Moeder en kind

Part 9

Chapter 93,770 wordsPublic domain

Te vroeg geboren kinderen zijn kleiner, lichter en magerder. De huid is rooder, dunner, en overal van wolharen voorzien. De hoeveelheid huidsmeer is veel geringer, op bovenlip en neus zijn talrijke fijne puntjes, als uiting van verstopte talkklieren, waar te nemen. De schedelbeenderen zijn buigzaam, dikwijls gemakkelijk in te drukken, de nagels minder lang dan bij het voldragen kind en weeker. Het kind schreeuwt niet krachtig, de stem is meer piepend.

De eerste zorg voor het kind bestaat in reiniging. Ten einde het gemakkelijker te bevrijden van het huidsmeer, wordt het over het geheele lichaam ingesmeerd met olie of een ander vet, b.v. door middel van een in olie gedrenkte prop ontvette watten, en daarna goed schuimend ingezeept met een neutrale, beter nog overvette zeep, door middel van ontvette watten of een zachte spons. Vervolgens brengt men het kind in een lauwwarm bad van 35° C. (28° R.). Men vatte het kind met de linkerhand zoo aan, dat deze onder den linkerschouder komt en nek en hoofd op pols en onderarm komen te liggen. Gezicht en ooren moeten buiten het water blijven. Met de andere hand wordt dan het kind zorgvuldig gewasschen. De temperatuur van het water moet door een thermometer worden bepaald, vooral niet door de hand. Als badkuip kan men allerlei groot vaatwerk gebruiken. Eenvoudig, doelmatig en goedkoop is een groote zinken teil, waarin men een groot stuk schoon molton legt, dat gedeeltelijk over den rand heen hangt. Na 3–5 minuten goed afwasschen, waarbij alle zeep wordt afgespoeld, neemt men het kind uit het bad, wikkelt het in een verwarmden grooten badhanddoek, legt het op een matrasje op tafel en droogt het zacht, doch goed af. Het matrasje beschut men door een daarover gelegd stuk hospitaaldoek. Het aangezicht behoort men afzonderlijk te wasschen, liefst buiten het bad, met schoon lauwwarm water; de oogen te reinigen met watten, gedrenkt met 3%’s boorzuur-oplossing of met uitgekookt water, voor ieder oog een afzonderlijk wattepropje, in de richting van den binnenhoek van het oog, dus naar den neus toe. De mond behoeft niet gereinigd te worden. Evenmin is het noodig de neusgaten met, tot een rolletje gedraaide, watten te reinigen, terwijl het slechts zelden of nooit noodig is op die wijze de ooren inwendig schoon te maken.

Nadat het kind aldus gereinigd en behoorlijk afgedroogd is, wordt het gepoederd, waarbij vooral gelet moet worden op alle plaatsen waar twee huidvlakten elkander aanraken, zooals de oksels, hals- en liesplooien, omgeving van de geslachtsdeelen en van de aarsopening. De eenvoudigste en zindelijkste wijze van poederen is die door middel van een bus, zooals de peperbus is ingericht. Elke kwast, ook al is die nog zoo mooi, kan gevaarlijk worden, doordat hij, steeds weder gebruikt wordende, tot besmetting aanleiding geven kan. Als strooipoeder gebruike men talkpoeder, gesteriliseerde witte pijpaarde (bolus alba), of vasenolpoeder, liever dan gemalen rijst of andere plantaardige poeders, en ongeparfumeerd.

De kleeding moet aan de volgende eischen voldoen. Zij moet het lichaam gelijkmatig bedekken, de warmte van het lichaam zooveel mogelijk op gelijke hoogte houden, licht en zacht zijn, de bewegingen van het kind zoo min mogelijk belemmeren en dus nergens knellen of te nauw aansluiten. Eene uit drie lagen bestaande kleeding, waarvan de onderste laag uit eene niet te dunne, losjes gebreide, gehaakte of geweven, stof, de bovenste uit wat meer gesloten stof bestaat, voldoet aan deze eischen. Bovendien moet men haar zoo kiezen, dat zij gemakkelijk kan gewasschen worden en het aan- en uitkleeden in den kortst mogelijken tijd geschieden kan, zonder dat het kind er eenigen last van ondervindt. [1]

Men begint met het aanleggen van het navelverband, dat dient om de rest van de navelstreng, goed verzorgd, te beschutten. Vooral hierbij, nu en gedurende den tijd vóór de rest afgevallen en de wond genezen is, moet men de grootst mogelijke reinheid en zorgvuldigheid in acht nemen. Het overgebleven gedeelte wordt met een stukje steriel hydrophiel gaas of met een laagje steriele verbandwatten omwikkeld, het geheel naar links en boven op den buik van het kind gelegd en vastgehouden door een navelband. Ook hierbij is eenvoud het ware. Het eenvoudigste verband verkrijgt men door een katoenen tricot-windsel, van ± 7 cM. breedte, zonder het te sterk aan te trekken, een paar malen om het buikje te wikkelen, het af te knippen en het einde met een veiligheidsspeld, in overlangsche richting, vast te steken. Zulk een verband sluit overal goed aan, verschuift niet gemakkelijk en kan gewasschen worden, of, beter nog, omdat de kosten zeer gering zijn, weggeworpen worden, zoodra het door een nieuw vervangen is.

Zelden komt het tot bloeding uit de rest van de navelstreng. Mocht dat gebeuren, dan moet er nogmaals een bandje om de navelstreng, tusschen de eerste onderbinding en de huid, gebonden worden. Zulk een bandje moet, opdat het inderdaad rein en zuiver zij, eerst uitgekookt worden. Voor men tot het onderbinden overgaat, moet men zorgvuldig de handen wasschen. Tevens vertelle men den dokter, wat er geschied is.

Vervolgens wordt het kind verder aangekleed. Wanneer het kind gekleed is, wordt het in het vooraf, door middel van een warmwaterkruik, verwarmde bedje gelegd, tot aan de kin toegedekt en aan zich zelf overgelaten. Het bedje moet zoo geplaatst zijn, dat het kind beschut is tegen licht, tocht en sterke geruischen. Het hoofdeinde wordt daarvoor meestal omgeven door een behang. In den zomer vooral is het aan te raden het geheele bedje te omgeven met muskietengaas, waarvan de onderste uiteinden niet los neerhangen, daar muskieten dan de gelegenheid hebben van onderop langs de plooien naar binnen te komen. Het gaas moet daarom rondom in het bedje ingestopt worden of over een band, welke om het ledikant gespannen is, zoodat van binnendringen der muskieten geen sprake meer zijn kan.

Te vroeg geboren kinderen hebben te slechter kans om te blijven leven, naarmate zij vroeger geboren zijn en vereischen daarom meerdere zorgen. Een van de hoofdzaken waarop gelet dient te worden, is die, dat afkoeling van het lichaam zooveel mogelijk vermeden wordt, een tweede, dat de voeding met zorg geregeld wordt. Ter bereiking van het eerste wordt het kind in watten gelegd en door warmwaterkruiken omgeven, en het bedje geplaatst in eene kamer, waarin de temperatuur zoo gelijkmatig mogelijk, op 30° C. (28° R.) gehouden wordt. Dikwijls worden zulke kinderen ook in een broedstoof of couveuse gebracht. Omtrent den gunstigen invloed daarvan zijn de meeningen verdeeld. De geneesheer zal hierin, evenals in de vraag omtrent de voeding, van raad dienen. Voor deze kinderen is de moederborst van nog grooter belang, dan voor den voldragen zuigeling.

Het kind, dat na de geboorte warm in het bedje ligt, valt in een vasten rustigen slaap, waaruit het na eenige uren ontwaakt en dan de behoefte aan voedsel door schreien kenbaar maakt. Dan kan de moeder haar kind aan de borst leggen. Eenige reden om daarmede een of twee dagen te wachten, bestaat er niet, en zeker zal het kind er meer aan hebben dan aan suikerwater, venkelwater of diergelijke middeltjes.

Na de voeding weder in het bedje gelegd, slaapt het kind in, om door dezelfde behoefte gewekt te worden. Urine-loozing en ontlasting vinden in den slaap, of onmiddellijk na het ontwaken, plaats. Zoo gaat het de eerste dagen door.

Gedurende den eersten dag is de ontlasting van dezelfde soort als dadelijk na de geboorte. Met den 4en of 5en dag maakt zij plaats voor de normale zuigelingenontlasting. Bij kinderen, die aan de moederborst gevoed worden, is de ontlasting dik brijachtig, als een zalf, goudgeel van kleur, welke echter bij lang staan verandert. Kinderen die om een of andere gewichtige reden de moederborst moeten ontberen en met de flesch gevoed worden, b.v. met koemelk, hebben eene ontlasting, in grootere hoeveelheid, welke veel stijver en drooger is, brokkelig, grijsachtig geel van kleur, op leem gelijkend en zwaarder.

In den aanvang komt de ontlasting vaak 3–6 maal per dag, later 1 of 2 maal in de 24 uren.

De geloosde urine is in de eerste dagen wel is waar troebel, later helder, doch van dat verschil bemerkt men in de luiers niet veel. Opvallend daarentegen is eene roodachtig gele verkleuring van de luier, welke te wijten is aan eene poederachtige stof, urine-zuur, die in den eersten tijd in vrij groote hoeveelheid met de urine wordt uitgescheiden. Het verschijnsel is van geen beteekenis en behoeft dus geen ongerustheid te verwekken.

Zoo ongemerkt geraakten wij in onze beschrijving reeds van den dag der geboorte verwijderd. Wat wij nu laten volgen is dan ook eene bespreking van allerlei, wat geleidelijk verdwijnt, opkomt of verandert, en waarbij in dit korte overzicht moeilijk met uren of dagen rekening kan gehouden worden.

Volgens Preyer [2], wien wij een aantal zorgvuldige onderzoekingen en opmerkingen danken met betrekking tot verschijnselen, die zich bij het pasgeboren kind, den zuigeling en ook gedurende de verdere ontwikkeling van het kind voordoen, en aan wien wij het nu volgende ontleenden, kan het kind onmiddellijk of weinige minuten, hoogstens uren, na de geboorte licht en donker onderscheiden. Het sluit de oogen snel en krampachtig wanneer het lichtschijnsel op het gelaat en in de oogen valt, waarbij kan opgemerkt worden, dat de pupil-reactie in de eerste uren na de geboorte reeds tot stand komt. Die reactie bestaat daarin, dat, bij invallen van het lichtschijnsel, het zwarte plekje in het oog, de zoogenaamde pupil, kleiner, bij verwijdering van het licht, dus in de duisternis, grooter wordt. Slapende zuigelingen worden, na eenige dagen levens, onaangenaam aangedaan door op het gelaat vallend lichtschijnsel, zooals blijkt uit het vast toeknijpen der oogen; velen worden zelfs onrustig of ontwaken. De lichtschuwheid is in den beginne, na het ontwaken en na oponthoud in donker, groot, doch spoedig wordt schemerlicht gezocht en werkt dus in geen geval onaangenaam. Na eenige dagen doet gewoon daglicht of een lichtend voorwerp aangenaam aan, de lichtschuwheid vermindert. Het bewegen van het hoofd in de schemering b.v. naar het venster of naar het licht toe, dat van den zesden dag af is waar te nemen, geschiedt dus niet omdat het kind ziet, maar omdat het door het lichtschijnsel eene aangename gewaarwording ondervindt. Hetzelfde doet het kind bij het naderen van de warme moederborst. Zelfs in donker zal de zuigeling iets onaangenaams gevoelen als men zijn hoofdje daarvan afwendt. De hoofdbeweging, naar het licht toe, is dus niet op te vatten als eene willekeurige richting van den blik. Fixeeren kan het pasgeboren kind niet, omdat het niet in staat is de oogspieren willekeurig te bewegen. Als men meent waar te nemen, dat het kind den blik b.v. naar de vlam eener kaars gericht houdt, is dat geen fixeeren doch staren, want de richting van zijn blik verandert niet, het staren houdt niet op, als men de kaarsvlam verwijdert. Voor den tienden dag heeft men geen eigenlijke fixatie-bewegingen waargenomen. Daarna begint het kind het hoofd van het eene verlichte voorwerp naar het andere te bewegen; van den 23en dag, meestal nog later, begint het, bij rustig gehouden hoofd, een langzaam bewogen voorwerp met de oogen te volgen. Dan kan men van zien spreken, maar nog niet van fixeeren, al drukt ook het gelaat reeds eenige intelligentie uit. Nog later volgt dan het vermogen om voorwerpen met het oog te volgen. Zien, in de eigenlijke beteekenis van het woord, kan het kind in de eerste weken dus niet.

Pasgeboren kinderen houden de oogen meer gesloten dan open. Wanneer zij de oogen openen, geschiedt dat ongelijkmatig. Het eene oog b.v. gaat open, terwijl het andere gesloten blijft. Dat afwisselende openen en sluiten duurt tot ongeveer den 11en dag, daarna wordt het zeldzamer, maar het blijft zelfs gedurende de eerste maand zoo, dat, als beide oogen opengehouden worden, zij niet even wijd open staan. Bij snelle nadering met de hand, met den vinger, met het hoofd of met eene brandende kaars schrikt het kind nog niet, het knipt ook niet met de oogleden. In de eerste weken ontbreekt die snelle ooglidslag, bij snel naderen van eenig voorwerp naar het gezicht.

De bewegingen van het oog zelf vertoonen bij pasgeboren kinderen geen samenwerking en zijn in de eerste dagen onregelmatig. In de eerste zes dagen heeft de beweging der oogen naar links en rechts nog niet volkomen gelijktijdig plaats. Zeer vaak beweegt het eene oog zich onafhankelijk van het andere en draait het hoofd zich in eene richting tegenovergesteld aan die, waarin de oogen zich bewegen. De oogspieren trekken zich namelijk, evenals alle andere spieren van het lichaam, ook die van het gelaat, bij den jongen zuigeling nog doelloos samen. Daarom worden onregelmatige en onderling ongelijke oogbewegingen waargenomen, zonder dat van zien of zelfs van lichtgewaarwording, bij neergeslagen bovenste oogleden, sprake zijn kan, bewegingen welke allerlei bewegingen in het gelaat, grimassen, voorhoofdfronsen en bewegingen der lippen begeleiden, terwijl het kind rustig ligt en niet schreit. Slapende zuigelingen bewegen, zonder te ontwaken, dikwijls de gelaatsspieren, vooral de lippen en de oogleden. Vaak slaapt het kind met half geopende oogen in en ziet men dan eveneens doellooze bewegingen van het oog.

Opmerkelijk is het, hoe de oogen zich dikwijls in eene houding plaatsen als bij iemand die sterk scheel kijkt, of zooals men dat waarneemt bij het richten van den blik naar de punt van den neus. Dat is in het begin van de derde week niet zoo sterk en zoo menigvuldig het geval meer als in de eerste week, doch het kan zelfs na de tiende week nog lang worden opgemerkt, als het kind wakker ligt. In den slaap blijven onregelmatige bewegingen van oogen en oogleden, evenals het half openen der oogen, nog langer voortbestaan. Naarmate de macht om voorwerpen te fixeeren toeneemt, neemt dit verschijnsel af. Iets dergelijks neemt men later waar als het kind loopen leert. Ook dan verminderen allengs de onregelmatige doellooze bewegingen der beenen.

Men kan ook opmerken hoe soms het eene oog zich langzaam naar rechts, het andere zich tegelijkertijd naar links, of het rechteroog naar boven rechts, het andere zich naar boven links beweegt, alsmede dat de oogen niet op gelijke hoogte staan, b.v. het rechteroog naar links en iets naar beneden, het linkeroog naar links en iets naar boven; zoo ook geheel eenzijdige bewegingen, b.v. zoo dat het eene oog den waarnemer schijnt te fixeeren en het andere zich zijwaarts beweegt. Dit laatste is waar te nemen als men bij het slapende kind de oogleden oplicht, maar ook, gedurende de eerste dagen, als het kind wakker is.

Dadelijk na de geboorte kan het kind waarschijnlijk niets ruiken, maar na eenige uren, vaak reeds in het eerste uur, kunnen normale kinderen aangename en onaangename geuren onderscheiden. De gewaarwordingen geven hun een gevoel van welbehagen of afkeer, dat met den dag in sterkte toeneemt. Zoo willen kinderen, die enkele weken oud zijn, b.v. de borst eener min niet nemen als hare huid onaangenaam riekt en schreeuwen zij reeds wanneer zij bij de borst gebracht worden. De met melk of brij gevulde lepel ruiken zij in donker reeds vroeg en de tegenzin van vele zuigelingen in de eerste week om koemelk te nemen, als zij vrouwenmelk gehad hebben, moet meer op den reuk dan op den smaak betrekking hebben, omdat zij soms, zonder te proeven, de melk reeds weigeren.

Toch treedt ook een zeker onderscheidingsvermogen voor de smaakgewaarwording dadelijk na de geboorte in werking. Sterk van elkander afwijkende smaakprikkels, zooals zout, zoet, zuur en bitter, worden onderscheiden.

Het hooren is bij het pasgeboren kind zoo onvolkomen, dat men elken pasgeborene doof noemen moet. Dadelijk na de geboorte is het middenoor nog gevuld met eene eigenaardige gelei-achtige stof of met vocht, waarschijnlijk vruchtwater, dat na eenige uren van ademen en slikken langzaam wegvloeit. Dan is het middenoor met lucht gevuld en kan het gehoororgaan werken. Daar komt bij, dat de uitwendige gehoorgang zeer nauw is en de wanden nog tegen elkander liggen.

Voor het einde van de eerste week reageert het voldragen normale kind op sterke geluidprikkels, bemerkbaar aan het trekken met de oogleden, voorhoofdfronsen, ineenkrimpen, trekken van armen en bovenlichaam, terwijl slapende kinderen wakker worden en schreeuwen. Hardhoorigheid blijft evenwel nog eenigen tijd bestaan.

In den beginne hoort de normaal geboren mensch dus niets, dan slechts iets onduidelijk, vervolgens veel onduidelijk en eerst langzamerhand in de veelheid van het onduidelijk gehoorde iets afzonderlijks duidelijk, ten slotte veel duidelijk, waarbij sterke hooge tonen eerder onderscheiden worden dan lagere.

Iedere moeder gebruikt vele duizenden woorden, welke zij haar kind toespreekt, toefluistert, toezingt, zonder dat het er ook maar een enkel van hoort, en vele duizenden woorden zegt zij hem, eer hij er één verstaat. Maar, als zij het niet deed, zou het kind veel later en moeilijker spreken leeren.

Het is bekend, dat pasgeboren kinderen voor pijnverwekkende prikkels minder gevoelig zijn dan volwassenen. Voor een speldeprik b.v. zijn zij zoo goed als ongevoelig. Daarom mag men nog niet beweren, dat zij ongevoelig zijn, want rustige kinderen maken bewegingen en beginnen te schreeuwen, als men ze in de huid knijpt of b.v. op de dij slaat. De uitingen van pijn, en de duur daarvan, zijn evenwel niet zoo sterk en houden niet zoo lang aan als bij oudere kinderen. Die prikkel wordt dus wel degelijk pijnlijk ondervonden. Het verschil is hierdoor te verklaren, dat door het knijpen of door den slag vele, door het speldeprikje weinig zenuwuiteinden in de huid getroffen worden. De gevoeligheid neemt, reeds gedurende de eerste week, met den dag toe.

Verschil in gevoeligheid bij aanraking van verschillende lichaamsdeelen is evenzeer voorhanden als bij den volwassene. Bij het aanraken van de punt van de tong maakt het kind zuigbewegingen, welke in braakbewegingen overgaan, wanneer het achterste gedeelte van de tong en de keel worden aangeraakt. De lippen zijn dadelijk na de geboorte zeer gevoelig. Strijkt men met den vinger langs de lippen, dan maakt het kind, van den zesden dag af, zuigbewegingen, ten minste wanneer het wakker en hongerig is. Wordt het slijmvlies van den neus geprikkeld, dan fronsen de kinderen het voorhoofd, niezen en bewegen de oogleden; bij sterken prikkel bewegen zij het hoofd en brengen de hand aan het gelaat. Wordt de punt van den neus aangeraakt, dan knijpen zij de oogen toe. Dat gebeurt eveneens als men tegen het oog blaast of het met den vinger aanraakt, terwijl daarentegen in de eerste dagen het kind in het bad de oogen openhoudt, ook als het lauwwarme water het hoornvlies bevochtigt. Legt men een vinger in de hand, dan wordt die omvat; wordt de voetzool aangeraakt, dan spreiden de teenen zich uit; bij kloppen tegen de voetzool buigt de voet zich tegen het onderbeen en wordt het been in knie- en heupgewricht gebogen; bij sterken prikkel gebeurt dat ook met het andere been.

Dadelijk na de geboorte wordt het kind onaangenaam aangedaan doordat het, in al zijn natte naaktheid, aan de lucht, waarvan de temperatuur lager is dan die in de baarmoeder, wordt blootgesteld. In het warme bad gebracht, krijgt het weder het eerste aangename gevoel en is dan ook dadelijk rustig, nadat het van te voren flink schreeuwde. De gevoeligheid voor koude en warmte is dus reeds groot. Dat blijkt ook uit de wijze, waarop het kind, als het schijndood geboren is, door het dompelen in koud water, zoodra de ademhaling begonnen is, van kreunen tot schreeuwen overgaat. Dat schreeuwen moet waarschijnlijk als eene uiting van pijn worden opgevat. Het is ook bekend, hoe zeer jonge zuigelingen onrustig worden en schreeuwen, wanneer ze hier of daar met koud water in aanraking komen. Vooral het droge hoofd is gevoelig daarvoor, zooals blijkt bij den doop, waardoor menig kind onrustig wordt. Die gevoeligheid voor plaatselijke warmteonttrekking blijft langen tijd, gedurende de eerste levensjaren, bestaan. De groote gevoeligheid voor onderscheid tusschen koude en warmte, ook bij volkomen gezonde kinderen, blijkt uit hunne wijze van doen, bij pogingen om het dagelijksche bad kouder te maken. Daling van de warmte van het badwater, met een deel van een graad, beneden die welke het kind aangenaam is, kan het tot luid schreeuwen brengen.

Ook de gevoeligheid van het slijmvlies van den mond, van de tong en van de lippen, is bij vele zuigelingen, in de eerste dagen, zeer groot. Wanneer b.v. de zuigflesch slechts weinige graden warmer dan bloedwarmte is, weigert het kind de flesch onder heftig schreien. Hetzelfde gebeurt, als de warmte iets minder is dan die van de melk uit de moederborst. De kinderen leeren echter gemakkelijk water en melk op kamer-temperatuur gebruiken, wanneer zij niets anders krijgen om hunnen honger te stillen.

De wijze waarop het kind zich gedraagt, wordt bepaald door gevoelens van genoegen of welbehagen en verdriet. Behagen is meestal verbonden aan verzadiging, verdriet aan honger. Het gevoel van welbehagen wordt, in de eerste maand, van den eersten dag af, veroorzaakt door het stillen van den honger met het telkens terugkeerende genot van het zuigen en van den zoeten smaak der moedermelk, door het warme bad, door matig helder licht en door het ontkleeden. De bevrijding van doeken en windsels heeft levendige bewegingen ten gevolge, vooral afwisselend strekken en buigen der beenen. Van den eersten dag af uit zich het genoegen reeds door het open houden der oogen, waarop spoedig verhelderde glans der oogen volgt.

Ook de stem is anders, naarmate het kind zich aangenaam gevoelt of niet.

In het eerste halfjaar zijn de gevoelens van onbehagen menigvuldiger dan later. Zelfs bij de zorgvuldigste verpleging, luchtverversching, regeling van temperatuur der lucht en van het bad, contrôle op moeder- of andere melk en surrogaten daarvoor, en in de vriendelijkste omgeving, is het geen enkel kind beschoren geheel gezond te blijven, zonder één dag van verdriet door honger- en dorstgevoel, ongemakkelijke ligging, houding of plaatsing, door koude, gevoel van nattigheid, sterk riekende lucht of vaste inwikkeling.

Onaangename gevoelens worden door schreien en, reeds in den eersten tijd, door mimiek uitgedrukt, vooral door den vorm van den mond.

Reeds op den tienden dag, als het verzadigde kind is ingeslapen, neemt men om den mond eene lachende, vergenoegde uitdrukking waar.

Eigenaardig is het schreien. Doordringend en aanhoudend bij pijn, kermen of jammeren bij ongemakkelijke ligging, onafgebroken en zeer luid in een koud bed, door veelvuldige tusschenpoozen afgebroken bij honger, plotseling tot onverwachte sterkte aangroeiende en dadelijk weder afnemende als het kind iets begeert en het niet krijgt.

Een tweede teeken van onaangenaam gevoel is het toeknijpen der oogen; een derde het afwenden van het hoofd, zonder schreien, reeds in de eerste maand. Vooral van gewicht is het neêrtrekken van de mondhoeken, dat zelfs in den slaap voorkomt en bij onwelzijn voortdurend aanwezig is. Daaraan alleen reeds kan men zien of de stemming van het kind eene vroolijke of eene droevige is. Dit teeken is evenwel niet zoo vroeg waar te nemen als de andere.