letterkundige en den inhoud zijner wijsgeerige voortbrengselen aangaat, tot de onbewust onorigineele schrijvers geacht worden te behooren.
Het is niet wel mogelijk dit gevoelen nader toe te lichten zonder voor een oogenblik het onderwerp der letterkundige scholen te behandelen.
In 't algemeen schijnt men er veel gemakkelijker toe te komen het bestaan van schilderscholen, dan het bestaan van letterkundige scholen te erkennen. Het ligt niet in de bedoeling thans de oorzaak van dat verschijnsel na te sporen. Genoeg zij het het verschijnsel te konstateeren, bestatigen, zoo als de Vlamingen zeggen. Met de grootste gemeenzaamheid spreekt men van de Hollandsche zeventiende-eeuwsche schilderschool, van de schilderschool der Italiaansche Renaissance, van de Spaansche schilderschool, van de verschillende negentiende-eeuwsche Fransche schilderscholen, de akademische van David, de romantische van Delacroix, de naturalistische van Millet, de impressionistische van Manet, verder van de Duitsche, de Belgische en de Hollandsche negentiende-eeuwsche schilderschool.
Maar van letterkunde-scholen, daarvan wil men niet zoo spoedig weten. Nu is het waar, dat de schilders-ateliers, zoo als men die in de groote centra der beschaving kent, het idee van school meer plastisch verwezenlijken en de verbreiding er van dus in de hand werken. Zeker, de leerlingen zitten daar in grooten getale ter neder, schilderend of teekenend naar het model, en de meester gaat rond, toeziende, om zijn goed- en afkeuringen uit te deelen.
Op deze wijze, zeer zeker, bestaan er geen letterkundige scholen. Er wordt geen lokaal gebouwd, er worden geene banken getimmerd, er is geen zwart bord en geen krijt, er zijn geen oorvegen-uitdeelende meester en vingers-opstekende leerlingen vergaderd. Het woord school, als men het ter gemeenschappelijke aanduiding van auteurs-groepen bezigt, wordt niet aanschouwelijk gemaakt door het voorbeeld van een Fröbel-school of een R. H. B. school.
Ook bestaat er, bij den aanvang van elke nieuwe litteratuur-periode, geen school. De "school" is een voorstelling, is de naam eener rubriceering, die de kritici, de letterkundige geschiedschrijvers, later in 't leven roepen, om hun taak te vergemakkelijken, hun overzichten van de gebeurtenissen der tijden te vereenvoudigen. En er schijnt werkelijk niet de minste reden te bestaan om eerder van schilderscholen, van philosophische scholen, van geneeskundige en andere wetenschappelijke scholen te spreken, en alleen niet van letterkunde-scholen. De school van Shakespeare, de school van Diderot, de school van Baudelaire,--waarom niet?
Multatuli was, zoo als men weet,--en dit staat in zeer eigenaardig verband met zijne opvatting der genialiteit en de gedragslijn, die de bezitter dier zeldzame gave ten haren opzichte te volgen had, zoo als wij die boven poogden te schetsen,--een vijand van scholen, letterkundige of wijsgeerige, vooral ook theologische, welke laatste hij wel eens met de beide voorgaande verwarde. Hij stond buiten alle scholen, beweerde hij steeds, ja en bóven alle scholen, dacht hij zelf daar in stilte bij (wellicht heeft hij 't wel eens uitgesproken tevens) en verkondigden zijn vergoders luide. Deze meening moet o. i. verworpen worden. Zij kan onmogelijk worden volgehouden tegenover de duidelijk sprekende trekken, die zijn werk vertoont, en die hem op onloochenbare wijze zijn plaats in de literatuurgeschiedenis aanwijzen. Het in de historie éénige feit, dat een schrijver tot geene school zou behooren, en tevens geene school heeft gesticht, kan niet geacht worden zich hier te hebben voorgedaan. Want indien beweerd wordt, dat Multatuli's werk tot zekere school behoort, zouden de personen, die hem eene matelooze vereering toedragen, dit wel willen bevestigen, door te zeggen: ongetwijfeld, ge hebt gelijk, Multatuli's werk behoort tot--want het heeft den oorsprong gevormd van,--de school van Multatuli. Jawel, begrepen, maar zoo is de bedoeling niet. De produkten der weinige navolgers, wier werk eenige grove verwantschap met dat van Multatuli vertoont, zijn,--hierover bestaat geen verschil van opinie--dermate onbeteekenend, dat hun bestaan niet de moeite waard is om erkend te worden.
Neen, Multatuli's werken behooren, al naar de verscheidenheid van hun aard, tot verschillende letterkundige-scholen, waarvan de meesters, of, zoo men wil, de voornaamste vertegenwoordigers, niet moeilijk te noemen zijn.
Het is hier niet de plaats om in veel details van vergelijking te komen, noch om door een abstrakt theoretisch en te algemeen kritisch vertoog deze bewering uitvoerig te staven, daar het alleen te doen is om eene omschrijving van Multatuli's genialiteit, in verband met zijne beteekenis voor de letterkunde.