Moeder en kind

Part 12

Chapter 123,671 wordsPublic domain

Ofschoon niet zoo menigvuldig als men beweert, kan het toch gebeuren—en dat is meestal het geval bij haar die voor het eerst moeder geworden is—dat de borsten in den beginne te weinig zog vormen. In de eerste dagen blijven de borsten dan tamelijk slap en week en zijn er met moeite eenige druppels zog uit te drukken. Dan moet de moeder niet dadelijk besluiten, om het kind voor goed van de borst te nemen, doch volhouden, omdat gewoonlijk na eenige dagen, vaak plotseling, verbetering optreedt. Dit kan wel zes of acht dagen duren. Gedurende zoo langen tijd kan het kind niet zonder voedsel blijven. Dan geve men het, nadat het eerst aan de borst gezogen heeft, een fleschje, waarin een mengsel van één deel melk en twee deelen water, b.v. 30–50 gram, zoo dikwijls dat noodig blijken mocht. Beginnen de borsten zog te leveren, dan geve men het kind liever beide borsten, namelijk eerst de eene en dadelijk daarna de andere, om bij den volgenden maaltijd met de laatst gegeven borst te beginnen voordat men de tweede geeft, en zoo vervolgens, dan dat men één borst en daarna een fleschje, als bijvoeding, geeft.

Of de hoeveelheid zog volstrekt onvoldoende is, zal gewoonlijk niet binnen de eerste twee weken zijn vast te stellen. Mocht het ’t geval zijn, dan zal het noodig blijken bij de borstvoeding één of meer fleschjes, als bijvoeding, te geven. (Zie: Gemengde voeding).

Het komt echter veeltijds, meer dan men over ’t algemeen denkt, nog wel terecht, d.w.z. dat het blijkt, dat de twijfel te vroeg was opgekomen. Te geringe afscheiding van zog is immers dikwijls te wijten aan niet voldoende prikkeling of aan onvoldoende ontlediging van de borst, door slecht zuigen van het kind.

Bij onvoldoende vorming van zog voelen de borsten slap aan; zij zijn ook onmiddellijk voor het zuigen niet flink gespannen en na het zuigen is er geen straaltje zog uit te drukken. Dit laatste geldt echter niet in alle gevallen.

Zoolang een kind bij borstvoeding alle teekenen van gezondheid vertoont, moet het aan de borst blijven. Het vindt daar alles wat het noodig heeft.

Hoe kan een moeder weten of haar kind gezond is en aan de borst gedijt?

In het algemeen kan men het volgende opmerken. De houding van den gezonden zuigeling, als hij in zijn bedje ligt, is, vooral gedurende den slaap, eene zeer kenmerkende. Hij ligt op den rug of op zijde, houdt de armen, in het elleboogsgewricht gebogen, omhoog, de handjes ter weerszijden van het hoofd; de beenen zijn tegen den buik opgetrokken. Hij slaapt, vooral gedurende de eerste maanden van zijn leven, dadelijk na den maaltijd in. De slaap is rustig en diep, zoodat die nauwelijks door sterke, van buiten af werkende, prikkels gestoord wordt. De oogleden zijn meestal vast gesloten. Het kind slaapt, vooral in den eersten tijd van zijn leven, bijna voortdurend, behalve gedurende den maaltijd. Somtijds schreit hij wel eens, zonder dat men daarvoor een oorzaak kan vinden. Men spreekt dan van zijn gewone huiluurtje. Intusschen kan de oorzaak daarvan wel eens gelegen zijn in de omstandigheid, dat het kind door huisgenooten of anderen, die het „dotje” wel eens even in handen willen hebben of er mede willen spelen, met te veel belangstelling vervolgd wordt. Het gevolg is dan gewoonlijk, dat het kind op den duur wil beziggehouden worden of in handen zijn, hetgeen niet bevorderlijk is aan zijn rust en zijne gezondheid. Naarmate het kind ouder wordt, zal het nu en dan wakker liggen en langzamerhand meer aandacht aan zijne omgeving wijden. Dan zal de moeder zich ook meer met haar kleine mogen bezighouden, waarbij zij telkens weder bedenken moet, dat ook in dat opzicht alle overdaad schaadt. Als moeder en kind om zoo te zeggen samen opgroeien, ontstaat vanzelve de ware harmonie, welke voor het kind het voordeeligst is.

De gezonde zuigeling heeft eene mooie frissche huidkleur, lichtrood, vooral in het gelaat, licht rose aan het oor, bij doorschijnend licht, en aan de voetzolen, of gemarmerd. In den slaap is de kleur gewoonlijk bleeker. De huid is glad, gaaf, een weinig vochtig en aangenaam warm als het kind niet te lang bloot ligt. Zij kan niet gemakkelijk in eene plooi, die onmiddellijk weder verdwijnt, opgelicht worden.

De gezonde zuigeling zweet, tenzij hij overdreven warm gekleed of in het bedje te warm gedekt is of op andere wijze te warm gehouden wordt, niet, behalve bij hevig schreien.

De slijmvliezen zijn bleeker van kleur dan bij volwassenen, de tong fletsrood en vochtig.

De spieren (het vleesch) maken bij betasting den indruk van vast en stevig en tevens veerkrachtig te zijn.

De buik is slank en ligt vrijwel in hetzelfde vlak als de borstkas of iets hooger, de grens tusschen deze beiden is niet duidelijk, de flanken zijn niet uitgezet. De buikwand is min of meer gespannen en moeilijk in te drukken.

De ademhaling is over ’t algemeen oppervlakkig, nauwelijks te hooren en ook in rustigen slaap van gezonde kinderen, ten minste gedurende de eerste weken, niet steeds gelijkmatig, daar diepe ademhalingen met oppervlakkige afwisselen en elkander niet steeds regelmatig opvolgen. De ademhalingsbewegingen van de borstkas zijn, in vergelijking met die van den buik, gering. Het aantal ademhalingen is grooter dan op lateren leeftijd en bedraagt bij den pasgeborene gemiddeld 35 in de minuut. Men telt die het gemakkelijkst als het kind slaapt.

Dit laatste geldt ook voor het tellen van het aantal polsslagen, dat ongeveer 120 in de minuut bedraagt.

De temperatuur, ’s morgens en ’s avonds in den endeldarm opgenomen, schommelt om 37° Celsius en is zelden hooger dan 37°.2. Zij wisselt echter gemakkelijk onder verschillende omstandigheden.

Het gezonde kind neemt met graagte, zelfs met gulzigheid, de borst.

Gewoonlijk wordt de ontlasting van den gezonden zuigeling, welke van den vierden of vijfden dag als de „normale” beschouwd wordt, beschreven als eene vrij dikke zalfachtige of brijachtige, goudgeel of oranjegeel gekleurde stof, gelijkmatig, niet kleverig week, welke in den beginne drie- tot zesmaal, met toenemenden leeftijd afnemend tot één- of tweemaal, in de vier en twintig uur geloosd wordt. Zij wordt, aan de lucht blootgesteld, betrekkelijk spoedig groen van kleur. Kenmerkend is eene min of meer zoet-zuurachtige, niet onaangename geur. Bij regelmatige spijsvertering komt de ontlasting vrij geregeld en tamelijk snel te voorschijn.

In de laatste jaren wordt er, in verschillende geschriften, op gewezen, dat de „normale” ontlasting ook bij gezonde, goed gedijende, borstkinderen volstrekt niet zoo algemeen wordt waargenomen; dat zij vaak niet gelijkmatig is, doch in de geelachtige stof talrijke witte vlokjes of brokjes en, in de eerste weken bijna regelmatig, taaie slijmstolseltjes bevat; dat zij ook, in de eerste twee of vier weken, dunner en waterachtiger is met stukjes, zelfs geelachtig groen, slijmachtig met weinig vaste stof; dat zij, aan de lucht blootgesteld, snel grasgroen van kleur wordt, en dat zulke ontlasting somtijds na iederen maaltijd geloosd wordt, zonder dat er eenige stoornis bestaat of is aan te toonen, zoodat men niet zou vermoeden, dat zij van een borstkind afkomstig is. Deze ontlasting gaat gewoonlijk vanzelf over in de meer normale.

Zulke luiers ziet men o.a. bij kinderen van „zenuwachtige” ouders. Men denke dan niet dadelijk dat het zog niet deugt. Het vetgehalte van het zog kan b.v. hierbij eene groote rol spelen. Melk welke weinig vet bevat, geeft dunnere ontlasting dan die, welke veel vet bevat. Ook kan zulke ontlasting tijdelijk optreden bij sommige stoornissen van de zijde der moeder, b.v. eenige dagen voor en gedurende de menstruatie of wanneer zij koorts heeft. Indien dit niet te lang duurt, is het gewoonlijk niet noodig daartegen maatregelen te nemen.

De belangrijkheid van de luiers wordt inderdaad vaak sterk overdreven. Ofschoon ik, indien de zuigeling volgens mijne bovengenoemde opvatting gevoed werd, bijna zonder uitzondering de als „normaal” beschreven ontlasting heb waargenomen, is het niet te ontkennen, dat sommige kinderen gedurende hunnen geheelen zuigelingentijd niet die „normale” ontlasting te zien geven. Ik heb kinderen gekend, die uitstekend groeiden—en nu reeds volwassen zijn—en als zuigeling nooit eene „goede” luier vertoonden. Men moet dus niet al te groote waarde hechten aan eenigszins afwijkende tint der luiers of aan van het „normale” afwijkende samenstelling der ontlasting, doch vóór alles zijn oordeel afhankelijk stellen van den algemeenen toestand van het kind en van zijn geheele wijze van doen. Als het kind behoorlijk groeit, niet al te onrustig is en er goed uitziet, behoeft men zich over eene groenachtige licht-slijmerige ontlasting niet dadelijk te verontrusten.

Ook het omgekeerde komt bij den zuigeling vaak voor, namelijk dat de ontlasting langer dan vier en twintig uren wegblijft. Zij is dan taai en iets donkerder van kleur, soms grijsgrauw en droog. Eerst als die verstopping twee of drie dagen aanhoudt, kan het noodig zijn daaraan te gemoet te komen, door het kind een lavementje, b.v. van lauwwarme olijfolie of van lauw water, of een zeeppilletje te zetten. De met die verstopping vaak gepaard gaande buikpijn wordt door een vochtigwarmen omslag, een Priessnitz-verband, om den buik—een heerlijk rustgevend middel—gemakkelijk bestreden.

Men kan dus, heel in ’t algemeen, zeggen, dat bij uitsluitende voeding aan de borst aantal en voorkomen van de ontlasting, zoolang het kind goed gedijt, tamelijk onverschillig is.

De urine wordt in de eerste dagen in geringe hoeveelheid geloosd; daarna neemt zij belangrijk toe. De urine van het gezonde kind is licht van kleur, helder en stinkt niet. Daar de urine-loozing dikwijls plaats vindt, van tien- tot vijftien malen daags, moet men het kind ook dikwijls verdrogen. Dat is het beste middel om het smetten en het ontstaan van open billen te voorkomen en het kind rustig te houden. De meeste kinderen schreien als zij nat zijn. Het reinigen behoort te geschieden met een spons, of zuivere verbandwatten, en lauwwarm water. Daarna wordt bettend afgedroogd, en gepoederd. Hoeveel malen het verdrogen noodig zijn zal, is niet aan te geven.

Het is onnoodig een gezond, goed gedijend, kind dagelijks of wekelijks te wegen. Zooals wij zagen, is in den regel wel te zien of het kind gedijt. Zoolang de zuigeling eene frissche kleur heeft, het gelaat en vooral dijen en billen goed gevuld zijn en eene goede ronding vertoonen, het vleesch bij betasting gespannen aanvoelt, de huid vrij van vlekken of smetten, de slaap ongestoord, de eetlust goed, de spijsvertering in orde is, zoolang hij rustig en tevreden bij het drinken is en, als hij wakker ligt, in eene tevreden stemming verkeert, beweeglijk is, levendige heldere oogen heeft, kortom geen verschijnselen van eenigerlei onrust of ziekte vertoont, kan men tevreden zijn.

Intusschen is het toch, met het oog op mogelijke afwijkingen, gewenscht omtrent het lichaamsgewicht en het toenemen daarvan eenige bijzonderheden mede te deelen.

In het meerendeel der gevallen, laat ons maar zeggen bijna zonder uitzondering, neemt het lichaamsgewicht gedurende de eerste drie of vier dagen, somtijds zelfs tot den achtsten dag, na de geboorte af. Dat verlies kan 200 tot 300 grammen, ook nog wel meer, bedragen; bij dikke kinderen vaak meer dan bij magere. Daarna neemt het gewicht weder toe en als dan eenmaal het oorspronkelijke gewicht bereikt is, hetgeen niet altijd op den tienden dag, doch ook nog wel later, b.v. na veertien tot twintig dagen, bij enkele kinderen nog later, het geval kan zijn, volgt een dagelijks toenemen.

Tot en met de vierde maand nemen borstkinderen meer in gewicht toe, dan kunstmatig gevoede, daarna gaan zij vrijwel gelijk op, totdat na de achtste maand vaak de borstkinderen achterstaan bij de kunstmatig gevoede. Meestal wordt de zuigeling tegenwoordig wekelijks gewogen, en dan gaat de jonge moeder, aan de hand van een boekje, na, of haar kind voldoende in gewicht is toegenomen. Zij vergelijkt daartoe het door haar verkregen cijfer met een cijfer in het boekje, met het gevolg, dat de verstandige moeder niet op een verschil van eenige grammen let; dat de al te bezorgde moeder ongerust wordt zoodra het gewicht van haar kleine beneden het gewicht, in het boekje aangegeven, blijft en daaruit besluit, dat haar kind niet goed groeit; maar ook ongerust is, als het er boven uit gaat, omdat zij meent dat het te veel toeneemt. Dit laatste bezorgt haar, gelukkig, niet zoo vaak en zoo groote angst. Om haar eenigermate gerust te stellen, geeft ik hier eenige cijfers, zooals ik die in verschillende boekjes vond. (Zie bladz. 151).

Men ziet hieruit, dat men zich niet te veel aan de cijfers moet vastklemmen. Het komt mij voor, dat ik aan de vermoedelijk opkomende vraag: „Waaraan moet ik mij nu eigenlijk houden?” het best tegemoet kom, door het volgende.

Uit de hiernaast staande cijfers van 15 schrijvers het gemiddelde berekend, kom ik, voor de

1e 2e 3e 4e 5e 6e 7e 8e 9e 10e 11e 12e maand, tot 195 187 175 144 124 108 99 97 95 75 73 71 gr.

ongeveer, welke een kind, aan de borst gevoed, per week toeneemt.

Mij dunkt dat de moeder gerust kan zijn, indien het gewicht, door haar bij het wegen der kleine gevonden, om deze cijfers schommelt.

Er blijkt wel uit, dat het gewicht gedurende de eerste maanden van het leven sterker toeneemt dan later. Hierbij dient opgemerkt dat ook bij gezonde kinderen, zonder dat bepaald stoornissen zijn aan te toonen, belangrijke verschillen kunnen voorkomen, en dat toch ten slotte het gewicht aan het einde van het eerste levensjaar ongeveer voor allen gelijk is. Het gewicht van den zuigeling is dan ook niet het eenige, waarmede men rekening heeft te houden bij de beoordeeling van de ontwikkeling en de gezondheid van het kind. Sommige kinderen nemen snel in gewicht toe, doch zien er bleek uit, hebben een slappe huid, weinig uitdrukking in de oogen en blijven slap; andere nemen langzamer in gewicht toe, doch gedijen overigens goed en hebben eene uitstekende gezondheid.

De getallen zijn door mij berekend in grammen per week.

Volgens de aangehaalde schrijvers zou het gezonde kind gemiddeld per week aan gewicht toenemen:

========================================================================================================================= in de | 1e | 2e | 3e | 4e | 5e | 6e | 7e | 8e | 9e | 10e | 11e | 12e | maand. ---------------------+-----+-----+-----+-----+-----+-----+-----+-----+-----+-----+-----+-----+--------------------------- Biedert (1914) | 217 | 224 | 175 | 175 | 133 | 119 | 119 | 98 | 119 | 49 | 91 | 91 | gr. (Corn. de Lange). Kouwer (1911) | 187 | 187 | 187 | 187 | 125 | 125 | 125 | 125 | 125 | 62 | 62 | 62 | ,, Bouchaud | 175 | 161 | 154 | 140 | 126 | 119 | 105 | 91 | 84 | 70 | 56 | 56 | ,, } Fleischmann | 245 | 214 | 196 | 154 | 126 | 91 | 84 | 70 | 70 | 63 | 56 | 42 | ,, } (Lassablière 1913). Peterson | 245 | 203 | 175 | 112 | 105 | 77 | 70 | 84 | 84 | 98 | 56 | 63 | ,, } Variot | 161 | 161 | 161 | 161 | 161 | 84 | 84 | 84 | 84 | 84 | 84 | 84 | ,, } Auvard (1917) | 175 | 175 | 175 | 140 | 140 | 140 | 105 | 105 | 105 | 70 | 70 | 70 | ,, Donnadieu (1916) | 175 | 161 | 161 | 161 | 140 | 140 | 126 | 126 | 84 | 84 | 84 | 56 | ,, Nobécourt (1914) | 175 | 175 | 175 | 168 | 140 | 126 | 112 | 91 | 84 | 70 | 70 | 56 | ,, Engel en Baum (1913) | 203 | 196 | 182 | 168 | 140 | 119 | 105 | 105 | 98 | 49 | 105 | 105 | ,, Camerer en Fehr | 203 | 189 | 168 | 112 | 105 | 77 | 91 | 91 | 84 | 91 | 63 | 77 | ,, (Langstein-Meyer 1914). Czerny | 203 | 189 | 168 | 112 | 105 | 77 | 91 | 91 | 84 | 91 | 63 | 77 | ,, (E. Gorter 1914). Tugendreich (1914) | 175 | 175 | 175 | 91 | 91 | 91 | 91 | 91 | 91 | 84 | 84 | 84 | ,, Meyer-Rüegg (1915) | 175 | 190 | 170 | 160 | 130 | 110 | 100 | 125 | 145 | 100 | 99 | 99 | ,, Bendix (1916) | 210 | 210 | 210 | 126 | 126 | 126 | 84 | 84 | 84 | 56 | 56 | 56 | ,, =========================================================================================================================

Het beste bewijs van goed gedijen is een regelmatig toenemen van het lichaamsgewicht, ook al gaat het in den beginne langzaam. Toch mag men, in ’t algemeen, met een, zij het dan ook regelmatig, toenemen in gewicht van 100 grammen per week, gedurende de eerste maanden, niet heelemaal tevreden zijn.

Om ongeveer te berekenen of het gewicht overeenkomt met het normale gewicht, dat is het gewicht dat men als normaal voor den zuigeling op een bepaalden tijd, zeg in eene bepaalde maand, aanneemt, vermenigvuldige men het ranggetal van de levensmaand in het eerste halfjaar met 600, in het tweede halfjaar met 500 en telle het gewicht, bij de geboorte waargenomen, daarbij op.

In de 6e levensmaand zal dus een kind, dat bij de geboorte 3000 grammen woog, ongeveer moeten wegen 6 × 600 + 3000 = 6600 grammen; aan het einde van het eerste levensjaar 12 × 500 + 3000 = 9000 grammen. Dit komt overeen met het ervaringsfeit, dat na het eerste halfjaar het gewicht bij de geboorte gevonden verdubbeld is, aan het einde van het eerste jaar driemaal zooveel bedraagt.

Om het juiste gewicht te verkrijgen, moet men het kind steeds in dezelfde omstandigheden en op hetzelfde tijdstip van den dag wegen.

Ook voor de hoeveelheid zog, welke een zuigeling geacht wordt noodig te hebben voor groei en ontwikkeling, heeft men getracht cijfers te geven, welke dan de hoeveelheid aangeven, waarboven hij niet gaan en waaronder hij, in het algemeen, niet blijven mag.

De hoeveelheid zog, welke bij iederen maaltijd genomen wordt, kan belangrijk verschillen. Zij hangt o.a. af van de hoeveelheid zog door de borst geleverd, van den toestand der tepels, van de kracht waarmede het kind zuigt en van zijne behoefte aan voedsel.

In de laatste jaren wordt van vele zijden beweerd, dat elke moeder, die dat wil, haar kind kan zoogen. Ongetwijfeld ware het te wenschen, dat deze bewering juist was en zeker is het, dat veel meer moeders, indien zij slechts wilden, althans geruimen tijd hare kinderen het natuurlijke voedsel zouden kunnen geven, doch de ervaring leert, dat ook in dit opzicht de natuur niet volmaakt is. Dat is jammer genoeg, maar men mag de feiten niet wegdoezelen terwille van welke theorie ook. Ieder geneesheer zal kunnen verhalen van moeders, die met de grootste opoffering tevergeefs trachtten haar kind het natuurlijke voedingsmiddel te geven. Blijkt aan den eenen kant, dat somtijds met te weinig volharding de borstvoeding beproefd wordt, aan den anderen kant is het buiten kijf, dat in vele gevallen de poging te lang wordt voortgezet. Dit neemt evenwel niet weg, dat iedere moeder beginnen moet met die poging en haar alleen noodgedwongen zal mogen opgeven. Ook als het kind slechts eenige weken of maanden de moedermelk, zij het ten deele, kan verkrijgen, zal het daarvan niet te miskennen voordeelen genieten.

In het algemeen kan men zeggen, dat de zuigeling eene bepaalde hoeveelheid voedsel en dus bij borstvoeding eene bepaalde hoeveelheid zog voor zijne ontwikkeling noodig heeft. Hoe groot die hoeveelheid zijn moet, hangt voornamelijk af van de gesteldheid van het kind, en daarom zal men ook slechts zeer in het algemeen cijfers kunnen aangeven, welke niet meer dan eene betrekkelijke waarde hebben.

De hoeveelheid per maaltijd genomen heeft geen waarde, omdat die, zooals reeds gezegd, belangrijk verschillen kan. Daarom is het beter de hoeveelheid te becijferen, welke voor een tijdvak van 24 uren als gemiddelde kan gesteld worden. Die hoeveelheid heeft men berekend, door een groot aantal borstkinderen telkens voor en na den maaltijd te wegen en de getallen, op die wijze in 24 uren verkregen, bij elkander te tellen. Bij die wegingen is alweder gebleken, dat er vrij belangrijke verschillen bestaan, doch het groote aantal berekeningen heeft geleid tot het vinden van eenige gemiddelden, waaraan men ten minste eenig houvast heeft.

Ik laat hier een paar opgaven volgen van hoeveelheden per maaltijd en in 24 uren gedronken door kinderen uit mijne praktijk, waarin de verschillen duidelijk uitkomen.

H. L. jongen, 27 Augustus 1914 geboren op het einde van de 8e zwangerschapsmaand.

27 en 28 Augustus nam het kind niets of zeer weinig.

Per maaltijd. | In 24 uren. | 29 Augustus 15, 10, 15, 15 gr. | 55 gr. 30 ,, 15, 15, 15, 10, 15, 30, 35, 20 ,, | 155 ,, 31 ,, 35, 20, 20, 20, 20, 30, 15 ,, | 160 ,, 1 Sept. 25, 40, 25, 20, 30, 50, 60 ,, | 250 ,, 2 ,, 50, 45, 30, 40, 40, 65, 70 ,, | 340 ,, 3 ,, 60, 50, 50, 50, 50, 60, 60 ,, | 380 ,, 4 ,, 70, 60, 35, 70, 50, 80, 60 ,, | 425 ,, 5 ,, 75, 70, 60, 30, 60, 50 ,, | 345 ,, 6 ,, 60, 80, 60, 80, 80, 75 ,, | 435 ,, 7 ,, 70, 70, 70, 65, 90, 70 ,, | 435 ,, 8 ,, 80, 80, 90, 70, 70, 65 ,, | 455 ,, 9 ,, 60, 80, 65, 40, 100, 70 ,, | 415 ,, 10 ,, 70, 70, 90, 60, 90, 80 ,, | 460 ,, 11 ,, 80, 80, 90, 70, 70, 70 ,, | 460 ,, 12 ,, 40, 40, 60, 40, 40 ,, | 220 } maag- 13 ,, 60, 60, 40, 50, 45 ,, | 255 } stoornis 14 ,, 40, 50, 60, 30, 60 ,, | 240 } bij de 15 ,, 60, 60, 50, 60, 60 ,, | 290 } moeder. 16 ,, 30, 35, 90, 60, 60, 50 ,, | 325 ,, 17 ,, 90, 60, 65, 80, 90 ,, | 385 ,, 18 ,, 90, 80, 70, 70, 85, 90 ,, | 485 ,, 19 ,, 100, 80, 75, 70, 75, 90 ,, | 490 ,, 20 ,, 85, 110, 55, 90, 85, 95 ,, | 520 ,, 21 ,, 90, 80, 75, 100, 95, 95 ,, | 535 ,, 22 ,, 100, 105, 110, 50, 95, 70 ,, | 530 ,, 23 ,, 120, 85, 85, 70, 75 ,, | 435 ,, 24 ,, 125, 105, 70, 50, 65, 60 ,, | 475 ,, 25 ,, 70, 100, 70, 55, 55, 60 ,, | 410 ,, 26 ,, 70, 90, 90, 70, 80, 65, 75 ,, | 540 ,, 27 ,, 65, 90, 65, 65, 70, 90 ,, | 455 ,, 28 ,, 80, 70, 75, 70, 75, 70, 75 ,, | 515 ,, 29 ,, 95, 80, 80, 65, 75, 85 ,, | 480 ,, 30 ,, 110, 80, 90, 80, 95, 80 ,, | 535 ,,

Meisje, H. G., 13 Maart 1915 geboren op het einde van de 8e zwangerschapsmaand.

Het kind begon eerst op 18 Maart te zuigen. Voor dien tijd kreeg het zog, uit de borst gekolfd, met een lepeltje.

Per maaltijd. | In 24 uren. | 18 Maart 25, 25, 20, 35, 40 gr. | 145 gr. 19 ,, 25, 35, 40, 15, 45, 10, 20 ,, | 190 ,, 20 ,, 30, 35, 25, 25, 40, 40, 40 ,, | 235 ,, 21 ,, 50, 30, 50, 40, 50, 55 ,, | 275 ,, 22 ,, 60, 50, 40, 35, 40, 55 ,, | 280 ,, 23 ,, 60, 45, 55, 55, 55, 50 ,, | 320 ,, 24 ,, 55, 40, 65, 55, 40 ,, | 255 ,, 25 ,, 60, 65, 60, 55, 55 ,, | 295 ,, 26 ,, 40, 30, 35, 55, 30, 75 ,, | 265 ,, 27 ,, 60, 45, 60, 55, 20, 50 ,, | 290 ,, 28 ,, 65, 60, 70, 50, 60 ,, | 305 ,, 29 ,, 85, 65, 70, 60, 65, 75 ,, | 420 ,, 30 ,, 55, 65, 70, 70, 70 ,, | 330 ,, 31 ,, 80, 50, 60, 95, 75 ,, | 360 ,, 1 April 70, 60, 70, 50, 70, 85 ,, | 405 ,,

Meisje, S. E. K., geboren 16 Augustus 1915.