Part 10
Spoedig na de geboorte doet zich reeds honger en dorst gevoelen. Duurt het honger- en dorstgevoel lang, dan schreit het kind en wordt onrustig. In de eerste dagen verdwijnt de onrust telkens tijdelijk, wanneer het kind iets in den mond gestoken wordt waarop het zuigen kan, doch reeds na de eerste week laten vele zuigelingen zich op die wijze niet foppen. Gedurende de eerste dagen zuigt het hongerige kind op zijn eigen vingers, doch begint spoedig weder te schreien. Dat schreien is anders dan bij pijn. Het wordt niet zoo lang onafgebroken voortgezet. Zeer kleine hongerige kinderen schreien met lange en korte tusschenpoozen. De stem heeft een helderen klank en is niet zoo hoog, als bij het schreeuwen van pijn. De oogen worden meestal toegeknepen, de tong wordt in den mond teruggetrokken en is breed. Een zeker teeken van honger en sterke begeerte naar voedsel is het opensperren der oogen bij het naderen van de borst.
Bij jonge kinderen treedt vooral in den eersten tijd vermoeienis op door schreien en zuigen. Laat men ze hongerig schreeuwen, dan slapen zij spoedig in, ook zonder voedsel te hebben gekregen. Ook het zuigen aan een weinig melkbevattende borst is vermoeiend. Vaak wordt het dan door langere tusschenpoozen afgebroken en herhaaldelijk slaapt het kind in, ook al is het hongerig. Wanneer het verzadigd is, zuigt het niet meer en wanneer het moe is, doet het dit onregelmatig en zonder kracht.
Het brengen van eigen handen in den mond heeft bij de zuigelingen nog niets met grijpen te maken. Bij het doelloos bewegen van de handen, komen die ook wel in het gelaat en in den mond. Dat is te verklaren uit de houding, welke de armen bij het ongeboren kind hadden, eene houding die zij nog lang bewaren. Zij brengen dus de handen aan het gelaat, zooals zij dit vóór de geboorte gedaan hebben. Ook houden zij de beenen als gedurende het verblijf in de baarmoeder, namelijk de knieën opgetrokken, de voeten eenigszins naar binnen gekeerd, de voetzolen naar elkander gericht. Daar ook de beenen, en voornamelijk de onderbeenen, eene kromming naar binnen vertoonen, kan het den schijn verwekken, alsof het kind misvormd is. De beschreven houding verdwijnt langzamerhand, doch de kromming der onderbeenen blijft langer bestaan. Elk kind heeft dus in den beginne kromme beenen. Het maken van zuigbewegingen, wanneer de handen de lippen aanraken, is aangeboren en niet tot bedoelde bewegingen te rekenen. Hoe doelloos dat bewegen geschiedt, blijkt wel uit de krabwonden, die zij zich in het gelaat en zelfs in de oogen toebrengen, waarvoor het dikwijls noodig is de nagels te knippen, de handen in te pakken, de armen vast te binden of met stijve kokers te omgeven, om de kinderen te beletten zich zelf verwonding toe te brengen.
Opvallend is in den eersten tijd het geeuwen met wijd opengesperden mond. Dit wordt door sommigen opgevat als eene versterkte en diepe inademing, welke de ademhalingswerktuigen langzamerhand tot regelmatige werkzaamheid heeft te brengen.
Veelvuldig wordt ook kokhalsen waargenomen. Kinderen van een tot vijf dagen oud steken dan, bij opengesperden mond, de tong naar voren. De gewone oorzaak schijnt te zijn, dat er slijm aanwezig is of wel, dat zij zichzelf met den vinger het gehemelte of den tongwortel aanraken. Dit laatste geeft ook wel aanleiding tot braken, ofschoon braken meestal het gevolg is van eene overvulde maag.
Het hikken, dat, vooral na het drinken soms wel gedurende tien minuten en langer, in de eerste drie maanden nog al eens voorkomt, heeft niets te beteekenen. Het verdwijnt somtijds gemakkelijk door een of een paar theelepels lauwwarm suikerwater op de tong te brengen.
Nu en dan wordt bij overigens volmaakt gezonde meisjes op den vijfden of zesden dag, ook wel iets later, eene meestal geringe bloedafscheiding uit de geslachtsdeelen waargenomen. Aan de schaamlippen kleeft dan bloederig slijm of men vindt er kleine bloedstolsels. Worden de schaamlippen uit elkander gehouden, dan kan men zien, dat het bloed uit de scheede is te voorschijn gekomen. Bij ietwat sterker bloeding komt die afscheiding ook in de luiers. Dit duurt gewoonlijk slechts een paar dagen, soms een week. Voor den gezondheidstoestand van het kind heeft dit niets te beteekenen.
Ook vindt men vaak, meestal onmiddellijk of in de eerste dagen na de geboorte, bij meisjes een zuchtige zwelling van de schaamlippen, bij jongens van balzak en lid, welke allengs vanzelf verdwijnt en niet de minste beteekenis heeft.
Bij 80% der pasgeborenen treedt geelzucht op, welke kenbaar is aan eene gele verkleuring van de huid, vooral bij kinderen van eerstbarenden, na geboorte met de billen vooruit en na lange, moeilijke baringen. Het vaakst optredende op den tweeden dag, minder dikwijls op den derden, begint die verkleuring in het gelaat en op de borst. In sterk sprekende gevallen wordt ook het oogwit geel gekleurd. Bij kunstverlichting is de verkleuring niet waar te nemen. De duur wisselt van 4 tot 14 dagen. Soms zijn de kinderen wat mat en slaperig, drinken slecht en nemen, al is het welbevinden ongestoord, gedurende dien tijd minder toe. Men drage zorg voor behoorlijk warm houden, vooral bij te vroeg geboren kinderen, zonder te broeien. Men moet echter, indien de geelzucht van dag tot dag erger wordt, zoodat de kleur van de huid zelfs groengeel wordt, den dokter waarschuwen.
De borstklieren scheiden bij pasgeborenen een melkachtig vocht af, heksenmelk genoemd. Bij beide geslachten zwellen daardoor van den 2en of 4en dag af, de borsten op, welke zwelling op den 8en tot 12en dag haar hoogtepunt bereikt, om van de tweede week af langzamerhand te verdwijnen. Het kan evenwel nog langer duren, daar de vorming van melk tot in de vierde week, in zeldzame gevallen tot in de vierde maand, aanhoudt. Het is volkomen onnoodig, zelfs schadelijk, te trachten daaraan door drukken, knijpen of wrijven een einde te maken. Men heeft ze eenvoudig met een laagje steriele watten te bedekken en met rust te laten. Het is mogelijk, dat in de borst ontsteking optreedt. Zij wordt dan steeds grooter, pijnlijk bij druk; de huid wordt rood en zuchtig gezwollen. Bij de eerste verschijnselen van ontsteking bedekke men dan de borst met een compres, b.v. van hydrophiel gaas of een dun laagje ontvette watten, in lauwwarm water, voor de helft verdund Goulardwater of 50%’s alcohol, gedoopt en uitgeknepen, waarover een stukje guttapercha-papier of Billroth-batist en daarover eene laag droge watten, alles vastgehouden door een verband. Men verzuime niet den dokter van deze verschijnselen in kennis te stellen, daar het tot ettering komen kan. Het kind heeft daarbij soms hooge koorts, is onrustig, verliest den eetlust. Vaak komt het tot braken en diarrhee.
In de meeste gevallen begint op den 6en of 7en dag de opperhuid af te schilferen, soms in kleinere of grootere lapjes, hetgeen eenige dagen aanhoudt. De oorzaak is te zoeken in het uitdrogen van de tot de geboorte steeds vochtige huid en in de prikkeling en wrijving der kleederen. Ook treedt eene dergelijke afschilvering van het slijmvlies der lippen op.
Het gedeelte van de navelstreng dat aan het kind verbonden bleef, blijft nog eenige uren blauwachtig wit van kleur, wordt slapper en platter, verdroogt allengs en wordt tot eene platte harde streng, welke ten slotte, bij een of andere gelegenheid, gewoonlijk bij het baden, loslaat, door het verscheuren van de laatste dunne verbinding met den navel. Dat loslaten geschiedt omstreeks den 5en tot 8en dag, somtijds nog later. Er blijft een kleine wond aan den navel over, welke tegen besmetting of infectie moet gevrijwaard worden, omdat daaruit voor het kind de schromelijkste gevolgen kunnen voortspruiten. Daarom is zorgvuldige, uiterst reine behandeling, zoowel van de rest van de navelstreng als van de overblijvende wonde van groot belang. Het baden van het kind behoeft niet te worden nagelaten. Men drage zorg voor reinheid van eigen handen en van alles wat, als verband, op den navel gebracht wordt. Het verband, dat om de rest van de navelstreng gewikkeld is, laat bij het baden van zelf los. De rest moet daarna zorgvuldig afgedroogd en een nieuw, zuiver verband aangelegd worden.
Nadat de rest afgevallen is geneest de overblijvende navelwond onder een verband, uit steriele watten of steriel gaas bestaande, vrij spoedig. Dit verband moet, als het b.v. door urine nat geworden is, vernieuwd worden. Ter beschutting van de wond kan men haar eerst met wat vaseline bedekken of er een antiseptisch poeder, als dermatol-, xeroform-, airol- of salicyl-strooipoeder (1 dl. salicylzuur, 5 dl. talkpoeder) op strooien.
Mocht het eens gebeuren, dat er eene bloeding uit de navelwond komt, hetzij dat men ongelukkigerwijze aan de nog niet geheel losgeraakte rest van de navelstreng heeft getrokken of wel door eenige andere oorzaak, dan kan men de bloeding tot staan brengen door eene laag zuivere verbandwatten of eene schoone zakdoek, opgevouwen, op de bloedende wond te leggen en stevig met de hand daarop te drukken, of door, over de bedekkende watten of zakdoek heen, stevig een verband, b.v. een tricot-windsel, als drukverband, om den buik te wikkelen. Laat inmiddels den geneesheer roepen.
Eerst puilt de navel, vooral als de huid de navelstreng voor een gedeelte bekleedde, nog wat uit (huidnavel), maar spoedig daalt hij onder het oppervlak van de huid en vormt een kuiltje, met ietwat vochtigen bodem, dat door eene smalle bovenste en breede onderste huidplooi bedekt wordt. Weldra is de wond genezen en alles droog. Somtijds blijft er wat bloederige, zelfs op etter gelijkende, afscheiding bestaan, zoodat het verband aan de wond blijft kleven of althans bevlekt wordt. Dan is er, als men de huidplooien uit elkander trekt, een steeds vochtig, vleezig propje in de diepte waar te nemen. Dat propje is ongevoelig en bloedt somtijds bij onzachte aanraking.
De geneesheer, daarop opmerkzaam gemaakt, zal er spoedig een einde aan weten te maken, zoodat de litteekenvorming weldra volkomen wordt. Van meer belang is het, wanneer de rand van de wond, daar waar zij aan de huid van den buik grenst, sterke roodheid vertoont, ettering aanwezig is, de navel wankleurig wordt, rood, gezwollen en gevoelig is en eene sterke afscheiding geeft. Dan vooral is het noodig oogenblikkelijk den geneesheer te ontbieden, omdat dit alles op ontsteking wijst, waardoor het leven van het kind in groot gevaar kan komen.
Na de genezing wordt het navelverband veelal nog eenigen tijd, minstens 4 à 5 weken, aangelegd. Waar dikwijls de band, met de bedoeling om een navelbreuk te voorkomen, sterk wordt aangetrokken, achten wij het noodig daartegen te waarschuwen, omdat juist sterke druk op den onderbuik de oorzaak kan worden van het ontstaan van navelbreuk. Zulk een breuk ontstaat gewoonlijk niet dadelijk, meestal tusschen de tweede en vierde maand. Hij doet zich voor als eene weeke verhevenheid of dikte, welke, als het kind bij het schreeuwen of bij moeilijke ontlasting perst, grooter en meer gespannen, bij het ophouden met persen kleiner wordt of geheel verdwijnt. Dit laatste geschiedt ook als men er met den vinger op drukt, waarbij men, als de breuk tamelijk groot is, een eigenaardig gevoel waarneemt.
Een navelbreuk ontstaat doordat een gedeelte van de ingewanden van den buik, meestal een gedeelte van den darm, door eene, met huid bedekte, opening van den buikwand heendringt en de huid uitstulpt.
In vele families schijnt neiging of aanleg tot het ontstaan van breuken, ook navelbreuken, voor te komen. Men schenke in den beginne vooral aandacht aan den zoogenaamden huidnavel. Een doelmatig hechtpleisterverband, het eerst door den geneesheer aan te leggen, dat gedurende een veertiental dagen kan blijven liggen, zal er vele genezen. Zulk een verband, waarvoor men leucoplast, blancoplast of sanoplast ter breedte van 2 of 3½ cM. gebruikt, wordt als volgt aangelegd. Men vouwt de huid van den buikwand in de streek van den navel, zoodat er eene overlangs loopende plooi ontstaat. De randen van die plooi worden tot elkander gebracht, zoodat de navel niet meer te zien is. Dan legt men dwars over die plooi, op de plaats waar de navel is schuil gegaan, om den buik heen, een strook pleister, ongeveer 12 c.M. lang, en drukke die eenigen tijd aan, om haar door de warmte goed te doen vastkleven. Bij gebruik maken van eene breede strook pleister is één strook voldoende; bij smallere legt men twee of drie strooken dakpansgewijze over elkander. De uiteinden van elke strook komen op den rug van het kind te liggen. Zulk een verband kan, als het kind dagelijks gebaad wordt, wel een week blijven liggen. Daarna wordt het vernieuwd. Mocht, na het afnemen van het pleisterverband, blijken dat de huid te rood geworden of stuk gegaan is, dan wachte men met het aanleggen van een nieuw verband, tot zij genezen is. De genezing wordt bespoedigd door bepoederen en inwrijven van de huid, b.v. met alsol-strooipoeder.
Ook liesbreuken komen nog al eens voor. Deze, hetzij eenzijdig of dubbelzijdig, neemt men het best of alleen waar, als het kind bij schreeuwen of bij moeilijken stoelgang perst, en wel als eene dikte in de streek van de lies. Bij eenzijdige breuk is verschil in dikte met de andere zijde gemakkelijk te zien. De geneesheer zal daarvoor een band aanleggen, waaronder de genezing plaats vindt. Bij het dragen van alle mogelijke banden moet men de uiterste zindelijkheid en reinheid betrachten, omdat de huid van het kind zeer gevoelig is en gemakkelijk stuk gaat. Indien de band goed aansluit en langen tijd gedragen wordt, geneest de breuk in de meerderheid der gevallen. Vaak wordt bij jongens eene zwelling van het zakje waargenomen, welke te wijten is aan vocht, dat zich daarin heeft opgehoopt. Men noemt het een waterbreuk. Van beteekenis is dit niet. Zulk een breuk geneest na eenige weken of maanden van zelf.
Een ander verschijnsel, dat bij jongens nog al eens voorkomt, is vernauwing of samenkleven van de voorhuid, dat is het gedeelte van de huid van het geslachtsdeel, door welks opening de urine te voorschijn komt. Wanneer dit aanleiding geeft tot pijnlijke of bemoeilijkte urine-loozing, is gewoonlijk eene kleine behandeling door den geneesheer voldoende om dat bezwaar op te heffen.
Van niet te onderschatten beteekenis is verder de zorg voor de oogen van het kind. Reeds dadelijk na de geboorte moeten, zooals reeds gezegd werd, de oogen met zuiver gekookt water of 3%’s boorzuuroplossing gereinigd worden van het vuil, waarmede zij gedurende de baring in aanraking gekomen zijn. Doch daarmede is niet alles gedaan. Dikwijls komt het voor, dat bij de baring eene smetstof in de oogen geraakt, vooral bij moeders welke aan witten vloed lijden, en voornamelijk wanneer die berust op druipergif (gonorrhoe), welke binnen eenige dagen eene zoodanige ontsteking van de oogen ten gevolge heeft, dat het kind gevaar loopt onherroepelijk blind te worden.
Vele geneesheeren hebben daarom de gewoonte, en wij kunnen dien maatregel slechts toejuichen, bij iederen pasgeborene de oogen in te druppelen met eene zwakke oplossing van helschen steen, welke, zooals eene uitgebreide ervaring geleerd heeft, zoo goed als zeker den verderfelijken invloed van het gif te niet doet. Mocht dat niet gebeurd zijn en dergelijk gif in de oogen zijn binnengedrongen, dan treedt meestal op den derden dag, soms op den vierden of vijfden dag, de ontsteking op. De oogleden zwellen, worden rood, kleven aan elkander vast en eene dunwaterige gele vloeistof, spoedig vervangen door eene hevige ettering, treedt te voorschijn. Is reeds dat een groot gevaar, nog grooter wordt het, wanneer men meent die ontsteking een „kou” of „tocht” op het oog te mogen noemen, omdat dan allicht verzuimd wordt op tijd de hulp van den geneesheer of van een oogarts in te roepen. Binnen enkele dagen kan het zoover gekomen zijn, dat het kind tengevolge van de ontsteking blind is, en, zoo dat niet het geval mocht zijn, het dikwijls toch het grootste gedeelte van het gezichtsvermogen heeft ingeboet. Oogontsteking kan ook op andere wijze ontstaan, b.v. door het binnendringen van kraamzuivering of andere stoffen, hetwelk niet zulke vèrstrekkende gevolgen heeft. Welke ten slotte de oorzaak zijn moge, men gaat den zekersten weg, door zonder verwijl den geneesheer van de minste afwijking in kennis te stellen.
In het algemeen verdient het, naar mijne meening, aanbeveling het kind van de geboorte af dagelijks te baden. Vele geneesheeren willen dat eerst toestaan na genezing der navelwonde, uit vrees dat van daar uit eene besmetting, door het badwater, zou plaats vinden. Ofschoon ik in eene langdurige praktijk nooit iets dergelijks heb waargenomen, bestaat er geen reden om daarover te twisten. In het eerste halfjaar houde men de temperatuur van het badwater op 35° C. (28° R.), daarna kan men de temperatuur iets lager nemen, doch nimmer late men zich verleiden, met de bedoeling het kind te harden, het water—en dan niet voor het einde van het tweede levensjaar—kouder dan 32,5°–30° C. (26°–24° R.) te nemen.
Na urine-loozing of stoelgang moet het kind steeds behoorlijk met lauwwarm water, of water waar de koude af is, liefst met watten, gereinigd en daarna bepoederd worden. Wanneer de billen om de aarsopening en de huidplooien neiging tot smetten of stukgaan vertoonen, scharrele men niet te veel met water. Men wassche dan eenvoudig af en bepoedere. Waar de roodheid in wondzijn is overgegaan, kan het zelfs aanbeveling verdienen, die plaatsen met olijfolie (slaolie), met watten, te reinigen, daarna met watten af te drogen en vervolgens te bepoederen. Als een uitstekend poeder daarvoor heb ik alsol-strooipoeder leeren waardeeren. Ook wordt wel insmeeren met zinkzalf, zalf of pasta van Lassar, vaseline of lanoline aangeraden. Bij het gebruik van vaseline, vooral de gele, denke men eraan, dat daarbij de ontlasting in de luier eene groene verkleuring kan aannemen. Roodheid en opengaan van de huid, trots alle reinheid, met of zonder het optreden van blaasjes, aan billen en dijen is vaak te wijten aan dunne, diarrhee-achtige ontlasting of aan voortdurende inwerking van urine. Dan heeft men na te gaan of er eene voedingsstoornis bestaat en zorg te dragen, dat het kind niet lang in natte luiers liggen blijft.
Op het hoofd vormt zich somtijds, meestal op de plaats der groote fontanel en hare omgeving, een aanslag van huidsmeer en schubbetjes, gewoonlijk „berg” genoemd. De opvatting dat men dit niet verwijderen mag is onjuist. Ter behandeling smeert men het ’s avonds met eenig vet of olie in, omgeeft men het hoofd met een doek en wascht men de plek ’s morgens met warm zeepwater af. Zoonoodig wordt dit herhaald. Mocht deze behandeling niet baten, dan wijst dat op eene aandoening van de huid, welke hare oorzaak in het gestel van het kind kan hebben. Men moet alsdan den geneesheer raadplegen.
EENIGE OPMERKINGEN MET BETREKKING TOT HET ZOOGEN EN DE VOEDING VAN EEN ZUIGELING.
Iedere echte moeder moet haar kind zoogen. Het beste en goedkoopste voedsel voor het kind is de moedermelk. Iedere moeder, die haar kind liefheeft, zal dus dat kind de beste voeding geven, tenzij daaraan niet kan voldaan worden door gebrek aan dat voedsel of wegens andere oorzaken, b.v. gelegen in eigen gezondheid of in den toestand der borsten.
Goede borsten zijn eenigszins hangend, langwerpig, niet te groot en niet te klein, met goed gevormde tepels, welke ongeveer 2 cM. boven de oppervlakte van de borst uitsteken.
Het zog, dat gedurende de eerste drie tot vijf dagen ontledigd wordt, is waterig en met veel biest (colostrum) vermengd. Daarna komt eerst het ware zog. Het zuigen van het kind aan den tepel is een prikkel, waardoor de melkafscheiding bevorderd wordt. Tusschen den tweeden en vierden dag vullen de klierkwabjes der borsten zich, waardoor deze grooter en zwaarder, gespannen en pijnlijk worden. Die zwelling kan zich tot in de oksels, waar zich zelfs klierkwabjes kunnen bevinden, uitstrekken. De tepel wordt daarbij eenigszins ingetrokken. Het kind kan den tepel moeilijker vatten en de melk niet zoo gemakkelijk uitzuigen, hoewel een krachtig kind het er toch goed afbrengt en, door flinke ontlediging, het spanningsgevoel althans eenige oogenblikken doet verminderen. Die spanning neemt tot den vierden dag toe, om dan binnen één tot drie dagen af te nemen, terwijl tevens de borsten slapper worden. Bij niet zoogende vrouwen is dit alles gewoonlijk sterker en duurt het slapper worden iets langer. Indien de spanning en pijnlijkheid zeer sterk zijn, zoodat b.v. elke beweging, vooral van de armen, pijn veroorzaakt, dan is, behalve het opbinden der borsten, wat in ieder geval reeds verlichting geeft, het vochtig warm inpakken een heerlijk middel, vooral als tegelijkertijd het nemen van voedsel en het drinken wat beperkt en ruime ontlasting, b.v. door bitterwater, bevorderd wordt. Mechanische ontlediging der borsten, door uitpersen, uitzuigen met de zogpomp, of massage is zeer pijnlijk en brengt zeer weinig verlichting.
In de eerste dagen veroorzaakt het zuigen van het kind vaak pijn aan de tepels, ook al zijn die niet „open” of ontstoken. Bij het zuigen van het kind ontstaan wel eens blaasjes op, kleine bloeduitstortingen of scheurtjes in den tepel. Dan is het zoogen bijzonder pijnlijk. Velerlei middelen worden aanbevolen om die gewonde plekjes te genezen. Zoo b.v. het penseelen van den tepel met benzoëtinctuur, met eene 6%–10%’s oplossing van helschen steen in gedestilleerd water. Ook wordt de tepel wel bedekt met een lapje gedrenkt met perubalsem, met eene oplossing van tannine (looizuur) in glycerine (5%–10%), waarbij men te bedenken heeft, dat zij vlekken in het ondergoed maken, zoodat het aanbeveling verdient er een stukje Billroth-batist of guttaperchapapier overheen te leggen; met eene 6%–8%’s oplossing van boorzuur in glycerine; met een mengsel van gelijke deelen brandewijn en glycerine. Als tepelzalf wordt o.a. ook aanbevolen een mengsel van gelijke deelen glycerine, benzoëtinctuur en olijfolie, b.v. 15 grammen van ieder.
Het zal dan noodig zijn den tepel, voor het kind aan de borst gelegd wordt, met lauwwarm water af te wasschen, terwijl hetzelfde ook gebeuren moet nadat het kind gezogen heeft. Deze middelen helpen gewoonlijk niet snel, omdat de tepels telkens weder aan denzelfden schadelijken invloed, d.i. het zuigen van het kind, worden blootgesteld. Wanneer, vooral bij uitgebreide wondjes, het zoogen zeer pijnlijk is, kan men trachten de pijn te verminderen, door het kind door een tepelhoedje te laten zuigen. Somtijds is de pijn echter zoo hevig, dat reeds de gedachte aan het naderende uur van zoogen de kraamvrouw geheel in de war brengt, uit angst voor de door te stane pijnen. Dan kan het noodig en nuttig zijn het kind zoolang de borst te onthouden en op andere wijze te voeden, totdat de wonden genezen zijn. Men behoeft niet bevreesd te zijn, dat het kind daarna den tepel niet meer zal willen vatten. Met eenig geduld en eenige moeite gelukt dat wel weder. Evenmin behoeft men beangst te zijn, dat de borst na zulk een tijdperk van rust geen zog meer zal leveren. Het zuigen van het kind brengt, vooral als de borst voldoende zog opleverde, al spoedig hare werkzaamheid weder aan den gang, zoodat voldoende hoeveelheid voedsel geleverd wordt. [3]
Uit wonde tepels zuigt het kind bloed af, dat uitgebraakt of, in de luiers, zwart gekleurd, teruggevonden wordt.
De wonde tepel is wel de hoofdoorzaak voor het ontstaan der zoo gevreesde zweer in de borst. Gemakkelijk toch kunnen onreine stoffen, zooals de kraamzuivering, welke onwillekeurig aan de handen der moeder of der verpleegster geraakt zijn, in die wondjes gebracht worden en tot infectie en ontsteking aanleiding geven. Dit wetende, begrijpt men dat de grootste reinheid moet worden in acht genomen, omdat daardoor het gevaar zoo goed als uitgesloten is.