Multatuli: Multatuli en Mr. J van Lennep; Multatuli en de Vrouwen
Part 6
Welk een verschil tusschen het eerste deel Brieven en het tweede deel in 't algemeen! Een verschil dat in den text der gedrukte bladzijden uitkomt met de helderheid der twee schril kontrasteerende levensperioden zelf. Is het eerste deel vol van het diepe leed, in de stilte van het Brusselsche zolderkamertje, als in een kloostercel, gedragen, waar Dekker's leven slechts zeer weinig uiterlijke afleiding vond in den omgang met zijn enkele plebejische vrienden daar uit de buurt; nemen wij in het eerste deel Dekker waar,--onder den zwaren druk van het wreede leven, dat hem daar opgesloten hield,--in een tête-à-tête met zijn smart, waarin hij zijn talent als een lijdensbloem zag ontluiken;--het tweede deel voert hem en ons plotseling als in de drukte en in het gekrioel van een marktplein; het is of er in den stijl der Brieven iets is doorgedrongen van het gedruisch op de Botermarkt, waar Dekker boven den winkel van Lobo, den Israëlietischen boekverkooper, die ook met een "stalletje" op de markt zelf was geposteerd, zijn kamer had en zijne geschriften samenstelde. Uit de eenzaamheid is hij met de grootste snelheid midden in het woeligste maatschappelijk leven overgeplaatst. Van onbekend is hij als met tooverslag beroemd geworden, van geschuwd gezocht, van geminacht hoog-geprezen. Hij komt in betrekking met de staatkundige partijen, de eene trekt hem hier, de ander daarheen; binnen eenige maanden tijds worden dertien honderd exemplaren van zijn Max Havelaar verkocht, overal waar hij zich vertoont, op straat, in hotels, in publieke vermakelijkheden, wordt hij met belangstellende nieuwsgierigheid bekeken, vreemden spreken hem aan, een onbekend meisje in het park, bij eene muziekuitvoering, komt hem haar handje reiken; van links en rechts wordt hij uitgenoodigd om lezingen te komen houden, tijdschrift-redaktiën en uitgevers schrijven hem, komen hem opzoeken, telegrafeeren hem, loopen hem na om eenige bladzijden van zijn hand voor hun orgaan of hun drukpers machtig te worden. De uitgever Thieme wil al aanstonds zijn partikuliere briefjes uitgeven, waarmede hij uitstekende zaken denkt te maken, de bezadigde redakteur van het Nederlandsch-Indische tijdschrift verzint totaal ongebruikelijke opschriften om boven de bijdrage van Dekker te plaatsen, die hij wenscht op te nemen: "Van den genialen Multatuli" zal hij er boven zetten. Kortom het is, zooals Dekker zelf in de brieven schrijft, een "rage".
De persoon met wien Dekker nu in de eerste plaats te doen kreeg en met wien hij in belangrijke betrekking zou blijven gedurende het geheele tijdperk, dat wij in het tweede deel der Brieven afgespiegeld vinden, was de heer mr. J. van Lennep, rijksadvokaat, een der leiders der oud-konservatieve partij, Amsterdamsch patriciër. Tusschen de menigte menschen, die wij, als wij in onze verbeelding een résumé vormen van Dekker's leven uit dezen tijd, hem zien omringen, staat Van Lennep vooraan; op hem valt het meeste licht. En geen wonder! Van Lennep toch bezorgde de uitgave van Max Havelaar, stelde Dekker in de gelegenheid de eerste helft van 't jaar 1860 met zijn gezin als een rustige tusschen-periode door te brengen, en bleef voortdurend met hem in relatie over financiën en andere, wellicht nog gewichtiger, de uitgave rakende zaken. Wij zullen deze geschiedenis, als zijnde een der belangrijkste perioden in Dekker's leven, volgen zoo als de Brieven ons geleidelijk met haar bekend maken. Er zal onder meer nog een deel Brieven verschijnen, getiteld Multatuli en Busken Huet. Nu, met evenveel recht, had de uitgeefster dit, tweede, deel, kunnen betitelen: Multatuli en Van Lennep.
Den 23sten Nov. 1859 reisde, gelijk wij gezien hebben, Dekker voor het eerst van Brussel naar Amsterdam. Reeds had hij van den heer Jan vernomen, dat Van Lennep met Max Havelaar, door Van Lennep na Tine en Jan, als de derde begunstigde, in handschrift gelezen, uiterst ingenomen was. Van Lennep had aan Van Hasselt geschreven: "In weêrwil van de bleeke inkt, klein schrift, donkere lucht en toenemende verzwakking mijner oogen, heb ik het boek verslonden, "pectus est quod disertos facit" en "facit indignatio verbum" worden ook hier bewaarheid... 't Is een meesterstuk, met zijn gebreken, of neen, de gebreken, waarover ik klagen zou, zoo 't een gewonen roman gold, geven in dit werk juist iets meer eigenaardigs, meer verrassends, meer schokkends aan 't verhaal. 't Is bl.... mooi, ik weet het niet anders uit te drukken." De heer Jan had aan Eduard geschreven, toen hij hem deed overkomen: "Hij (v. L.) wil met handen en voeten uwe zaak voorstaan, en verzekerde mij onuitgenoodigd dat hij al zijn invloed in uw belang zal aanwenden. Hij zeide mij zijn zoon (aspt. ambt. eerste klasse) met een en ander bekend te hebben gemaakt, en hem gezegd te hebben: "Ik wenschte mij die zaak aan te trekken met klem, maar misschien zal men later u daarvoor donderen." Zijn zoon antwoordde: "Pak het aan.""
De eerste brief, dien Dekker uit Amsterdam schreef, aan zijn vrouw, bevatte deze hoopvolle zinsnede: "Morgen tien uur naar Van Lennep, die volgens Jan, dol ingenomen is met mijn zaak, en mij absoluut wil helpen. Dus heerlijke vooruitzigten." En in den tweeden, na het bezoek bij Van Lennep, heet het: "Maar Van Lennep! Daar ben ik geweest, en ik kan je niet uitdrukken hoe die man mij ontvangen heeft. 't Is kompleet een schadeloosstelling voor al de miskenningen. Nooit had ik op zooiets durven hopen..." enz.
Dekker begon dus Van Lennep te beschouwen, en Van Lennep begon zich ook werkelijk te gedragen als: Dekker's beste vriend. In een brief van 6 Dec. '59 lezen wij dat De Bull, met wien Dekker ook in konnektie kwam, na den plotseling voorgevallen dood van het Kamerlid Stolte, Dekker in diens plaats wilde doen verkiezen, en dat Van Lennep zelfs zoover gegaan was op eigen houtje over Dekker te spreken met de kiesvereenigingen. Als de voormalige minister Baud, dien ook Dekker zeer waardeerde, zich bij die gelegenheid niet ook kandidaat had gesteld, zou Dekker kamerlid of althans kandidaat zijn geworden. Hij had dit trouwens alleen willen worden om R[ochussen, den minister] te dwingen hem Raad van Indië te maken (zie 2e dl., blz. 20). Ten dien einde, om Rochussen te doen voelen dat hij wakker was en werkte, schreef Dekker toen ook een paar staatkundige dagbladopstelletjes, die 9 en 10 December in de Amsterdamsche Courant verschenen en onderteekend waren: "Eduard Douwes Dekker, op verzoek eervol ontslagen Assistent-Resident." Wij lezen in dezen tijd van de korrespondentie niet anders dan dat De Bull, Tydeman en vooral Van Lennep dagelijks voor Dekker in de weer waren. Dato 8 Dec. lezen wij: "Gister zond ik een brief aan V. L., en hij, die een perfecte kerel is, zond dien aan R[ochussen] met een flink bijschrift. Hij zegt: "pas op, vriendje, ik verzeker je dat D. D. een man is, en als je hem wat lang laat wachten maak je hem ongeduldig en dat raad ik je niet aan.""
Van Lennep, Hartsen en De Bull (Amsterd. Courant) en Tydeman (Handelsblad) vertegenwoordigende de twee staatkundige partijen, wilden allen Dekker in de Kamer hebben. Daarop stelde Baud zich op de rij, aan wien de eerstgenoemde partij zedelijke verplichtingen had en dien zij dus, vóór alles, nu moesten steunen. Tydeman was echter tegen Baud en wilde Dekker als den tegenkandidaat poseeren. Daar Tydeman echter door Van Lennep zelf zoo voor Dekker was opgewarmd, vond Dekker het onedelmoedig door met Tydeman mede te gaan Van Lennep in het vaarwater te zitten. Hij kon dit dus niet doen.
Reeds bij dezen brief, van 8 December 1859, biedt de uitgeefster ons een exposé van den toestand, waarop al deze zaken betrekking hebben.
Van Lennep was een der leiders van de konservatieve partij, waartoe ook de minister Rochussen behoorde. Door het ministerie, waarvan ook Rochussen deel uitmaakte, was juist nu echter een spoorwegwet voorgesteld, waar de Amsterdammers, met o. a. Van Lennep aan 't hoofd, sterk tegen waren. Van Lennep en De Bull met zijn Amsterdamsche Courant ageerden dus tegen het ministerie. Toen de zaken juist zóo stonden, kreeg Van Lennep het handschrift van Max Havelaar in handen. Hij begreep terstond de portée van dit werk en welke waarde het als wapen in het arsenaal der ministeriebestrijders hebben kon. Van Lennep's ingenomenheid met Max Havelaar op zich zelf was oorspronkelijk oprecht. Maar, "hetzij dan gaandeweg, hetzij reeds terstond" zegt de uitgeefster der Brieven, kwam bij Van Lennep de gedachte op, Max Havelaar vooral als strijdmiddel tegen het ministerie te gebruiken. De uitgeefster gebruikt niet het woord "vooral" maar uit haar toon valt op te maken, dat zóo toch haar bedoeling is. Wij zijn het daarmede niet eens. De bespiegelende ingenomenheid van Van Lennep met Max Havelaar kon zeer goed met zijn inzicht in het praktische nut, dat het boek voor hem en de zijnen hebben kon, samengaan, zonder dat het éene in zijne waardeering zwaarder woog dan het andere. Maar verder is de voorstelling, door de uitgeefster aan de zaak gegeven, naar ons voorkomt juist,--tot aan de eindkonklusie. Zij zegt dan, dat Van Lennep, die volgens Dekker's beschrijving een joviaal, aangenaam mensch was, schik had in den strijd en er dus een soort van schalksch genoegen in vond den minister Rochussen uit de verte met dat boek, den M. H., te dreigen. Maar zijne partijgenooten vermaanden hem tot kalmte en ingetogenheid. Vooral zijn schoonzoon Hartsen, deftig man van den eersten graad, lid der Eerste Kamer, van wien de uitgeefster eenigszins ironisch vermeldt, dat hij "ontzaggelijk ingenomen" met Max Havelaar was, maar ondertusschen het manuscript weken lang onder zijne berusting hield, zonder aan den schrijver eenig blijk te geven van geestdrift of waardeering. De spoorwegwet werd in de Eerste Kamer afgestemd, en de uitgeefster zegt, dat Van Lennep zich toen "liet sussen". Hij had toen den Max Havelaar niet meer noodig als wapen tegen het ministerie, hij bezorgde dus wel de uitgaaf van het boek, "maar in zijn, in 1862 uitgegeven brochure, staat toch met ronde woorden te lezen, dat het zijn doel was de verspreiding van het werk te belemmeren." Hieruit zou men dus moeten konkludeeren, dat, indien de spoorwegwet niet afgestemd geworden ware, Van Lennep den Max Havelaar uitvoeriger zoude hebben doen verspreiden. Met deze opvatting kunnen wij ons slechts gedeeltelijk vereenigen.
Doch wij zeggen met de uitgeefster "later meer daarover", en willen eerst de geschiedenis van Dekker's betrekking tot Van Lennep voortzetten waar wij haar geschorst hebben.
Van Lennep dan, vernemen wij nog, had aan Rochussen geschreven: "Indië heeft een man noodig en Dekker is die man." Intusschen maakte Dekker zich steeds zeer bekommerd over de "bijzaken" en begon de vreeselijke drukte van zijn leven, waaraan hij niet gewoon was, hem zeer te vermoeien; zoodat wij, do. 10 December, lezen, dat, nu Rochussen eindelijk geantwoord had in afwijzenden zin op het voorstel om Dekker Raad van Indië te maken, Dekker er naar verlangde uit Holland weer weg te komen en in Brussel op zijn gemak wat te rusten en te werken. 11 Dec., toen hij nog niet wist, wat het "ontzaggelijk ingenomen" van Hartsen beduidde, wilde hij weer wèl in Amsterdam blijven, enthousiast als hij was over Van Lennep's brief, waarin dat oordeel van Hartsen werd medegedeeld.
Tusschen 11 December 1859 en 11 Januari 1860, vernemen wij nog alleen, dat de heer Jan een voorloopige bijdrage van vier honderd gulden wil geven om Dekker in staat te stellen zich met zijn gezin in Brussel te etablisseeren, waar hij dan door werken zelf verder ook geld zou verdienen; maar dat Dekker, rekenende met zijn familie vier honderd gulden per maand noodig te hebben, zich op dié verbintenis alleen niet durfde verlaten om de expatriëering te ondernemen. Ook hooren we, dat de heer Hartsen wel duizend gulden op de Max Havelaar-uitgave zou willen voorschieten, maar dat Dekker dit voorstel repugneerde daar het zooveel overeenkomst had met "beleenen op pand."
Vóór den éénigen brief, die uit deze periode beschikbaar was en waarvan wij hier den inhoud mededeelden, heeft de uitgeefster der Brieven een aanteekening geplaatst, die, indien men bedenkt in welke verhouding zij zelve gestaan heeft tot Dekker's eerste echtgenoote, niet onaardig karakteristiek is, in hoe bezadigde en kroniek-achtige termen dan ook vervat. "De brieven," schrijft zij, "sluiten nu niet meer zoo geregeld aan elkaar als vroeger. Eenigen zullen verloren zijn gegaan, anderen opzettelijk vernietigd. Dit laatste durf ik veronderstellen omdat ik dikwijls in later jaren heb bijgewoond (wij wisten niet, dat de dames elkaar zóo intiem hadden gekend, dat de eene in bijzijn der andere handelingen volbracht, die anders bij uitstek behooren tot die, ter volvoering waarvan men een oogenblik van eenzaamheid afwacht) dat Tine een brief van Dek ontvangende, zoodra zij bemerkte dat er iets in stond wat haar onaangenaam zou aandoen, dien verscheurde en in de kachel wierp."
Men kan begrijpen welk een gevoel zulk een handeling van Dekker's eerste vrouw opwekte in Dekker's tweede vrouw. Zij, die Dekker zoo vereerde, moet deze handeling wel afgrijselijk hebben gevonden, en indien, waaraan na haar eigen mededeeling natuurlijk niet te twijfelen valt, mevrouw Douwes Dekker-Hammink Schepel er in levenden lijve bij tegenwoordig is geweest, dat mevrouw Douwes Dekker-Van Wijnbergen Dekkers brieven, als teeken van afschuw, in de kachel wierp zonder ze gelezen te hebben, mag men wel aannemen, dat al haar wél-opgevoedheid haar op zoo'n oogenblik ten dienste heeft moeten staan om haar te beletten als eene furie op hare voorgangster aan te vliegen en haar de kostbare papieren te ontrukken, die zij snood aan de vernietiging wilde prijs geven.
Intusschen moeten wij met de uitgeefster van meening verschillen, waar zij uit het feit, dat Dekker's eerste echtgenoote, toen de verhouding tusschen haar en haar man ten uiterste gespannen geworden was, zijne brieven in woede en verdriet vernielde, het gevolg trekt, dat Tine zich ook reeds in een vroegere periode, toen de verhouding, in vergelijking met later, nog weinig te wenschen overliet, zich aan soortgelijke handelingen zou hebben schuldig gemaakt. Wij gelooven eerder dat de brieven die hier ontbreken "verloren zijn gegaan", dan dat zij "opzettelijk vernietigd" zouden zijn.
De eerstvolgende brief, welken wij nu te lezen krijgen, is van 10 of 11 Januari 1860. Wij vernemen daaruit, dat Dekker met zijn gezin den 15en Januari naar Brussel zal gaan, om eenige maanden rust te genieten. De heer Jan gaf f400 als voorloopig voorschot, waarvan echter f100 afgetrokken zou worden, naar wij uit den brief meenen te begrijpen, voor de passage van de baboe, die naar Indië teruggezonden werd. En de heer Van Lennep--daarom passen deze mededeelingen hier noodzakelijk in dit historisch overzicht--zou f200 per maand geven, waarvan echter f50 zou worden afgetrokken ten bate der Wageningsche tantes. Tijdens Dekker's afwezigheid zoude dan Van Lennep de uitgaaf van Max Havelaar bezorgen.
Zeer juist merkt de uitgeefster op, dat het, met het oog op het, later gevolgde, bekende rechtsgeding tusschen Dekker en Van Lennep, over het eigendom van Max Havelaar, niet weinig belangrijk geweest zoude zijn, indien zij ook de tijdens Dekker's verblijf te Brussel in dezen tijd tusschen hem en Van Lennep gewisselde brieven had kunnen opnemen in de korrespondentie. Doch de pogingen, in 1871 door Dekker zelf, en nú, bij de voorbereiding dezer uitgave der Brieven, door de uitgeefster aangewend, om die brieven machtig te worden, zijn mislukt. Tijdens het rechtsgeding had Dekker ze, ter vervollediging der geding-bescheiden, aan zijn advokaat, Mr. J. G. A. Faber, ter hand gesteld. Doch deze heer wist later niet waar zij gebleven waren, en Mr. Mouthaan, de opvolger van Mr. Faber, had ze ook niet, bij den overgang van het kantoor, van dezen overgenomen. Ook de heer Willem van Lennep, zoon van Mr. Jacob, door de uitgeefster daarnaar gevraagd, kon zich niet herinneren bij de papieren zijns vaders brieven van Dekker te hebben gevonden. De uitgeefster neemt dus aan dat die vernietigd zijn. (Zie Br. 2e dl., blz. 61, 62.)
Eenige maanden leefde Dekker nu vereenigd met zijn gezin te Laeken (Brussel). De uitgeefster merkt aan, dat dit een tijd van betrekkelijke rust voor het gezin was. De uitstapjes, van hier uit naar Spa ondernomen, hebben wij reeds vermeld. In Mei verscheen de Havelaar, 14 Juni reisde Dekker terug naar Holland.
Wij vestigen er de aandacht op, dat Dekker dus, toen de voorbereidende maatregelen ter uitgave werden genomen en toen de uitgave plaats had, niet ter plaatse aanwezig was. Wij vestigen hierop nadrukkelijk de aandacht, omdat Dekker op die wijze verzuimde den persoonlijken invloed op de wijze van uitgeven te oefenen, waardoor wellicht de verkeerde praktijken voorkomen hadden kunnen worden, waarover hij zich later vruchteloos beklaagde. Was deze onthouding van onmiddellijk persoonlijk beheer niet wijs, niet verstandig,--zij was daarentegen zeer natuurlijk en verklaarbaar. Dekker had de grootste behoefte aan rust, na al het tobben en zwerven en de druktes der laatste jaren, en: Dekker beschouwde Van Lennep als zijn besten vriend en vertrouwde hem volkomen; dat wil zeggen: vertrouwde volkomen, dat Van Lennep Dekker's belang begreep, precies zooals Dekker dat zelf begreep, en dat hij dit op die wijze begrepen belang, zonder eenige andere konsideratie, tot richtsnoer van zijn handelingen zoude nemen.
Dekker reisde naar Rotterdam, van waar uit hij de korrespondentie met zijne vrouw hervatte. Hoofdzakelijk vernemen wij nu vooreerst alleen Dekker's blijde uitingen over het steeds grooter en grooter wordend, en hem zelf verbazend, welslagen van zijn werk. Do. 17 Juni (1860) spreekt Dekker reeds van eene "nationale inschrijving," waar hij toen zekeren Van Prehw zich aan 't hoofd van wilde zien stellen. Dit schijnt dus geen denkbeeld van later geweest te zijn, maar tijdens of even vóor de Havelaar-uitgave bij hem te zijn opgekomen. Waar wij echter op 't oogenblik, met betrekking tot de kwestie-Van Lennep meer belang in stellen, is de reeds in dienzelfden brief van 17 Juni voorkomende uitlating: "Maar uit alles blijkt dat die De R. een slaapmuts is." Hiermede werd bedoeld: de door Van Lennep voor deze onderneming aangezochte uitgever De Ruyter. Tels, de hoofdredacteur der N. Rott. Crt., had namelijk gezegd, dat er nú reeds (na pl. m. vier weken) een derde druk van het werk had moeten zijn, en Nijgh, de uitgever der N. Rott. Crt., dat er duizend exemplaren naar Indië hadden behooren te worden gezonden.
"Is dat nu niet gloeiend jammer," schrijft Dekker, "dat door zulke slaperigheid mijn boek minder effect maakt dan het bij een flinken boekverkooper maken zou? Het is om te schreien. En je begrijpt dat als de furore eens voorbij is zooals alle fureurs en enthousiasmes voorbijgaan,--dat het dan te laat is."
Wij spatiëeren deze laatste woorden. Hierop, zal men zien, komt het aan, hierop is het geschil tusschen Dekker en Van Lennep gegrondvest; namelijk op het antwoord, dat de vraag uitlokt: waarvoor het "dan te laat" zoude zijn.
Maar wij zien verder. Blz. 71 lezen wij: alles zou goed gaan... "maar die vervloekte De Ruyter". "Ik klaag bij V. L. steen en been over De Ruyter. 't Is een ware schande," do. 25 Juni: "Ik begin hoe langer hoe meer in te zien, dat men wel mijn boek verheft als boek, maar verder niets. 't Is wel hard!"
Voortdurend houdt hij zich nu bezig met de recensiën, die achtereenvolgens de verschillende tijdschriften over Max Havelaar publiceerden. De brieven aan Tine zijn daar vol van. Hij had toen nog niet de verachting voor het publiek en de publieke opinie, die zich langzamerhand van hem zou meester maken. Hij genoot er nog even kinderlijk als buitensporig van zijn naam overal gedrukt te zien--iets volstrekt ongewoons--en al de verschillende meeningen en uiteenloopende waardeeringen over zijn, hem zoo innig van nabij bekend, geesteskind te lezen. Men kan dit genot vergelijken bij dat van eene moeder, die een eenig teér bemind zoontje heeft, dat eenige jaren lang met de uiterste zorg door haar is verpleegd en opgevoed, altijd in het stille huiselijk intérieur, waar alle leed en elke harde aanraking met de buitenwereld ver van hem werd gehouden; en die nu, voor het eerst, hem een kinderpartij laat bezoeken. Hoe leeg voelt zij hare hand als zij hem loslaat, opdat hij zich alleen en vrij onder de speelgenootjes zal gaan bewegen. Zie, daar gaat hij, zij kijkt hem na. Ja, hoe kijkt ze hem nu na, hoe spitst ze nu het oor, om te zien en te hooren, wat die en wat die en wat die derde zal zeggen van haar schat, van haar kind! Wèl luistert zij aandachtig naar wat men dáarvan zal zeggen, en wát dáarvan, wat van zijn oogjes, wat van zijn heele gezichtje, wat van zijn blonde haar, wat van zijn lieve kleertjes, die zij met zooveel zorg en oplettendheid heeft gekozen en geschikt...
Nu, zóo volgde Multatuli de appreciaties, die zijn eerste boek ten deel vielen.
De eerste uiting van ontevredenheid tegen Van Lennep treffen wij aan in een brief van 23 Juni:
"Van Lennep komt mij voor alsof hij zeggen wil: ik heb het mijne gedaan! En eigenlijk heeft hij niets gedaan, want als de M. H. het aan mij verstrekte geld niet dekt, dan is dat de schuld van den beroerden boekverkooper waar hij mij gebracht heeft."
De Ruyter had maar dertig ex. van M. H. naar Indië gezonden. "Is dat niet om te schreien?" roept Dekker uit. "En dan praat V. L. van ondankbaar [-heid jegens De Ruyter.]" Do. 22 Juli lezen wij: "Ik zoek geld om baas te worden over de uitgave, want die de R. is ellendig. De vent heeft geen verstand van de zaak, maar Van Lennep zit mij in den weg"; 29 Aug.: "Ik ben dol op dien De Ruyter! V. L. is weer in stad gekomen, maar ik heb hem niet te huis gevonden. 't Is bedroevend!" 1 Sept. lezen we, dat Dekker nog bij V. L. geweest was, waar allen hem heel hartelijk ontvingen. Een paar dagen later: "Die vervloekte zaak met Van Lennep. Nog ben ik daarmee niet klaar." Op 12 Oktober: "[ik heb] ruzie met Van Lennep" en "Van Lennep is... ja ik weet niet wat ik er van zeggen moet." Van Lennep had namelijk, eindelijk, na lang talmen, op Dekker's voortdurend aandringen, dat er van Max Havelaar een goedkoope uitgaaf zou bezorgd worden, geantwoord: "Wie een huis koopt heeft het recht het te verbouwen zonder den verkooper te raadplegen."
Dit antwoord van Van Lennep bracht het tusschen hem en Dekker tot een uitbarsting. Op 20 Oktober lezen wij: "Misschien zal ik moeten overgaan tot de treurige noodzakelijkheid om V. L. een proces aan te doen. Dat zal mij zeer hard vallen. Prof. Veth is het met mij eens dat hij mij infaam behandeld heeft. De opgang van M. H. stijgt nog. 't Is ongehoord. De eerste druk is zoo goed als uitverkocht en V. L. wil de volgende drukken voor zich houden!" 3 November 1860: "Ik lig overhoop met Van Lennep. Ik moet gelooven dat hij mij bedrogen heft. 't Is schande."
13 November vernemen wij dat de kogel door de kerk is in deze lakonieke woorden: "Proces met Van Lennep."
Zes maanden later, 15 Mei 1861, werd in dit proces voor de eerste maal gepleit.
In een brief van 2 Juni schrijft Dekker: "Proces Van Lennep eerste instantie, heb ik verloren. Never mind! appel! Ik zal 't behandelen."
Dekker of zijn advokaat hebben geäppelleerd van het vonnis van de arrondissementsrechtbank te Amsterdam, en den 22sten Mei 1862 kwam de zaak voor het provinciaal gerechtshof.
In het schrijven van 24 Mei 1862 heet het: "Verleden Donderdag heb ik gepleit voor 't Hof. Had je 't gelezen in de courant? Maar er staat niets bij, alleen dat ik gepleit heb. Die zaak met V. L. verveelt mij."