Moeder en kind

Part 11

Chapter 113,927 wordsPublic domain

De meening, dat iedere zoogende vrouw omstreeks den derden dag zogkoorts zou krijgen of zou moeten krijgen, is gelukkig onjuist. Wel is waar gevoelt zij zich niet prettig gedurende de dagen dat de gespannen borsten pijnlijk zijn en iedere beweging haar hindert, doch dat is geen gevolg van of oorzaak voor temperatuurs-verhooging. Veeleer kan men zeggen, dat bij de kraamvrouw, die omstreeks dien tijd koorts heeft, de oorzaak ergens anders te zoeken is, voornamelijk in eene lichte infectie van wondjes in of aan de geslachtsdeelen of door verhinderde of verminderde uitscheiding der kraamzuivering.

Zoodra de spanning en pijnlijkheid van de borsten voorbij zijn, zal het kind gemakkelijker zuigen en de borst flink leeg drinken. Dat geheel ledigen van de borst is van belang voor regelmatige vorming van melk in voldoende hoeveelheid. Dan komt regelmatige vulling der borsten tot stand en vaak kan de moeder, tegen den tijd dat het kind zich voor de voeding zal aanmelden, een eigenaardig gevoel waarnemen, alsof de borst zich met vocht vult, wat ook werkelijk het geval is, zelfs zoo, dat de melk uit den tepel begint te loopen. Men noemt dat het toeschieten van het zog.

Voor het kind aangelegd wordt, reinige men den tepel. Dat moet ook gebeuren als het kind gevoed is. Men kan dit doen met verbandwatten en zuiver gekookt water. Daarna de borsten met een zachten doek te bedekken of in een lijfje op te bergen en daarbij, ook de minste, drukking zooveel mogelijk te vermijden. Als het kind verzadigd is, veegt men het de lippen af en legt men het in een warm bedje, om rustig te slapen. De mond behoeft volgens sommige geneesheeren na het zuigen niet gereinigd te worden, volgens andere juist wel, omdat het in den mond achterblijvende zog aanleiding zou kunnen geven tot het ontstaan van spruw. Spruw is eene in het mondslijmvlies groeiende schimmelplant, welke zich als witte vlekken voordoet, die betrekkelijk moeilijk te verwijderen zijn. Die witte plekjes mogen niet verwisseld worden met melkstolsels, die, op het slijmvlies van de mondholte liggende, juist gemakkelijk te verwijderen zijn. Volgens de aanhangers der mondreiniging zou men daardoor de onreinheid, welke tot ontwikkeling van spruw leiden kan, ontgaan. Volgens de tegenstanders zou juist de mondreiniging, door mogelijke beleediging van het slijmvlies, het ontstaan van spruw vergemakkelijken. Ik schaar mij aan de zijde van hen, die het reinigen van den mond niet alleen overbodig, maar zelfs schadelijk achten.

De melk van jonge vrouwen is over ’t algemeen vetrijker en de afscheiding rijkelijker. De borsten van vrouwen tusschen 20 en 30 jaren, die reeds twee- of driemaal gebaard hebben, leveren meestal meer dan die van jongere of oudere, die vaker baarden. Dat zijn omstandigheden gebonden aan de lichamelijke gesteldheid der vrouw. Daarnaast zijn vele andere toevallige aanwezig, zoodat in ’t algemeen nooit van te voren kan gezegd worden, welke moeder haar kind zal kunnen voeden, hoe lang en hoe goed zij dat zal kunnen doen. Eerst ongeveer 14 dagen na de bevalling zal men kunnen beoordeelen, of de moeder werkelijk haar kind zal kunnen zoogen.

De voeding der kraamvrouw, eten en drinken beiden, kan van den aanvang af over ’t algemeen de gewone zijn, zoodat men haar, die zich verstandig voedt, niet dit en dat en nog meer behoeft te verbieden, zooals nog al te dikwijls geschiedt. Allerminst behoeft zij op een pap- en melkdieet gezet te worden, welke kost, ook al omdat zij het darmkanaal te weinig prikkelt, voor een groot deel schuldig is aan de verstopping, waaraan menige zoogende vrouw lijdt. Zij mag in den vruchtentijd gerust genieten van aardbeziën en dergelijke, van salade, augurken, komkommers, enz., waarbij zij echter moet opletten, welke voedings- of genotmiddelen op haar kind misschien eenigen ongunstigen invloed uitoefenen. Zoo herinneren wij ons, om een enkel voorbeeld te noemen, eene moeder, die alle vruchten gebruiken kon, zonder dat haar kind daarvan ook maar eenige onaangenaamheid ondervond, doch de gewone gele pruim veroorzaakte bij haar kind regelmatig dunne ontlasting. Daarvan onthield zij zich dan ook, doch wanneer het kind eens moeilijkheid met de ontlasting had, aan verstopping leed, gebruikte zij deze vrucht met uitstekend gevolg voor de goede ontlasting van haar kleine. Zoo is het ook hier weder duidelijk, dat men geen algemeene regels geven kan en mag, ook niet voor zoogende vrouwen. Wel mag men aannemen, dat het gebruik van alcohol nadeelig is, al moet dadelijk worden toegegeven, dat een enkel glas wijn of bier geen schade doet. Dat theegebruik het zog zou opdrogen, koffie de zogafscheiding zou aanzetten, behoort, als zoovele andere dingen, tot het rijk der fabelen. De beste drank voor de zoogende moeder is melk. Zij houde evenwel in het oog, dat ook van de zoogenoemde versterkende middelen, waartoe gewoonlijk in de eerste plaats melk en eieren gerekend worden, te veel gebruikt worden kan.

Bij te rijkelijke voeding met dierlijke stoffen kan, wanneer die tot sterke vetafzetting leiden, de zogafscheiding verminderen en zelfs geheel ophouden. In het algemeen kan gezegd worden, dat de gemengde voeding de beste is, omdat eiwitrijk voedsel het eiwit- en vetgehalte van de melk vermeerdert, het suiker- en zoutgehalte vermindert, terwijl plantenkost in omgekeerden zin werkt, en dat bij de gewone gemengde voeding, als het noodig blijkt, eene hoeveelheid van 1–1½ liter melk en 1 à 2 eieren per dag voldoende is.

Wanneer de zoogende vrouw dan zorg draagt voor beweging, ook in de frissche buitenlucht, en voor goede ontlasting, eenmaal in de 24 uren, zal zij in de meeste gevallen voldoende voedsel voor haar kind hebben. Mocht de ontlasting niet behoorlijk zijn, dan trachte zij daaraan tegemoet te komen door het gebruik van karnemelk, grof brood, versche en gekookte vruchten, waarbij ook hazelnoten en andere noten, of door het zetten van een lavement. In ’t algemeen zorge zij voor eene gewone, gezonde en geregelde levenswijze.

Wij gaan nu wat nader in op de voeding.

Wanneer de pasgeborene, na den eersten slaap, door schreien van zijn bestaan blijk geeft, is de tijd gekomen om hem den eersten maaltijd aan de moederborst te geven. Dit zal bij haar, die voor het eerst moeder geworden is, niet altijd gemakkelijk gaan. Sommige kinderen vatten dadelijk den tepel, andere moeten als ’t ware eenigermate daartoe opgevoed worden. Indien het niet dadelijk gelukt, moet de moeder niet wanhopen.

Zij beginne met die borst te geven, welke den besten tepel heeft. Hoe zal zij dat doen? Zoolang zij nog te bed ligt, gaat zij halverwege op eene zijde, b.v. de rechterzijde, met een kussen als steun in den rug, liggen, en plaatst het kind zoo naast zich, dat het door den rechter arm gesteund wordt. Dan vat zij de borst zoo, dat de tepel tusschen de toppen van den gestrekten wijs- en middelvinger van de linkerhand komt te liggen. Met die vingers drukt zij zacht, doch stevig, de omgeving van den tepel en van den tepelhof, zoodat deze meer te voorschijn treedt, en brengt dan den tepel in den mond van het kind. Het kan, bij slappe borst, ook zoo geschieden, dat zij de borst zoodanig tusschen den duim aan de eene zijde en de overige vingers aan de andere zijde van den tepel vat, dat deze, met den tepelhof, goed naar voren komt. Op die wijze kan het kind gemakkelijk door den neus ademhalen.

Het kost wel eens eenige moeite om het kind den tepel goed in den mond te brengen. Vaak draait het kind, zelfs als het honger heeft, telkens het hoofd heen en weer, zoodat er eenige handigheid toe behoort, het kind aan het zuigen te brengen, doch met geduld en zachten drang gelukt het ten slotte. Dikwerf is ook hierbij alle begin moeilijk, zoodat èn moeder èn kind spoedig vermoeid raken. Dan eindige men met de poging, om na eenigen tijd opnieuw te beginnen. Allengs krijgt de moeder de noodige handigheid wel. Daarentegen pakken vele kinderen de borst dadelijk en zuigen flink, alsof zij nooit anders gedaan hadden.

Zoodra de moeder in bed mag opzitten, is het beter dat zij, met een steun in den rug, het kind dwars voor zich op den schoot neemt, het hoofd gesteund door den arm aan de zijde van de borst welke den zuigeling zal gegeven worden, en hem nu, in voorovergebogen houding, den tepel in den mond brengt. Een kussentje onder de elleboog van den steunenden arm maakt het moeder en kind gemakkelijker. Kan de moeder het bed reeds verlaten, dan neme zij dezelfde houding aan op een stoel, liefst een lage, met armleuning, waarop de elleboog rusten kan, en steune zij het been aan denzelfden kant van de te geven borst, op een voetenbankje, waardoor de houding minder vermoeiend is.

Men late nu het kind naar hartelust zuigen. De tijd, gedurende welken een kind zuigt, is verschillend. Krachtig zuigende kinderen drinken uit eene goede zoggevende borst betrekkelijk snel de noodige hoeveelheid, zoodat zij vaak in vijf tot tien minuten tijds reeds genoeg hebben. Andere kinderen doen er langer over. In het algemeen is echter een tijdsduur van twintig tot dertig minuten voldoende. Ook dan zal men kunnen waarnemen, dat het kind gedurende de eerste vijf tot tien minuten flink zuigt en telkens na iedere zuigbeweging slikt, daarna echter minder snel zuigt en eerst na eenige zuigbewegingen slikt en ten slotte òf verzadigd den tepel loslaat òf rustig aan de borst blijft liggen. Het in slaap vallen aan de borst bewijst niet dat er voldoende zog is. Dat gebeurt b.v. bij zwakke kinderen, uit vermoeienis.

Dikwijls begint het kind, als de moeder het van de borst wil nemen, weder te zuigen, of althans eenige zuigbewegingen te maken, alsof het te kennen wil geven, dat het nog niet genoeg gedronken heeft. Dit is meestal slechts eene poging om bij moedertje, bij wie het zoo aangenaam warm liggen is, te blijven. De moeder mag daaraan niet toegeven, omdat zij gevaar loopt, dat het kind den tepel als fopspeen gaat gebruiken.

Een kind dat omstreeks twintig minuten aan de borst gezogen heeft, zal gewoonlijk genoeg voedsel tot zich genomen hebben en behoort dan voorzichtig in zijn bedje gelegd te worden.

Den tepel reinige men, na het zuigen, op dezelfde wijze als voor het aanleggen.

Eene vraag, welke in verschillende tijden en door verschillende geneesheeren verschillend beantwoord werd en wordt, is deze: hoe vaak men het kind de borst zal geven, d.w.z. hoeveel maaltijden het kind in het etmaal krijgen moet.

Naar mijne meening ligt het voor de hand, om niet onmiddellijk met een vasten regel te beginnen, doch het kind dan voedsel te geven, als het door geschrei kenbaar maakt, dat het honger heeft. In de eerste dagen na de geboorte kan dat betrekkelijk veelvuldig voorkomen, omdat de borst nog weinig zog afscheidt, en toch behoeft het niet veelvuldig te zijn, omdat het kind nog weinig voedsel noodig heeft. Het komt er nu vooral op aan, dat de moeder haren jonggeborene bestudeert, opdat zij allengs wete of het geschrei eene uiting is van honger, dan wel van onbehagen of iets anders. In den beginne zal het kind misschien dikwijls voedsel verlangen en moet het dan ook, mijns inziens, aan de borst gelegd worden. Naarmate de borst meer zog levert, worden de hoeveelheden, die het goed zuigende kind tot zich neemt, grooter en zal het langer duren, voor het zich weder aanmeldt. De goede gang is wel deze, dat het voldoend gevoede kind na den maaltijd inslaapt en niet ontwaakt, voor de behoefte aan voedsel zich opnieuw doet gevoelen. Hoe grooter de hoeveelheid voedsel, die het tot zich nam, geweest is, hoe langer de slaap duren zal. Uit dien slaap ontwaakt, zal het kind met flinken honger gretig de borst nemen, de borst goed leeg drinken en opnieuw een gerusten slaap genieten.

Op die wijze zal ieder kind, in den aanvang allicht wat onregelmatig, vrij spoedig eene betrekkelijke regelmaat in zijne behoefte aan voedsel openbaren, welke het best voldoet aan de eischen door en voor zijne ontwikkeling gesteld. Sommige kinderen bereiken reeds zeer spoedig eene groote regelmatigheid.

De ervaring leert, dat de meeste kinderen tusschen de maaltijden eene tijdsruimte nemen, welke schommelt tusschen drie en vier uren, soms zelfs grooter, en dat het aantal maaltijden, in de vier en twintig uren genomen, schommelt tusschen acht, in den aanvang, en vier, vijf of zes, later. Er zijn er echter, die van den beginne af niet vaker dan vier- of vijfmaal zich aanmelden. Daarin vertoont ieder kind een zekere eigenaardigheid of individualiteit, en het is, naar mijne overtuiging, van het grootste belang voor zijne gezondheid, hiermede rekening te houden. [4]

Eerst indien na eenigen tijd, die nu eens kort, dan vrij lang is, de betrekkelijke regelmaat door de moeder is waargenomen, kan zij er, zoo noodig, toe overgaan om, rekening houdende met de regelmaat door het kind aangegeven, deze in overeenstemming te brengen met de orde en regelmaat, welke in hare huishouding noodig is.

In aansluiting hiermede moet de vraag besproken worden, of een zuigeling in den nacht al dan niet gevoed moet worden. Ook daaromtrent bestaat verschil van opvatting. De mijne is deze, dat een kind, dat in den nacht honger heeft, wèl gevoed moet worden. Hoe aangenaam het voor de moeder en de huisgenooten ook zijn moge, dat de zuigeling den geheelen nacht slaapt, zoo leert toch de ervaring, dat het slechts eene hooge uitzondering is, dat dit van den beginne af het geval is. In het meerendeel der gevallen wordt ook de gezonde zuigeling ’s nachts wakker, omdat hij behoefte heeft aan voedsel, en het niet voldoen aan dezen natuurlijken drang leidt geregeld tot verstoring van de rust der moeder, die misschien den raad gekregen heeft het kind maar te laten schreeuwen, omdat het vroeg leeren moet den geheelen nacht te slapen.

Waarom moeten jonge ouders den pasgeborene maar erbarmelijk laten schreeuwen, zelfs als zij daarvan ontdaan raken? Het is mij vaak genoeg voorgekomen, dat—op gezag der verpleegster, steunende op hetgeen haar onderwezen scheen te zijn geworden—de jonge ouders dit voorschrift in toepassing hadden gebracht, met het gevolg, dat ’s morgens het kind, afgemat door het schreeuwen, sliep; dat de jonge moeder, inderdaad geheel ontdaan, geen oogenblik geslapen had, want welke moeder, die reeds maanden lang geleefd heeft in blijde verwachting van „het groote oogenblik, waarop het kleine menschje voor het eerst in den arm en aan de borst zijner moeder gelegd wordt”, zou niet ontdaan raken, als zij dat kleine menschje geen voedsel mag geven, ofschoon moeder natuur werkelijk wel weet wat zij doet, als zij het kind door geschrei om voedsel laat vragen?; dat de vader besloot—„als dat zóó moet doorgaan” zegt hij—den nacht zoover mogelijk van de kraamkamer verwijderd door te brengen, omdat hij overdag zijnen arbeid moet verrichten; dat de verpleegster ook al geen rust had gehad, omdat zij in den nacht telkens de verzekering moest geven, dat het kind maar dadelijk moest leeren, dat het ouderlijk gezag gehandhaafd moet worden.

En welk voordeel was daaraan verbonden? [5]

Het voordeel, aan eene dergelijke regeling of zoogenaamde opvoeding verbonden, is mij nooit gebleken. Indien het kind in den nacht gevoed wordt, d.w.z. zijn buik vol krijgt, zal het weder gerust gaan slapen en de moeder eveneens. Die rust zal beiden meer goed doen dan de onrust welke, vaak nachten achtereen, moeder, kind en huisgenooten zenuwachtig maakt. En is het niet dwaas, aan den eenen kant voor te schrijven het kind te vrijwaren voor onnoodige prikkeling van zijn nog niet ten volle ontwikkeld zenuwstelsel, door het te behoeden voor sterk inwerkende geluiden en andere schadelijke invloeden, en aan den anderen kant dat zenuwstelsel overmatig te prikkelen, door het ten prooi te laten aan urenlang durende huilbuien? Volgens mij moet het kind dus ook in den nacht gevoed worden.

Naarmate het kind ouder wordt, zullen ook de tijdsruimten tusschen zijne maaltijden vrijwel gelijk van duur worden. Voor de tijdsruimte tusschen den laatsten avond- en den eersten morgenmaaltijd geldt, dat het kind dikwijls al heel spoedig den geheelen nacht doorslaapt. Zoo wordt op natuurlijker wijze aan het verlangen, ’s nachts niet te voeden, voldaan, dan door een stelsel van dwang, dat vaak genoeg niet tot het beoogde doel leidt en den zuigeling zenuwachtig maakt.

Als het bij uitzondering al te lang mocht duren, voor het kind den nacht blijft doorslapen, zal de moeder er vanzelve toe besluiten om daarin den gewenschten regel te brengen. Zij bedenke evenwel, dat het kind onrustig zijn kan, omdat de luier nat is. Het kind kan dan weder inslapen, maar het kan ook gebeuren, dat het onrustig blijft en het zal eerst dan weder rustig worden en den slaap voortzetten, als het verdroogd is. Hieruit blijkt, dat het niet in alle gevallen, niet altijd, noodig is, het kind, als het schreit, de borst te geven. Werd dat in den beginne wel gedaan, dan moet de moeder het nu nalaten, doch het kind verdrogen en weder in zijn bedje leggen. Misschien zal het niet dadelijk den slaap vatten, omdat het—gewoon geworden aan het voeden—weder begint te schreien, doch nu geldt het niet aan dat verlangen te voldoen. Het kind zal zich vermoedelijk niet dadelijk in de nieuwe regeling schikken, doch indien volgehouden wordt, begrijpt het ten slotte wel, dat het zijn zin niet krijgt en dan is het pleit voor de moeder gewonnen.

Voor iederen maaltijd moet het kind verdroogd worden. Men zal dikwijls bespeuren, dat het kind gedurende het zuigen de luier weder nat maakt, maar dan behoeft men de luier niet te verwisselen als het kind, na de borst genomen te hebben, slaapt. Dan zou het weder wakker kunnen worden en allicht niet gemakkelijk den slaap weder vatten. Men make alleen eene uitzondering wanneer het kind gesmette billen heeft; de natte luier zou dan den toestand verergeren, niet omdat de urine van een gezond kind scherp is, zooals de moeders vaak meenen, en die scherpe urine de billen stuk maakt, maar omdat de urine scherp wordt, als men het kind lang in de natte luier laat liggen.

In de eerste dagen na de geboorte kan het aanbeveling verdienen het kind bij iederen maaltijd beide borsten te geven, omdat er nog geen voldoende hoeveelheid zog wordt afgescheiden. Als die hoeveelheid toeneemt, zal het kind allengs uit één borst genoeg zog drinken. Men geve dan om beurten de rechter en de linker borst. Mocht de hoeveelheid zog, uit één borst verkregen, ook de volgende dagen nog ontoereikend blijven, dan zal het altijd beter zijn beide borsten na elkander te geven, dan één borst en daarna, als bijvoeding, een fleschje. Waarom toch zou men kunstvoedsel geven, als het kind, door beide borsten leeg te drinken, het natuurlijke voedsel in voldoende hoeveelheid krijgen kan?

Somtijds geeft de borst veel meer zog, dan het kind verorberen kan. Dat kan reeds in den aanvang het geval zijn, zoolang de zuigeling nog zeer weinig drinkt, doch dat komt vanzelf terecht, als het kind meer gaat drinken. Maakt de borst meer zog dan het kind nemen kan, dan zal er zog in de borst achterblijven. De borst is dan na het zuigen nog of spoedig daarna weder gespannen; er zijn duidelijk harde plekken in de borst te voelen; zij is pijnlijk, vooral bij betasting; er is geen koorts. Men spreekt dan van zogstuwing. In de meeste gevallen is het voldoende de borst goed op te binden, in een warm-waterverband, om dit ongemak te doen verdwijnen. Daarbij is het goed de voeding van de kraamvrouw, maar vooral het drinken, tijdelijk te beperken en de ontlasting te bevorderen, b.v. door toediening van bitterwater, ’s morgens een glas op de nuchtere maag. Er wordt wel eens aangeraden om de met olie ingevette borst voorzichtig te masseeren, doch daarbij moet op het woord „voorzichtig” zeer sterk de nadruk gelegd worden, omdat het mij voorkomt, dat met massage het gevaar voor ontstaan van eene „zweerende borst” stijgt.

Zogstuwing kan ook bij niet te overvloedige vorming van zog optreden, indien het kind niet met voldoende kracht zuigt. Ja, in de meeste gevallen is daarin de oorzaak gelegen, b.v. in de eerste dagen, als het kind nog slaperig is, wat vooral bij geelzucht, maar ook bij te vroeg geboren en zieke kinderen voorkomt. Indien een kind slecht zuigt, kan het dus noodig zijn het door den geneesheer te laten onderzoeken.

Wordt de zogstuwing niet opgeheven, dan gaat de zogafscheiding achteruit. Men moet dus de zogstuwing trachten te voorkomen, wat gebeuren kan door, als het kind de borst niet leeg zuigt, haar met de zogpomp te ledigen of door een ander, gezond, kind te laten ledig zuigen. Dit laatste stuit begrijpelijkerwijze nog wel eens op bezwaren.

Ook kan men ertoe besluiten om het kind, als het te lang mocht slapen en de moeder last krijgt van te sterk gespannen borsten, wakker te maken en aan te leggen, doch gewoonlijk zal dat niet noodig zijn, omdat—gelijk gezegd—het kind zich na 3½ of 4 uur aanmeldt.

Als de borst weinig zog levert, kan het eveneens noodig zijn om haar, door zuigen, tot vorming van meer zog aan te zetten, en wel door het kind iets vroeger dan den genoemden tijd op te nemen en tot zuigen te verleiden, maar ook dit wordt gewoonlijk door de natuur zelve reeds gedaan, daar het kind uit eene weinig zog leverende borst ook te weinig voedsel krijgt, om zoo lang te slapen. Indien de door mij gegeven raad, in den beginne aan het kind over te laten het oogenblik voor zijnen maaltijd te bepalen, gevolgd wordt, zal het slechts uiterst zelden noodig blijken tot dergelijke maatregelen over te gaan.

Zeer zeker acht ook ik het noodig, om het kind aan regelmaat in het nemen zijner maaltijden aan de borst te gewennen, doch naar mijne overtuiging begint men daarmede gewoonlijk te vroeg en met toepassing van eenen maar al te vaak eenzijdig gestelden regel, en ligt hierin een der oorzaken voor het optreden van stoornissen in voeding en spijsvertering.

Het lijkt mij niet aan te bevelen om een kind, dat rustig en vast slaapt, wakker te maken omdat het voorgeschreven tijdstip voor zijn maaltijd is aangebroken. Als het waar is, dat voor het kind de slaap een nog grooter physiologische, d.w.z. voor het gunstig verloop der levensverrichtingen noodzakelijke, behoefte is dan voor den volwassene, dan is het ook waar, dat het verstoren van dien slaap eene stoornis in den gang der physiologische verrichtingen beteekent. Buitendien is het een bekend feit, dat een kind dat nog gerust slaapt, dus blijkbaar nog geen behoefte aan voedsel heeft, als het uit de wieg genomen en aan de borst gelegd wordt, òf niet zuigen wil òf slechts met behulp van allerlei hem onaangename middelen, zooals het bestrijken van zijn gelaat met een spons met koud water, heen en weder drukken van het gelaat over den tepel, tikken tegen de wangen, ertoe gebracht kan worden betrekkelijk slecht te zuigen, omdat de eetlust ontbreekt. Het gevolg moet wel zijn, dat het te weinig neemt en dus binnen den voorgeschreven tijd om zijn maaltijd komt, waaraan dan, volgens het voorschrift, niet mag worden toegegeven, omdat het wachten moet „tot het zijn tijd is”. Ligt het niet voor de hand, dat op die wijze het kind in de war gebracht wordt? En omgekeerd. Het kind zal binnen den voorgeschreven tijd wakker worden en om eten vragen. Het voorschrift luidt, dat het maar huilen moet gedurende de spanne tijds, welke hem nog rest tot zijn tijd gekomen is. En is die tijd aangebroken, dan zuigt het kind, in de war gebracht door het vergeefsche schreien, minder gretig, vult wederom zijn buikje onvoldoende, met hetzelfde gevolg: al weder te vroeg komen voor zijn, volgens voorschrift, vastgestelden maaltijd. [6]